6. De wereld volgens Willem van Hildegaersberch

In dit hoofdstuk zal een aantal prominente thema's en motieven uit Willems sproken behandeld worden in een poging een beeld te schetsen van Willems visie op de wereld. In het kader van deze studie was het niet mogelijk om volledigheid na te streven: het betreft hier een selectieve behandeling van (niet steeds nauw samenhangende) `wereldse' aspecten uit Willems oeuvre. Eerst wordt aandacht besteed aan de voor Willem actuele kwestie van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Vervolgens worden behandeld: de hoofse liefde (opvallend door een gebrek aan prominentie!), Willems conceptie van de `waarheid', het eerbegrip, de rol van het geld, de standenideologie en voorts meer in het bijzonder de rol van de heren, de rechters en de `schalk'. In het volgende hoofdstuk komen de religieuze aspecten in Willems oeuvre aan bod.



6.1. De Hoekse en Kabeljauwse twisten

In een viertal sproken besteedt Willem meer dan terloopse aandacht aan de Hoekse en Kabeljauwse twisten, een kwestie die hem kennelijk na aan het hart lag. In plaats van het verloop van de twisten te schetsen aan de hand van moderne studies*1, kan hierover wellicht beter meteen Willem aan het woord worden gelaten, om bij zijn uitlatingen de nodige kanttekeningen te plaatsen.

Willems sproke 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen is onder historici wel het meest bekend. Reeds de titel laat er geen twijfel over bestaan dat het gedicht de twisten tot onderwerp heeft. Willem begint zonder proloog direct het verleden van het Hollandse gravenhuis te behandelen en lof te spreken van de beroemde Hollandse graaf die in Henegouwen stierf. In deze graaf, die uitblonk in wijsheid, deugd en eer, en die zorgde voor eendracht en vrede, zal het publiek ongetwijfeld graaf Willem III de Goede*2 (1304-1337) hebben herkend. Deze inderdaad befaamde graaf, die de schoonvader van verschillende Europese vorsten was*3, overleed in 1337 te Valenciennes. Toen zijn zoon hem als graaf opvolgde, zo zegt de spreker, `ghinct haestelic verkeren'*4, want deze zoon `leefde zeer in overmoede' (vs.14, 17). Dat kwam, aldus de dichter, omdat `hi was van hoghen bloede Van beyden syden uut gheboren' (vs.18-19). Hij hield zijn volk in een ijzeren greep, maar al vrij spoedig bleef hij `optie Vreesen doot' (vs. 23). Ook deze graaf zal het publiek herkend hebben: het was de ridderlijke, dappere en avontuurlijke*5 Willem IV (1337-1345). Als zoon van Willem III van Henegouwen en Johanna van Valois - sinds 1328 zuster van de Franse koning*6 - was hij inderdaad van hoge geboorte. In 1345 sneuvelde hij te Warns tegen de Friezen in een poging dit weerspannige volk aan zijn gezag te onderwerpen. Afgaande op zijn bewoordingen, lijkt Hildegaersberch niet zo veel met Willem IV te hebben opgehad, waarschijnlijk vanwege diens ridderlijke, overmoedige karakter. Hierna zal nog blijken dat de spreker het weinig begrepen had op strijdlust en ridderlijk gedrag. De graaf werd opgevolgd door `des keysers wijff van Romen' (vs.27), de hoogste vrouw in het Christenrijk. Na haar inhuldiging zou later evenwel twist in Holland komen. Eén van haar zoons, `Hertoghe Willem maectse heer In Hollant' (vs.39-40) en niemand was die eer méér waardig. Aldus Hildegaersberch. Met deze informatie kan het publiek evenmin veel moeite hebben gehad. Met de vrouw van Roomskoning en Duitse keizer Lodewijk de Beier is Margaretha van Avesnes (1346-1349, overl. 1356) bedoeld. Zij was de zuster van Willem IV, die kinderloos was gestorven. Op deze wijze ging de macht van de Henegouwse dynastie in het graafschap Holland over in handen van het Beierse huis. De dichter vervolgt: op een gegeven ogenblik droeg Margaretha het gezag over aan haar jonge zoon Willem V (1349-1358, overl. 1389). (Men merke op dat Hildegaersberch het met Margaretha en Willem V heeft over respectievelijk de moeder en de broer van graaf Albrecht van Beieren, één van zijn begunstigers). Hildegaersberch komt vervolgens te spreken over de eerste aanleiding tot het ontstaan van de partijtegenstellingen: nadat Margaretha het gezag aan haar jonge zoon (als verbeidend graaf) had overgedragen, `wortet hoer gheraden, Dat sijt selve wilde behouden' (vs.42-43). De keizerin werd weer ingehuldigd, maar uiteindelijk won haar zoon het pleit en werd graaf van Holland. Zo is het in het kort inderdaad gegaan. Begin 1350 was Margaretha op aanraden van anderen op haar besluit terug gekomen om het bestuur over Holland aan haar zoon over te laten, omdat het met Holland snel bergafwaarts ging.*7 Toen zij het gezag weer op zich nam, zocht Willem aansluiting bij de oppositionele adelsfactie in Holland, later de Kabeljauwen genaamd. Tegenover zich vond hij nu zijn moeder met de zittende adelsfactie, later de Hoeken geheten. De twisten, die de vorm van een burgeroorlog aannamen, woedden tot 1354. Hildegaersberch zegt:

