Men moet in Willems werk onderscheid maken tussen de expliciete en impliciete kanten van zijn poëtica en dichterlijke
techniek. In deze paragraaf zal aan beide aspecten aandacht worden besteed, te beginnen met Willems expliciete uitspraken
over de dichtpraktijk, het dichten in het algemeen en zijn opvattingen hierover in het bijzonder. Zijn werk bevat ruim dertig
`poëticale passages':
| ged., vs. | ged., vs. | ged., vs. |
| 2, 1-10 | 61, 1-33 | 86, 1-25 |
| 4, 617-626 | 64, 1-19 | 99, 22-27 |
| 7, 1-26, 104-110 | 68, 14-23, 30-31 | 106, 1-31 |
| 21, 1-37 | 73, 1-3 | 107, 1-9 |
| 24, 1-27 | 74, 12-33 | 109, 1-21 |
| 31, 1-22 | 78, 1-7 | 111, 1-27 |
| 33, 1-20 | 81, 1-31, 454-473 | 112, 1-3, 21-29 |
| 41, 1-7 | 82, 1-23 | 115, 44-50 |
| 56, 149-167 | 83, hele gedicht | 118, 1-25 |
Uit de kwantiteit (maar ook de kwaliteit) van zulke `poëticale passages' mag men afleiden dat Willem duidelijk gepreoccupeerd was met de praktijk van het dichten, dat hij daar regelmatig getuigenis van wenste af te leggen en dit dan bij voorkeur in de proloog, voordat hij het eigenlijke onderwerp van zijn sproke aansneed. We moeten dit vooral begrijpen in het kader van Willems wens tot (op)waardering van zijn dichterschap (zie par.4.2.).
De inhoud van de eerstvolgende sub-paragraafjes wordt gedicteerd door de onderwerpen die Willem zelf in zijn sproken
aangesneden heeft met betrekking tot zijn dichtpraktijk. De diverse facetten worden stuk voor stuk besproken. Daarna zal
aandacht worden besteed aan andere aspecten van de poëtica en dichterlijke techniek zoals die uit de gedichten kan worden
afgeleid, maar waarover Willem zelf niet met zoveel woorden spreekt.
Stofvinding
Eén van de motieven die regelmatig terugkeren in Willems poëticale passages is die van de stofvinding, die in de retorica wordt aangeduid als inventio. Willem hanteert hierbij graag de begrippen `materi' en `vinden' (en soms `visieren').*1
Vrij concreet met betrekking tot de stofvinding zijn 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven, 33.Van dominus en 86.Van
rechters waarin Willem vertelt dat hij (een deel van) zijn stof te danken heeft aan clerken, die hij geraadpleegd heeft om
voor hem teksten uit het Latijn te vertalen.*2 Het is niet onaannemelijk dat Willem geregeld dankzij clerken aan zijn stof
kwam, getuige de woorden:
Al heb ic menich dinc ghevonden,
Dat int Latijn bescreven staet,
Dair toe moet ic nemen raet
Mit clercken, diet mi duutschen voert. (33; 14-17)
Het vinden van dichtstof is een heel werk voor een lekedichter, zo getuigt Willem in61.Van ghilden: `Wie dat dichten wil
hantieren, Die moet menich dinc visieren, Des ander luden ledich staen' (vs.1-3). De lekedichter heeft veel problemen met
de inventio, in tegenstelling tot de clerken, met hun grote boeken- en bijbelkennis en hun geschriften onder handbereik
(vs.25-27). De lekedichter moet lang zoeken en diep nadenken over allerhande zaken, maar als hij er uiteindelijk in slaagt
een goed onderwerp te vinden waarmee hij zijn medechristenen kan onderwijzen, dan mag hij met recht een meester heten,
getuige 78.Vanden ghedencke:
Dichters conste doet versieren (bedenken, uitdenken)
Vremde sinnen menighertieren,
Beyde van dien ende oec van desen.
Hi mach mit recht een meester wesen,
Die alle dinc int beste keert,
Ende sijn evenkersten leert
Exempel, die die goede prysen.*3 (78; 1-7)
Concreet is Willems verantwoording voor het dichten van 4.Van den X gheboeden. Hij heeft het gedicht gemaakt in
opdracht van de Rijnsburgse abdis: `Dair om soe heeft hi dit ghevonden' (vs.621). Ook voor het dichten van 83.Hoemen
voer die eere gaet schulen was een reële aanleiding:
Ic wil ontbinden trechte waer,
Hoe dese materi wert ghevonden.
Tquam een dichter tenen stonden,
Daer men hoofde om eer te crighen;
Hi ghinc daer spreken ende nyghen
Voer den waert ende al sijn gast (83; 36-41)
Dan volgt het verhaal waarin Dirc die Commelduer de rol van wanbetaler speelt. Verder blijkt het horen van - waarschijnlijk - een (volks)preek aanleiding te zijn geweest voor het dichten van109.Vanden vier cussen, als we Willem op zijn woord mogen geloven. Hij verklaart dat hij ergens had horen gewagen over Christus' leven, passie en dood (vs.10-12) en zegt: `Mar vier sticken sonderlinghe, Die mi totter herten ghinghen, Onthildic om te segghen voert' (vs.13-15). In paragraaf 4.3.1. is reeds gesignaleerd dat Willem het nodige van-horen-zeggen wist.
De dichter is altijd op zoek naar nieuwe onderwerpen om over te dichten - of misschien nauwkeuriger: hij is steeds op
zoek naar stof waarmee hij zijn onderwerpen opnieuw kan inkleden. De Bijbel fungeert voor Willem als een belangrijke
inspiratiebron (zie ook par.4.3.3.), en niet voor niets zegt hij in de proloog van 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven:
Die dichten connen ende vinden,
Die horen altoes gaern onbinden
Die woerden Goods entie scriftuer,
Omdat si gherechtich ende puer
Ewelijck sel bliven staen. (21; 1-5)
Maar ook buiten de Bijbel om komt Willem aan zijn stof (zie ook par.4.3.2. en 4.3.4.). In 74.Van Sinte Gheertruden min
verklaart hij dat hij diep moest nadenken `Om schone materi te vinden' (vs. 13) ter berijming. Goede gedichten die Willem
na aan het hart liggen (vs.23-24), zo zegt hij, vereisen veel `peynsen ende visieren' (vs.21). Uiteindelijk vond hij een nieuw repertoirestuk:
Wildi die waerheit weten al,
Ic bleefs an een, die mi behaechde;
Ende quaem ic, daers my yemant vraechde,
Ic wilt berechten sonder beyden,
Ende mit reden onderscheyden
An wat materie dat ics bleef,
Ende in minen sinne screef,
Soe dat ics heb een deel onthouden. (74; 26-33)
Willem onthield de St.Gertrude-vertelling, zo suggereren zijn woorden, berijmde de stof en droeg het voor aan eenieder die
het wilde horen. Andere inventio-passages zijn minder concreet, zoals het begin van de titelloze sproke over het bestuur
van steden:
Ic heb gevonden of gehoert
In mynen sin een nuttelijc woert,
Dat ic geerne soude ontbynden,
Cost ic in mijn memori vynden
Rechte rijm ende waer beduyt. (2; 1-5)
De formulering lijkt erop te duiden dat Willems voor het maken van zijn sproke deels uit zijn geheugen (Boendale!) en deels uit zijn eigen creativiteit heeft geput.
Topisch van karakter zijn de inventio-passages die gecombineerd worden met deSpaziergang; de dichter trekt de natuur in
om inspiratie op te doen voor een gedicht. Men zie de prologen van 68.Vanden spieghel, 74.Van Sinte Gheertruden min en
99.Vanden doern ende vander linde, of de proloog van 81.Vanden sloetel, waarin Willem zegt dat hij bij een wandeling in
de natuur `te dichten wert vermaent' (vs.5). De dichter beschrijft de schoonheid van de natuur en verklaart:
Nature trat den wille naer*4
Ende anders crachten vanden sinnen, (voorts)
Dat ic dichtens most beghinnen
Ende mijn sinnen onledich maken.
[...]
Mijn ghepeins ende mijn ghedochte
Die wort in dichten zeer becoort.
Dus ghinc ic weder ende voert
Om een materi te ordineren, (stof te ordenen)
Die sonder enich argueren (afkeuren)
Ghepresen worde vanden goeden (81; 8-11, 20-25)
Een enkele maal laat de dichter weten op zoek te zijn naar `iets nieuws'. Aan het slot van4.Van den X gheboeden merkt
Willem op dat als iemand met verbeteringen op het gedicht kan komen, hij dit graag hoort, want `Soe gaern wil hi wat
nyewes horen' (vs.626). In 32.Vanden ouden ende vanden jonghen laat de spreker een jonkvrouw tegen hem zeggen dat
het `is guet wat nyewes vertoghen' aan een dichter, want `Lichte hi mochte daer bi verwrecken [geïnspireerd worden] Ende
een materi daer uut trecken Dair hy op dichten mocht hier naer' (vs.80-83). In12.Van enen cruut ende hiet selve ontwaart
de dichter een knaap en zegt:
Ic wil den knape bet naerre gaen,
Lichte hi doet mi verstaen
Dinghen die ic niet en weet.
Met een trac ic bet an ghereet
Om nyeuwe mare van hem te horen.
Tis dicke gheseit al hier te voren,
Dat nyeuwe dinghen sonder blaem
Die sijn te horen seer bequaem,
Waermense vertrect tenigher stede. (12; 39-47)
Al zijn deze verklaringen ingebed in een fictioneel kader, toch lijken ze de nieuwsgierigheid van de beroepsspreker op zoek naar nieuwe stof (en ook de nieuwsgierigheid van zijn publiek) adequaat te typeren.
De nadruk die de spreker legt op de inspiratie en stofvinding zal voornamelijk tot doel hebben gehad het publiek ervan te
doordringen dat hij telkens, al zoekend, met de grootste toewijding aan z'n gedichten heeft gewerkt, en dat hij als spreker
en dichter dus ook serieus genomen diende te worden. Niet voor niets besluit Willem zijn proloog van 7.Vanden coninc
van Poertegael met de woorden: `Ick en dichter gheen dinc an Dan talre beste dat ic can' (vs.25-26). De inventio-passages
attenderen het publiek er voorts soms op dat er `iets nieuws' gaat volgen.
De waarheid
Dat Willem serieus werk maakte van zijn gedichten, brengt hij ook tot uitdrukking in het belang dat hij hecht aan de
waarheid. De sprookspreker wil `twaer ontbinden voerden heren' (7; 16). Immers: `wye hem dichtens wil bewinden, Die sel
die waerheit te kennen gheven' (82; 10-11).*5 Willem hecht als dichter zozeer waarde aan de waarheid, dat van (enkel)
topiek geen sprake kan zijn. In paragraaf 6.3. zal daarom uitgebreider worden ingegaan op Willems waarheidsconceptie.
De relatie tussen Willems werk en Boendale's poëticale opvattingen (met name omtrent de waarheid) komt hier aan het
einde van deze paragraaf nog aan de orde.
