In deze paragraaf wordt aandacht geschonken aan de bijbelse stof waarvan Willem in zijn sproken blijk geeft kennis te
hebben. Er wordt hier voorbijgegaan aan Willems kennis van catechetische stof, dogmatiek, liturgie of de kerkleer in het
algemeen.*1 Het overzicht dat hier gegeven wordt, maakt evenmin als bijlage 11.3. Beknopt overzicht van `bijbelse
bronnen' aanspraak op volledigheid. Het is de bedoeling op deze plaats eerst globaal na te gaan welke stof uit welke
`bijbelboeken' het meest in Willems sproken terugkeert. Vervolgens wordt Willems specifieke bijbelkennis geïllustreerd aan
de hand van een aantal, min of meer treffende, detailvoorbeelden. Met dit overzicht mag niet de indruk gewekt worden dat
Willem bepaalde stof direct ontleend heeft aan de Bijbel, of in het bijzonder Middelnederlandse vertalingen of bewerkingen
van (delen van) de Bijbel. Zo goed als Willem zijn bijbelkennis kan hebben opgedaan door schriftlezing, zo goed kan hij zijn
kennis ontleend hebben aan catechese, (volks)preek*2, gesprekken met geestelijken, voordrachten van andere sprekers en
dergelijke meer. Wat betreft de mondelinge receptie van bijbelstof levert de frase `Alsmen ons leest van Lazaruse' (vs.203)
uit 83.Hoemen voer die eere gaet schulen wellicht een aardig voorbeeld. Nog duidelijker refereert Willem in109.Vanden
vier cussen aan een mondelinge receptie:
Die pijn ons Heren ende sijn doot
Hoert ic vertrecken teenre stede,
Ende wat van sinen leven mede;
Mar vier sticken sonderlinghe,
Die mi totter herten ghinghen,
Onthildic om te segghen voert.
[...]
Dair om wil ict te kennen gheven,
Een deel des ic daer verstont. (109; 10-15, 20-21)
Willems kennis van de tien geboden, zoals die blijkt uit 4.Van den X gheboeden, en zijn kennis van (een frase uit) het Pater Noster, zoals blijkt uit 109.Vanden vier cussen vs.135-140, behoeft ook niet zonder meer te wijzen op directe vertrouwdheid met het Oude en Nieuwe Testament. Elke ouder, schoolmeester of pastoor die in de middeleeuwen onderricht en catechese serieus nam, droeg er zorg voor dat respectievelijk kinderen, leerlingen en parochianen reeds op jeugdige leeftijd de tien geboden van buiten kenden. Tevens werd in de preek veelvuldig een opsomming gegeven van de tien geboden, al dan niet met nadere toelichting. Voorts bestonden er talloze teksten waarin de geboden, op zichzelf of in verband met andere zaken, werden behandeld.*3 Voor geen enkele leek bestond in de 14e eeuw de noodzaak om de Bijbel ter hand te nemen om daaruit de tien geboden te leren. Het memoriseren van het paternoster was zelfs één van de weinige verplichte onderdelen van de middeleeuwse catechese; iedere christen diende het - in het Latijn of de volkstaal - te kennen.*4
Pluym, tot op heden helaas de enige (katholieke) theoloog die zich met het werk van Hildegaersberch heeft beziggehouden, meent: `In de kennis der H.Schriften was Willem niet onervaren'.*5 Deze vaststelling lijkt terecht. Zelf beroept de sprookspreker zich wel op de `bibel', `scrift' of `scriftuer'*6, vaak als autoriteit, meestal in de betekenis van Heilige Schrift.*7 Het is echter niet in alle gevallen duidelijk of hij wijst op een specifieke tekst, en op welke tekst(passage) hij dan in het bijzonder doelt. Vermeldenswaard is hier zijn nogal stellige vers 169 uit 4.Van den X gheboeden: `Men vynt geen ede [=valse eden] in die scriftuer'. Dit suggereert belezenheid. Mogelijk baseert Willem z'n uitspraak op Jezus Sirach (Ecclesiasticus) 23:7-14 en Mattheüs 5:33-37 waarin geadviseerd wordt om in het geheel niet te zweren.