Nu willic u allen openbaren

Waer off dat quamen dese partyen.

Die een wilde mitter vrouwen lyen,

Ende dander byden hertoghe bliven:

Dus quam in Hollant dat eerste kiven,

Des ghelijc in Zeelant mede. (en eveneens in)

Nu en macher helpen zoen noch vrede,

Die een en slaet den anderen doot, (of de één...)

Ende sulc die wort van haven bloot

Om deser partyen diemen draecht. (63; 56-65)

Partijschap werd de aanleiding voor de heftige twist. Willem V kwam uiteindelijk als overwinnaar uit de strijd, `Die veel eeren was ghewoen, Die wile sijn daghen waren goet: God stercke noch dat edel bloet!' (vs.50-52). Deze woorden van Hildegaersberch hebben ongetwijfeld betrekking op de krankzinnigheid die zich in 1357 in alle hevigheid bij Willem V openbaarde. In 1358 nam zijn broer Albrecht als ruwaard het bestuur over Holland, Zeeland en Henegouwen op zich en werd de inmiddels `dolle graaf' overgebracht naar het kasteel Le Quesnoy in Henegouwen, waar hij tot zijn dood in 1389 in gevangenschap verbleef.*8 Maar blijkens bovenstaand citaat was het toen Willem deze sproke voordroeg nog niet zover: graaf Willem V was al wel krankzinnig geworden, maar nog niet overleden. Uit het gedicht blijkt wel dat Margaretha inmiddels was overleden, want Hildegaersberch zegt vrijwel direct na het bovenstaande citaat: `Der vrouwen ziel moet God bevreden, Die is sint van aertrijcke ghevaren!' (vs.54-55). Zodoende weten we dat deze sproke geschreven is tussen 1356 (Margaretha's dood) en 1389 (de dood van Willem V). Deze datering valt nog te preciseren aan de hand van de aanvang van Hildegaersberchs literaire loopbaan, begin jaren tachtig. Daarmee staat vast dat deze sproke is ontstaan in de jaren tachtig van de 14e eeuw.*9

Terug naar de inhoud van de sproke. Nadat de dichter heeft geschetst hoe de twisten voortkwamen uit de machtswisselingen tussen Margaretha en Willem en de splitsing in twee rivaliserende partijen, stelt hij: `Van deser plaghe an beyden zyden Is loghen teerste fondament' (vs.68-69). Wat hij onder `loghen' verstaat is niet meteen duidelijk. Even verder zegt hij:

Want loghen die coemt voirden heer,

Dair sy malcanderen mede bederven.

