In 1886 zei K.E.H.Krause over de Rostockse fragmenten, zonder te weten dat Willem de dichter was: `Alle 5 Fragmente gehören einer Dichtung religiösen Inhalts an: es sind Umschreibungen biblischer Lehren, wie sie den Brüder von gemeinsamen Leben, vielleicht auch den Predigerbrüdern oder den mystisch angehauchten Franciscanern entsprechen würden'.*1 Wellicht schuilt er in deze typering ergens een kern van waarheid. In deze paragraaf wordt daarom een poging ondernomen (en niet meer dan dat) om enig licht te werpen op de relatie tussen preekpraktijk en Willems sprooksprekerskunst.
Alvorens dieper in te gaan op de theologica practica van de bedelordes, op de ars praedicandi en de sermo humilis, wordt
eerst even stilgestaan bij de vraag of Willem op uitlatingen betrapt kan worden met betrekking tot de volkspreek of de
bedelordes. Men mag er zonder meer van uitgaan dat Willem bekend was met het fenomeen volkspreek: elke 14e eeuwse
leek kwam er onvermijdelijk mee in aanraking. Wellicht zinspeelt hij erop in 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven als
hij zegt: `Die dichten connen ende vinden Die horen altoes gaern onbinden Die woerden Goods entie scriftuer' (vs.1-3).
Willem kan hier echter ook doelen op de kanselpreek of de voorlezing uit de Schrift. Misschien dat in 109.Vanden vier
cussen een duidelijker zinspeling op een volkspreek gezien mag worden:
Die pijn ons Heren ende sijn doot
Hoert ic vertrecken teenre stede,
Ende wat van sinen leven mede;
Mar vier sticken sonderlinghe,
Die mi totter herten ghinghen,
Onthildic om te segghen voert (109; 10-15)
In 77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden komt Willem te spreken over verschillende geestelijke ordes. De toon is ironisch en spottend, en de dichter suggereert bijvoorbeeld dat niet alle franciscanen en dominicanen leven naar hun eigen leer. Maar hij voegt daar aan toe: `Leven sy wel in horen zaken, Wye machse dan mit rechte laken?' (vs.41-42). Willem wil de goede geestelijken niet te na spreken (zie par.7.3.). In 85.Vanden monick steekt de dichter de draak met een wellustige dominicaner biechtvader, die zich door de duivel laat verschalken. Opvallend zijn Willems woorden in de proloog: `Ic en wilde minen biechtvader Sonderlinghe niet al betrouwen In enicheit mit schone vrouwen; Want die vyant is naradich' (vs.22-25). Als de kat op het spek wordt gebonden, blijkt het een zware opgave zich aan de gelofte van kuisheid te houden. Willem behandelt het overbekende motief van de geile monnik, maar dat het geenszins de bedoeling van de spreker was om daarmee de spot te drijven met de dominicaner orde als geheel, behoeft geen betoog. Ook in 100.Van ghenoechten komen onder meer de franciscanen en dominicanen kort aan de orde. Zij worden, samen met kartuizer en augustijner monniken, geprezen als `goeden luden' (vs.129), die innig tot God bidden en Hem in woorden en werken dienen. Een ironische ondertoon ontbreekt in dit geval. Over de preekpraktijk van de bedelmonniken laat Willem noch in positieve, noch in negatieve zin iets los. De spreker levert ook geen dusdanig felle kritiek op de bedelordes, dat daaruit een afkeer voor de preekpraktijk der monniken zou kunnen blijken. Het is onduidelijk of Willem de rondreizende predikers zag als `gelijkgestemde' collega's, `hinderlijke' concurrenten*2 of als moralisten van een heel andere orde.
Ongeveer de helft van Willems oeuvre bestaat uit religieuze sproken, en eigenlijk besteedt de spreker in vrijwel al zijn gedichten tenminste kort aandacht aan religieuze motieven (par. 5.1.). Ruim driekwart van de sproken (ook de overwegend wereldlijke) neemt aan het slot een `religieuze wending' (zie hierna). Als de preek gewoonweg gedefinieerd mag worden als `instruction in faith and morals'*3 dan vervullen vele van Willems sproken een dergelijke functie. Het lijkt de moeite waard te overwegen of Willem misschien beïnvloed is geweest door de volkspreek en de preekpraktijk der bedelordes. Eén van zijn sproken lijkt Willem in elk geval aan de preekpraktijk te hebben ontleend, namelijk 17.Vanden waghen, een verhaal dat in diverse prekenbundels voorkomt (par.4.3.2.). En 27.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert lijkt aansluiting te zoeken bij de traditie van de risus paschalis, die voorziet in een komische kanselpreek met Pasen.*4