Te oordelen naar zijn sproken waren Willems voorkeur voor en kennis van de vier evangeliën het grootst. In twee gevallen verwijst de spreker naar een specifiek evangelieboek, wat erop kan duiden dat hij daadwerkelijk onderscheid wist te maken tussen de inhoud der vier boeken. In 64.Van die achte salicheiden verwijst Willem voor de zaligsprekingen expliciet naar het evangelie van Mattheüs (vs.31). In 95.Van den avontmael wijst de dichter zijn publiek op de gelijkenis van de verontschuldigingen: `Des ghelijc soe scrijft Lucas Een ewangelie inden zomer' (vs.297-298). Deze formulering verraadt overigens dat Willem zijn kennis heeft ontleend aan (de preek over?) de evangelielezing tijdens de eredienst, te weten op de vrijdag in de derde week na Pinksteren.*8
In de sproken komen vanzelfsprekend Christus' leer en leven meerdere malen aan de orde.*9 Uit Jezus' leven roept Willem zijn publiek vaker dan eens de geboorte, de passie en kruisdood, de nederdaling ter helle*10 en de opstanding in herinnering. Vooral bij Christus' kruisdood benadrukt hij veelvuldig de implicaties voor de verlossing van de mensheid. Maria, die in de late middeleeuwen onderwerp van grote verering was*11, speelt bij Willem een vrij bescheiden rol.*12 Zij wordt door hem uiteraard geroemd als Moedermaagd, die `ons die werre*13 Van Adams sonden al offdede' (45; 48-49). Dit is een citaat uit één van Willems opmerkelijkste gedichten, zowel naar vorm als naar inhoud: een gebed tot Maria, dat een mooiere titel had verdiend dan 45.Een notabel.
Meer dan terloops op de evangeliën steunen de sproken 25.Dat ewangelium van Paeschen,69.Vander verrisenis, 79.Vanden zekeren hope (evenwel ook steunend op het credo), 89.Een ewangelie en 109.Vanden vier cussen. Van de gelijkenissen uit de evangeliën behandelt Willem in59.Vander dwalinghe de gelijkenis van de verloren zoon en in 119.Vanden hofman de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard. Een toespeling op de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus treft men aan in 83.Hoemen voer die eere gaet schulen (vs.203) en op de gelijkenis van de verontschuldigingen - zoals gezegd - in 95.Van den avontmael.
Uit de evangeliën komen voorts nog twee uitgesproken stereotiepe personages bij Willem naar voren: Maria Magdalena als het model van de bekeerde zonda(a)r(es) en Judas als het type van de trouweloze verrader om geld.*14
Na de evangeliën strijden bij Willem het eerste en het laatste bijbelboek om de voorrang. Uit Genesis worden met enige regelmaat de schepping, Adam en Eva in het paradijs, de zondeval en de verdrijving uit de hof van Eden bij het publiek in herinnering geroepen.*15 Ook refereert de spreker aan de boom der kennis van goed en kwaad, de broedermoordenaar Kaïn, en aan Noach, bouwer van de ark.*16 Iets minder vaak treft men in de sproken verwijzingen aan naar de Apocalyps en dan wel in het bijzonder naar de opstanding en het oordeel op de Jongste Dag.*17
Geliefd bij onze dichter was zeker ook de oudtestamentische pleitbezorger van de wijsheid, koning Salomo.*18 Verschillende malen verwijst Willem naar diens Spreuken en Boek der Wijsheid. Met de volgende figuren verraden de sproken voorts bekendheid: Mozes, Jozua (zie Exodus), Samson (Richteren), David (I en II Samuel), Judas Makkabeüs (Makkabeeën), Darius (Nehemia, Makkabeeen en Daniël), Simeon (Lucas), Johannes (evangeliën), Petrus (idem, en Handelingen), Simon de Tovenaar (Handelingen) en Stefanus (idem).*19 Dan moet er hier nog melding worden gemaakt van de val van Lucifer*20, de opperduivel die bij Willem meermalen als prototype van de hoogmoed fungeert (zie o.a. Jesaja). Tot slot was Willem bekend met de Antichrist*21 (I en II Johannes).