Elck soud gaern te hove verwerven

Tsheren huld ende sinen dienst (63; 74-77)

Hier treft de spreker één van de kernen van de partijtwist: het berekenende werven naar de gunst van de heer in de hoop op een winstgevend ambt. De strijd was meer dan een dynastiek conflict tussen twee `troonpretendenten': het was een strijd om de algehele heerschappij over het graafschap tussen twee (adels)facties. Wie aan de zijde van de toekomstige vorst stond, kon veelal verzekerd zijn van een goede positie binnen het graafschap.*10 En in dit verband spreekt Willem van `loghen'. Dit moet waarschijnlijk begrepen worden in de zin van het koesteren van onzuivere, opportunistische motieven, het aanwakkeren en in stand houden van de tegenstellingen uit eigenbelang en het doen van bedrieglijke beloftes over en weer. De partijen ontleenden hun omvang aan de tallozen die trachtten in het gevlij te komen bij de toekomstige vorst om daar tenslotte zelf beter van te worden. En omgekeerd heeft de vorst uit eigenbelang geprofiteerd van zijn aanhang. Willem waarschuwt hier echter voor het rad van Avontuur, dat kan zorgen dat wie het ene moment met de bovenliggende partij de macht in handen heeft, het andere moment tot de onderliggende partij zal behoren. Zo komt er nooit een einde aan de twisten, meent de spreker, want degene die voorheen onderdrukt werd, zal zich vervolgens tegen z'n voormalige onderdrukker keren.

Het wordt duidelijk dat het op een ernstige misvatting berust om Hildegaersberch als Kabeljauwsgezind te beschouwen, zoals De Jonge en ook Bisschop en Verwijs nog deden*11, dit op grond van de welwillende woorden ten aanzien van Willem V. Maar zoals al vermeld is, constateert de dichter `loghen' bij beide partijen en spreekt hij van een `plaghe an beyden zyden' (vs.68-69). Hij is nog duidelijker in de volgende verzen, wanneer hij de twisten heeft gekarakteriseerd als een zich voortslepende vendetta: `Hier om slachten sy naden dommen, Dese partyen alle beyde' (vs.94-95). Inmiddels heeft Hildegaersberch het niet meer over de tegenstellingen tussen Margaretha en Willem V, maar over de nog steeds voortsluimerende of weer oplaaiende rivaliteit tussen Hoeken en Kabeljauwen in de jaren tachtig.*12 Hij zegt immers: `Wair hoerde yemant ofte sach Alsulc wonder alser nu gheschiet [...]?' (vs. 98-99). Vanuit dit oogpunt is het bijzonder verleidelijk om het gedicht nog preciezer te dateren, namelijk tussen 1385 en 1389. Alhoewel Albrecht van Beieren vanaf het begin van zijn regering zoveel mogelijk had getracht om boven te partijen te staan, ging hij vanaf 1385 opvallend de Kabeljauwen steunen.*13 Dit moet de nodige onrust in het Hoekse kamp teweeg hebben gebracht. Hoe het ook zij, Hildegaersberchs stellingname in de kwestie luidt aldus:

Want Adam was ons eerste vader,

Ende wy sijn broeders alle gader,

Hier om isset boven maten, (buiten proportie)

Dat si dus zere malcanderen haten,

Die eendrachtich souden wesen. (63; 101-105)

Wat we nu echter zien, aldus de dichter, is dat het kind zich tegen zijn moeder keert*14 en dat de ene broeder (d.i. `zoon' van Adam) tegen de andere strijdt `Onderlinghe mit partyen' (vs.109). Bange vermoedens maken zich van hem meester:

God die selse noch castyen,

Heb ic anxt, in corten daghen;

Want hi en machs niet langher verdragen

Die boesheit die daer nu regiert;

Want elkerlijc die visiert

Hoe hi den anderen mach bedrieghen. (63; 110-115)

Maar men houdt zichzelf voor de gek, want alleen de deugdzame mens hoeft het rad van Avontuur niet te vrezen. De dichter beseft evenwel dat de twisten zichzelf in stand blijven houden zolang de vorst liever `schalken' - kapitaalkrachtige intriganten met opportunistische motieven*15 - aan zijn hof houdt dan deugdzame edelen. De adeldom schijnt niet meer te verplichten. Een oorzakelijk verband tussen de `loghen' en de rol van de `schalken' aan het hof is overigens niet denkbeeldig. Kapitaal was van groot belang in de twisten en ging in de politiek een steeds aanzienlijker rol spelen. De partijgangers die tijdens de twisten het meeste uitzicht hadden op hoge betrekkingen aan het hof waren degenen die de meeste financiële middelen ter beschikking konden stellen. Zo kwam het dat voor de grootste geldschieters de betere posities vrijkwamen. Willem zegt:

Mar die doeren sijn wyde ontdaen (deuren)

Jeghen den penninc, daer veel off coemt

Die plaghe, die ic nu heb ghenoemt.