Ethiek: moralisatie en vermaan
Willem stelt over het algemeen hoge eisen aan de dichtkunst. Een enkele maal heeft hij zich laten verleiden tot vermaak,
maar moralisatie en vermaan staan meestal voorop; zelfs zijn boerden zijn niet van een moraal ontbloot. Willem werpt zich
regelmatig op als goede raadgever.*6 Op wereldlijk niveau concentreert zijn ethiek zich regelmatig op het `rechtvaardig
bestuur', op geestelijk niveau richt hij zich veelvuldig op het zieleheil van z'n toehoorders; beide aspecten zijn overigens niet
los van elkaar te zien. Over de functie van zijn lering en vermaan zegt Willem in109.Vanden vier cussen: `By goeder
vermaninghe ende leer Soe vreest hem menich mensche zeer Vander ewelyker pijn' (vs.5-7). De sprookspreker mengt zich
op dichterlijke wijze in de strijd tegen het (aardse) kwaad:
Wye soe te dichten hevet lust,
Die doet die bose hem selven kennen,
Hoe si hier mit valen mennen. (slinkse wegen bewandelen)
Ist om miede of ist om ghicht, (steekpenningen)
Men selse roeren int ghedicht,
So moghen si horen of si dwalen. (82; 18-23)
De uitspraak zegt ook iets over het publiek: de gekritiseerden bevinden zich onder het gehoor. De sproke 99.Vanden doern
ende vander linde heeft Willem, naar zijn zeggen, gedicht `Op dattet salicheit inbrochte Onder tfolc van aertrijcke'
(vs.26-27). En in de proloog van 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten geeft de spreker als het ware een resumé van z'n repertoire:
Al mijn dichten ende leren
Is gherechticheit ende eer,
Die betaemt wel elken heer. (111; 12-14)
En hij vervolgt dat hij steeds heeft gewezen op het rechte pad dat tot het eeuwige leven leidt, en heeft gewaarschuwd voor
het verkeerde pad dat naar de hel toe voert. Uit Willems uitlatingen valt op te maken dat bij het vervaardigen van gedichten
de morele aspecten voor hem een prominente plaats innemen, zoals in de loop van deze studie nog duidelijker zal worden.
Schoonheid
Een duidelijke moraal alleen blijkt niet te voldoen voor het welslagen van een gedicht. De sproke dient in zeker opzicht ook
`schoonheid' te bevatten en `genoegen' te schenken. Immers: `Een schoen vertreck van nyewen sanghe, Dat heeftmen gaern
ter heren hove' (56; 166-167). Ethiek en esthetiek zijn bij Willem, als hij erover komt te spreken, soms ten nauwste met
elkaar verbonden. In 68.Vander spieghel merkt de dichter bij een inspirerende Spaziergang op dat hij wat wil dichten `tot
onser vraem' (vs.16) en dat hij wil `te kennen gheven Yet dat ghenoechlijc waer te horen' (vs.22-23). En hij voegt er aan
toe: `Want om een redelic verstaen Dichtmen rime ende schone woort' (vs.30-31). In de proloog van 86.Van rechters
spreekt Willem de hoop uit dat zijn publiek de sproke ten volle zal begrijpen, `Wantmen macher leren aen Schoen exempel
ende goet' (vs.8-9). In 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten zegt de spreker over zijn repertoire: `Schone exempelen ende
goet Heb ic ghesproken voerden heren' (vs.10-11). En hij opent zijn sproke24.Vanden serpent aldus:
Een dichter die te dichten pliet,
Die pijnt hem gaerne te vinden yet
Dat den luden inden oren
Wat ghenoechte brenct te voren,
Ende int verstaen oeck wijsheit mede (24; 1-5)
Dat de lering dan uiteindelijk toch voorop staat, blijkt uit de twee navolgende verzen. Tenslotte lijkt Willem in het titelloze gedicht (over het bestuur van steden) over de dichtkunst te zeggen: `Wie sijn reden wel besluyt*7, Dat is genoechlijk te horen Den wisen vroeden voer den oren' (2; 6-8).
Toch blijft het vrij onduidelijk waarin de `schoonheid' en het `genoeglijke' van de sproken nu schuilt. Lyrisch van toon zijn z'n sproken zeker niet, met uitzondering van 45.Een notabel(Willem kón kennelijk wel lyriek dichten, maar wílde het niet). Een aantal sproken kan zeker als vermakelijk aangemerkt worden, zoals 15.Van Reynaert ende van Aven, 17.Vanden waghen,24.Vanden serpent, 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert en 85.Vanden monick. En diverse verhalende sproken en gedichten met uitgewerkte exempelen kunnen als onderhoudend beschouwd worden, zoals bijvoorbeeld 7.Vanden coninc van Poertegael, 23.Vander wankelre brugghen, 36.Van Affricanus, 74.Van Sinte Gheertruden min en 84.Vanden sacramente van Aemsterdam. Het is evenwel ook denkbaar dat Willem eerder doelt op zijn strofische gedichten met bijzondere rijmschema's of refreinregels, als hij aan het `kunstschoon' van zijn sproken refereert. Het is daarentegen opmerkelijk dat geen van de bovengeciteerde passages afkomstig is uit een strofisch gedicht. Mogelijk doelt Willem er zelfs slechts op dat hij soms weerbarstige stof prettig en trefzeker op rijm wist te zetten, om daarmee het luistergenot van het publiek te verhogen.
Het heeft er toch alle schijn van dat de `schoonheid' van een gedicht mede bepaald wordt door de inhoud ervan (het onderwerp) en door de manier waarop de stof wordt ingekleed. Dit zou althans kunnen verklaren waarom de dichter nooit over de schoonheid spreekt zonder expliciet het nuttigheidskarakter van de inhoud erbij te betrekken. De sproke lijkt `schoon' te zijn als hij `wáár' is, `nuttig' en `bruikbaar'.*8 En de wijze waarop de dichter zijn onderwerpen telkens anders inkleedt, de manier waarop de `waarheid' verwoord wordt (met argumenten, fabels, exempelen, explicaties, sententies, autoriteiten e.d.), levert mogelijk een aanzienlijke bijdrage aan de `schoonheid' van de tekst.
Willems esthetische opvatting van de dichtkunst lijkt derhalve sterk gerelateerd te zijn aan het nuttigheidskarakter en het
geclaimde waarheidsgehalte van zijn sproken.
Kunst
Hildegaersberch heeft een hoge dunk van de kunst*9, waartoe ook de dichtkunst behoort. Nergens verwoordt hij dit
duidelijker dan in 83.Hoemen voer die eere gaet schulen:
Waer vrou Eren vrienden hoven,
Daer sietmen dichters conste loven
Ende ander constenaers daer by:
Dat doet, het is een melodi,
Die den goeden toebehoert (83; 83-87)
[...]
Const is die alrehoochste schat,
Diemen ter werlt ye besat,
Want waer ter werlt conste ghien, (geen)
Soe soudmen menich wonder zien. (vreemd opkijken)
Conste versiert die werlt al; (versiert, beschrijft)
Subtijlheit veel sonder ghetal
Machmen noch by consten leren (83; 131-137)
[...]
By const is alle chierheit vonden (83; 143) (vreugde, sier)
Niets is zo belangrijk als kunst: kunst is leerzaam, biedt een dieper inzicht in het bestaan, en schenkt vreugde. De wereld kan niet zonder kunst, evenmin als het eervolle publiek dat kunst op waarde weet te schatten. Willem betrekt de wetenschap zelfs bij de kunst, namelijk de `conste seven' die hij noemt in vs.139. De betekenis van `const' beperkt zich dan niet meer tot `kunst', maar heeft zich uitgebreid met `wetenschap'. De dichter lijkt ermee te willen suggereren dat de grens tussen kunst en wetenschap vaag is: zij voeden elkaar en zijn de mensheid van direct nut.
De spreker klaagt er soms over dat de kunst bij het publiek aan betekenis inboet. Men heeft althans voor echte kunst
weinig geld meer over, zoals blijkt in 64.Van die achte salicheiden:
Meesters, die wel dichten conden
Ende wijlneer goede exemplen vonden,
Die worden allesins gheheert:
Nu is die werlt soe verkeert,
Datmen der consten luttic acht;
Want ghiericheit mit hoerre macht
Die heeft die werlt nu beseten. (64; 1-7)
Vroeger was het beter. Voorheen was men gewoon de waarheidslievende dichters te eren, getuige24.Vanden serpent:
Dichters waren wel ghehoert
Die wijl datmen die waerheit minde;
Ende waermen doe een dichter kinde,
Hy wort gheëert, hi wort ghepresen,
Sijn naem ghespreet, sijn lof gheresen.
Mocht den dichters dat gheschien,
Sy souden noch wel dichtens plien,
Die nu zwighen ende loven (24; 8-15)
Veel dichters zwijgen tegenwoordig of vleien hun publiek met lofdichten (in de hoop op een rijke beloning), terwijl de
waarheid niet meer (uit)gesproken wordt. Uit 41.Van seven doechden der minnen klinkt een vrijwel identieke klacht op:
Dichters conste was ghepresen,
Doe die goeden hoer edel wesen
Bruucten inder eren naem:
Nu ist den sulken onbequaem,
Datmen hem die waerheit seecht. (41; 1-5)
Willem zal hier wel enigszins overdrijven met de bedoeling waardering (en navenante beloning) van zijn publiek te
verkrijgen, men zou haast zeggen: af te dwingen.*10
`Onwillig' publiek
In z'n poëticale passages komt Willem regelmatig terug op het motief van het `onwillige' publiek.*11 Hij neemt daarbij een
defensieve houding aan. Hij klaagt dat de toehoorders weinig interesse aan de dag leggen voor zijn vermanende
onderwerpen - of er zelfs vijandig tegenover staan - en dat zij zich tevens weinig van zijn goede raad aantrekken. Eén lange
proloog, waarin alle voornoemde elementen aanwezig zijn, moge hier ten voorbeeld strekken.*12 Het is de proloog van
118.Opt voersien:
Wat ic dichte of wat ic make,
Dat staet te straffen of te laken;
Wye die waerheit node horen,
Dien ist contrari voerden oren.
Willen dichters segghen twaer
Daer die waerheit is contraer,
Soe wert hi thants een onweert gast.
Sel een dichter staen te last,
Om dat hi die waerheit seit,
Daer oerbaer ende baet an leit,
Wat ghenoecht ist dan te dichten?
Ic mocht mijn woorden liever zwichten (beteugelen)
Dan ic sprake dit of dat,
Daer mi die luden om worden hat.
Tfolc ter werlt is ongelijc:
Dicht ic vanden hemelrijc,
Dat wy daer om souden poghen,
Dats hem duuster voorden oghen.
Die der werlt minnen zeer,
Si volghen luttel wiser leer;
Si minnen die werlt wel voer God,
Want si doen der werlt ghebod.
Goods ghebot ende sijn begheren
Dat slaen si licht of half te scheren.
Waer op sel ic dichten dan? (118; 1-25)
Uiteraard moet hier tot op zekere hoogte ook overdrijving in het spel zijn. Willems voorstelling van desinteresse bij zijn
publiek strookt geenszins met het beeld van de gevierde Hollandse sprookspreker dat we van hem hebben op grond van
andere gegevens. Mogelijk is deze voorstelling van zaken ingegeven door de frustratie dat men zijn adviezen niet steeds ter
harte nam. De klachten worden door Willem in elk geval óók geuit om zodoende juist het belang van zijn sproken te
kunnen benadrukken.*13 De spreker heeft zich kennelijk ook niet uit het veld laten slaan. Immers: `Doch ist beter wat dan
niet' (109; 4).