Na dit globale overzicht van Willems bekendheid met bijbelstof, zal nu een aantal min of meer treffende detailvoorbeelden
worden gegeven. Willem refereert in 4.Van den X gheboeden, over Adam die `God int woert ende twoert in God' (vs.29)
kon horen, kennelijk aan Johannes 1:1: `In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was
God'.*22 Willem hanteert verschillende malen een meet-metafoor zoals bijvoorbeeld in Mattheüs 7:2: `Want met het
oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken'. De metafoor is
terug te vinden in het slot van 7.Vanden coninc van Poertegael:
Mar ghi, die meters sijt op eerden,
Draghet u maten in sulker waerden,
Dat ghi den meter dort verbeiden, [begrijp: God]
Die alle mate sal bescheiden. (7; 231-234)
In 16.Van drien bloemen zegt Willem over Jezus: `Die vanden water maecte wijn' (vs.55). Met dit vers kan naar niets anders verwezen worden dan naar de gebeurtenis op de bruiloft te Kana (Johannes 2:1-11). De moraal van 27.Van drien ghebroederen, `sent wat thuus [nl. de hemel] van uwen ponden' (vs.260), kan berusten op Mattheüs 6:19-21: `Verzamelt u geen schatten op aarde, waar ze door mot en worm vergaan en waar dieven inbreken om te stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar ze niet door mot of worm vergaan en waar dieven niet inbreken om te stelen. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.'
In 47.Van drierehande staet van heren lijkt Willem zelfs te refereren aan een schriftelijke bijbelbron:
Salomon, die wise man,
Die heefter dus ghescreven van
Int boeck der Wijsheit, daerment nach
Openbaer wel lesen mach (47; 63-66)
[...]
Salomon heeft gheseit
In sinen boeck der Wijsheit (47; 133-134)
[...]
Dies niet en ghelooft, die machet lezen
Int seste capittel vanden boecke
Soe mach hi horen off ic zoecke
Anders yet dan trechte waer (47; 138-141)
Met deze drievoudige verwijzing naar het Boek der Wijsheid toont Willem zich in elk geval zelfverzekerd over en
ingenomen met z'n specifieke kennis. Nergens is Willem zo precies in zijn verwijzingen naar bijbelteksten. Maar zoals het
niet geheel hoeft te verwonderen dat zijn enige verwijzing naar een literair werk nu juist naar de Lekenspiegel is, zo hoeft
het evenmin te verbazen dat hij precies naar deze bijbelplaats verwijst. Het navolgende citaat uit Boek der Wijsheid 6:1-5
toont dat wat daar verwoord staat, ook een centrale plaats in Willems gedachten inneemt:
`Luister dus, koningen, en weest aandachtig, laat u onderrichten, gij die rechtspreekt tot aan de grenzen der aarde. Spits uw oren, gij die over velen heerst en groot gaat op de menigten van uw volkeren, want uw macht is van de Heer afkomstig en uw heerschappij van de Allerhoogste, die uw daden zal onderzoeken en uw bedoelingen zal naspeuren. Gij zijt de dienaren van zijn koningschap, maar gij hebt niet goed geregeerd, de wet niet onderhouden en niet gewandeld volgens Gods wil. Huiveringwekkend en snel zal Hij tegen u optreden, want een onverbiddelijk vonnis treft de hooggeplaatsten.'
Naar de geest vindt men deze woorden bij Willem terug vanaf vs. 67. Zo zegt hij - Salomo parafraserend - in vs.67-69 `Dat
coninc en is noch heer so groot, Hi moet van Hem, die ons gheboot, Houden al sijn macht te lyen'. Met vs.77 begint de
spreker de woorden van Salomo in een min of meer letterlijke parafrase weer te geven, langzaamaan overlopend in eigen bewoordingen*23:
[...] Ghi baroene,
Die recht bevolen is te doene,
Doeter toe u oren zaen,
Soe moechdijt horen ende verstaen
Wat ic spreke ende hoe ict meene.