Want wye den penninc meest mach gheven,

Die wort te hove thants verheven. (63; 136-140)

Brokken en Van Oostrom hebben er reeds op gewezen dat in de 14e eeuw de materiële tegenstellingen binnen de adel de Hollandse partijtwisten aanwakkerden en dat de landsheerlijke financiën steeds afhankelijker werden van kapitaal van buitenaf. Van Oostrom meent: `De geschiedenis van deze periode levert dan ook verschillende voorbeelden van lieden die, dank zij hun geld, entree verwierven aan het Hollandse hof'. In dit verband noemt hij de Amsterdamse koopman Willem Eggert (eind 14e eeuw).*16 Toch is de remedie voor de tegenstellingen in Willems ogen vrij eenvoudig: `Grote heren ende machtich, Als sy verzoenen, so ist ghedaen' (vs.146-147). De heren zouden elkaar niet van hun goederen moeten beroven, maar eendrachtig moeten zijn. Men dient de hoogmoed, die Christus ten zeerste verafschuwt, te laten varen. En daarmee eindigt Willem zijn sproke in religieus perspectief.

Er behoeft nauwelijks aan getwijfeld te worden dat Hildegaersberch hier een juiste voorstelling van zaken geeft. Dat de eerste partijen in Holland zijn gekomen door de machtsstrijd tussen Margaretha en Willem V, beide gesteund door (adels)facties, komt volledig overeen met wat er bekend is over de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De strijd ontwikkelde zich onder de (hoogmoedige) heren en adellijke families tot een ware vendetta, waarbij allerlei opportunistische politieke en economische motieven mede een rol van betekenis hebben gespeeld. Het is opvallend dat in dit gedicht de actieve rol van de steden in de twisten geheel ontbreekt. Het lijkt alsof Willem de factor van de steden niet onderkent, maar het ontbreekt een dergelijke veronderstelling aan de nodige realiteitszin. Eerder zal men de verklaring voor het negeren van de steden als geheel moeten zoeken in de richting van het publiek. Kennelijk was de sproke bestemd om de adellijke heren te vermanen, immers de hoogste gezagsdragers met de meeste verantwoordelijkheid. Daarbij achtte Willem het wellicht niet opportuun om de materie onnodig te compliceren door niet-aanwezige vertegenwoordigers uit de stedelijke elite te gispen. En waarschuwt Willem dan wel niet voor de invloed van de steden als geheel, hij waarschuwt zijn publiek wel voor de `schalken', de intriganten aan het hof zelf, met wie waarschijnlijk individuele patriciërs bedoeld zijn (zie par.6.9.).

De volgende sproke waarin Willem aan de twisten refereert is 56.Van feeste van hylic. Op deze sproke wordt in hoofdstuk 8 nog nader ingegaan. Op deze plaats zullen slechts enkele passages uit het gedicht worden gelicht. In eerste instantie zinspeelt de spreker op de ruzieachtige atmosfeer in de adellijke kringen: in 1394, toen het gedicht werd voorgedragen, waren de twisten weer opgelaaid sinds de Hoekse moordaanslag, eind 1392, op Willem Cuser en Aleid van Poelgeest, de geliefde van Albrecht van Beieren. Albrechts zoon en erfopvolger, Willem van Oostervant, was zelfs verbannen wegens medeplichtigheid aan het Hoekse complot. De spreker zet vervolgens uiteen hoe een vorstelijk huwelijk - hier: Albrechts huwelijk - kan leiden tot een nieuw bondgenootschap waarmee een landsheer zijn macht in eigen gebied vergroot:

Een wel ghesinnet machtich here (verstandig)

Hout veel lants in groter ere, (moet houden)

Daer twee ghelike te gader kiven, (gelijke partijen)

Die willen beyde an tscoenste bliven (56; 91-94)

Weer blijkt dat de partijtegenstellingen in Willems visie hun hardnekkige voortbestaan danken aan de opportunistische strijd om riante posities. Het is in zijn optiek noodzakelijk dat een vorst zich boven de partijen plaatst om vanuit z'n machtspositie beide partijen in bedwang te houden (vs.95-96). Even verder benadrukt Willem het belang van het verwekken van een erfopvolger, want

Als sonder gheboorte die heren sterven, (opvolger)

Hoer lant comter bi in node;

Die menighe lyen mitten brode (kiezen partij voor de heer met het geld)

Die wijl den heer sijn leven duert,

Dat zwairlijck na sijn lant besuyrt.