Indekken
Indien de dichter te zeer het achterste van zijn tong liet zien, liep hij het gevaar dat hij zich de woede van zijn publiek op de
hals haalde. Hij kon zijn toehoorders niet al te scherp aanvallen om niet van smaad beschuldigd te worden. Dit zou zijn
broodwinning niet ten goede komen.*14 In81.Vanden sloetel verklaart Hildegaersberch te hebben getracht `een materi te
ordineren, Die sonder enich argueren [afkeuren] Ghepresen worde vanden goeden' (vs.23-25). Hij legt uit:
Want een dichter moet hem hoeden
Voerden ghenen diet sullen horen,
Dat sijs in nide noch in toorn
Niet en nemen dat hi maect (81; 26-29)
In hoofdstuk 9 zal worden teruggekomen op de voorzichtigheid die de spreker in acht moest nemen.
Bescheidenheid en opleiding
Een enkele maal toont Willem zich bewust van zijn beperkingen als dichter. Zo spreekt hij in de openingsregel van 52.Een
exempel van partyen van zijn `zwacker const'. Meer expliciet bekent hij in 81.Vanden sloetel dat hij soms `op de tast' moet
dichten en dat een grotere boeken- en/of Schriftkennis welkom ware geweest bij het componeren van gedichten:
Ende wilre yemant meer an scriven,
Dat den sloetel quaem te baten,
Ic wils mi gaern ghenoeghen laten
Sonder toern vander saeck,
Al ist dat ic een luttel maeck
Ende ics niet wel en can versinnen;
Mer twisken verliesen ende winnen
Soe mach ic slaen den blinden slach,
Als die ghene die nye en sach
Ende byden tasten volghet die pade:
Hi mach wel duchten sijnre schade,
Valt hi neder inder vlyet;
Mar die die scrifte wel beziet
Ende verstaet wat si heeft in,
Die mach wel bet den rechten sin
Ontbinden dan ic can ghedoen. (81; 456-471)
Willem stelt zich bescheiden op: dichters met een meer gedegen kennis van geschriften - begrijp: clerken - zouden het
betoog beter hebben kunnen inkleden en de kern van de zaak overtuigender kunnen treffen. Het behoeft niet direct valse
bescheidenheid van de spreker te zijn, maar het heeft er wel veel van weg dat hij het publiek gunstig wil stemmen en voor
zich innemen. In de retorica spreekt men in zo'n geval van benevolum facere (a nostra persona).*15 Ook in de proloog
van61.Van ghilden lijkt Willem de nodige humilitas in acht te nemen als hij zijn beperkingen in opleiding en tekstkennis
thematiseert (zie par.4.3.1. en 8.4.).
Brevitas
Kortheid is eigenlijk inherent aan het sprokengenre.*16 De spreker wendt, retorisch verantwoord, geregeld de
brevitas-formule aan.*17 Men zie vs.378 in 97.Vander drierehande staet der werlt, als Willem zijn al vrij lange betoog wil
beëindigen: `Wat baet dat ic u langhe telle?'. Een sproke mag niet te lang uitvallen en Willem was er ook van doordrongen
dat het publiek een zekere beknoptheid wist te waarderen, getuige 56.Van feeste van hylic:
Van hilic mochtmen dichten vele:
Soud ic tende vanden spele
Dichten, tworde ons te lanc,
Soe waert een arbeit sonder danck (56; 149-152)
De spreker verklaart even verder nog dat `elck materi hout hoer slot' (vs.155). Hij vermaant zijn publiek: `laet u niet
verlanghen [vervelen] zeer, Als ghi wat hoert van goeder leer' (vs. 157-158). Die leer moet dan `wel besloten' zijn, want er
hoort `tot allen dinghen maet' (vs.159, 161). Tenslotte meent hij: `Want goet ghedicht ende niet te langhe [...] Dat
heeftmen gaern ter heren hove' (vs.165-167). Indien men te lang op een bepaald onderwerp doorgaat, kan men daarmee
een averechts effect bereiken, zo blijkt uit 115.Van goeden gedachte. Als Willem is aanbeland op het punt van Gods
gerechtigheid, dan zegt hij:
Doch hier of is ghenoech gheseit.
Den goeden die sel goet gheschien;
Nietste langhe en doech op yen
Ghebleven*18, domme luden te leren,
Si mochtent licht op tarchste keren
Als hem die reden viel te lanc,
Soe waert een arbeit sonder danc. (115; 44-50)
Repertoire
Tenslotte doet Hildegaersberch nog een enkele uitspraak over de aard van zijn repertoire. In111.Ic bin al moede, ic wil
gaen rusten verklaart hij met betrekking tot zijn dichtwerk:
Schone exempelen ende goet
Heb ic ghesproken voerden heren:
Al mijn dichten ende leren
Is gherechticheit ende eer,
Die betaemt wel elken heer
[...]
Voert soe heb ic openbaert
Den soeten pat ten hemel waert,
Hoe schoen hi is, hoe saft te treden
[...]
Die vuyle pat an dander zyde
Ter hellen waert heb ic bewijst,
Hoe zeer den goeden daer of grijst,
Die hier gherechteliken leven. (111; 10-27)
Als kernwoorden ter karakterisering van zijn eigen werk kiest Hildegaersberch dus, vrij vertaald,recht(vaardigheid), eer en
zieleheil. Deze kernbegrippen zijn zeker ook van toepassing op het oeuvre zoals ons dat is overgeleverd.*19 Een andere
uitspraak over zijn repertoire vindt men in107.Vanden boghe:
Ic heb ghedicht in minen tyden
Van weelden groot, van menighen lyden,
Van ruste ende oec van overmoede,
Ende hoe die sotte oftie vroede
Leven moghen thoren baten. (107; 1-5)
De typering is minder specifiek maar beslist niet onjuist. In de omschrijving mogen we waarschijnlijk in elk geval de
sproken 66.Van drierehande lyden en 82.Van ruste herkennen.
Dit besluit de behandeling van Willems expliciete poëtica en dichterlijke techniek. Een aanzienlijk deel van de poëticale passages staat in dienst van de legitimering van Willem als bekwaam dichter en van zijn werk als belangwekkend. De spreker wilde z'n publiek doordringen van zijn toewijding door te benadrukken hoeveel moeite hij zich getroostte bij de inventio. Zijn dichtwerk moest geassocieerd worden met grote begrippen als kunst en waarheid, en ook met praktische bruikbaarheid en schoonheid. Willem claimde dat hij het publiek oriëntatie bood op het bestaan, zowel wat het aardse leven betreft als wat het hiernamaals aangaat.
Nu wordt aandacht besteed aan Willems impliciete poëtica en dichterlijke techniek. De volgende, voor Willems dichtwerk
goeddeels karakteristieke elementen worden behandeld: de compositie-in-drieën, het gebruik van autoriteiten en sententies,
zijn voorkeur voor het exempel boven de allegorie, het (geringe) gebruik van stoplappen, spanning en de retorica. Tot slot
wordt Willems werk getoetst aan Boendales poëticale opvattingen.
Compositie: de driedeling
Wat op het punt van de compositie in het oog springt is dat de wat langere sproken van Willem bijna altijd een goed te
onderscheiden verdeling in drieën kennen, ook al beweerde Van Mierlo weinig bouw in de sproken te zien.*20 De (zeer)
korte sproken uitgezonderd (globaal genomen de zgn. notabels*21), valt er in de gedichten veelal een indeling te
onderscheiden in een inleiding, een kern en een slot. In schema kan men de volgende inhoudelijke mogelijkheden vaststellen
voor de drie delen van de gedichten:
Inleiding
-geen (herkenbare) inleiding*22
-belerend-moraliserende inleiding (voorbereidend op kern)*23
-aankondiging van het onderwerp*24
-`poëticale' introductie*25
-Natureingang, Spaziergang*26
-vraagstelling (de vraag wordt in de kern beantwoord)*27
-bede*28
-aanspreken van het publiek*29
Kern
-betogende, moraliserende, vermanende kern*30
-verhalende kern*31
-exemplarisch deel (& explicatief deel)*32
-beantwoording (van in inleiding gestelde vraag)*33
-dispuut, dialoog*34
-recapitulatie*35
Slot
-geen (herkenbaar) slot*36
-recapitulatie, samenvattende conclusie*37
-raadgeving, vermaan, advies, wens*38
-gebed*39
-`poëticaal' slot*40
-aanspreken van het publiek*41
-bekendmakingsformule (recognitio)*42
-afsluitformule*43
Het moge duidelijk zijn dat combinaties van bovengenoemde elementen per deel van het gedicht regelmatig optreden. De lengte van inleiding, kern en slot kan per gedicht nogal variëren.
J.F.Vanderheyden heeft betoogd dat Hildegaersberch zijn opvatting over de `driedelige opbouw van elk stuk' ook in zijn
sproken heeft verwoord. Hij geeft daarbij als voorbeelden*44:
Goed gedacht ende wel versinnen
Doet dat middel ende dat beginnen
Metten einde concorderen (1; 1-3)
Die einde, middel ende begin
In allen stucken wel voersien,
Waer eer of orbaer mach af scien,
Dats een punt van groten baten. (2; 20-23)
De citaten lijken poëticale uitspraken, maar als men de context erbij betrekt, blijkt dit toch niet het geval. In het eerste
citaat wordt uitgedrukt dat men tijdig het levenseinde indachtig moet zijn, in het tweede wordt eerder een pleidooi
gehouden voor een vooruitziende blik van het stadsbestuur. Er zijn nog meer citaten te geven waarin Willem spreekt over
begin, midden en eind, zoals in44.Vanden hont die verbroeyt wort:
Beghin ende eynde sijn twee zaken:
Als deen den anderen mach ghenaken
Ende tende sluut op sijn beghin,
Soe ist gherechtich meer noch min.
Die dan een werc beghint van baten,
Die mach op teynde hem zeer verlaten,
Ende leven in goeder hopen,
Can hi tmiddel wel beknopen,
Als dbeghin ende teynde wijst. (44; 1-9)
Ook deze uitspraak moet begrepen worden in het algemene kader van bezonnenheid (leven is vooruitzien). Of de spreker tevens doelt op de driedeling in zijn literaire teksten, is hoogst onzeker.
