In deze paragraaf zal worden stilgestaan bij het genre van de sproke, zoals dat bij Willem van Hildegaersberch aangetroffen wordt. Voorts zullen een aantal (meest korte) klassificaties binnen zijn dichtwerk worden aangebracht, mede om daarmee tot een karakterisering van zijn oeuvre te komen.
Er wordt in deze studie voor Willems korte teksten het neutrale begrip `gedichten' gehanteerd, alsmede het gemarkeerde begrip `sproken'. Het gebruik van de term `sproke' is min of meer door de literair-historische traditie ingegeven. Willem hanteert het begrip zelf namelijk in het geheel niet. In de Hollandse rekeningen wordt met betrekking tot Willems optreden eenmaal gerept van `alrehande gedichten', eenmaal van `sproeke' en bij de aankoop van de bundel van `veel schoonre sproken'.*1 Volledig ongefundeerd is het genrebegrip voor Willems teksten dus niet.
De term die Willem zelf regelmatig gebruikt is `(ghe)dicht'.*2 Daarnaast hanteert hij genrematige begrippen als `exempel', `bispel', `ghelijc' en `figure'*3, die mogelijk bewust bijbelse associaties moeten oproepen. Deze vier termen, die naar het zich laat aanzien goeddeels uitwisselbaar zijn*4, reserveert Willem veelal voor de exemplarische onderdelen ín het gedicht; in het geval van `ghelijc' zelfs altijd. Een aantal maal worden echter de termen `exempel', `bispel' en `figure' gebruikt om volledige, betogende sproken mee aan te duiden. Men zie bijvoorbeeld de titels van de toch overwegend betogende sproken 52.Een exempel van partyen en 75.Een exempel van heren.*5 Het begrip `bispel' wordt driemaal gebruikt om een hele en overwegend betogende sproke mee aan te duiden: men zie het slot van de sproken 61.Van ghilden, vs.202, 62.Van rechtighen rechters, vs.186, en 87.Vander avontuer, vs. 321. Tenslotte gebruikt de spreker ook het begrip `figure' eenmaal om een betogende sproke mee te benoemen: 115.Van goeden gedachtemeldt in het slot dat `Dit ghedicht ende dese figuer Maecte Willem'*6 (vs.109-110).
Tweemaal betitelt Willem zijn gedicht als `sermoen'. Zijn sproke 74.Van Sinte Gheertruden min sluit hij af met de woorden `Hier mede eynde ic mijn sermoen' (vs.448), in vs.472 van 81.Vanden sloetel zegt hij: `Hier om ende ic mijn sermoen'.*7 Hier begeeft men zich evenwel op het hellende vlak van wat nog als genrebegrip beschouwd mag worden en wat als een typering buiten de Middelnederlandse genreterminologie valt. De typering `sermoen' zou bijvoorbeeld ongeveer gelijk kunnen staan met de typering `leer' zoals Willem die gebruikt in111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten: `Hadsi mijn leer te recht onthouden' (vs.15).
De kortste gedichten heten bij Willem `notabel'; zij dragen althans dit opschrift in de handschriften. De langste notabel bedraagt 66 regels (nl. 18.Een notabel van een hont*8), de kortste zes regels. Men moet zich echter afvragen of de titel `een notabel' en zelfs de titels in het algemeen wel van Willem zijn en niet van een kopiïst. Indien de hypothetische stamboom uit hoofdstuk 3 klopt, dan moeten de titels van de spreker zelf zijn. Immers, als men er van uitgaat dat hs.X niet van hs.W afhankelijk is, dan blijken de titels die vanuit hs.X in hs.H terecht zijn gekomen overeen te stemmen met die in hs.B (en hs.W?). Ook de notabels die vanuit hs.X in hs.H terecht zijn gekomen droegen er al de titel `een notabel', net als in hs.B. Voorts zijn er twee gedichten waarvan we de titel kennen via de fragmenten R (±1400) die op zichzelf staan en zelfs ouder zijn dan het door Willem VI aangeschafte hs.W. De sproke 20.Van drien figuren heet bij RVan III figuren, en 10.Dit is van drien coeren is er Van drien kueren getiteld. Tenslotte vinden we nog twee vroege sproken in hs.Hu waar 42.Vander hontsschede en 74.Van Sinte Gheertruden minrespectievelijk getiteld zijn: Enen hontsbete en Sente Ghertruden minne ende Sente Jans vrienscap, die deen vrient den andren gheeft.*9 We kunnen derhalve vrij veilig aannemen dat de titels van de spreker zelf stammen.*10 Dit laatste neemt overigens niet weg dat kopiïsten soms enigszins in de titels hebben ingegrepen: 65.Een notabel van twee wynden uit hs.H heet in hs.BVan tween wynden een byspel. De sproke 33.Van dominus uit hs.H is in hs.B getiteld Die interpretacie van dominus. Gedicht 102.Een disputacie in hs.H heet in hs.B zelfs gewoonweg Een notabel.*11 Opmerkelijk is voorts dat 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen uit hs.H in hs.BHoe die yerste pertie in Hollant quam heet. De `fout' kan ontstaan zijn door het over het hoofd zien van twee abbreviaturen in de legger.*12 Voorts heeft 18.Een notabel van een hont uit hs.H in hs.B als titel Nota bij een notabel van enen hont. Tot slot is de titel in hs.B van 13.Vanden vrouwen die hoer kuken wachten door gekriebel uit plaatsgebrek niet goed leesbaar: Vanden vrouwen die haer kycen nemtlyf?*13