Want als een heer partyen heelt, (onder zich heeft)

Oeck hoe ghelike dat hi deelt, (zijn gunsten verdeelt)

Si moeten beyde sijn bedwonghen; (in bedwang gehouden)

Want wort een heer te tijt ondronghen (weggeroepen)

Sonder gheboorten, soe staet in vresen,

Sy en sellent onghelike tesen (naar willekeur plunderen)

Ende zwairlic in partyen scheiden. (56;98-109)

Dit kan het publiek herinnerd hebben aan de dynastieke perikelen rond de opvolging van de kinderloos gestorven Willem IV: het gevolg was een burgeroorlog tussen enerzijds Margaretha en de Hoeken en anderzijds Willem V en de Kabeljauwen, zoals hiervóór besproken. Tot zover56.Van feeste van hylic.

De derde sproke waarin de twisten aangeroerd worden is 51.Van tregiment van goeden heren. De vraag is over het bestuur van hoevéél goede heren de spreker het heeft. Willem noemt geen namen, omdat zijn publiek ook in dit geval waarschijnlijk snel genoeg begreep over wie hij het had. Van Wijn en Van Vloten herkenden een drietal heren, namelijk Willem III, IV en V, maar Jonckbloet kon slechts besluiten tot twee heren: Floris V en Willem III.*17

Alvorens na te gaan welke heren bedoeld zullen zijn, wordt hier, zeer in het kort, de inhoud van de sproke weergegeven. Door menig goede heer, zo zegt de dichter, blijft het land in rust. Een machtig heer die de goeden beschermt en de bozen straft, is zijn volk een zaligheid. Er was voorheen zo'n heer die zijn land in vrede hield en ieder recht deed. Op een gegeven ogenblik overleed hij en kort daarop begon het volk te twisten en splitsten de heren zich in partijen. Wie geen kasteel bewoonde wist nauwelijks waar hij een goed heenkomen moest vinden. De dichter karakteriseert de toestand `spreekwoordelijk' met de woorden: `Dus wast een wout sonder ghenade' (vs.51). Vervolgens kwam er een edele jonge heer orde op zaken stellen; hij verjoeg de boosdoeners en maakte de straten weer veilig. Hij liet zich door oude raadslieden adviseren. Uiteindelijk kunnen het volk, de koopman en de boer niet zonder de heren. Moge God alle verstandige heren behoeden, alsmede Willem van Hildegaersberch.