Voor wat de Middelnederlandse letterkunde betreft is het H.Pleij geweest die aandacht heeft gevraagd voor de preektechnieken van de bedelordes en de neerslag daarvan in de literatuur.*5 In tegenstelling tot de benedictijnen, die zich vooral op de adel richtten, de cisterciënzers, die de wereld ontvluchtten, en de augustijnen, die een tussenpositie innamen tussen hof en stad, waren de franciscaner en dominicaner bedelordes vanaf de 13e eeuw typisch stedelijke ordes die zich toelegden op de stichting van de stedelijke massa's.*6 Naast het ideaal van de armoede in navolging van Christus en de apostelen, gold voor beide ordes het preken als de voornaamste opgave.*7 De stijl en techniek die in de kringen der franciscanen werden ontwikkeld ter belering van een breed publiek staat bekend als de sermo humilis, waarvan de grondprincipes reeds in de 3e eeuw door Augustinus waren beschreven.*8 Het kwam erop neer dat, hoe verheven de christelijke leer ook was, deze op duidelijke, eenvoudige, onopgesmukte en voor ieder verstaanbare wijze moest worden uitgedragen. In tegenstelling tot wat de retorica voorschreef (een verheven stijl voor een verheven onderwerp), bediende de christelijke redekunst zich van `eenvoudige retoriek'. Het alledaagse, komische, satirische, erotische en zelfs het obscene mochten gebruikt worden om de verheven boodschap te verkondigen. Ook het, al dan niet op satirische wijze, tot uiting brengen van maatschappijkritiek, en de hekeling van sociale en morele misstanden, behoorden bij uitstek tot het terrein van de predikende bedelmonniken. Bekende motieven zijn onder meer: de (verdediging van de) door God gewilde standenorde en de taken van clerus, ridders en boeren, de huidige misstanden, de simonie, de onkuisheid, gulzigheid en hebzucht die hoogtij vieren onder de geestelijkheid, het Westers Schisma, de hoogmoed en hebzucht van de adel, de onderdrukking en uitbuiting van het arme volk, de malversaties in de rechtspraak, de plunderende ridders, de praktijken van kwakzalvers, de zwendel van kooplui en woekeraars, en het goddeloze gedrag en de sociale ambities van het gewone volk.*9 Steeds trachtten de bedelmonniken de tijdeloze bijbelse waarheid te verwoorden met behulp van begrijpelijke en herkenbare verhalen. In de volkspreek gebruikte men `realistische' exempelen om daarmee de religieuze thema's voor het volk aanschouwelijk te maken. Pleij meent: `Zoals Jezus zijn boodschap aan eenvoudige mensen verkocht met behulp van parabelen, zo moet dat in de middeleeuwen geschieden met exempelen, fabels, anecdoten [...]'.*10 Elk verhaal en elke historische gebeurtenis konden uitzicht bieden op de goddelijke waarheid. Alles was exemplarisch te duiden, achter alles stak een `sin'. De franciscanen werden om hun specifieke beleringstechniek wel ioculatores Dei genoemd; onder hen bevonden zich ook de nodige `vaganten, jongleurs en ander onorthodox volk', die het geloof uitdroegen met `zang, dans, mime, voordracht en personificatie'.*11
De theologica practica der bedelmonniken, gestoeld op eenvoudige en aangename belering en gericht op de geloofspraktijk van een breed lekenpubliek, werd ook op grote schaal door auteurs te pas gebracht in de literatuur. Verhalen en teksten hadden, net als bij de `allegorische' bijbelexegese was gebleken, nooit alleen een letterlijke betekenis, maar dienden ook begrepen te worden in spirituele zin. Het inzicht dat - naast de Bijbel - literatuur niet (alleen) naar de letter, maar zeker ook naar de geest begrepen moest worden, bereikte in de 14e eeuw een hoogtepunt.*12 De theologica practica, `entertainment op belerende basis', gaf volgens Pleij weer voeding aan de theorie dat de poeta, de ziener-dichter, de aangewezen gids was `om de relatie te verduidelijken tussen de dingen die op aarde te zien zijn en gebeuren, en de achterliggende waarheid die zij representeren'.*13 Van belang hierbij is de conceptie van de heilsgeschiedenis: `De gebeurtenissen op aarde spelen zich af binnen een bepaald plan, dat van de heilsgeschiedenis. Dat plan heeft een begin en een eind, respektievelijk de Zondeval en het Laatste Oordeel, met het eeuwige Godsrijk daarna. Alles wat op aarde gebeurt, staat in het teken van dit plan, dat uiteraard van goddelijke oorsprong is. Daardoor staan alle gebeurtenissen in het perspektief van de jongste dag, ze leiden onafwendbaar naar het einde. En daardoor openbaren de tijdeloze waarheden van goddelijke oorsprong zich eveneens in deze gebeurtenissen op aarde'.*14 Het was nu de taak van de literatuur de verbanden tussen historische en contemporaine voorvallen en de heilsgeschiedenis duidelijk te maken. De letterkunde was, onder invloed van de theologica practica, aldus nog steeds Pleij, doortrokken van `een op analogie-denken gebaseerd exemplarisme'.*15
Pleij haalt Willem van Hildegaersberch aan als spreker die zich ontpopt als ziener-dichter. Willem meent immers:
`Gherechte dichters bringhen voert Dat wair is ende salich mede Te comen totter ewichede'*16 (21; 18-20). En Willems
sproke 38.Vanden ghesellen die ommeseylden is door Pleij reeds geïnterpreteerd vanuit het perspectief van de
middeleeuwse boetepreek: de gezellen in het exemplarische deel van het gedicht staan voor de zondaars die op het schip
van boete varen, vergaan, maar met Gods hulp op het laatste moment nog gered worden.*17 De religieuze boodschap in
het slot luidt, dat men altijd op de dood en het eeuwige leven voorbereid moet zijn:
Wanneer u God die doot toesent,
Dat ghi te voren sijt bereyt:
Want nyemant tijt noch stont en weyt,
Hoe off waert hem sel gheschien.