Terug naar het begrip `sproke'. Een strikte definitie van deze term zou meer problemen oproepen dan hier wenselijk is. Hier moge de volgende, globale omschrijving, op grond van Willems oeuvre en ander sprokenmateriaal, toereikend zijn. Een sproke is een compacte dichtvorm, die tenminste vanaf de 14e eeuw in het Middelnederlandse taalgebied werd voorgedragen door rondreizende sprooksprekers, en die voor het publiek op het gehoor te volgen was. De sproke telt gemiddeld zo'n 180 à 200 versregels, met een benedengrens van ongeveer 10 regels en een limiet van ongeveer 700 regels. De sproke kan zowel overwegend verhalend als betogend van karakter zijn, veelal zonder lyrische inslag, en dient meestal impliciet of expliciet een moraliserend of didactisch doel. Vaak wordt in de sproke de nadruk gelegd op morele waarheden en christelijke of wereldlijke ethiek. Als genre staat de sproke dicht bij het exempel, de gelijkenis en de preek.*14
Er zijn een paar klassificaties binnen Willems oeuvre aan te brengen: zo kunnen een aantal te dateren sproken geïsoleerd worden, evenals een aantal specifieke gelegenheidsgedichten en een aantal sproken van duidelijk Hollandse signatuur. Het betreft hier niet-genrematige en in zeker opzicht incomplete en marginale klassificaties, die in een studie als deze echter niet mogen ontbreken. Voorts kan men de sproken onderscheiden op grond van (elementaire) vormkenmerken, of naar gelang het verhalende dan wel betogende karakter ervan. Maar het is ook mogelijk een volledige karakteriserende klassificatie van het corpus naar inhoud te maken. Deze klassificatie zal het meest relevant blijken. Geen enkele klassificatie in deze paragraaf heeft overigens de pretentie de middeleeuwse genreconcepties bloot te leggen: de klassificaties zijn slechts dienstig aan de moderne, wetenschappelijke behoefte het materiaal beheersbaar te ordenen.
Eerst worden enkele gedichten van Willem besproken die, in het kader van een niet-genrematige klassificatie, bij benadering te dateren zijn. Uit de datering zal blijken dat de volgorde der sproken zoals overgeleverd in hs.H en hs.B niet volkomen chronologisch is. De sproke35.Vander wrake Goeds moet gemaakt zijn na 12 september 1396, de nederlaag van het Christenleger tegen de Turken bij Nicopolis, en vóór 24 juni 1397, toen de krijgsgevangenen werden vrijgekocht.*15 De sproke 56.Van feeste van hylic, die weliswaar zowel in hs.H als hs.B na het voornoemde gedicht komt, is eerder vervaardigd, namelijk ter gelegenheid van het bruiloftsfeest dat gevierd werd op 3 april 1394, na het huwelijk tussen Albrecht van Beieren en Margaretha van Kleef.*16 Het gedicht 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen, alhoewel in beide handschriften opgenomen na voornoemde sproke, is nog weer ouder. Het moet gemaakt zijn tussen het (prille) begin van Willems literaire carrière, circa 1380 en de dood van Willem V in 1389.*17 Het lijkt er zelfs op dat Hildegaersberch een opnieuw oplaaien van de Hoekse en Kabeljauwse twisten voorzag, en dan zou het gedicht wel eens tussen 1386 en 1389 geschreven kunnen zijn, toen Albrecht de Kabeljauwse partij ging steunen.*18 In paragraaf 6.1. zal nog behoedzaam de vraag worden gesteld of 51.Van tregiment van goeden heren en 52.Een exempel van partyen kunnen zijn voorgedragen na de dood van Willem V in 1389 en kort na de moord op Aleid van Poelgeest en Willem Cuser in 1392, hetgeen aanleiding was voor het opnieuw oplaaien van de Hoekse en Kabeljauwse tegenstellingen. De vraag kan echter niet met stelligheid worden beantwoord. Zoiets geldt ook voor 66.Van drierehande lyden, waarin een toespeling wordt gemaakt op de twisten en Willem de heren oproept om eensgezind het zwaard te hanteren (zie vs.166-169). Moet dit gedicht gedateerd worden tussen 1392 (wederom de moord op Aleid van Poelgeest en Willem Cuser) en 1396, kort voor de voorgenomen strijd tegen de Turken of de Friezen? De sproke 81.Vanden sloetel moet gedateerd worden tussen juni 1393, het oproer van Leidse handwerkslieden en 16 juni 1401, toen graaf Albrecht zich verzoende met de meeste ballingen. En alhoewel het binnen de gehele periode 1393-1401 steeds goed mogelijk is dat Willem de sproke heeft voorgedragen, zal het gedicht optimaal hebben gefunctioneerd indien het begin 1401 ten gehore is gebracht.