Zoals uit de parafrase al mag blijken, gaat het slechts om twee heren. Bij Van Wijn wordt de periode van onrust belichaamd door de Hoekse en Kabeljauwse twisten, bij Jonckbloet door de verwarrende toestand onder Jan I en Jan II. Jonckbloet heeft twee bezwaren tegen Van Wijns interpretatie. In de eerste plaats wordt Margaretha, die een belangrijke rol in de twisten speelde, in het gedicht niet genoemd. In de tweede plaats vindt men geen toespeling op de krankzinnigheid van Willem V, terwijl het gedicht onmogelijk vóór 1357 geschreven kan zijn. Volgens Jonckbloet is de beschrijving van de eerste heer volmaakt van toepassing op Floris V, en moet de tweede, jonge heer Willem III zijn, die als 19-jarige aan de macht kwam. De interpretatie van Jonckbloet kan evenwel geen stand houden. Indien de eerste heer Floris V is, waarom zwijgt de dichter dan in alle toonaarden over de laaghartige moord op deze vorst? `Hier nae ghevelt alst wesen soude, Dat hi starf ende voer ter moude' is alles wat de dichter zegt (vs.37-38). Deze woorden duiden eerder op een natuurlijke dood. Van Wijns keuze voor Willem III ligt hier beslist meer voor de hand. Juist als in 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen fungeert Willem III hier als de rust en vrede brengende vorst. Willem IV komt vervolgens in 51.Van tregiment van goeden heren niet ter sprake. De oplossing voor de vraag waarom hij hier ontbreekt, is dat de sproke het bestuur vangoede heren behandelt, zoals de titel aangeeft. Deze opzet vereist derhalve geen strikt chronologisch historisch overzicht. Getuige 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen behoort de overmoedige Willem IV, die zijn volk met ijzeren hand regeerde, wat Hildegaersberch betreft niet echt tot de goede heren. Ware Willem IV hier wel behandeld geweest, dan zou bovendien zijn dood in de strijd tegen de Friezen niet onvermeld zijn gebleven. Margaretha wordt in het gedicht eveneens overgeslagen, omdat het gedicht nu eenmaal over het bestuur van goede heren handelt. Met de periode van onrust die Hildegaersberch hierop aan de orde stelt, is wel degelijk de eerste fase in de Hoekse en Kabeljauwse twisten bedoeld. Vs.42-43 zijn wat dat betreft ondubbelzinnig: `Tvolck ghinc onderlinghe striden, Die heren scheyden in partyen'. De jonge heer die daarop het land weer tot rust bracht, is kennelijk toch Willem V. In 1346 werd hij reeds op 13-jarige leeftijd als `verbeidend graaf' met het bestuur van Holland en Zeeland belast en in 1349 was hij op 16-jarige leeftijd zelfstandig graaf. Daarmee kwam hij dus nog jonger aan de macht dan Willem III. In vs.72-77 gewaagt de dichter ervan dat de jonge graaf zich liet bijstaan en adviseren door een raad van ouden. Hiermee zal de raad onder leiding van Jan van Beaumont zijn bedoeld, van wie wel is aangenomen dat hij een tijdlang het feitelijke bewind voerde.*18 Brokken relativeert dit laatste enigszins: Willem V werkte weliswaar nauw samen met de grafelijke raad, waarin Jan van Beaumont een zekere rol heeft gespeeld, maar het bestaan van een regentschapsraad of voogdijraad wijst hij van de hand*19 - hierop zinspeelt Hildegaersberch dan ook niet met zoveel woorden.

Eigenlijk nog duidelijker dan in 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen wenst de dichter hier blijkbaar geen kwaad woord te willen zeggen over deze graaf. Willem V had in de strijd nu eenmaal het pleit in zijn voordeel weten te beslechten en daarmee was dan toch een einde gekomen aan de desastreuze oorlog en kon de rust in het land weerkeren. Hildegaersberch zal dit laatste tot de grote verdiensten van de graaf hebben gerekend. Dit tekent de dichter dan eerder als iemand die de vrede liefheeft en de twisten liefst beteugeld ziet dan als Kabeljauwsgezind spreker. Partijschap was hem een gruwel, zoals bleek uit 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen. Dat Hildegaersberch een wat flatteus beeld van Willem V schetst en hier met name zijn latere krankzinnigheid verzwijgt, valt niet zo eenvoudig te verklaren. Er moet in elk geval rekening mee worden gehouden dat, indien Hildegaersberch dit gedicht heeft voorgedragen voor Albrecht van Beieren, hij het met Willem V over diens broer had. Daarbij is het ook denkbaar dat Willem V, ten tijde van de voordracht, inmiddels overleden was en de dichter het onnodig achtte om van de doden anders dan goed te spreken.

Nog een vierde sproke gaat, naar het zich laat aanzien, (geheel) over de Hoekse en Kabeljauwse twisten, te weten 52.Een exempel van partyen. Hier tekent zich weer de machtsstrijd tussen de heren af. Als oorzaak voor de twisten gelden hier de onderlinge afgunst van de heren en hun streven om hogerop te komen ten koste van anderen. Aangezien 52.Een exempel van partyenéén van Willems meest cryptische sproken is, moet hier nader op de inhoud worden ingegaan. Ten behoeve van de verstaanbaarheid zal van het gedicht een interpretatieve parafrase worden gegeven, waarin zoveel mogelijk getracht is de `duistere' passages van een zinvolle betekenis te voorzien.