Van u allen en is ghene
Soe rijcke noch soe machtich met,
Ghi en moet ten oerdel sijn gheset,
Daer al u wercken sullen blycken.
Weder den armen noch den rijcken
En salmen daer geen onrecht wisen:
Daer mach den ghenen wel of grisen,
Die tgoede recht alhier verdringhen (47; 77-89)
Parafraserend zijn ook vs.135-137: `Alsoe veel als si heer sijn, Alsoe veel harder sal hoer pijn Ende hoer sentenci moeten wesen'. In deze zelfde sproke blijkt Willem ook van koning David te weten. Als hij in vs.26-29 zegt: `Als David inden sonden vel, Hy bekende sijn misdade, Hy riep an God, hi bat ghenade Soe langhe dat hi creech perdoen', doelt hij daarmee op de geschiedenis van David en Batseba (II Samuel 11 en 12:1-25).
In 53.Van gheduricheit [standvastigheid] treft men een duidelijke referentie aan als Willem van het oordeel spreekt:
Daer staet van Gode dus ghescreven,
Dat dan sijn woorden sullen snyden
Als een zwaert an beyden zyden,
Dat te slane is ghetoghen. (53; 46-49)
De Schriftwoorden betreffen (de brief van Paulus aan de) Hebreeën 4:12-13: `Want het woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van gewrichten en merg. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van de mens. Geen schepsel is voor Hem verborgen, alles ligt open en bloot voor zijn ogen. Aan Hem hebben wij rekenschap af te leggen.'
Willem beroept zich in 70.Van ses articulen der werlt op `bybel' (vs.18) en `scriftuer' (vs.25) voor de indeling van de
aardse tijd in zes tijdperken. Dergelijke indelingen in tijdvakken van globaal 1000 jaar werden gemaakt op grond van
passages uit de Apocalyps (Apoc.6; de eerste zes zegels. Apoc.20; het duizendjarig rijk). Augustinus relateerde de zes
tijdperken aan de zes scheppingsdagen in zijn De civitate Dei.*24 Bij Willem lopen de zes tijdperken aldus: 1.van Adam tot
Noach, 2.van Noach tot Abraham, 3.van Abraham tot Mozes, 4.van Mozes tot David, 5.van David tot Christus en 6.van
Christus tot het einde der tijden. Het zevende `tijdperk' treedt in na het Laatste Oordeel. Deze indeling in tijdperken
impliceert dat er van Adam tot Christus zo'n 5000 jaar zijn verstreken. Volgens middeleeuwse opvattingen lag er om
precies te zijn 5199 jaar*25 tussen Adam en Christus' kruisdood. Dit strookt met wat Willem beweert in 61.Van ghilden:
Want men seitet ons voer waer,
Dat LIIC jaer
Voer ter hellen jonc ende out
Overmits Adams schout,
Dat hi betaelde mildelike,
Die Goods zoen van hemelrijcke (61; 61-66)
Na de zondeval van Adam ging ieder in de navolgende tijdsperiode van 5200 jaar naar de hel (waartoe ook het voorgeborchte gerekend moet worden, waaruit de oudtestamentische rechtvaardigen door Le-zus werden bevrijd), tot aan de verlossende kruisdood van Christus. In77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden zegt Willem dat het huwelijk tussen man en vrouw door God in het paradijs werd ingesteld `Eer Jhesus Cristus wert gheboren Vijf dusent jaer of daer by' (vs.110-111). Ook dit strookt met de indeling in tijdperken van globaal 1000 jaar. In dit geval is `Vijf dusent jaer' - zoals Willem in zijn formulering reeds laat uitkomen - een benaderingsgetal*26. In laatstgenoemde sproke zegt Willem voorts in vs.153-154 over Jezus: `Daer sijn veel woninghen bereyt Int rijck sijns vaders, heeft hi gheseit'. Dit is een duidelijke toespeling op Johannes 14:2, waar staat: `in domo Patris mei mansiones multae sunt'.*27
Diverse toespelingen treft men aan in 79.Vanden zekeren hope, een sproke die later nog ruimer aan bod komt. Eén allusie op de Bijbel springt er enigszins uit. Christus' woorden bij het oordeel, `Ghi selt comen ende ghi selt gaen' (vs.184), sluiten aan bij de voorstelling van het oordeel in Mattheüs 25:34 en 41: `[...] Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is [...]. Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten'.