*19 Voorts kan men 83.Hoemen voer die eere gaet schulen, zoals ons dat is overgeleverd, dateren na 1377, het jaar waarin Dirc van den Rijn commandeur van de Duitse Orde te Leiden werd. Een datering na 1377 is evenwel weinig zinvol, aangezien Willem pas ca.1380 begonnen zal zijn met dichten. Dirc oefende zijn ambt uit tot 1388.*20 Alhoewel het niet noodzakelijk zo hoeft te zijn, kan men het toch voor waarschijnlijk achten dat Willem deze sproke in de jaren tachtig van de 14e eeuw heeft gemaakt en voorgedragen, of althans Dircs naam in de laatste strofe eraan heeft toegevoegd. Dankzij een vijftal vrij nauwkeurige dateringen kan nu reeds vastgesteld worden dat de gedichten in hs.H noch in hs.B volledig in de juiste chronologische volgorde zijn blijven staan. Een poging tot datering van sproken ter gelegenheid van de Vasten, Pasen, Pinksteren en Kerst aan de hand van de Hollandse rekeningen is een te hachelijke onderneming. In de eerste plaats heeft Willem te vaak op dergelijke hoogtijdagen voorgedragen om hieraan enige houvast voor de datering van een sproke te ontlenen. Bovendien hoeft niet elk optreden van Willem aan het Hollandse hof tegen betaling te zijn geschied: hij kan nog vaker op hoogtijdagen hebben gesproken zonder dat dit in de rekeningen is geadministreerd. Tenslotte zou bij een poging tot datering uitgegaan worden van de onterechte veronderstelling dat bedoelde gelegenheidsgedichten telkens hun première beleefden aan het Hollandse hof, terwijl dit geenszins het geval hoeft te zijn geweest. Misschien mag echter toch één poging gewaagd worden. De sproke 97.Vander drierehande staet der werlt is blijkens de inleiding een nieuwjaarsgedicht. Elke keer dat Willem aan het Hollandse hof met Oud en Nieuw zal zijn opgetreden, zal hij een geldelijke beloning hebben ontvangen, omdat dit juist dan uiterst gebruikelijk was. Tweemaal komt men Willem in de rekeningen tegen op nieuwjaarsdag: in 1396 en 1400. Heeft Willem (de ons overgeleverde versie van) 97.Vander drierehande staet der werltspeciaal voor één van deze twee gelegenheden gemaakt?
Er resteren nog een paar suggesties ter datering van enkele sproken, zij het dat strikte bewijsgronden hier veelal ontbreken. De gedichten 42.Vander hontsschede, 45.Een notabel en74.Van Sinte Gheertruden min komen ook in het handschrift-Van Hulthem voor. Dit Brusselse handschrift dat tussen 1399 en 1410 tot stand zal zijn gekomen, is waarschijnlijk een afschrift van een verloren gegaan (Leuvens?) handschrift.*21 Indien nu de twee sproken van Willem reeds in het Leuvense handschrift voorkwamen, zijn ze er nog tijdens het leven van de spreker in terecht gekomen. Gunt men nu de drie sproken enige tijd om in dit handschrift terecht te komen, dan is het niet onbestaanbaar dat we te maken hebben met drie vroege gedichten van Willem. De sproke45.Een notabel komt bovendien in gebedenboek G voor, dat ook vrij vroeg in Willems carrière gedateerd moet worden (ca.1390). Een zeer vroeg gedicht (tussen 1380 en 1383) zou ook 95.Van den avontmael kunnen zijn als we de bekendmakingsformule in vs.323 als `Van Hildegaersberch die gheselle' letterlijk mogen nemen.