Tot slot zij er hier nog op gewezen dat het slot soms duidelijk teruggrijpt op het begin van een sproke. Een fraai voorbeeld
treffen we aan in 40.Vander gheboorten Christi. De sproke begint aldus: `Wi willen alle vrolic sijn; Ons is een ewich licht
anschijn Ende een salich dach bedaecht' (vs.1-3). Het slot opent met woorden die teruggrijpen op de openingsverzen: `Wy
willen blyde wesen, wy, Wanttet is nu recht die tijt' (vs.154-155).*45
Autoriteiten
Willem is niet vaak expliciet in zijn verwijzingen naar autoriteiten die zijn betoog ondersteunen. Redelijk specifiek is hij nog in de voorbeelden die hierna als eerste worden gegeven. In 61.Van ghilden verwijst hij naar de Lekenspiegel (vs.6), in 47.Van drierehande staet van heren verwijst hij tot twee maal toe naar het Oudtestamentische Boek der Wijsheid (vs.65 en 134), de laatste maal zelfs uitdrukkelijk naar het `seste capittel' (vs. 139), in 64.Van die achte salicheiden verwijst hij naar het evangelie van Mattheüs (vs.31) en in 95.Van den avontmael naar het `ewangelie inden zomer' van Lucas (vs.297-298). Verder beroept de spreker zich enkele malen op (de uitspraken van) Salomo. Een enkele keer verwijst Willem ook uitdrukkelijk naar Christus' woorden, zoals in112.Twisschen wil ende die waerheit: `Want God heeft selve aldus gheseit: `Ic bin die wech ende die waerheit'' (vs.31-32). Willem maakt wel veel vaker toespelingen op Schriftpassages*46, maar soms zonder dit er expliciet bij te zeggen. Het publiek zal doorgaans wel begrepen hebben dat de spreker naar de Bijbel verwees, en hoefde daar niet uitdrukkelijk op te worden geattendeerd. Soms beroept hij zich op de `bibel', de `woorden Goods', `doude wet ende ny', en het `ewangelie' of `ewangelium', en vaker nog op `scrift' of `scriftuer'.*47 In veel gevallen is het duidelijk dat hij met `scrift(uer)' de Bijbel bedoelt, maar soms lijkt hij op een ander, niet nader te specificeren, geschrift te doelen. In dat laatste geval gaat er dan autoriteit uit van het feit dat iets belangrijk genoeg was om schriftelijk vast te leggen. Een fraai voorbeeld van een beroep op de gewijde geschriften is deze `formulering-in-het-negatieve': `Want sonder berou, des seker sijt, En wort nyemant der sonden quijt, Off die scriften moeten lieghen' (13; 15-17). Als Willem in 84.Vanden sacramente van Aemsterdam in vs.305 zegt `Alsoe scriftuer betughen mach', dan doelt hij niet op de Bijbel, maar op één of ander document of op een tekst, waarin het Amsterdamse hostiewonder beschreven staat. Namen van hetzij Middelnederlandse, hetzij anderstalige auteurs noemt Willem nooit, ook al ontleent hij impliciet (passages, gedachten etc.) aan hun werk*48, en steunt hij daarmee in elk geval op hun autoriteit.
Een aantal malen verwijst Willem naar anonieme `meesters'*49 (in veel gevallen op te vatten als gestudeerde geestelijken
of auteurs) of andere wijze zegslieden. Zo zegt Willem bijvoorbeeld in 41.Van seven doechden der minnen:
Ic hoorde an enen meester guet,
Die hem op leringhe wel verstoet,
Dat een reyne hoefsche mont
Menighen mensche brinct ter eren (41; 74-77)
In 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven hanteert Willem de formule `Als ons die wise meesters lesen' (vs.113). In 62.Van rechtighen rechters beroept hij zich op een niet nader gespecificeerde autoriteit: `Ic hoorde segghen enen wisen Inder waerheit, sonder wanck' (vs.21-22). In 78.Vanden ghedencke hanteert Willem een dergelijke formule: `Ic hoorde segghen enen wisen' (vs.8).*50 De spreker behoeft niet in alle gevallen ook inderdaad zoiets van een wijs mens vernomen te hebben: hij kan de auctoritas-formule ook louter aanwenden om zijn mededeling het aanzien van een gezagsargument te geven.
Als autoriteiten zullen ook de clerken moeten gelden, die de spreker hebben geholpen door Latijnse teksten in het
Middelnederlands te vertalen. Willem zegt in 33.Van dominus niet voor niets:
Wye mitten wisen gaen te rade,
Die moghen leren ende verstaen.
Hier om heb ic te rade ghegaen
Mit clercken, die hem des verstonden (33; 10-13)
Tenslotte zegt Willem regelmatig dat hij iets heeft gehoord, iets heeft horen `scriven', horen spreken of horen voorlezen, en
een enkele maal dat hij iets heeft beschreven gevonden of gelezen.*51 Een mooi voorbeeld vindt men in 100.Van ghenoechten:
Nu heb ic aldus horen scriven,
Daermen leest die waerheit claer:
Ghenoechte der werlt is zielen vaer
Enten lichaem wel bequame. (100; 40-43)
Overzien we het geheel, dan blijkt dat Willem, als hij naar autoriteiten verwijst, zich het meest op de gewijde geschriften
beroept en hij zich verder vaak nogal op de vlakte houdt en veelvuldig iets van-horen-zeggen weet. Dit laatste typeert hem
als een sprookspreker die in het mondelinge milieu verkeerde. Willem was geen clerk die geregeld uit schriftelijk
bronnenmateriaal kon putten. Soms nemen Willems autoriteiten-formules een topisch karakter aan en zullen ze gebruikt
zijn om beweringen en argumenten enig gezag te verlenen.
Sententies
Willem maakt in zijn sproken regelmatig gebruik van sententies. Dit begrip is hier ruim opgevat: het betreft
spreekwoorden, staande uitdrukkingen en vaste metaforen, waarvan Willem gebruik maakt, of waarop hij vrij varieert,
alsmede sententie-achtige uitdrukkingen en korte metaforen van (vermoedelijk) eigen vinding.*52 Hij wendt deze
kernachtige, al dan niet bekende, wijsheden vaak aan om beweringen kracht bij te zetten. Een bloemlezing:
-Versumende tijt dats ongewin (1; 174)
-Loghen mach onlanghe duren,
Al is sy snel in horen loop (4; 518-519)
-Groet haest is dicwil onghewin (31; 40)
-Al quam by Even onsen val,
Maria die versoendet al (34; 81-82)
-Mar als die rotten den cater vinden,
Nyemant en dar hem den bel anbinden (44; 93-94)
-Wye te penninghen is gheboren,
Hy en comt nymmermeer te ponde (46; 222-223)
-Want min is blint, si en mach niet sien (71; 78)
-Want ongheluc is node allien (76; 110)
-Wye wel doet die sal wel vinden (77; 151)
-Ende om dat stonde stelen leert (85; 14)
-Wye dat valt van hoghen neder,
Die sietmen lancsom rysen weder (102; 229-230)
-Want goet ghebuer is vrient ter noot. (114; 97)
-Trechte pat is goet te mennen,
Is die waghenaer niet blint. (118; 156-157)
-Naeverhael comt dic te spade (119; 44)
Allegorie
Een uitgesproken voorkeur voor allegorese heeft Willem niet. Duidelijk allegorisch is slechts96.Vanden droem. In dit gedicht verhaalt de spreker van een gedroomde ontmoeting met een treurig tweetal, Trouw en Gerechtigheid genaamd. Trouw was vroeger kasteelheer en Gerechtigheid was rechter. Ze vertellen dat ze door machtig geworden schalken, onder leiding van heer Afgunst, van het hof zijn verdreven, samen met hun allegorische vrienden. De sproke23.Vander wankelre brugghen kan in zeker opzicht ook allegorisch genoemd worden. In het gedicht is sprake van een `brug van mooie woorden' die door een jonkvrouw over een rivier wordt opgetrokken om de `ic'-figuur te laten oversteken. Als de woorden niet oprecht blijken te zijn, belandt de `ic'-figuur in het water. Verder kan 95.Van den avontmael als allegorisch bestempeld worden. In dit droomvisioen komt de `ic' in een zaal met twee tafels. Aan de ene tafel kan men direct ontbijten, maar zal men voortaan honger lijden. Aan de andere tafel kan men, als men geduld oefent, het avondmaal gebruiken, waarna men nooit meer honger hoeft te hebben. De ongeduldige gulzigen die meteen gaan ontbijten worden op een gegeven moment door de Dood verjaagd. Het avondmaal wordt 's avonds in alle rust gebruikt. De `ic' krijgt uitleg over het gebeuren van de gastheer, die de Vrije Wil blijkt te zijn. Het verhaal is ook een gelijkenis: de zondaars beërven de hel, de deugdzamen de hemel. Eenieder is vrij in zijn keuze. Tenslotte vertoont 99.Vanden doern ende vander linde allegorische trekken als Willem de landsheer en -vrouwe respectievelijk vergelijkt met (de diverse delen van) doornstruik en linde.
In enkele andere sproken treden sporadisch en veelal kort allegorische figuren op*53, waaronder Vrouw Ere bij Willem veruit favoriet is. Maar het kort naar voren halen van allegorische figuren maakt de sproken nog niet tot allegorieën. Zo treden Vrouw Ere en `Ghiericheit' kort op in 73.Dit is vander ghiericheit, maar slechts in de eerste, tweede, negende, twaalfde (?), zestiende (?) en 21e strofe, terwijl de sproke 22 strofen bevat. In 83.Hoemen voer die eere gaet schulen treft men allegorische figuren (Vrouw Ere, Ghiericheit, heer Mildriaen) in de eerste, derde, zevende, achtste, elfde, veertiende, vijftiende, zestiende en negentiende strofe. Toch kan dit gedicht van twintig strofen evenmin als allegorisch gekarakteriseerd worden.
Kennelijk heeft Willem de gelijkenis, het exempel verkozen boven de allegorie als middel tot moralisatie en vermaan.
Exempelen
Een yghelijc ontdoe sijn oren!
By goeden exempelen, diemen hoort,
Soe sterctmen onse ghelove voert. (54; 42-44)
Bovenstaand citaat uit 54.Vander liever tijt illustreert wat Willem als de belangrijkste functie van exempelen beschouwt:
het publiek sterken in het geloof. Exempelen konden bij Willem echter ook een meer wereldse lering bevatten. Naast het
betoog geeft hij de voorkeur aan het exempel (gelijkenis, parabel, `figure', `bispel'*54) om zijn publiek te beleren en
vermanen. We kunnen het exempel globaal omschrijven als een verhaal(tje) met een voorbeeldige functie. Willem vat het
begrip zelf overigens ruimer op*55, maar we houden hier vast aan de beperkte definitie, louter uit een moderne
wetenschappelijke behoefte tot ordening en hanteerbaar maken van feitenmateriaal. Vat men het exempel dus op als een
voorbeeldig verhaal(tje), dan kunnen er bij onze spreker eigenlijk twee soorten exempelen worden onderscheiden: het
geïncorporeerde exempel en het (min of meer) zelfstandige exempel. Het geïncorporeerde exempel is relatief kort (niet
langer dan ca. 100 vs.) en heeft z'n plaats in een breder betoog. Een sproke kan meerdere van dergelijke exempla bevatten.
Op het geïncorporeerde exempel kan een langere of kortere explicatie volgen, en het exempel kan ook de uitleg al in zich
dragen, maar dit is niet noodzakelijk.*56 Een goed voorbeeld is 20.Van drien figuren. De sproke opent met een belerende
inleiding (vs.1-16):
Exempel vintmen veel bescreven,
Die vanden wisen sijn ghebleven
Ende gheset tot onser leer,
Op dat wy den hoechsten Heer
Souden ontsien in allen wercken,
Ende overpeynsen ende mercken,
Off sijn wil ende onse begheren
Wel te samen concorderen,
Om te crighen ewich guet. (20; 1-9)
Een goed exempel wijst de mens de juiste weg tot de zaligheid. Aan zijn werken kan men de deugdzaamheid van de mens
toetsen, vervolgt Willem. De rede wijst ons het verschil tussen goed en kwaad. De kern van de sproke (vs.17-185) opent
met de woorden:
Ic heb exempel horen lesen,
Dat wy gherechtich souden wesen
Entie doeghet setten voert.