Dus ist een wiselic voersien,
Die in weldoen ende in doghen
Tewighe leven heeft voir oghen. (38; 96-102)
Dat Willems sproken regelmatig veel weg hebben van korte, berijmde preken, valt niet te ontkennen. De spreker noemt zijn
sproken zelfs tot tweemaal toe `sermoen'.*18 Sommige van de aanspreekvormen die hij hanteerde, lijken aan de boetepreek
ontleend:
Nu siet, ghi domme creaturen (4; 605)
Ghi ghierighe minres vanden ponden (27; 6 en 73; 208)
Ghi, jonghe domme, in uwer joecht (59; 16)
Ghi dwase luden, mercty niet (88; 42)
Ghi jonghe domme, waer ghi sijt (119; 103)
Zijn sproken lijken ook (groten)deels bestemd te zijn geweest voor een lekenpubliek (zie hoofdst.8), en getuigen vaak inderdaad op eenvoudige en onopgesmukte wijze van de bijbelse waarheden. De dichter valt bovendien regelmatig terug op de Bijbel en de geloofsleer als de meest fundamentele autoriteiten.*19 Willem maakte daarbij met enige regelmaat gebruik van verhalen, exempelen, allegorieën, fabels, historische schetsen en boerden om zijn al dan niet (expliciete) religieuze lering van een `aanschouwelijk' kader te voorzien.*20 Een aantal gelijkenissen heeft de spreker zelfs aan de Bijbel ontleend. De spreker schuwde het alledaagse, komische en satirische niet. Willem heeft echter slechts weinig zijn toevlucht gezocht tot aangename vertellingen in de trant van 24.Vanden serpent, 74.Van Sinte Gheertruden min of 85.Vanden monick. Zijn oeuvre is ook niet als overwegend verhalend te kenmerken, doch veeleer als betogend. Willems publiek zal voldoende niveau hebben gehad om zijn meer directe moraliserende, vermanende en kritische teksten tot zich te kunnen nemen. Men zal zich ook hebben laten boeien door sproken die niet overwegend uit fictie waren opgebouwd.*21 Willems leer is echter wel steeds eenvoudig en duidelijk te noemen. Het prettige bij de interpretatie van Willems werk is dat wat hij bedoelt, hij over het algemeen ook gewoon met zoveel woorden zegt: het was niet zijn stijl om z'n publiek in het ongewisse te laten. De eenvoud en duidelijkheid betreft zeker ook de religieuze kant van de zaak: de spreker zocht steeds aansluiting bij de orthodoxe kerkleer, legde veel nadruk op het zieleheil van zijn publiek en bekommerde zich vooral om de praktische kanten van het geloofsleven (deugd, goede werken, communie, biecht e.d.). Hierop wordt bij de behandeling van de geloofsleer (par.7.2.) nog uitgebreider ingegaan. De gelaagdheid van Willems sproken is vaak onmiskenbaar: op het exempel volgde meestal de explicatie. In 91.Van tween bomen maakt hij dit na het exemplarische deel aan zijn publiek met zoveel woorden duidelijk: `Voirtan [= in het vervolg] willic overluut Openbaren wat ic meyne, Al roer ic desen boom alleyne'*22 (vs.96-98). Waarop dan de uitleg volgt. De dichter spreekt van de boom bij wijze van exempel, maar achter het letterlijke verhaal gaat een belangrijker diepere (religieuze of morele) betekenis schuil. De dichter spreekt regelmatig in gelijkenissen. Willem presenteert zichzelf ook graag als kenner van de (goddelijke) waarheid, die hij uit de doeken wil doen (par.6.3.). Hij ziet achter het dagelijkse en eenmalige inderdaad het eeuwige en ware schuilgaan. De dichter is in staat om het ogenschijnlijk gewone in het perspectief van het buitengewone en goddelijke te plaatsen. En hij weet gebeurtenissen in het kader van de heilsgeschiedenis in te passen. In de sproke 35.Vander wrake Goeds wordt de nederlaag van het christenleger tegen de Turken bij Nicopolis in verband gebracht met andere keren dat God wraak nam: Willem noemt de verdrijving uit het paradijs, de zondvloed en de oorlog die Alexander de Grote voerde. In 70.Van ses articulen der werlt legt Willem getuigenis af van inzicht in de heilsgeschiedenis, beseft hij dat de mensheid zich in het laatste tijdperk bevindt, en spreekt hij de vrees uit dat de doemsdag nabij is. Aan het Laatste Oordeel, zo staat geschreven, gaan voortekenen vooraf en Willem merkt in het gedicht het Westers Schisma aan als één van de voortekenen. En de spreker was ook in staat verband te zien (of: te leggen) tussen Leiden, St. Petrus en de paus: alledrie zijn sleuteldragers voor een hoger heer en alledrie nemen zij daardoor sleutelposities in. En zoals in de boetepreek gebeurt, toont ook Willem zich kritisch ten aanzien van maatschappelijke misstanden (onrecht, corruptie, hebzucht, uitbuiting, twist e.d.).*23 Er bestaat zeker overeenkomst in thematiek tussen wat in de volkspreken en in Willems sproken ter sprake werd gebracht.
De sermo humilis was aan retorische regels onderworpen, die vanaf Augustinus zijn vastgelegd in de ars praedicandi.*24 In zijn studie over Der Teichner, de Duitse spreker die verwantschap vertoont met Hildegaersberch*25, heeft E.Lämmert aandacht besteed aan de ars praedicandi. Lämmert heeft Der Teichner een duidelijke `zielzorgende' rol toegedicht. Niet alleen heeft hij het sterke vermoeden dat de `Reimsprecher' lid was van de Weense geestelijke broederschap `der unbefleckten Empfängnis Mariae', ook gelooft hij in banden met kloosters, zoals de cisterciënzerkloosters Zwettl en Heiligenkreuz en het kartuizerklooster Mauerbach, en ziet hij nauwe contacten met de franciscaner bedelmonniken die werkzaam waren in de `Laienmissionierung' in Oostenrijk. Er werden ten tijde van Der Teichner zowel clerici als leken ingezet in de strijd tegen de ketterse waldenzen, terwijl de coördinatie daarvan grotendeels in handen was van de franciscanen. Lämmert dicht Der Teichner met zijn eenvoudige berijmde preken een rol toe in de `Laienmissionierung' aan hoven, in steden en dorpen en bij broederschappen.*26 In het laatste hoofdstuk van zijn studie staat Lämmert dan stil bij de sermo humilis-techniek en de (grote) invloed daarvan op het werk van Der Teichner.*27 Hij toont aan dat de dichter op verschillende belangrijke punten niet zozeer de retorische regels van de artes poetriae en de artes dictaminis volgt, als wel die van de artes praedicandi.