In vs.18-20 van 86.Van rechters wordt een vrij letterlijke toespeling gemaakt op I Samuel 8:3. Willem dankt zijn citaat aan
een clerk, die het voor hem uit de Vulgaat zal hebben vertaald:
Daer stont ghescreven openbaer
Int Latijn, alsment mi las:
`Si namen gave,' sijt seker das,
Aldus soe hilt die letter slecht,
`Ende om die gave keerden trecht'*28 (86; 16-20)
In de bedoelde bijbelpassage staat: `Maar de zonen [nl. van Samuel, door hem aangesteld als richters over Israël] bewandelden niet de wegen van hun vader; zij waren op eigen voordeel uit, namen geschenken aan en verkrachtten het recht'.*29
De centrale verzen uit 89.Een ewangelie luiden: `Nochtan soe heeft God ghesproken: Wye hem vernedert hier int leven, Als onse nature wert ghebroken, Dat hi mit Gode sal sijn verheven' (vs. 33-36). Het is een parafrase van Jezus' woorden volgens Mattheüs 23:12: `Alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden'. De sproke is in feite een uitleg en commentaar bij deze evangeliewoorden.
In 91.Van tween bomen komt Willem te spreken over vergiffenis. De mens moet de berouwvolle zondaar kunnen
vergeven, zoals Jezus Maria Magdalena vergaf. De spreker voegt daar aan toe:
Want hi, die heer is alre heren,
Die heeft ghesproken dat hi meent:
Soe wye sijn zonden hier beweent,
Daer en wert gheen oerdel of gheseten, (over geveld)
Want hi wilse thants vergheten (91; 164-168)
Er is hier naar alle waarschijnlijkheid sprake van een verwijzing naar de leer zoals uiteengezet in I Johannes 1:9: `Als wij onze zonden belijden, is Hij zo getrouw en genadig, dat Hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle kwaad'.
De sproke 92.Van feeste van heren opent alsvolgt:
Salomons woert dat wil ic prisen,
Tot onser leer een deel bewisen;
Wanttie scrifte van hem hout
Boven sulver ende gout,
Boven steente, boven crude (92; 1-5)
Deze verzen lijken een allusie op Salomo's Spreuken 8:10-11, waar staat te lezen: `Aanvaardt mijn onderricht, liever dan zilver en verkiest mijn kennis boven uitgelezen goud; want de wijsheid is meer waard dan koralen en geen kostbaarheden komen haar nabij'.*30 In deze sproke beroept Willem zich driemaal op een uitspraak van Salomo: `Soe heeft hi sonderlinghe ghepresen Weldoen ende blyde te wesen' (vs.9-10), `Denct om twoort van Salomon: Blyde te sijn ende wel te doen, Dat heeft hi sonderling gheprijst' (vs.83-85), en tenslotte `Hier om heeft Salomon gheseit Dat weldoen ende vrolicheit Te gader al in een bewant Voor talre beste dat hi vant' (vs.107-110). Hoe ondubbelzinnig Willems woorden op dit punt ook mogen zijn, het blijft onduidelijk op welke bijbeltekst hij precies zinspeelt (zie ook het slot van 103.Salomons woert).*31
Het gedicht 93.Van ja ende neen is geïnspireerd op Mattheüs 5:37: `Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bij komt, is uit den boze'. Men zie bijvoorbeeld bij Willem vs. 49-50, `Spreecti Ja, dat suldi laten Bliven Ja', en vs.57-58, `Ende spreecti Neen, dat laet oec bliven Neen'. Hij maakt er daarbij gewag van dat er lieden zijn die wat anders van zins zijn `Dan Neen te houden ende Ja, Elkerlijc alst hem betaemt, Si en volghen liever der boosheit na' (vs.113-115).