*22 Tot slot zijn er nog een aantal sproken waarin tenminste de suggestie wordt gewekt dat ze in een later stadium van Willems loopbaan zijn ontstaan. Men zie de openingsverzen van 107.Vanden boghe: `Ic heb ghedicht in mynen tyden Van weelden groot, van menighen lyden, Van ruste ende oec van overmoede' (vs.1-3). Willem suggereert hier een aanzienlijk repertoire te hebben opgebouwd en verwijst in elk geval naar zijn gedichten66.Van drierehande lyden (gemaakt tussen 1392 en 1396?) en 82.Van ruste. In het slot van91.Van tween bomen wordt de indruk gewekt dat de sproke van latere datum is: `Alsoe ons Willem heeft gheseet In veel materien, die hi ruerde Die wijl dat hem sijn leven duerde' (vs.182-184), al moet aangetekend worden dat de verzen problematisch zijn en de formulering `secundair' aandoet. De verzuchting in de inleiding van 87.Vander avontuer suggereert een naderende ouderdom (zie vs.1-5); er kan echter sprake zijn van een topos en bovendien is uiterste behoedzaamheid geboden in het identificeren van de `ic'-persoon met de persoon van de dichter/spreker. Hetzelfde geldt voor 31.Van sterven, waarin de `ic' zich `arme oude' noemt (vs.9). Mogelijk hebben 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten, 113.Vander bedevaert en119.Vanden hofman tot Willems laatste gedichten behoord (tussen ca.1400 en 1408), gezien de ouderdom die de spreker zichzelf toedicht.*23
Dit alles leidt, met de nodige vraagtekens en voorbehouden, tot het volgende overzicht:
| 1380-1383?? | 95.Van den avontmael |
| vroege gedichten? | 42.Vander hontsschede |
| 45.Een notabel | |
| 74.Van Sinte Gheertruden min | |
| jaren tachtig | 83.Hoemen voer die eere gaet schulen |
| ca.1386-1389 | 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen |
| kort na 1392? | 51.Van tregiment van goeden heren |
| 52.Een exempel van partyen | |
| 1392-1396? | 66.Van drierehande lyden |
| 3-4-1394 | 56.Van feeste van hylic |
| 1-1-1396/-1400?: | 97.Vander drierehande staet der werlt |
| 12-9-1396 - 24-6-1397 | 35.Vander wrake Goeds |
| latere sproken? | 31.Van sterven |
| 87.Vander avontuer | |
| 91.Van tween bomen | |
| 107.Vanden boghe | |
| ca.1401 | 81.Vanden sloetel |
| laatste sproken? | 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten |
| 113.Vander bedevaert | |
| 119.Vanden hofman |
Een tweede groep sproken die valt te onderscheiden is die van de gelegenheidsgedichten. Zoals gezegd was 56.Van feeste
van hylic bestemd voor Albrechts bruiloftsfeest. Afgaande op de inhoud was 92.Van feeste van heren gemaakt ter
gelegenheid van een toernooifeest. Uit proloog en kern van 98.Vanden XL daghen kan opgemaakt worden dat het gedicht
bestemd was om in de Vasten te worden voorgedragen, ter voorbereiding op Pasen en de Paasbiecht:
Ons sijn XL daech ghegheven, [nl. de veertigdaagse vasten]
Dat elcman beteren sel sijn leven,
Op dat hi kersten ghelove bekent,
Ende rede hem totten sacrament [nl.de Paasbiecht]
Mit goeden wil ende oec mit vlijt.
Wanttet is die nutste tijt
Entie salichste binnen den jaer,
Soe volcht hi dan mit liste naer,
Die bose, ende wil den mensche becoren,
Op dat hi sel in sonden smoren
Ende niet te sacramente gaen. (98; 1-11)
In de kern somt Willem dan vijf manieren op waarop de duivel tracht de mens van de biecht af te houden. Ook gedicht
109.Vanden vier cussen bereidt het publiek voor op Goede Vrijdag (het kussen van het kruisbeeld, zie vs.65, 129) en Pasen
(biecht en communie, zie vs.74, 190, 194, 205, 207, 208). Een typisch Paasgedicht is voorts 69.Vander verrisenis. In de
proloog zegt Willem meteen onomwonden dat de Vasten voorbij zijn en dat het Pasen is geworden: `Ons is een tijt van
salicheden Mit XL daghen overleden' (vs.1-2). Eveneens een duidelijk Paasgedicht is - zoals uit de titel reeds blijkt - 25.Dat
ewangelium van Paeschen. Maar ook uit de inleiding van de boerde 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert blijkt dat
het een Paasgedicht is:
Eens omt jaer soe comt een tijt,
Dat over al die werlt wijt
Elck mensche gaern te biechte gaet,
Al dairmen kersten ghelove ontfaet,
Van sonden die hi heeft ghedaen,
Ende neemt penitencie weder aen,
Als hem die priester raedt te doen.
Hier om soe prisic dit sysoen,
Wantmen peynst dan om die sonden
Meer dan anders tenighen stonden (26; 1-10)
Willem heeft het hier duidelijk over de verplichte Paasbiecht. Dit blijkt ook uit het onderwerp van de sproke zelf: de biecht. Alleen wordt in deze boerde op komische wijze getoond hoe het allemaal níet moet. Voor eenzelfde doel - vermaning ter gelegenheid van de Paasbiecht - kon dus evenzeer een lichtvoetige als een serieuze behandeling van het onderwerp dienstig zijn.
Uit de titel van 40.Vander gheboorten Christi blijkt al dat dit een Kerstgedicht is. De proloog opent met de vaststelling dat
de Kersttijd is aangebroken:
Wi willen alle vrolic sijn;
Ons is een ewich licht anschijn
Ende een salich dach bedaecht.