Grondregel in de ars praedicandi voor de sermones vulgares was het hanteren van de eenvoudige preekstijl, zoals we reeds zagen (Der Teichner spreekt van `leichter predig'). Men moest in de preek terughoudend zijn met opsmuk en de preek diende aangepast te zijn aan het opleidingsniveau van het publiek.*28 Kritiek en vermaan behoorden algemeen te worden gehouden. Men mocht niet overgaan tot directe en persoonlijke aanklachten: op het noemen van namen en het partij-kiezen rustte een taboe.*29 Moeilijke geloofsvragen en ingewikkelde geloofsproblemen behoorden achterwege te blijven. De prediker moest afzien van behandeling van bijbel- of kerkvaderpassages die elkaar tegenspraken.*30 Het was daarentegen aan te bevelen om in de volkspreek gebruik te maken van exempla en actuele thema's.*31 Het exempel was bedoeld als middel tot instructio en confirmatio, maar mocht geen doel op zichzelf worden. De nadruk moest liggen op praktijkgerichte moralisatie en didactiek; de preekleer stelde de eis van deutilitas.*32 Tot slot stelde de ars praedicandi de eis van de `praedicatio in verbo et in facto': de prediker moest leven naar zijn eigen leer.*33
Willems werk sluit hierbij feitelijk nauw aan. Ook Willem hanteerde een eenvoudige stijl, aangepast aan zijn publiek naar verondersteld mag worden. De stijl van Hildegaersberch is bepaald niet `klassiek retorisch' te noemen: men treft bij hem geen overdadig bloemrijk taalgebruik aan of uitgesponnen, ingewikkelde metaforen vol allusies. Daar was Willems eigen opleiding ook niet naar, zoals reeds is gebleken. De spreker hield zijn kritiek en vermaan inderdaad ook algemeen en hij noemde in dit verband geen namen (op één uitzondering na; zie par.9.2.). De dichter koos uitdrukkelijk geen partij in de Hoekse en Kabeljauwse twisten of het Westers Schisma.*34 Voorts was Willems weergave van de geloofsleer altijd eenvoudig en praktijkgericht. Kennelijk vermeed hij ingewikkelde geloofsproblemen en conflicterende opvattingen. Hij opteerde eigenlijk steeds voor de orthodoxe lijn, en hij verschafte zijn goeddeels onderlegde lekenpubliek waarschijnlijk vaker confirmatio dan instructio (zie par.7.2.). Zoals gezegd maakte de dichter regelmatig gebruik van exempelen, die bij hem geen doel op zichzelf waren, maar steeds de praktische leer ondersteunden. Tenslotte was het nuttigheidsbeginsel in Willems werk prominent aanwezig (zie o.a. par.9.1.).
Lämmert heeft ook een aantal voorschriften uit de artes praedicandi naar voren gehaald met betrekking tot de opbouw van de preek en de argumentatie. Ter inleiding kon de prediker overgaan tot de `invocatio divini auxilii' (Der Teichner doet dit overigens zelden), maar men kon ook openen met een sententie of een citaat uit de Bijbel of de kerkvaders.*35 In elk geval was het, net als in de retorica, gebruikelijk dat de prediker zijn publiek in de inleiding attentos,benevolos en dociles maakte.*36 In de narratio kon men beginnen met de afwikkeling van het eigenlijke thema. Aanbevelenswaardig was het om te beginnen met een exempel. De aard van het exempel kon velerlei zijn: ieder `bispel' was eigenlijk geschikt, zolang het maar aansloot bij de instructie die volgde. Men kon gebruik maken van een bijbels exempel, maar dat was niet noodzakelijk. `Wereldse' exempla, die in de late middeleeuwen meer en meer in zwang kwamen, konden evengoed gebruikt worden. Zelfs `gewone' vertellingen konden op religieuze gronden gerechtvaardigd worden en ook actuele gebeurtenissen waren geschikt om als exempel te dienen. Het was echter mogelijk dat dit tot wildgroei leidde, en een andere beweging in de preekpraktijk streefde juist naar reductie van de verhaalstof ten gunste van de nadruk op de leer. Bij Der Teichner constateert men dat hij weliswaar veelvuldig van exempla gebruik maakt, maar dat zijn gedichten toch overwegend betogend blijven.*37 Het is overigens opvallend dat er in de preek en de daarop geïnspireerde literatuur weinig gebruik werd gemaakt van allegorese, een procédé dat nochtans bloeide.*38 Een ander principe voor de opbouw van de preek is de gebruikmaking vansigna: tekenen die de verborgen waarheid onthullen, tekenen die in theologische zin de facies mundi vormen.*39 J.J.Murphy zegt over de reeds door Augustinus ontwikkelde visie op de signa: `Thus for Augustine every thing in the universe is in itself a sign of something else which God intends an individual to understand'.*40 Een gewone steen kon bijvoorbeeld getuigen van Gods scheppende kracht. Vervolgens kent de ars praedicandi aanwijzingen voor de behandeling, uitwerking en verstrengeling van de stof in de preek: de modi dilatandi. Eén van de aanwijzingen, die bij het voorafgaande aansluit, is de modus exponendo metaphoras secundum proprietatem rei. De dingen zijn niet om zichzelf interessant, maar omdat ze de prediker kunnen dienen om uitleg te verschaffen. Zo kunnen dieren behandeld worden omwille van hun `secundaire' betekenis.*41 Een manier van behandeling van de stof is de divisio: de puntsgewijze behandeling van een bepaald onderwerp. Alanus ab Insulis gebruikte regelmatig de driedeling.