By goeden exempel diemen hoort
Soe leertmen ondoecht wederstaen
Ende tot rechten reden gaen (20; 17-22)
Exempelen brengen de mens rede, en dus tot deugdzaamheid. Op het moment laat men zijn handelen echter niet door de rede, maar door (aardse) verlangens leiden. De spreker vraagt zich af hoe dat zal aflopen bij het Oordeel, als ieder zich voor z'n daden moet verantwoorden. Het ware beter als men tijdig zou biechten, want de dood komt onvermijdelijk; en wie in zonde sterft, heeft veel te vrezen. Hierover wil Willem het hebben en hij kondigt exempelen aan, die hij heeft gehoord: `Elck versta die leren can' (vs.45). Dan volgen drie exempelen. Het eerste (vs.46-70) verhaalt van een heilig man, die een Moor ziet sjouwen met takken en hout op zijn rug, een last waaronder deze tenslotte bezwijkt. In het tweede exempel (vs.71-83) ziet de man iemand die onvermoeibaar doch vruchteloos water tracht te putten met een bodemloze emmer. De heilige man aanschouwt in het derde exempel (vs.84-101) twee mannen die een zware plank dragen en tevergeefs proberen een poort binnen te gaan omdat ze elkaar niet willen laten vóórgaan. De dichter merkt op: `Van allen desen drien den sin Elck bysonderen exponeren, Dat staet nu vast in mijn begheren' (vs.102-104). Dan volgt het explicatieve deel. De Moor staat voor de zondaar die jaar in jaar uit zijn zonden op zich stapelt zonder te biechten, en tenslotte onzalig sterft. De puttende man staat voor de zondige mens die zinloos vast en bidt zonder biecht, berouw en penitentie. De twee met de plank verbeelden de onverzoenlijke, hoogmoedige mensen die geen vrede kunnen sluiten en elkaar vergiffenis schenken. Willem stelt een retorische vraag: `Is dat die wech om ewich leven?' (vs.166). Hij legt uit dat Christus het goede voorbeeld gaf met Zijn naastenliefde. Als wij ons handelen zouden afstemmen op deze drie exempelen, dan zou dat leiden tot rust op aarde en eeuwig loon. In het slotwoord (vs.186-200) vraagt de spreker zich af wat zulke lering echter voor zin heeft als men zich er doof voor houdt en heel andere verlangens koestert. Alhoewel somber gestemd, komt hij toch tot de slotsom dat de zaaier - Willem bedoelt hier (zeker óók) zichzelf - moet blijven zaaien: `Wye goet saet te zayen pliet, Ymmer waster somwijls yet' (vs.207-208).
Het zelfstandige exempel vormt min of meer de kern van de sproke; het gaat hier om een verhalende sproke met een
voorbeeldige functie, in veel gevallen langer dan ca.100 verzen. De dichter kan de moraal van het verhaal nog kort
uiteenzetten, of zelfs een uitgebreider explicatie toe- of invoegen, maar dat hoeft niet altijd.*57 Een voorbeeld van een
zelfstandig exempel is36.Van Affricanus: de sproke heeft een verhalende kern (vs.16-179), het publiek ten voorbeeld. In
het slot volgt de moraal (vs.180-206).
Spanning
Een aantal sproken is niet van spanning ontbloot: Willem beheerste de techniek om zijn publiek in spanningsvolle verwachting te houden. Hij begint bijvoorbeeld in 11.Dit is van beschermen zijn betoog met de opmerking dat hij heeft horen klagen `Om tverkeren van een woerde' (vs.3). Vroeger schreef men het woord correct en de heren hadden het woord lief. Het was een woord dat bij de ridderschap paste. Het was een toeverlaat voor het geloof, de kerk, weduwen en wezen. Maar nu is het woord veranderd. Vooropgesteld dat Willem de titel van z'n gedicht bij voordracht niet genoemd heeft, weet het publiek nog steeds niet om welk woord het gaat. En alvorens dat bekend te maken, stelt Willem omtrent het veranderen van het woord de tartende vraag: `Nu mocht ghi vraghen, by wat schoude Dat die zaeck is comen toe?' (vs.34-35). Het woord heeft thans een tegenovergestelde betekenis gekregen, door toedoen van `een dieff [...] Off een schalck verrader fel' (vs. 43-44), die een letter heeft gestolen. Men kan daardoor het woord `ghespellen noch ghelesen' (vs.46). Door dit woord geraken de heren van het rechte pad en worden hebzuchtig. Dan eindelijk maakt Willem in vs.65 bekend wat het woord is: `beschermen'. De `m' van `misericordia', barmhartigheid, is eruit gestolen. In vs.78 vertelt de spreker welk woord dat oplevert: `bescheren', wat zoveel betekent als kaalplukken. Tegenwoordig, zo zegt Willem, wordt het volk niet meer door de ridderschap beschermd, maar kaalgeplukt. Op dit thema gaat hij in de rest van de sproke in. Niet alleen hebben we hier te maken met een aardig en vrij origineel gebracht taalgrapje voor (liefst) alfabeten-onder-elkaar, tevens zien we hier hoe Willem vakkundig de spanning opbouwt.
Een soortgelijke spanning wist hij op te wekken in 46.Van twifel. In de opening van de sproke gewaagt Willem van een niet nader genoemd lief (vs.7 en 11). De spreker zegt te hopen zijn geliefde te kunnen bereiken. Dan volgt een breed betoog over liefhebben en twijfel. Ondertussen zal het publiek zich afvragen wie dit lief van Willem is. Pas tegen het eind van de sproke, als hij weer komt te spreken over `Die schone lieve, die ic minne' (vs.202), is hij genegen dit uit de doeken te doen: `Gheluc is der joncfrouwen name, Die ic soecke sonder vinden' (vs.214-215).
Als laatste voorbeeld moge 93.Van ja ende neen dienen. Wederom vooropgesteld dat Willem bij voordracht de titel van z'n
sproke voor zich hield, laat hij het publiek twee strofen lang in spanning wat hij bedoelt met: `Van hem twien wil ic
ghewaghen, Die ter werlt sijn verscheiden Ende altoes malc van anderen jaghen' (vs.1-3). Willem weidt dan uit over de
tegenstelling tussen de twee. Dat hij waarschijnlijk inderdaad de titel van zijn gedicht heeft verzwegen, kan blijken uit zijn
vraag in de tweede strofe: `Wildi weten wye si sien, Die dus scheiden hoer accoert?' (vs. 13-14). Na de mededeling `Ic wilt
u allen segghen voert' (vs.16) maakt hij dan in vs.17 bekend dat het `ja' en `neen' zijn.
Stoplappen
In een bijdrage over sprooksprekers, improvisatie en de Hollandse grafelijkheidsrekeningen zegt H.Pleij onder meer: `Van een enkele onder hen zijn ons teksten bewaard, zoals van Willem van Hildegaersberch, inderdaad vol stoplappen [...]'.*58 Maar hoezeer men het ook bij een voordrachtskunstenaar zou verwachten, Willems oeuvre bevat opvallend weinig stoplappen.
De gedichten zoals ons die zijn overgeleverd maken niet de indruk à l'improviste te zijn ontstaan. Willems verzen lijken
weloverwogen en met zorg gedicht. Overbodige versvulling lijkt de spreker veelal te hebben willen vermijden. Wellicht was
Willem vaak (in een vroeg stadium?) in de gelegenheid om z'n sproken schriftelijk te perfectioneren.*59 E.van den Berg
heeft in zijn onderzoek naar de Middelnederlandse versbouw en syntaxis geconstateerd dat bij Willem sprake is van een
synthetisch-statische versificatie. Willem dicht gemiddeld in lange zinnen, al maakt hij relatief weinig gebruik van
enjambement (d.w.z.: versgrens en syntactische grens vallen vaak samen). Voorts stelde Van den Berg vast dat Willem een
zekere voorkeur vertoont om (nieuwe) zinnen en bijzinnen aan het begin van het tweede vers van het rijmpaar te laten
beginnen.*60 Bezien we voor enkele technische aspecten een willekeurig gekozen sproke: 108.Hoe die joecht overgaet
(180 vs.). In deze sproke blijkt Willem vijftien maal een nieuwe zin te beginnen in de eerste rijmregel*61, en maar liefst
vierentwintig maal in de tweede rijmregel.*62 Door de tweede rijmregel met een nieuwe zin (en dus een nieuwe
mededeling) te laten beginnen, weet Willem te voorkomen dat er versvulling moet plaatsvinden. Dit duidt op Willems
vakmanschap, want juist dan moet hij bij het formuleren van de eerste rijmregel voor ogen hebben gehad en rekening
hebben gehouden met wat hij in de tweede rijmregel ging zeggen. Immers: de onervaren dichter formuleert gewoonlijk een
vers en zoekt net zo lang naar een tweede regel totdat hij een `aanvulling' vindt die (op z'n minst) rijmt. Dit procédé,
alhoewel het soms kan leiden tot bijzondere vondsten, werkt vaak versvulling en het gebruik van stoplappen in de hand. De
ervaren dichter betrekt eerst meteen de formulering van het tweede vers bij het rijmproces en legt de eerste rijmregel niet
vast voordat hij ook tevreden is over het tweede vers: hij combineert rijmwoorden, herschikt de woordvolgorde en
formuleert net zo lang totdat beide rijmregels zinvolle mededelingen bevatten. Deze `anticiperende rijmtechniek' treft men
bij Willem aan. Ten voorbeeld strekken vs.25-26:
[Die tot tachtich jaren toe]
Leven mocht in goeden schijn. (in goede omstandigheden)
Dat waer een harde lanc termijn
[Na te tellen of te meten] (108; 24-27)
Het rijm in vs.25 is zinvol afgestemd op dat in vs.26. Vs.26 hoeft geen ledige aanloop van een nieuwe zin te zijn (of een ledige uitloop van de eerste zin), omdat de dichter reeds vantevoren vaststelde hoe de nieuwe zin ging luiden. Willems anticiperende rijmtechniek staat veelal garant voor rijmende versparen met zinvolle mededelingen, zonder veel stoplappen, en dit geldt niet alleen als de dichter in de tweede regel een nieuwe zin begint, maar ook als hij in de tweede regel een zin voortzet.
Wat voorts in bovenbedoelde sproke in het oog springt zijn twee lange en toch adequaat en precies geformuleerde zinnen.