Want Maria, die suver maecht,
Droech den zoon al sonder man,
Die ons ewighe vroechde wan
Overmits des Vaders wille. (40; 1-7)
De sproke 97.Vander drierehande staet der werlt heeft waarschijnlijk als nieuwjaarsgedicht gefunctioneerd. Willem gewaagt in de proloog dat men God dankbaar mag zijn `Als dat nyeuwe jair beghint' (vs.1); `Wanttie werlt wert seer verblijt, Als dat nuwe jaer in staet [begint]' (vs.6-7). De winter is in het nieuwe jaar weliswaar nog niet voorbij, maar nieuwjaar is toch een soort keerpunt dat de mens doet uitzien naar het opnieuw ontluiken van de natuur, zo lijkt Willem in de inleiding te zeggen. Daarmee zijn de gelegenheidsgedichten opgesomd.*24 Het moge voor zich spreken dat dergelijke gedichten op de geëigende tijden voor herhaalde voordracht vatbaar waren.
Een derde groep is die der `Hollandse' gedichten, dat wil zeggen de gedichten met een inhoudelijk Hollandse signatuur, die betrekking hebben op de - al dan niet politiek-bestuurlijke - Hollandse historie of actualiteit. Het betreft de gedichten 10.Dit is van drien coeren (Willem III),51.Van tregiment van goeden heren (Willem III en Willem V), waarschijnlijk ook 52.Een exempel van partyen (zie par.6.1.), 56.Van feeste van hylic (met allusies op Hollandse toestanden; zie par.8.3.3.), 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen, 76.Vander rekeninghe (over de praktijk van het afhoren van de Hollandse rekeningen; zie par.8.1.), 81.Vanden sloetel (pleitdicht voor Leiden; zie par.9.2.) en 84.Vanden sacramente van Aemsterdam. Mogelijk moet hieraan38.Vanden ghesellen die ommeseylden nog worden toegevoegd. Dat het hier om gedichten met een Hollandse signatuur gaat, behoeft overigens niet te betekenen dat ze niet vatbaar waren voor (her)gebruik buiten Holland. De thematiek van deze sproken benadrukt eigenlijk alleen Willems verbondenheid met Holland.
Naar de vorm zou men nog de 13 strofische gedichten van de rest van de sproken kunnen onderscheiden.*25 Slechts twee daarvan hebben gepaard rijm, te weten de twee strofische gedichten met refreinregels.*26 Op grond van de vorm kan men verder nog de dialooggedichten*27 en de notabels*28 isoleren.
Op de grens van vorm en inhoud valt nog een kleinere groep sproken te onderscheiden. Willem hanteert soms het procédé van - wat men kan noemen - het `woorddicht' en het `letterdicht'. Het `letterdicht' treffen we maar eenmaal aan bij Willem: 33.Van dominus. Aan de hand van de letters uit het woord `dominus' behandelt Willem een zevental deugden.*29 Het `woorddicht' komt bij Willem vaker voor. In zo'n sproke staat één woord (of een woordenpaar) geheel centraal. De hele verhandeling draait om dit meer dan gemiddeld terugkerende woord. En ook het begrip `woort' zelf komen we soms tegen in zo'n gedicht; men denke aan formules als `Mer is woort dat luttel vroomt' (19; 20), `Ghedenck is een edel woert' (78; 105) en `Al is ghenoechte een edel woert' (100; 64). Het betreft de sproken 11 ('beschermen'*30); 12 ('selve'); 19 ('mer'*31); 68 ('spieghel')?; 71 ('helen')?; 78 ('ghedencke'); 82 ('ruste'); 93 ('ja ende neen') en 100 ('ghenoechten').
Op grond van de inhoud kan men de sproken indelen in (overwegend) verhalende en (overwegend) betogende sproken. Ten onrechte heeft E.van den Berg*32 Willems werk wel getypeerd als `vertellend', terwijl Willems werk eerder als voornamelijk betogend te karakteriseren is. Immers, ruim driekwart van de sproken is overwegend betogend, terwijl nog geen kwart van de gedichten, de twijfelgevallen meegerekend, overwegend verhalend van aard is.*33 Tot de verhalende sproken moeten gerekend worden de gedichten 5, 7(?), 8, 9, 12(?), 13, 15, 17, 18, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 36, 38, 44(?), 57, 65, 74, 81, 84, 85, 91(?), 95 en 96. Alle andere sproken moeten tot de betogende sproken gerekend worden.
De laatste en belangrijkste klassificatie die hier gemaakt wordt, houdt meteen een verdere karakterisering van alle 120 gedichten in. De enige die tot nu toe een poging heeft ondernomen om tot een klassificatie op inhoudelijke gronden van Willems sproken te komen, was Te Winkel.*34 Hij onderscheidde:
1. Godsdienstige en zedekundige bespiegelingen (nl. ged.1, 8, 12, 14, 23, 25, 31, 46, 49, 64, 69, 79, 87, 93, 96, 97, 110).
2. Politieke gedichten (ged.2, 7, 33, 57, 76).
3. Geschiedkundige sproken (ged.10, 35, 51, 52, 63, 70, 74, 84).
4. Hekeldicht (ged.11, 19, 39, 43, 58, 73, 80).
5. Dierfabel (ged.9, 15, 18, 24, 44).
6. Boerden (ged.17, 26, 85).
Neemt men vervolgens de moeite om ook alle andere sproken in de opsomming in te passen, dan kan men constateren dat het merendeel bij de godsdienstige en zedekundige bespiegelingen thuis hoort, en dat de andere gedichten in 2 t/m 6 een `restgroep' vormen*35 - waarmee de hele klassificatie wel aan pregnantie inboet.