*42 Een andere wijze van behandeling is die van de modus dilatandi per causas et effectus. Men kon bijvoorbeeld de deugden en zonden niet alleen in hun verschijningsvormen behandelen, maar ook om hun oorzaken en gevolgen. De prediker kon onder andere ingaan op het naderend heil of de dreiging van de verdoeming.*43 Verder wijst de ars praedicandi op de mogelijkheid van de assignatio oppositorum. Men kon in de preek tegenstellingen uitwerken om daarmee bijvoorbeeld deugden en zonden te profileren. Maar het was ook mogelijk om aan de hand van de tegenstellingen te wijzen op de gulden middenweg.*44 Naast contrastering werd ook wel gebruik gemaakt van de `progressieve' vergelijking: in een reeks vergelijkingen tussen deugden en zonden werd naar een climax toegewerkt.*45 Een belangrijke regel is die van de concordantia auctoritatum: het aanroepen van autoriteiten (Schrift, kerkleraars, klassieken) als getuigen.*46 Onder de modus ratiocinando seu argumentando valt een aantal aanwijzingen. Er wordt onder meer gewezen op het gebruik dat de prediker kan maken van lof en kritiek. Ook wordt de mogelijkheid geopperd om in de preek op voorhand te reageren op eventuele vragen of tegenwerpingen bij het publiek. Verder voorziet het voorschrift in het aanbrengen van voorbeelden en gelijkenissen ten behoeve van de bewijsvoering. Ook het gebruik van sententies was aan te bevelen.*47 Er valt in de late middeleeuwen een tendens te bespeuren tot concretisering van de argumenten en de toespitsing van afzonderlijke problemen. De lering en verkondiging van de waarheid werden steeds concreter en pragmatischer. Men constateert een toename aan praktische toevoegingen in het exegetische deel van de preek, zoals aanwijzingen op het gebied van de rechtspraak, de commercie en de hygiëne.*48 De preek mondde uiteindelijk uit in praktische aanwijzingen en waarschuwingen. De slotvermaning met een beroep op het Laatste Oordeel en de dreiging van de hel is volkomen eigen aan de boetepreek.*49
Typerend voor de volkspreek was de inhoudelijke indeling in drieën, bestaande uit `bispel', praktische raadgevingen en
vermaan. De preek is in zijn ideale vorm aldus opgebouwd:
-proloog
-`bispel'
-exemplarische uitleg
-thematische uiteenzetting
-slotvermaan*50
Lämmert komt, zoals gezegd, uiteindelijk tot de conclusie dat karakteristieke kenmerken en voorschriften uit de ars praedicandi in het werk van Der Teichner duidelijk zijn terug te vinden. De `Reimsprecher' volgde in zijn gedichten het voorbeeld van de volksprediker. Dit behoeft echter niet te betekenen dat iedere spreker de artes-regels expliciet heeft bestudeerd om ze (bewust of onbewust) te kunnen toepassen.*51
Ook Willem lijkt, in het licht van het voorafgaande, op één of andere wijze beïnvloed te zijn geweest door de praktijk van de volkspreek. In paragraaf 4.4. is reeds gedemonstreerd hoe Willem zich in zijn prologen moeite gaf om zijn publiek benevolos, attentos en dociles te maken. Toegegeven moet worden dat Willems prologen verder niet bijzonder aansluiten bij de raadgevingen vanuit de ars praedicandi. De spreker begint nooit met het inroepen van goddelijke bijstand. Alleen in 35.Vander wrake Goeds vraagt de dichter aan Maria voorspraak te zijn bij haar Zoon ten behoeve van de christenheid. Willem vraagt echter niet om bijstand bij het dichten of spreken. Slechts in 45.Een notabel vraagt de spreker (wederom) Maria om algehele bijstand, en hij lijkt zijn dichters- en sprekersarbeid als geheel aan haar op te dragen: `Maria, di bevele ic voort Mijn sin, mijn werck ende mijn woort' (vs.32-33). Het betreft hier evenwel geen proloog: het hele gedicht is een Mariagebed. Willem opent zijn sproken ook nauwelijks met sententies. In 33.Van dominus zegt hij in de proloog `Wye schuldich is, die maeck hem vry Eer hi comt tot meerre schade' (vs.8-9; belofte maakt schuld). De (sententie-achtige) uitspraak moet echter op de dichter zelf betrokken worden, want hij belooft met een leerzaam gedicht te komen. Wel lijkt 55.Een notabel te openen met een sententie (`Die wanckel staen ende vaste schinen Brenghen den mensche dic in pinen'), maar in dit gedicht ontbreekt weer een geleding in inleiding, kern en slot. In de proloog van 85.Vanden monick maakt Willem inderdaad gebruik van twee sententies: hij heeft het erover dat `stonde stelen leert' en dat `Natuer is cranck int wederstaen' (vs.14 en 17). Deze sententies sluiten aan bij het vervolg van de sproke. Sententie-achtig lijken de uitspraken in de proloog van 103.Salomons woert: `Die meest tot domheit is gheneghen, Hem denct dat hi die vroetste sy' (vs.8-9) en `Soemen den dommen langher leert, Soe hi hem min ter wijsheit keert' (vs.13-14). Willem opent zijn sproken nooit met bijbelcitaten en de kerkvaders haalt hij al helemaal niet aan. Men kan stellen dat de spreker veel meer voorkeur aan de dag legde voor poëticale introducties en literaire Natureingänge, voor onderwerp-aankondigende en direct belerend-moraliserende inleidingen (zie par.4.4.).