De dichter leidt zijn sproke in de ik-vorm in: ik ben met mijn `zwacker const' afhankelijk van de vrijgevigheid der heren, die vaak gering is. Als ik kritiek lever op een heer, dan wordt mij dat kwalijk genomen. Als ik iemand roem, dan wekt dat bij menigeen afgunst op en dan vraagt men mij of ik niets beters weet. In de kern van zijn gedicht (vs.13-72) laat Willem de ik-vorm goeddeels los en vraagt: als `weldoen' zoveel afgunst opwekt bij anderen, hoe lang zal de deugdzaamheid dan nog in aanzien staan? En is het nu zo erg als iemand die het verdient, geroemd wordt? Kwaadspreken is eenvoudig: kritiek is snel geleverd. Uiteindelijk zullen ridders en knapen die geen lof verdienen, spijt krijgen van hun levenswandel. Maar wie zich zijn leven lang voor een goede zaak heeft ingespannen, die verdient het om nadien lof te ontvangen. Het is echter minder verstandig om die persoon reeds tijdens zijn leven te roemen. Daar zijn twee redenen voor: in de eerste plaats kan het altijd nog verkeren. In de tweede plaats werkt lof tijdens het leven als olie op het vuur: het wekt de afgunst van de andere heren op.*20 Inmiddels moet geconstateerd worden dat het volk zich aan het gezag heeft weten te onttrekken omdat de heren zich in facties hebben afgescheiden. Het zou het volk alleen maar ten goede komen indien de heren de onderlinge afgunst zouden laten varen. Het is immers bekend dat waar partijschap ontbreekt, de eendracht heerst. Bedenk dus goed waar u mee bezig bent en bezie welke last er op het land rust. Waar afgunst heerst onder vrienden, daar groeien de vijanden in kracht. Daarom moet de afgunst vervloekt worden! Dit stoort me namelijk. Wie het op anderen voorzien heeft, zal uiteindelijk in zijn eigen vlees snijden. Het zou geen overbodige luxe zijn als het recht weer zijn loop zou krijgen, want ondertussen wordt dit recht met voeten getreden omdat menigeen ten koste van de ander hogerop wil komen. Het zou evenwel beter zijn om niet zoveel ambities te koesteren, want wie hoog klimt kan ook diep vallen. Het slotwoord (vs.73-80) opent Willem weer in de ik-vorm: het is genoeg zo, ik wil er verder over zwijgen. Er gebeuren vandaag de dag veel vreemde dingen in binnen- en buitenland, die mij mishagen. Heb medelijden met de zwakkeren, want dat gebeurt maar al te vaak pas als het reeds te laat is.*21

In Willems visie liggen hier afgunst en machtshonger aan de partijtwisten tussen de heren ten grondslag. Dit heeft ernstige politieke gevolgen. De onderlinge verdeeldheid tast juist de macht van de heren en de eerlijke rechtsgang aan. En waar de heren aan gezag inboeten, daar kan het volk zich aan dit gezag onttrekken. Het zwakkere deel van de bevolking zal hiervan de dupe worden en een ander deel van het volk (denkelijk het patriciaat) zal in macht groeien, hetgeen voor de heren een gevaarlijke ontwikkeling betekent. Deze tendenzen vallen niet alleen in het binnenland, in Holland, te constateren, maar ook in het buitenland. Mogelijk doelt Willem hier op meer of minder recente partijtegenstellingen zoals in Gelre tussen de Bronkhorsten en de Hekerens, in Utrecht tussen de Lichtenbergers, Fresingen, Lokhorsten en Gunterlingen, in Friesland en Groningen tussen de Schieringers en Vetkopers, in Vlaanderen tussen de Leliaerts en Klauwaerts, in Luik tussen de Awans en Waroux en in Frankrijk tussen de Bourguignons en Armagnacs.*22 Werd hiervóór reeds geconstateerd dat Hildegaersberch niet lijkt te rekenen met de steden als machtsfactor in de twisten, in dit gedicht betrekt hij in ieder geval wel de `bevolking' in zijn beschouwing. Een deel van het volk had te lijden onder de twisten, een ander deel koesterde sluimerende `revolutionaire' sentimenten en leek zijn kans schoon te zien, nu de heren onderling zo verdeeld waren. Het is denkbaar dat Willem hier wel doelt op de bemoeienis van de steden en het patriciaat met de twisten om hun eigen positie te versterken.