Verder moet vastgesteld worden dat bepaalde gedichten eigenlijk zowel bij de ene als bij de andere groep kunnen behoren. Te Winkel plaatst 97.Vander drierehande staet der werltweliswaar niet ten onrechte onder de godsdienstige en zedekundige bespiegelingen omdat het een beschouwing is over de, door God gewilde, drie standen, maar men zou de sproke evengoed een politiek gedicht of een hekeldicht kunnen noemen. Politiek, omdat Willem hier de ideale standenorde van bidders, vechters en ploegers verdedigt (ten faveure van de oude maatschappelijke elite), tegen de politieke realiteit van de groeiende burgermacht in. De dichter stelt zich op een aristocratisch standpunt en bepleit in feite de rechtmatigheid van de adellijke suprematie. Een hekeldicht kan de sproke ook genoemd worden, in aanmerking genomen dat Willem na vs.247 zijn kritiek levert op de drie standen: de clerus is hovaardig en lichtzinnig, de heren lijken op roofzuchtige haviken en de boeren willen in hun hoogmoed hoger klimmen dan zij aan hun stand verplicht zijn; laatstgenoemden willen opklimmen tot schout of baljuw, ambten die - tot voor kort - voor de heren waren weggelegd. Verder is het bijvoorbeeld de vraag of 17.Vanden waghen wel tot de zuivere boerden gerekend mag worden. De sproke heeft zeker boertige elementen, maar bevat ook lange betogende passages, en heeft als geheel mogelijk eerder gefunctioneerd als hekeldicht, waarin de corrupte rechtsgang wordt gelaakt. Kruyskamp zag althans geen aanleiding om deze sproke over de omkoopbare rechter in zijn boerdenbundel op te nemen, in tegenstelling tot 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert en 85.Vanden monick.*36 Vervolgens lijkt het onjuist om 35.Vander wrake Goeds een geschiedkundige sproke te noemen. Het Westers Schisma en de slag bij Nicopolis waren voor Willem en zijn publiek geenszins geschiedenis, maar actualiteit. Te Winkel benadert de sproke hier niet vanuit middeleeuws perspectief. En ook bij een sproke als 74.Van Sinte Gheertruden min mag men zich afvragen of de typering als geschiedkundige sproke wel de meest toepasselijke is.
In zijn onderzoek naar de Mären heeft Fischer een indeling van het genre der korte gedichten met gepaard rijm gemaakt.*37 In de eerste plaats maakt hij onderscheid tussen `Rede' (er wordt iets besproken, betoogd) en `Erzählung' (er wordt iets verteld).*38 Tot de Redenbehoren volgens Fischer: geistliche Rede, weltlich-didaktische Rede, Kurzgnomik, fachliterarisch Spruchgedicht, politisch-didaktische Rede (o.a. lof- en scheldgedicht) en Minnerede. Van een aantal andere soorten Reden betwijfelt Fischer of ze wel steeds als een apart genre beschouwd kunnen worden. Hij noemt: Streitgespräch, persönlichen Reden, Quodlibet, Parodien religiöser Texte und Genera, Zechreden, Obzönreden, Klopfan-Spruch en Priamel. Tot de Erzählungenrekent Fischer: Mären, Legenden, Mirakelerzählungen, Teufelerzählungen, fromme Welterzählungen, historischen Ereignisberichte en Fabeln. Onder Mären verstaat Fischer globaal genomen wereldlijke vertellingen met mensen in de hoofdrol, met uitzondering van het bispel (de boerde hoort er bij, maar de fabel valt er buiten).*39 De meeste genera worden door Fischer op grond van de inhoud onderscheiden, doch enkele op grond van de vorm, zoals Kurzgnomik(kort), Streitgespräch en Quodlibet (dialoogvorm) en Priamel (parallellisme).
Deze laatste indeling in (sub)genres is veel uitgebreider dan voor het corpus van Hildegaersberch wenselijk of noodzakelijk is. Slechts een paar subgenres treft men in Willems werk in zuivere vorm aan en deze subgenres zullen dan ook weldra terugkeren bij de inhoudelijke klassificatie van zijn sproken. Opvallend is het dat Lämmert in zijn studie over Heinrich der Teichner slechts uitkomt op twee hoofdcategorieën, namelijk `die beiden Hauptgruppen desgeistlichen und des weltlichen Spruchs'. Lämmert beschouwt `eine weitere Aufgliederung nach Lehrarten oder Einkleidungsformen als unmöglich'.*40 Ook voor de sproken van Hildegaersberch geldt dat de meest zinvolle en vruchtbare klassificatie die er gemaakt kan worden de tweedeling is in (overwegend) religieuze sproken en (overwegend) wereldse sproken. Deze tweedeling, hoe simpel ook, levert overigens reeds een aantal twijfelgevallen op: niet altijd is uit te maken of een sproke een overwegend werelds of religieus doel dient. Een verdere opsplitsing van de sproken naar inhoud is weliswaar niet onmogelijk, maar al snel geforceerd. Hoe verder men tracht de sproken op te splitsen, des te meer probleem- en twijfelgevallen men creëert.