In de sproke 106.Van karitas treft men voortdurend verwijzingen aan naar het dubbele liefdesgebod van Christus, zoals
onder andere verwoord in Marcus 12:29-31: `Jezus antwoordde: `Het eerste is [...] Gij zult de Heer uw God beminnen
[...]. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee'.'*32 Jezus'
woorden `Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke in het Koninkrijk
Gods te komen'*33 worden door Willem bovendien aldus weergegeven:
Men soude een kemel lichter jaghen
Doer een naelde sonder sneven,
Dan hem ten eweliken leven,
Die Gode in minnen niet en dient. (106; 66-69)
Tenslotte vormen vs.31-34 uit 112.Twisschen wil ende die waerheit, `Ic bin die wech ende die waerheit, Wye mi volghet, hi sel naken Den rechten pat ende dbeste raken', een enigszins vrije weergave van Christus' woorden volgens Johannes 14:6: `Jezus antwoordde hem: `Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij'.'*34
Vastgesteld kan worden dat Willems `bijbelkennis' heel behoorlijk was. Dit betreft zowel zijn kennis van de meer complexe stof als van details. Men moet daarbij in aanmerking nemen dat de dichter een leek was. Met de evangeliestof lijkt Willem voldoende vertrouwd te zijn geweest om elementen, verhalen en argumenten daaruit naar believen in zijn gedichten te pas te brengen. Dit geldt tot op zekere hoogte ook voor stof uit Genesis en Apocalyps. Het is verleidelijk te veronderstellen dat Willems bijbelkennis zo ongeveer het midden houdt tussen de kennis van de leken uit zijn geboortedorp Hillegersberg en de kennis van de clerken in het algemeen. Is het denkbaar dat Willem bij zijn dorpsgenoten kon doorgaan voor een bijbelkenner, zijn elitaire lekenpubliek zal in kennis ongeveer op hetzelfde niveau hebben gestaan. Voorzover daar aan de hand van de sproken een uitspraak over valt te doen, staat Willem als leek in bijbelkennis verre ten achter bij clerk-auteurs als Maerlant (auteur van de Rijmbijbel) en Boendale (auteur van deLekenspiegel) en een clericaal geschoolde spreker als Augustijnken. Aan het Hollandse hof kon men weliswaar beschikken over de theologische geleerdheid van geestelijken als Willem de Biechtvader, de mogelijke auteur van het Nuttelijc boec*35, en Dirc van Delft, schrijver van deTafel vanden Kersten ghelove. Van Oostrom heeft zich evenwel afgevraagd of het werk van Dirc van Delft niet te geleerd was om door een Hollands lekenpubliek ten volle te kunnen worden begrepen.*36 Wat dat betreft zal Hildegaersberchs werk beter hebben aangesloten bij het niveau van het hofpubliek. En het was misschien ook daarom dat de abdis van Rijnsburg aan Willem opdracht had gegeven om een gedicht op de tien geboden te maken: het is niet ondenkbaar dat het gedicht bestemd was om voorgedragen te worden aan het Hollandse hof, of aan edele familieleden van de nonnen.*37
Waar Willem de Biechtvader en Dirc van Delft wellicht soms te geleerd waren voor hun lekenpubliek, wist Hildegaersberch in zijn behandeling van bijbelstof mogelijk beter de juiste toon te treffen. De bijbelstof waarop hij zijn toehoorders attendeerde, zal hij hen naar alle waarschijnlijkheid letterlijk in herinnering hebben geroepen. Er zal met andere woorden geen sprake van zijn geweest dat de spreker zijn gehoor met nieuwe informatie heeft geconfronteerd. De bijbelstof, waarop Willem zijn publiek attent maakte, zal vaker gefunctioneerd hebben als bevestiging van wat men al wist, dan als onderwijzing in nieuwe kennis: de sproken hebben in theologisch opzicht kortom vooral ter confirmatie gefungeerd, en nauwelijks ter instructie.