Kern en slot van Willems sproken vertonen veel meer overeenkomsten met de sermo humilis. Willems gebruik van allerlei soorten exempelen is evident. En alhoewel de spreker de nodige exempelen te berde bracht, wilde hij wellicht net als Der Teichner een overdaad aan (exemplarische) verhaalstof vermijden: ook Willems oeuvre als geheel is globaal genomen betogend van aard. Opmerkelijk is verder dat Willem zich evenmin sterk tot de allegorie voelde aangetrokken (zie par.4.4.).
Hiervóór is al aangegeven dat Willem de tekenen des tijds en het alledaagse aardse wist te duiden in theologisch
perspectief, bijvoorbeeld aan de hand van het Westers Schisma, één van de voortekenen voor de naderende doemsdag.*52
Hier volgen nog enkele voorbeelden van de wijze waarop Willem aan dagelijkse gebeurtenissen en begrippen (signa) een
religieuze invulling weet te geven. In 13.Vanden vrouwen die hoer kuken wachten vertelt Willem dat vrouwen graag met
de jonge kuikens naar buiten gaan, maar vervolgens hun aandacht verdelen over het bewaken van de kuikens en
bijvoorbeeld spinwerk. De kuikens worden dan door kraaien of eksters gegrepen. De vrouwen gooien de vogels nog wel
stenen na, maar het is reeds te laat. Willem ziet er een diepere betekenis in en verheft het geheel naar een hoger, religieus
niveau. Men moet altijd waakzaam zijn dat de ziel (kuiken) niet door de duivel (kraai, ekster) gegrepen wordt. Is de ziel
eenmaal door de duivel meegevoerd, dan baat het werpen van stenen (zielemis) niet meer. In 69.Vander
verrisenisconstateert Willem onder meer dat de komst van de schalken aan het hof de heren als een steen op de schouders
drukt (zie vs.66-67). Willem zoekt nadrukkelijk de parallel met Christus' opstanding. Christus liet de Joodse (sic) bewakers
bij het graf verblind en in onmacht achter. Als de heren de schalken geen geloof schenken, dan ziet men `der schalken
moghenthede [...] blinden ende verdoven' (vs.72-73). Christus heeft de zware steen die op Zijn graf lag afgeworpen. Ook
de heren moeten de steen afwerpen die op hen drukt door zich van de schalken te ontdoen:
Ende als die schalken van u vlyen,
Soe legdi of den zwaren stien,
Die die ziel ter hellen weecht; (leidt)
Ende als die steen is offgheleecht,
Soe moechdi rysen ende verclaren
Ende glorificeert mit Gode varen (69; 87-92)
In 82.Van ruste zet Willem aan de hand van het kernbegrip uit de titel uiteen dat alles rust nodig heeft. De mens heeft lichamelijke rust nodig, de heren hebben rust nodig en het land evenzeer. Willem waarschuwt ervoor dat men niet alleen aandacht moet hebben voor de lichamelijke rust, maar ook voor de zielerust. Wie zijn zieleheil weet veilig te stellen, verdient de eeuwige rust. Immers, God is rust (zie vs.48). In 90.Vanden figure vanden mensch heeft Willem zijn publiek willen wijzen op de wonderen Gods in de wereld. Hij doet dit aan de hand van de mens, want is de mens zelf eigenlijk geen wonder? De ziel van de mens is naar Gods beeld geschapen. De vrije wil stelt de mens in staat om te kiezen tussen goed en kwaad (de mens heeft dus zijn eigen lot in handen met betrekking tot heil en verdoemenis). Wonderlijke menselijke vermogens zijn ook het verstand, het geheugen en het vermogen tot nadenken.*53 Met gedachten kan men de wil (i.h.b. kwalijke verlangens) beteugelen, omdat men al nadenkend kan anticiperen op eventuele gevolgen. Het geheugen herinnert zich het verschil tussen goed en kwaad, terwijl men met het verstand kan nagaan wat wijs en rechtvaardig is. En tenslotte is er nog het wonder van de menselijke stem, het spraakvermogen. Is het niet bijzonder dat ieder individu aan zijn stem te herkennen is? Men kan zijn stem ten goede en ten kwade aanwenden, dat wil zeggen: in dienst stellen van de waarheid of van de leugen. Maar de leugen speelt de duivel in de kaart en vormt naast hoogmoed in Willems ogen één van de zwaarste zonden. God heeft de mens dus voorzien van een ziel en een wonderbaarlijk, fijnzinnig instrumentarium van geestelijke en fysieke vermogens, waarmee hij in staat is zijn ziel `een ewich leven' te bereiden (vs.288). Willem hoeft niet zijn toevlucht te nemen tot de wonderen der natuur, tot wonderlijke daden van heiligen (bijv. St.Gertrude) of tot hostiewonderen (bijv. het Amsterdamse sacramentsmirakel). Hij toont in deze sproke aan dat de mens als schepsel zélf al op allerlei manieren getuigt van God. In de sproke 104.Vanden lichtetenslotte speelt Willem met het begrip `licht'. Hier volgt een parafrase van het begin: dankzij het licht is alles zichtbaar. Echter, kwade lieden doen dingen die het daglicht niet kunnen verdragen. De goede mens is blij met het licht, maar de kwade mens ziet zijn daden niet graag aan het licht komen. Bij een eerlijke rechtsgang zou het onrecht echter aan het licht moeten komen. De duivel, die het licht moet ontberen en in eeuwige duisternis leeft, zal kwaden en onrechtvaardigen in zijn duisternis willen trekken. Bij het Laatste Oordeel zullen de goeden het licht ontvangen en de kwaden de duisternis krijgen. Uiteindelijk komt Willem dus bij het Eeuwige Licht uit, dat God voor de mens heeft bereid en dat de mens tijdens zijn leven moet zien te verdienen: `Soe ist al ant licht belanc, Des nymmermeer en wert verganc' (vs.195-196). Ook voor Willem geldt dat de dingen niet om zichzelf interessant - dat wil zeggen: het berijmen waard - zijn, maar om hun theologische implicaties.