In navolging van Jauss*41 zal hier achter elke sproke een impliciete vraag verondersteld worden die in de tekst beantwoord wordt. Deze aanpak van het probleem - ondanks de tekortkomingen - lijkt de mogelijkheid te bieden om door te dringen tot de essentie: welk doel dient de sproke, welke gedachte wil de spreker tot uitdrukking brengen, wat is de abstracte idee? Beide soorten sproken trachten antwoord te geven op een existentiële vraag. De (overwegend) religieuze sproke beantwoordt de tweeledige vraag: `Hoe moet men als christen leven en wat moet men als christen weten teneinde het heil te kunnen bereiken?'. De (overwegend) wereldse sproke wil een antwoord geven op de vraag: `Hoe als mens in de wereld (idealiter) te handelen?' Deze vragen kunnen steeds vanuit een andere invalshoek beantwoord worden. Indien we als subgenres nu fabels*42, boerden*43 en historische sproken*44 zouden gaan onderscheiden, dan zegt dat weinig tot niets over de idee van de sproke. De begrippen fabel en boerde zeggen alleen iets over de wijze van inkleden van de te behandelen problematiek (komisch en met handelende dieren), maar niets over de problematiek zelf. Het begrip `historische sproke' duidt er slechts op dat het verleden wordt aangeroerd, maar biedt geen informatie over het (bijvoorbeeld) politieke doel van de tekst.
Het is weinig zinvol om de religieuze sproke nog op te splitsen in subgenres, maar binnen het genre van de wereldlijke sproke lijkt een driedeling mogelijk en vruchtbaar. Ten eerste is er dewereldlijk-didactische sproke waarin de impliciete vraag beantwoord wordt: `Hoe als mens in het algemeen (idealiter) te handelen?'. Vervolgens is er de politiek-didactische sproke (of: bestuurlijk-didactische sproke), waaraan de volgende impliciete vraag ten grondslag ligt: `Hoe (idealiter) te regeren?'. Als derde subgenre kan men nog de hekelende sproke onderscheiden, met als onderliggende vraag: `Wat zijn de misstanden van deze tijd?'.
Als we ons nu vervolgens wagen aan een (tot op zekere hoogte altijd subjectieve) indeling, dan levert dit, zoals gezegd, nog een aantal twijfelgevallen op. Dit zou in de nuvolgende indeling tot doublures kunnen leiden. Om dit te voorkomen zijn alle twijfelgevallen van een vraagteken voorzien en is er telkens een (soms ietwat geforceerde) keuze gemaakt voor één (sub)genre.
1. De religieuze sproken: Onder de religieuze sproken vallen gedichten over christelijke deugden (bijv. naastenliefde), sproken met raadgevingen voor een oprecht gelovig leven in dienst van het zieleheil (gedenk te sterven, biecht op tijd) en met vermaningen om tot de Waarheid te komen. De religieuze sproken kunnen ook de tien geboden, de zaligsprekingen, het Paasevangelie of het credo behandelen. Verder behoren tot deze categorie het `lofdicht' op de eucharistie, de vrome vertelling (St.Gertrude, het hostiewonder) en het innige gebed (zoals het Mariagebed). Tot slot behoort ook kritiek op de discrepantie tussen leer en leven bij de clerus tot dit religieuze genre. Het betreft de gedichten 1, 4, 5(?), 6, 9(?), 13, 14, 16, 20, 21, 22, 25, 26, 27, 28, 29, 31, 32(?), 35(?), 38, 40(?), 44(?), 45, 50, 53, 54, 58, 59, 60, 61, 62(?), 64, 66, 67, 68(?), 74, 77, 78, 79, 84, 85, 87(?), 88, 89, 90, 95, 98, 100(?), 102, 103(?), 104, 106, 108, 109, 111, 113, 115, 116, 118 en 119. Indien we de twijfelgevallen niet meerekenen dan bestaat Willems oeuvre voor iets minder dan de helft (41%) uit religieuze sproken. Betrekt men de twijfelgevallen in de beschouwing, dan vormen de religieuze sproken de helft van het corpus.