Het gaat om de vs.1-10 en 76-87. Ter illustratie fungeren vs.1-10:
Een mensch die hier ter werlt leeft
Soe langhe dat hi kennis heeft
Twisken archeit ende doecht,
Ende mercket hoe sijn jonghe joecht
Opwert gaet in corter tijt,
Als dat middel overlijt,
Hoe schier dat comt ten ende waert,
Die mocht wel billicx sijn vervaert
Voer die doot, voer die zonden,
By reden die ic heb ghevonden. (108; 1-10)
Uiterst bekwaam weet Willem hier een hoofdzin met zes bijzinnen op rijm te zetten, zonder tot één stoplap zijn toevlucht te
nemen. In 108.Hoe die joecht overgaet treft men voorts een aantal `gestandaardiseerd-poëtische' uitdrukkingen aan, maar
deze zijn niet als stoplappen of versvulling aan te merken. Het betreft:
- Al docht hire om spade ende vroe (vs.23) [cursief van mij, TM]
- Daer en blijft hi cort noch lanc (vs.54)
- Hoet nederdaelt van jaer te jaer (vs.71)
- Dat is te peynsen nacht ende dach (vs.103)
Het gaat hier om uitdrukkingen uit het poëtische register, die niet altijd met stoplappen verward mogen worden, en die - bezien in hun context - verre van zinledig, willekeurig of overbodig zijn. Om tot uitdrukking te brengen dat de mens zijn sterfelijkheid altijd indachtig kan zijn, kiest Willem uit het poëtisch register de uitdrukking `spade ende vroe'. Dat de zonnewijzer op de noenniet stil blijft staan, maakt hij duidelijk door te kiezen voor een dichterlijke, een beetje bijzondere wijze van zeggen: `cort noch lanc'. En ook dat de `zon van het leven' na de noen voortdurendblijft dalen, kan vanuit het poëtisch register adequaat verwoord worden: de levenszon daalt jaar in, jaar uit.
Echte tautologieën lijken we aan te treffen in de formulering van vs.36, `In ghenoechten mit jolijt', en vs.75, `Die is wijs ende wel gheleert'. De zuivere tautologie zou als een vorm van versvulling gezien kunnen worden. Wat echter op het eerste gezicht soms een tautologie lijkt, is bij nader toezien een genuanceerde uitspraak. Als Willem bijvoorbeeld zegt dat er geen tijd bestaat `Die durich is of staende blijft' (vs.47) dan wil hij daarmee weliswaar uitdrukken dat aan alles een einde komt; maar hij zoekt in de geciteerde formulering juist de nuance, door te zeggen dat in het tijdsverloop geen (aardse) toestand (eeuwig) kan voortduren en dat de tijd niet stil blijft staan.
Een echte stoplap lijkt vs.18 uit het volgende citaat:
Onse leven meest van aenbeghin
Staet in hopen ende in waen,
Alsment te rechte wil verstaen. (108; 16-18)
Vat men het vers op in de betekenis van `indien men het zich terdege wil realiseren', dan heeft het een onderstrepende en vooruitwijzende functie. In de eerste plaats wordt in vs.18 het belang van de voorafgaande mededeling benadrukt: men mag er niet te licht over denken. In de tweede plaats fungeert vs.18 als aankondiging van de toelichting die Willem op zijn mededeling gaat geven. Het valt bij nader inzien dus te betwijfelen of dit werkelijk een stoplap is. Ditzelfde is het geval met vs.49. Als Willem heeft gesteld dat alles met de tijd vergaat, zegt hij: `Dit moghen wy mitter waerheit toghen'. Willem lijkt deze formule te gebruiken om in vs.50 te kunnen rijmen op `oghen'. Toch is vs.49 in dit verband inhoudelijk onmisbaar. Het kondigt namelijk een analogie-bewijs aan (vs.50-73): zoals de zon tot de `noen' gestaag stijgt en daarna even gestaag weer daalt, zo bereikt de mens met het klimmen der jaren het toppunt op z'n veertigste en is het daarna een `aflopende zaak'. Met het zinken van de zon moet men het naderende levenseinde indachtig zijn.
Ook een tussengevoegde bijzin als `wats gheschie' in vs.175 is onmisbaar in de hele slotformule van de sproke. Het `wat er
ook gebeuren moge' staat er niet louter omwille van het rijm, maar ook omwille van de nauwkeurigheid. Om aan te geven
hoe precies Willem formuleert, wordt hier het slot geciteerd:
Ist heer, ist vrou, ist wijf, ist man,
Ic rade hem allen, wats gheschie,
Dat elc te tyde voer hem sie,
Die wijl hi sijn sin heeft ende verstant,
Te quiten alsoe duren pant,
Daer God om storte sijn heilich bloet:
Hi is zeer ontweecht dies niet en doet. (108; 174-180)
Er staat geen woord te veel, er staat geen woord te weinig.
Al met al resteren er drie verzen (van de 180) die als stoplap in aanmerking komen. Als Willem over de hebzucht als ziekte
en de matigheid als medicijn komt te spreken, zegt hij: `Anders boete en isser ghien Inder werlt, groot off clien'
(vs.111-112). Dit `groot off clien' behoort weliswaar ook tot de `gestandaardiseerd-poëtische' uitdrukkingen, maar nu heeft
de rijmpositie iets geforceerds, terwijl de betekenis `wat dan ook' al tot uitdrukking is gebracht door het woord `Anders'.
Willem heeft het verder over de afgunst die de mens z'n leven lang in z'n greep houdt, `Ende doeten knaghen ende nyden
Ymmer op desen of op dien' (vs. 118-119). De vrij omslachtige formulering in vs.119 moet het vers vullen en de
mogelijkheid scheppen om in het volgende vers het rijmwoord `gheschien' (vs.120) te gebruiken. Ware er geen rijmdwang
met het woord `gheschien' geweest (denk aan de anticiperende rijmtechniek), dan zal Willem over voldoende dichterlijke
vaardigheid hebben beschikt om vs.118-119 samen te nemen in - bijvoorbeeld - een formulering als deze: `Ende doeten
ymmer op elc nyden'. Een nog evidenter stoplap treft men aan in vs.137:
Soe mach die ghiericheit vernuwen
Inden mensch, des zeker sijt,
Ende hoer ghesel, mijn heer Nijt. (108; 136-138)
Deze `waarheidsbevestiging' met zijn geforceerd aandoende inversie is weliswaar niet geheel van betekenis ontbloot, maar het moge duidelijk zijn dat deze juist hier, en aldus geformuleerd, te pas wordt gebracht om op `heer Nijt' te kunnen rijmen.
Ook al mag men met de behandeling van één gedicht niet spreken van een representatieve steekproef, deze ene sproke lijkt
toch tot op grote hoogte exemplarisch voor het (ons overgeleverde) oeuvre en de rijmtechniek van Willem. De conclusie
dat zijn werk `vol stoplappen' zit, is geenszins gerechtvaardigd. Op de vraag of Willem veel van stoplappen gebruik maakte
als hij al improviserend - en afwijkend van zijn eventuele uitgeschreven tekst - voordroeg, kunnen we geen antwoord
geven. Als we al zouden veronderstellen dat (improviserende) sprooksprekers veelvuldig gebruik maakten van stoplappen,
dan verschaft het overgeleverde oeuvre van Willem ons daarvan in elk geval geen schoolvoorbeeld.
Retorica
Hiervóór hebben we gezien dat Willem geen clericale opleiding heeft genoten. Dat betekent (vrijwel zeker) dat hij ook geen Latijns-retorische scholing heeft gehad. Desondanks is gebleken dat Willem zekere retorische vaardigheden bezat; men denke aan wat hiervóór is gezegd over inventio, humilitas, Natureingang en Spaziergang (als topoi), brevitas, sententies, autoriteiten, exempla, recognitio en de compositie in drie delen. In paragraaf 9.2. komen de insinuatio en defictio persona nog aan de orde. Kennelijk was het niet noodzakelijk opgeleid te zijn in de artes om toch gebruik te kunnen maken van bepaalde retorische verworvenheden.*63 Willem moet zijn kennis dan voornamelijk in de praktijk, in zijn sprooksprekerstijd hebben opgedaan, in de eerste plaats als gezel, maar waarschijnlijk ook daarna als meester nog. Hij zal van zijn leermeester het nodige hebben geleerd, en tevens het één en ander hebben opgestoken door het beluisteren (en lezen) van Middelnederlandse teksten en bij de voordrachten van andere (al dan niet clericaal geschoolde) sprooksprekers. En niet louter de retorica, zoals aangewend door de dichters (de ars poetica), maar evenzeer zoals aangewend door de predikers (de ars praedicandi) kan van invloed zijn geweest op Willems werk.*64
Het zou in het kader van deze studie ondoenlijk zijn Willems werk te toetsen aan alle voorschriften en aanbevelingen
waarin de klassieke retorica voorziet. Om (nogmaals) aan te geven dat Willem, ondanks het gemis aan scholing in het
trivium, retorische regels wist toe te passen, wordt een enkel voorschrift voor het exordium (de inleiding) nader bezien. De
retorica schreef voor dat de spreker in de inleiding van zijn betoog de toehoorders benevolos (welwillend),attentos
(oplettend) en dociles (bereid lering te ontvangen) moest maken.*65 Aan de hand van de inleiding bij 33.Van dominus
(vs.1-20) kan worden geïllustreerd dat de spreker deze kunst verstond. De dichter begint aldus:
Dichters, die die waerheit minnen,
Entan hoir reden wel voersinnen (goed nadenken over)
Eer si spreken openbair,
Alsulke dichters segghen waer,
Off byder waerheit alsoe hende, (zo nabij de waarheid)
Als hoir reden comt ten eynde,
Datmer wat mach leren by. (33; 1-7)
Waarheidslievende dichters die terdege nadenken over wat ze gaan zeggen, die spreken de waarheid. Van een dichter die
dergelijke hooggestemde idealen uitspreekt, zal men verwachten dat hij voornemens is aan die idealen te voldoen. Als het
betoog is voltooid, dan heeft men er wat van kunnen opsteken, zegt de spreker. Willem begint direct met het benevolum,
attentum endocilem facere. Hij maakt er althans een aanvang mee het publiek welwillend te maken ten aanzien van zijn
eigen persoon; men wordt erop voorbereid een idealistisch, waarheidslievend dichter te gaan horen. Wie zich op de
waarheid gaat beroepen, tracht daar voorts de aandacht van zijn publiek mee te trekken. En de waarheid is leerzaam: aldus
tracht Willem de bereidheid bij zijn toehoorders op te wekken om lering te ontvangen. Dat Willem ook inderdaad op
zichzelf en zijn dichtwerk doelt, blijkt uit vs.8-9: `Wye schuldich is, die maeck hem vry Eer hi comt tot meerre schade'. De
spreker bedoelt: belofte maakt schuld. Men begint een gedicht niet met grote woorden over dichterschap, waarheid,
bedachtzaamheid en leerzaamheid om zich er zelf vervolgens weinig van aan te trekken. Met vs.8-9 tracht de spreker extra
welwillendheid te bereiken: hij is immers iemand die geen loze uitspraken doet maar zijn beloften nakomt. Willem vervolgt:
`Wye mitten wisen gaen te rade, Die moghen leren ende verstaen' (vs.10-11). De verzen zijn naar alle waarschijnlijkheid
met opzet voor meerdere uitleg vatbaar. In de eerste plaats kan de spreker op (een deel van) zijn publiek doelen: wie met
de wijzen in de raad bijeenkomen - de raadsheren dus - die zouden zich moeten openstellen voor leerzame woorden (van
Willem). In dat geval wil Willem zijn gehoor weer attentum en docilem maken. Maar hij kan ook in het bijzonder op
zichzelf doelen, in het licht van het voorafgaande: het is goed als men (=het publiek) bij wijzen (onder wie Willem) te rade
gaat, want daar kan men wat van opsteken. Had de spreker immers niet zelf beloofd om met iets leerzaams te komen? Bij
deze interpretatie tracht de spreker zijn publiek gunstig te stemmen ten aanzien van zijn persoon ('van Willem kan men iets
aannemen'). Maar ook de nieuwsgierigheid van de toehoorders zal met deze interpretatie van de verzen extra zijn gewekt
('waar zal het over gaan?'), en zodoende ook de bereidheid om de belerende woorden aan te horen. De derde interpretatie
luidt: het is goed als men (onder wie Willem) wijze lieden raadpleegt, want daar steekt men wat van op. De dichter
probeert in dit geval het publiek voor zich in te nemen: hij staat zelf ook open voor wijze lering. Hij behoort niet tot het
slag dat ongenegen is naar de behartigenswaardige woorden van anderen te luisteren. Alhoewel Willem
poly-interpretabiliteit hier in de hand lijkt te willen werken, sluit het vervolg van zijn inleiding aan bij de laatste
interpretatie, want hij zegt:
Hier om heb ic te rade ghegaen
Mit clercken, die hem des verstonden;
Al heb ic menich dinc ghevonden,
Dat int Latijn bescreven staet,
Daer toe moet ic nemen raet
Mit clercken, diet mi duutschen voert.