Terug naar de regels voor de sermo humilis. Het hechten van `secundaire', achterliggende betekenissen aan zaken en gebeurtenissen door Willem is hierboven zojuist geïllustreerd. Meerdere malen heeft Willem ook bepaalde onderwerpen puntsgewijs behandeld (divisio). Evidente voorbeelden hiervan zijn de sproken 4.Van den X gheboeden, 6.Van VII punten die wy voer oghen hebben souden, 10.Dit is van drien coeren, 16.Van drien bloemen, 33.Van dominus(zeven deugden), 37.Vanden wijnvaet (negen deugden), 41.Van seven doechden der minnen,47.Van drierehande staet van heren, 49.Vanden twaelff maenden, 58.Vander heiligher kercken(zeven hoofdzonden), 64.Van die achte salicheiden, 66.Van drierehande lyden, 79.Vanden zekeren hope (twaalf geloofsartikelen), 97.Vanden drierehande staet der werlt en 109.Vanden vier cussen. Een zekere voorkeur had Willem voor drie- en zevendelingen. De deugden en zonden worden door Willem met enige regelmaat behandeld en ook aan oorzaak en gevolg heeft hij aandacht besteed. De oorzaak voor de zonde brengt hij telkens terug tot de mens, die zich keer op keer tot de zonde laat verleiden - de duivel is `slechts' verleider. Steeds weer wijst de spreker op het belang van de deugdzaamheid in het perspectief van het zieleheil. Willem wordt niet moe telkens weer aan de consequentie voor de volharding in de zonde, namelijk de eeuwige verdoemenis, te herinneren (par.7.2.). In één sproke maakt hij expliciet gebruik van de techniek om deugden en zonden met elkaar te contrasteren, te weten in 41.Van seven doechden der minnen. Op de gulden middenweg wijst de spreker in 100.Van ghenoechten. In het dispuut wordt erover getwist of `ghenoecht' (vs.19; genoegen, vermaak, genot) als één van de bijzonderste giften van de natuur aan de mens geprezen mag worden. Enerzijds lijkt het genoegen te zeer aan het lichaam en de aarde gebonden te zijn om het heil te kunnen bevorderen. Bepaalde genoegens zijn God beslist onwelgevallig, zoals liegen, dobbelen, drinken en vloeken. Anderzijds kan genot heel onschuldig zijn en hoeft het de mens niet van God te vervreemden. Vele geestelijken dienen God met veel genoegen. God schiep in de mens bovendien geen perfect wezen. Genoegens horen bij het leven en maken het bestaan juist zo aangenaam. En het tegendeel, `ongenoegen', zal het heil beslist niet naderbij brengen. In het slot van de sproke vinden de gesprekspartners elkaar: het beleven van aardse genoegens is niet verkeerd, zolang men daarbij maar God, het eigen zieleheil en de Eeuwige Genoegens voor ogen houdt.
Voorts vindt men bij Willem de techniek terug van het aanroepen van autoriteiten als getuigen. Zijn verwijzingen naar autoriteiten waren echter vaak weinig expliciet. Hij beriep zich nogal eens algemeen op de `scriftuer', op `meesters' en `clerken', en op informatie van-horen-zeggen.*54 Willem spande zich aan de ene kant in zijn betoog kracht bij te zetten met een beroep op autoriteiten, aan de andere kant schoot hij in zeker opzicht te kort, omdat het hem aan `harde' bewijsplaatsen ontbrak. De techniek van het loven en bekritiseren had de spreker echter weer goed in de vingers. Hij bleef wel altijd in het algemeen spreken en loofde - bijvoorbeeld - de rechtvaardige rechters, terwijl de onrechtvaardige rechters zijn soms uiterst felle kritiek ten deel viel. Ter nadere adstructie nog een ander voorbeeld: 109.Vanden vier cussen. Willem prijst de mensen die met Pasen ter biecht en communie gaan in de geesteshouding van Maria (liefde), Simeon (dankbaarheid) en Maria Magdalena (berouw). Hij levert heftige kritiek op de onverbeterlijke zondaars die zich gedragen als Judas.*55
Verder heeft Willem soms ook op voorhand gereageerd op eventuele vragen of tegenwerpingen vanuit het publiek. In 4.Van den X gheboeden tracht Willem het gehele gedicht door de volgende tegenwerping te weerleggen: het valt de mens te zwaar zich aan de tien geboden te houden (zie vs.76-77). In 79.Vanden sekeren hope bestrijdt Willem vanaf vs.351 de twijfel (die wellicht onder een brede laag van zijn publiek leefde) aan de algemene vleselijke opstanding uit de dood.*56 De vrij algemene kritiek die Willem in het begin van 77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden levert, heeft bij zijn publiek mogelijk de vraag opgeroepen waarop de spreker nu precies doelde. Willem springt hier althans op retorische wijze op in als hij zegt: `Nu moecht ghi vorder vraghen mi, Wyen ic myen, of oeck waer by Dat ic spreke sulke woerde' (vs.81-83). Vervolgens verklaart Willem zich dan nader (zie par.7.3.). In11.Dit is van beschermen houdt Willem de spanning erin als hij zinspeelt op een woord dat is veranderd, zonder dit woord te noemen - ervan uitgaande dat hij de titel van zijn gedicht nog niet had prijsgegeven. In vs.34-35 stelt hij dan de tartende vraag, die wellicht bij zijn publiek leefde: `Nu mocht ghi vraghen, by wat schoude Dat die zaeck is comen toe?' Dit legt hij dan eerst uit. Mogelijk speelt Willem hier een spel met zijn publiek, dat in eerste instantie wel zal hebben willen weten om welk woord het ging. Dat vertelt de spreker pas in vs.65.