2. De wereldlijke sproken:
a. De wereldlijk-didactische sproken: In dit subgenre komt de aandacht vooral te liggen op de wereldlijke moraal en zeden. Aan de orde komen bijvoorbeeld het eerbegrip, het correct beleven van genoegens, de aangename kanten van geld, de noodzaak van oprechtheid of geheimhouding, en het belang van behoedzaamheid of eendracht. Een beschouwing over hoe man en vrouw als echtelieden met elkaar moeten leven, behoort tot dit subgenre, alsmede betogen over hoe een goede huisvrouw zich moet gedragen en hoe men een vriendschap moet bewaren. Een paar deugdenleren behoren eveneens tot deze categorie. Onnodig te zeggen dat dergelijke sproken aan het slot heel goed een religieuze wending kunnen nemen, wat ook geldt voor de volgende twee subgenres. Wereldlijk-didactische sproken zijn: 12, 15(?), 18(?), 23, 24, 30, 34, 37, 41(?), 46, 48, 49, 55, 71, 83(?), 91, 92, 93, 94, 107, 110 en 114.
b. De politiek-didactische sproken: De politiek-didactische sproke richt zich meer in het bijzonder op de heersende klasse, en heeft betrekking op het bestuur. De sproken bevatten raadgevingen, vermaningen en kritiek in de politiek-bestuurlijke en juridische sfeer. De gedichten kunnen gaan over het correct besturen van steden of van het land. Veel nadruk wordt in de sproken gelegd op rechtvaardigheid, het bewaken van de vrede, het beschermen van de zwakkere, het vermijden van te hoge belastingen, het verlangen naar een objectieve onomkoopbare rechtspraak en het vermijden van partijschap. Ook de prijsbeheersing is politiek: een vorst dient de prijs van het koren te bewaken en bedrieglijke speculatie te voorkomen, zo wordt het publiek voorgehouden in57.Vanden corencopers. Tot de politiek-didactische sproken behoren: 2, 7, 8, 10, 33, 36, 47, 51, 52, 56(?), 57, 63, 65(?), 69(?), 72, 73(?), 75, 76, 81, 82(?), 86, 97, 99, 101, 105, 112, 117 en 120.
c. De hekelende sproken: In de hekelende sproke worden allerhande misstanden aan de kaak gesteld. De hekelende toon beweegt zich tussen milde spot en bittere tijdskritiek. Vrekken, hebzuchtige heren, woekeraars, corrupte rechters en schalken worden gelaakt, en ook de partijstrijd en het schisma moeten het ontgelden. De hekelende sproken zijn: 3, 11, 17, 19, 39, 42, 43, 70, 80 en 96.
Om aan te geven hoezeer de wereldse en de religieuze kant van bepaalde thema's vaak onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en hoe moeilijk het soms is een sproke strikt tot het wereldse of het religieuze genre te rekenen, wordt hier als voorbeeld 82.Van ruste behandeld. In de sproke bespreekt Willem drie vormen van (noodzakelijke) rust. In de eerste plaats behoeft de mens fysieke rust: het is niet goed zoals de jeugd zich bijvoorbeeld overgeeft aan dobbelen, drinken en nachtbraken. Gulzigheid en onrust matten het lichaam af en maken het voor werk ongeschikt.*45 Het lichaam geeft gelukkig op een gegeven ogenblik zelf aan wanneer het rust behoeft, meent Willem: dan eist het bijvoorbeeld slaap. Ook het land moet in rust en vrede zijn, en niet gebukt gaan onder vetes en onrecht. Het is de taak van de vorst om de rust in het land te bewaren, en land en steden in hun geschreven rechten te laten. Men moet de vorst doordringen van de noodzaak van vrede, rust en bescherming, en hem niet tot de strijd aanzetten. Slechts dan vindt de vorst ook zelf rust. Bij alle lichamelijke behoeften dreigt men de noden van de ziel nogal eens te vergeten, merkt Willem op. De ziel behoeft ook rust. In de hel treft de ziel slechts onrust, maar bij God vindt hij rust, want God is rust.*46 Wie zielsrust wil bereiken, dient zich te ontdoen van (dood)zonden als woede, afgunst en hoogmoed. De ziel zal op de Jongste Dag naar de verdiensten van de mens geoordeeld worden, en het recht zal dan gekend zijn. Als door toedoen van de vorst het land in rust is, dan zal zijn ziel rust vinden bij God, besluit Willem. Zo geordend als hierboven gepresenteerd, verloopt Willems betoog niet: de drie motieven lopen voortdurend dooreen, wat maakt dat alles ineengrijpt. Fysiologische en vooral politiek-bestuurlijke bespiegelingen lijken enigszins te prevaleren, maar worden betrokken op de heilsleer. De kracht van de sproke is dat de drie soorten rust als het ware een drieëenheid vormen: geen zielsrust zonder lichamelijke en politieke rust, en omgekeerd. En met deze boodschap kan Willem, naast de mensheid in het algemeen, een gemêleerd publiek (be)dienen: vorst, raadsheren, jeugd, geestelijken en bevolking, ieder kon er z'n eigen conclusies uit trekken.
Dit besluit de paragraaf over het genre van de sproke, de klassificaties die aangebracht kunnen worden in het oeuvre van
Willem en de karakterisering die van de overgeleverde sproken te maken is. Gebleken is dat Willems werk op diverse
wijzen valt te klassificeren, maar dat elke klassificatie zijn beperkingen en problemen kent. Voor de moderne onderzoeker
althans, want voor Willem en zijn publiek zal de hele kwestie zich vermoedelijk niet hebben gesteld, al zullen beide wel
bepaalde soorten gedichten hebben onderscheiden, en zal het publiek misschien zelfs bepaalde typen sproken eerder van
Willem hebben verwacht dan andere.