Int Latijn staet menich woert,
Daer menich hoghe leer in stect,
Alsmen die waerheit al vertrect. (33; 12-20)
Willem heeft dus deskundige clerken geraadpleegd, die leerzame Latijnse teksten voor hem hebben vertaald, en zoals in de kern van de sproke nog zal blijken is hij ook voor 33.Van dominusbij een clerk te rade gegaan. Men zou kunnen menen dat de spreker hiermee zijn eigen autoriteit ondergraaft: hij zou in het aanzien van zijn publiek stijgen, als hij zou zeggen zelf uit een Latijnse bron te hebben geput. Daarmee zou hij zijn eigen deskundigheid onderstrepen. Willem toont zich evenwel zoals hij is, en zoals zijn publiek hem kende. Op het punt van zijn geletterdheid wil de spreker de waarheid geen geweld aandoen, en wil hij zich niet beter voordoen dan hij is. Op deze wijze stelt hij zich als een bescheiden mens op, en dat is ook een manier om het publiek voor zich in te nemen. Dit alles doet bovendien niets af aan het gezag dat uitgaat van de geraadpleegde clerk en de Latijnse herkomst van de stof. Met een beroep op deze autoriteiten maakt Willem zijn toehoorders bereid om lering te ontvangen en maakt hij hen extra benieuwd naar het vervolg van de sproke.
Er zouden nog diverse andere treffende voorbeelden (met nieuwe aspecten) gegeven kunnen worden, waaruit Willems
bekendheid met de `retorische' exordiale voorschriften kan blijken. Het gebruik ervan in het oeuvre van Willem is soms
treffend. Het is evenwel uiterst aannemelijk dat de sprookspreker hier niet de Latijnse, maar de volkstalige traditie volgt.
Jan van Boendales poëtica
Een opvallend verschil tussen Willem van Hildegaersberch en Jan van Boendale in diensLekenspiegel is, dat eerstgenoemde meer een descriptieve poëtica geeft, terwijl laatstgenoemde in zijn hoofdstuk `Hoe dichters dichten sullen ende wat si hantieren sullen'*66 veeleer met een prescriptieve poëtica komt.
Boendales Lekenspiegel was, gezien de titel alleen al, bestemd voor een lekenpubliek. Zijn hoofdstuk `Hoe dichters
dichten sullen [...]' líjkt een korte `instructie' voor leken om dichter te worden. Maar bij nader toezien kan dat niet het geval
zijn. Het blijkt al uit de eerste verzen:
Om dat die leeke van allen zaken
Rime ende dichte willen maken
Ghelijc clerken, dat wonder es [...] (vs.1-3)
Boendale acht het kennelijk vreemd dat leken ook willen dichten. Hij merkt op: `dichten en is gheen spel' (vs.8). Hij eist dan ook meteen van een dichter dat hij `gramarijn' (vs.11) is, dus ingewijd in de - Latijnse - grammatica (en de retorica, zoals uit de volgende verzen blijkt). Boendale schrijft dit voor leken, maar blijkbaar niet om hen aan te moedigen te gaan dichten. Hij maakt de drempel voor leken bijna onoverkomelijk hoog. Hij líjkt van leken te eisen dat ze een clericale opleiding volgen indien ze willen dichten: maar als ze dat zouden doen, zijn ze daarmee geen leken meer, maar clerici! Dit is dan ook niet wat Boendale tot uitdrukking wil brengen. Hij stelt even verder: `leecke liede, die en moghen Te goeden dichters niet doghen' (vs.41-42). Het is duidelijk dat de clerk Boendale de lekedichters wil uitsluiten. Het komt er weer op neer dat alleen clerken zouden moeten dichten. Boendale geeft in zijn poëticale hoofdstuk niet primair aanwijzingen hoe een leek dichter kan worden, al zou men dat misschien in eerste instantie in een spiegel voor leken verwachten en al lijkt de hoofdstuktitel dat te suggereren. Boendales criteria zijn echter niet zozeer bestemd voor aspirantdichters, als wel bedoeld om te fungeren als toetssteen waarop het lekenpubliek dichters kon beoordelen. Met Boendales criteria kon het lekenpubliek een echte dichter herkennen en van een slechte onderscheiden (aan de hand van hoe hij `dicht' en wat hij `hantiert'). Een goede dichter is dan - globaal geformuleerd - een eerzame clerk die de waarheid spreekt.*67
Schrijft Boendale met een aantal criteria primair het publiek, en in tweede instantie ook dichters, de wet voor, Hildegaersberch vertoont veel meer de neiging om descriptief te werk te gaan: laatstgenoemde beschrijft en verdedigt (soms op `wervende' toon) voornamelijk zijn `eigen' dichterlijke opvattingen. Dat Willem bekend was met de Lekenspiegel en het hoofdstuk `Hoe dichters dichten sullen [...]' is hiervóór reeds aangetoond.*68 De sprookspreker heeft Boendales hoofdstuk beschouwd als een leerstuk over wat men van een dichter mag verwachten. In 61.Van ghilden zegt hij over de `Spieghel' dat deze `elken dichter leringhe gheeft Wat hem mit rechte toebehoert' (vs.6, 8-9). Het lijkt soms ook alsof Willem zich moeite heeft getroost om aan Boendales eisen te voldoen. Maar zoals uit de proloog van 61.Van ghilden reeds gebleken is*69, moest Hildegaersberch bekennen dat hij in zeker opzicht tekortschoot: hij was geen clerk. We lopen `Hoe dichters dichten sullen [...]' langs om te zien in hoeverre Willem voldoet aan de eisen die Boendale aan een dichter stelt.
In de eerste plaats moest een dichter volgens Boendale dus een `gramarijn' zijn (vs.11). In de strikte zin van het woord kon Willem aan deze eis niet voldoen. De `Gramarie' (vs.15), zegt Boendale, leert ons `scone sprake' (vs.16). Uit het voorafgaande is gebleken dat Willem zich - naar eigen zeggen - wel moeite getroostte om `schoonheid' aan leerzaamheid te paren in zijn sproken; maar of Willem en Jan hier hetzelfde bedoelen, is niet zeker. Voorts leert de grammatica `Te rechte voeghen die woorde Elc na sinen scoonsten accoorde' (vs.17-18). Het is moeilijk te beoordelen wat Boendale hier precies mee bedoelt en of Willem hieraan voldoet. Indien bedoeld wordt dat een dichter grammaticaal en stilistisch correct moet dichten, dan kan men stellen dat Willem aan deze eis globaal genomen wel voldoet. Een dichter moet verder foutloos kunnen schrijven en spellen. Aan deze eis kan Willem althans voor wat betreft het Middelnederlands voldoen*70, voorzover valt na te gaan. Verder moet een dichter zijn stof `pointelijc'*71 kunnen `voort vertellen' (vs.20) - merk op dat hier het terrein van de retorica wordt betreden. Het nauwgezet uiteenzetten van zijn stof was Willem wel toe te vertrouwen. Voorts moet de dichter een begin, midden en eind in zijn werk aanbrengen, meent Boendale (weer een eis uit de retorica). Inleiding, kern en slot zijn bij Willem inderdaad veelal te onderscheiden, althans bij zijn langere gedichten. Een dichter moet op de juiste plaats `Auctoriteite' opvoeren en `exemple' invoegen (vs.28-29). Willem beroept zich zeker regelmatig op autoriteiten of bronnen, maar hij kan dat meestal niet zoals een clerk dat doet. Zijn verwijzingen blijven vaak vaag, zoals hiervóór al bleek, terwijl clerici veel explicieter kunnen verwijzen naar allerhande geleerde en gewijde geschriften. Exempla gebruikt Willem met graagte en regelmaat. Het gedicht moet volgens Boendale van een slot voorzien worden dat het voorafgaande passend besluit. Zoals we zagen ontbreekt het bij Willem hieraan meestal niet. Dit alles valt volgens Boendale onder wat men van een dichter, ingewijd in de `gramarie', mag verwachten. Hij benadrukt nog eens dat leken niet deugen voor het dichterschap omdat ze het fundament van de zeven vrije kunsten, de grammatica, niet kennen. Boendale zegt over de leek die geen kennis van grammatica bezit, `Dat hi gheen goet dichter en es Noch dichter ooc en mach sijn' (vs.50-51). Nogmaals blijkt hier uit Boendales woorden dat hij leken als dichters het liefst wil uitsluiten. Toch kan een leek als Hildegaersberch redelijk voldoen aan de gespecificeerde criteria. De conclusie moet derhalve luiden: als leek blijft Willem onder de maat van het gramarijn-criterium, maar als dichter weet hij toch de gespecificeerde eisen redelijk te benaderen.