Willems leer was meestal uiterst praktisch en concreet, en de spreker lijkt zich hiermee aan te sluiten bij de hierboven vermelde tendens. In het bijzonder heeft Willem zich bijvoorbeeld met de dagelijkse rechtsgang bemoeid: hij hekelde de corruptie en liet ook dan niet na om op de theologische implicaties te wijzen.
Het slotvermaan in Willems sproken sluit zich bijzonder vaak aan bij de praktijk van de boetepreek om het publiek attent te maken op het Laatste Oordeel en de dreiging van de hellestraf. Concreet: in ruim driekwart van de gevallen monden sproken aan het eind uit in religieuze bewoordingen. Men treft dan toespelingen aan op God, sterven, zieleheil, zaligheid, hel, hemel en/of het Laatste Oordeel.*57
Willems sproken laten zich in een aanzienlijk aantal gevallen inhoudelijk indelen als de volkspreek: exempel, praktische raadgevingen en vermaan. De opbouw van de volkspreek in proloog, `bispel', exemplarische uitleg, thematische uiteenzetting en slotvermaan is, globaal genomen, wel degelijk vrij nauw verwant met de structuur van Willems gedichten.
Er valt kortom veel te zeggen voor invloed vanuit de theologica practica en de artes praedicandi op Willems werk, en dit geldt zowel voor de inhoudelijke als de vormelijke aspecten van zijn oeuvre. Over zijn kennis van de ars praedicandi moet evenwel hetzelfde worden opgemerkt als over zijn vermeende kennis van de retorica als geheel: Willem kan die kennis, gezien zijn opleiding, niet direct hebben ontleend aan bestudering van de artes. Willems retorische vaardigheden moeten stoelen op persoonlijk sprekerstalent en op ontlening aan de sprooksprekerskunst en preekpraktijk in de volkstaal. Contacten met en tussen rondreizende sprooksprekers en volkspredikers liggen zeker voor de hand; het is gewoon ondenkbaar dat Willem níet in aanraking zou zijn gekomen met retorisch begaafde sprekers en predikers.*58 De dichter heeft de kunst in de dagelijkse praktijk kunnen afkijken.
Toch is enige relativering hier op z'n plaats. In de eerste plaats is het onderzoek in deze paragraaf niet uitputtend geweest:
eigenlijk zouden alle regels uit de artes praedicandi met het werk van Willem geconfronteerd moeten worden. Maar dan
nog hoeft zo'n onderzoek geen zekerheid te verschaffen: de Latijnse artes-regels zal Willem niet bestudeerd hebben. In de
tweede plaats blijft onze kennis van de theologica practica toch nog teveel in algemeenheden en speculaties steken en mag
men zich bovenal afvragen hoeveel nu feitelijk bekend is over de reële middeleeuwse volkspreekpraktijk. Moet niet worden
toegegeven dat gebrek aan substantieel volkspreek-materiaal, specifiek bestemd voor de voordracht, ons voor problemen
stelt?*59 Want hoe verhielden de `Latijnse' theorie, de schriftelijk gefixeerde `tractaten' en de volkstalige praktijk zich tot
elkaar? Bovendien: op welke punten wijken de ars praedicandi-voorschiften nu zo wezenlijk af van de algemene retorica-
en poëtica-voorschriften, dat (exclusieve) beïnvloeding onomstotelijk valt vast te stellen? En zelfs als invloed vanuit de
preekpraktijk evident lijkt, dan nog blijft het moeilijk in te schatten hoe groot die invloed nu was in het geval van Willem.
Volkspredikers hadden, zeker in de 14e eeuw, niet het alleenrecht op bepaalde thema's, motieven en vormgevingsprincipes.
Had inmiddels niet de sprooksprekerskunst een min of meer autonome voordrachtstraditie ontwikkeld, met een eigen
(deels literair, deels religieus) motievenarsenaal? En was die eigen voordrachtstraditie dan niet allang een amalgaam van
(klassiek-)retorische regels, wellicht voor een aanzienlijk deel uit de ars praedicandi afkomstig, en verder stoelend op
ervaringen uit de volkstalige preek-, spreek- en zangpraktijk? Vooraleer we meer duidelijkheid verkrijgen over de relatie
tussen sprooksprekerskunst, theologica practica, sermo humilis en artes praedicandi, is - voor zover mogelijk - voortgezet
onderzoek noodzakelijk en wenselijk.