De volgende norm die Boendale stelt is, dat de dichter in zijn werk `Warachtich' (vs.12) is; hij moet de `warachticheide'
betrachten en `loghene' schuwen (vs.54, 56). Zijn leer en werk moeten onberispelijk zijn en bestemd voor de eeuwigheid,
aldus Boendale.*72 Aan dit criterium voldoet Willem, gezien de eerbied die hij telkens weer voor de waarheid aan de dag
legt*73, maar men moet zich wel afvragen of de twee dichters het over dezelfde soort waarheid hebben. Boendales
aandacht lijkt meer uit te gaan naar de `historische', feitelijke waarheid, terwijl die van Willem zich meer richt op de morele
waarheid. Boendale zegt dat men in het bijzonder in twee gevallen de waarheid niet mag aantasten: als het gaat om historie
en om de heilige geschriften.*74 Willem zal in deze gevallen zeker de waarheid niet hebben willen verdraaien. Toch
verwart hij op een gegeven ogenblik in 10.Dit is van drien coeren graaf Willem III met Willem IV.*75 Opzet zal hier niet in
het spel zijn geweest, maar er is wel sprake van de door Boendale gelaakte `onwetenthede' (vs.101). En Willems
voorstelling van de Scipio-geschiedenis strookt niet geheel met de historische traditie, kennelijk omdat hij de morele
waarheid boven de historische waarheid wilde laten prevaleren. Dit blijven evenwel uitzonderingen. In vs.265-274 verlangt
Boendale van dichters dat zij de woorden der gewijde geschriften getrouw en nauwkeurig weergeven, en er niets aan
veranderen. Ook wat betreft het zuiver weergeven van het bijbelwoord schoot Willem soms enigszins te kort; hij geeft
immers zelf in 61.Van ghilden toe:
Mar wye die scriften niet en can,
Ende ymmer dichten wil nochtan,
Als ic dickent hebbe ghedaen,
Die is mit anxten zeer bevaen (61; 13-16)
Hij vreest dat hij de `scrifture begripen [geweld aandoen] sel', en dat hij de (bijbel)tekst `niet goet ende pure' weergeven zal
(vs.18-19).*76 Willem citeert (in vertaling) dan ook zelden letterlijk uit de Bijbel, meestal moet hij parafraseren.*77 Maar
`loghenen' of `ydelen woorden' (Boend. vs.114, 116) wil hij evenmin spreken als Boendale. En Willem zal zeker ingestemd
hebben met Boendales woorden: `Die belieghen dus goeden man: Men soude hem dichten verbieden' (vs.176-177), gezien
Willems waarheidslievende taakopvatting. Boendale laakt de dichters die liegen omdat
[...] si willen den lieden
Yet nuwes bringhen te voren,
Om dat sijt gherne horen,
Ende dat sire lichte aen winnen
Ofte haren name doen kinnen. (vs.178-182)
Willem was weliswaar regelmatig op zoek naar nieuwe dichtstof, zoals we zagen, maar hij zocht niet naar onderwerpen
louter om zijn publiek te kunnen behagen, tenminste als men Willem op zijn woord mag geloven. Hij klaagt er meerdere
malen zelfs over dat de voorkeur van zijn publiek niet overeenkwam met de zijne.*78 Dat Willem tegen beloning dicht,
steekt hij niet onder stoelen of banken, en dat hij zeker ook belang had bij naamsbekendheid moge duidelijk zijn.*79 Toch
vaart ook Willem (in oprechte verontwaardiging, naar we mogen aannemen) uit tegen minder principiële dichters in
21.Vanden doemsdaghe ende van sterven:
Mar die doer penninghen off doer ponde
Ydel glori willen maken,
Entie quaetheit niet en laken,
Al hebben si redelick verstaen,
Die moeten sulken loen ontfaen
Als horen wercken toebehoert. (21; 12-17)
Hildegaersberch lijkt zich al met al in positieve zin te willen onderscheiden van het soort dichters dat Boendale bekritiseert.
Boendale heeft geen onoverkomelijke bezwaren tegen fabels. Dieren kunnen weliswaar niet spreken, fabels zijn toch nuttig
`om leringhe diere uut gaet' en om hun `lere ende wijsheit' (vs.187 en 193). Hij licht dit nog toe:
Want een sin, die is zwaer,
Die maken exemple claer;
Want in parabolen God selve sprac
Sine sermoene die hi vertrac (vs.195-198)
Het heeft er alle schijn van dat Willem zich hierbij nauw aansluit in 24.Vanden serpent en44.Vanden hont die verbroeyt wort:
Beesten moghen by naturen
Luttel sprake nemen ane,
Om te maken goet verstane
Soe worter in ghelijck ghescreven
Figuren die exempel gheven (24; 46-50)
Al ist dat ic den honden rure,
Niet dat honden yet spreken moghen,
Mar int ghelijcke wert vertoghen
Menighe leer tot onser bate (44; 68-71)
Willem voegt daar even verder nog aan toe: `Tis by oerlove dat ic spreke: Die hont die meendic in figuren' (vs.142-143). Het is zeer aannemelijk dat Willem specifiek bedoelt als het ware met Boendales permissie te spreken, aangezien deze fabels met sprekende dieren goedkeurt omwille van de moraal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Willem diverse fabels heeft gedicht.*80 Af en toe een boerde moet volgens Boendale mogelijk zijn, mits er niemand mee te schande wordt gemaakt; `Nochtan so bleeft beter achter' (vs.204). Het lijkt wel of Willem zich dit advies ter harte heeft genomen, want in z'n oeuvre zijn ons maar twee boerden overgeleverd: 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert en 85.Vanden monick. Een twijfelgeval is 17.Vanden waghen.
Het derde punt dat Boendale van dichters eist is `eerachticheide' (vs.221).*81 Dichters die hun publiek willen vermanen en
deugdzaamheid willen bijbrengen, moeten zelf ook deugdzaam leven en het goede voorbeeld geven. Of Willem `eersaem
van levene' (vs. 13) was, valt niet te achterhalen. Hij moge dan de geestelijkheid regelmatig verwijten dat deze niet leeft
naar eigen leer*82, dat behoeft nog niet noodzakelijk te betekenen dat Willem dat wél deed, al wil hij misschien die indruk
wekken. Evenmin komt men over de oprechtheid van de spreker iets te weten, als hij bijvoorbeeld in 79.Vanden zekeren
hope zegt: `Dat ic veel mijn sinnen clove In woorden schoen ende twerc onreen, Soe is mijn ghelove cleen' (vs.68-70). De
kwestie is zuiver hypothetisch: de dichter voert het maar bij-wijze-van-spreken op.*83 Dat Willem met dergelijke
uitspraken de suggestie wil wekken dat bij hem juist het omgekeerde het geval is, zegt veel over zijn `retorische' gaven,
maar weinig over de realiteit. Enkele malen voert Willem in zijn gedichten een `ic' op die spijt heeft van zijn jeugdzonden,
en bekent nu een beter mens te zijn.*84 Dit zijn evenwel topoi, die geen antwoord geven op de vraag of Willem een
eerzaam mens was - het publiek, dat een dichter serieus wilde onderwerpen aan de criteria die Boendale stelt, zal een
spreker uiteindelijk niet zozeer willen beoordelen op zijn gemeenplaatsen, als wel op zijn ware levenswandel. We bezitten
één passage uit 98.Vanden XL daghen waaruit zou kunnen blijken dat de dichter niet altijd leefde (of: kon leven?) naar zijn
eigen leer:
Want Willem heefter om ghedocht
Van Hildegaersberch, waert dat hi mocht,
Hi wijsde u gaern den rechten pat,
Al is hi selve in weldoen lat. (98; 163-166)
Hieruit zou men kunnen afleiden dat Willem niet altijd het deugdzame gedrag ten toon kon spreiden, dat hij van zijn gehoor eiste. Desondanks blijft het een uiterst hachelijke zaak om te trachten in een literair oeuvre tastbare aanwijzingen te vinden met betrekking tot de handel en wandel van een dichter. Alleen de tijdgenoten en het publiek van Hildegaersberch konden met enige stelligheid beoordelen of de spreker `eersaem van levene' was.
De dichter van de Lekenspiegel eindigt z'n betoog met een aantal bespiegelingen:
Wie recht dichter wesen sal,
Dat moet hem meest ofte al
Van naturen in sijn gheboren
Met dinghen die daer toe horen.
Dient nature niet en hadde ghegheven,
Alle die ghene die nu leven
En soudent hem niet leren wel (vs.297-303)
Het komt er dus op neer dat het dichterschap iemand (grotendeels) is aangeboren, of niet. Wie niet als dichter `geboren'
wordt, zal het dichten ook nooit goed leren (zelfs niet als hij een clerk is*85). Vervolgens somt hij een aantal soorten
dichters op die niet van nature dichten:
Sulc is die dicht van minnen,
Om dat hi sijn lief wil ghewinnen;
Sulc dicht openbare,
Om dat hi gherne name cont ware;
Sulc dicht ooc om gheniet (vs.325-329)
Hoofse minnelyriek treft men in Willems oeuvre niet aan; zoals hierna nog zal blijken had hij ook weinig voeling met de hoofse liefdesconcepties.*86 Willem streefde gezien zijn slotformules wel naamsbekendheid na, maar het was hem niet te doen om de (ijdele) roem. Het lag veeleer in z'n bedoeling dat zijn naam verbonden werd met z'n behartigenswaardige en waarheidslievende dichtkunst. Dat hij dicht tegen beloning, loochent hij daarbij niet.
Een `rechte dichtere' (vs.334), zo meent Boendale tenslotte, gevoelt de voortdurende drang om te dichten: hij kan het niet laten. Zelfs al zou hij zich alleen `in enen woude' (vs.335) bevinden en al zou hij nooit meer `Van dichtene hebben danc' (vs.337), dan nóg zou hij dichten, `Want het hoort te sire naturen' (vs.340). Willem beweert nergens expliciet dat het dichten hem is aangeboren, maar de drang tot dichten roert hij wel aan. Hij geeft aan de passage bij Boendale te kennen als hij in 61.Van ghilden over de (ware) dichter zegt: `Want sijn natuer is soe ghedaen, Dat hijs qualiken can vertyen [=nalaten]. Des heb ic Spieghel horen lyen' (vs.4-6). Hij beschrijft voorts in de Natureingang van 81.Vanden sloetel dat hij in de natuur `te dichten wert vermaent' (vs.5): `Nature trat den wille naer Ende anders crachten vanden sinnen, Dat ic dichtens most beghinnen' (vs.8-10). Iéts van het hooggestemde ideaal van Boendale met betrekking tot de drang om te dichten is op Willem wel overgegaan, al lijkt hier niet zozeer de dichterlijke natuur als wel vooral de natuurlijke omgeving Willem tot dichten te hebben geïnspireerd. Doch het blijft uiteraard een idealistische voorstelling van zaken dat echte dichters niet om geld dichten, maar omdat ze het dichten van nature niet kunnen laten. Vanderheyden zegt over Boendale: `Hij schijnt hier te vergeten dat zijn eigen opzet toch ook was: zijn opdrachtgevers in de gunst te komen. [...] Hildegaersberch schijnt dan ook een realistischer kijk op de zaak te hebben en vrijmoedig te willen erkennen dat een woordkunstenaar ook het recht heeft `gunst te crighen of ghewin'! En aanvaardt hij dat een dichter voor de `eer' werkt, even geredelijk wil hij toegeven dat ook `eer of orbaer' gewinnen hemzelf tot schrijven aanzet'.*87
Alles overziend, kan men het volgende concluderen: Willem kon in diverse opzichten niet voldoen aan de hoge normen van Boendale, en hij heeft dit ook beseft. Anderzijds lijkt de spreker niet geheel zonder succes moeite te hebben gedaan om tenminste zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij Boendales criteria. Willem kende Boendales opvattingen, en interpreteerde ze kennelijk zoals Boendale ze (mede) bedoeld had: als criteria voor het ware dichterschap. Zelf wilde hij een ware dichter zijn, en als zodanig lijkt hij in menig opzicht aan Boendales eisen te voldoen. Alleen heeft Willem wellicht (noodgedwongen?) een iets `zakelijker' opvatting van het vak - maar daar lijkt hij zich niet voor te schamen. Wat hem wel enigszins lijkt te frustreren, is dat hij eigenlijk niet voldoet aan Boendales basiseis van het clerkschap. Willem heeft hiertegen twee remedies. In de eerste plaats geeft hij eerlijk toe dat hij geen clerk is. En in de tweede plaats raadpleegt hij, zeker in religieuze zaken, clerken als informant.