De sproke roept voorts een aantal vragen op. In de eerste plaats: waarom zijn de bewoordingen waarin het gedicht gesteld is nogal cryptisch en vaag, en neemt Willem meerdere malen zijn toevlucht tot metaforen en sententies?*23 Kennelijk zal Willem er enerzijds belang bij hebben gehad om zich met dit gevoelige onderwerp tot op zekere hoogte in nevelen te hullen. Zoals reeds eerder is vastgesteld, diende Willem een zekere omzichtigheid in acht nemen, gezien zijn afhankelijke relatie tot het publiek. Willem stelt dit zelf al in zijn proloog aan de orde: onversneden kritiek en lof worden hem niet in dank afgenomen. Anderzijds moet men er ook rekening mee houden dat de sproke veel minder onduidelijk kan zijn geweest toen deze bij voordracht volledig in de context van het moment paste. Twee andere vragen zijn: wat kan die context geweest zijn, waarin de sproke is voorgedragen? En was het Willems bedoeling - naast het hekelen van de partijtwisten - om met dit gedicht ook daadwerkelijk iemand impliciet te roemen? Op dit laatste zinspeelt hij immers wel. Als de lof bedoeld zou zijn voor Albrecht van Beieren, dan zou deze intussen overleden moeten zijn, want Willem zegt dat men iemand tijdens zijn leven niet moet roemen. Of Albrechts dood echter aanleiding kan hebben gegeven tot de vermanende woorden in deze sproke, is zeer de vraag. Indien er aan een overleden heer gerefereerd wordt, komt dan wellicht Willem V weer in aanmerking? Dit is denkbaar. Het is in dit geval aantrekkelijk de sproke kort na de moord op Aleid van Poelgeest en Willem Cuser in 1392 te dateren. De moord was gepleegd uit partijpolitieke overwegingen en vormde de aanleiding tot een hernieuwd oplaaien van de twisten. Intussen zal in de hogere kringen de herinnering aan Willem V nog niet vervlogen zijn; hij regeerde weliswaar niet meer sinds 1358, maar hij was pas in 1389 overleden. Eveneens aantrekkelijk is het om te veronderstellen dat 51.Van tregiment van goeden heren en 52.Een exempel van partyen bestemd waren om achter elkaar te worden voorgedragen. In de handschriften H en B staan de sproken in ieder geval na elkaar genoteerd, al behoeft dit op zichzelf niets te betekenen. Opvallend is het evenwel dat waar in 51.Van tregiment van goeden heren inderdaad twee goede heren - Willem III en Willem V - geroemd worden, de dichter zich in de navolgende sproke afvraagt waarom hij een goede heer niet zou mogen roemen zonder dat dit een afwijzende reactie van het publiek oplevert. In deze sproke blijft het hier verder bij: van expliciete loftuitingen komt niets terecht. Het lijkt daarom niet geheel uitgesloten dat52.Een exempel van partyen althans ten dele gefunctioneerd kan hebben als een door de spreker ingecalculeerde en geprepareerde poëtische reactie op eventuele kritiek; kritiek die op de voorafgaande sproke 51.Van tregiment van goeden heren kan zijn gekomen. Bovendien bieden de sproken na elkaar een boeiend contrast: de eerste sproke toont hoe twee goede heren regeerden met de Hoekse en Kabeljauwse twisten als een `woud zonder genade' tussen hun bewind in. Willem V komt daarbij de eer toe de twisten tot bedaren te hebben gebracht. In de tweede sproke wijst de dichter kritiek op het loven van een heer af. Hij maakt het publiek er vervolgens op attent dat het land (wederom) zucht onder partijtegenstellingen, die uiteindelijk de heerschappij der heren als geheel schade zouden kunnen berokkenen. Enkele relativerende woorden zijn met betrekking tot deze hypothese evenwel op hun plaats. Mogelijk hebben de sproken nooit (of zeker niet altijd) in combinatie met elkaar gefunctioneerd en doelt de dichter met het roemen van een goede heer op niemand in het bijzonder, maar spreekt hij slechts in het algemeen.

Plaatst men de vier sproken van Willem over de twisten naast elkaar, dan onderscheidt men een hoeveelheid min of meer samenhangende politieke, economische en strikt individuele motieven, die tekenend is voor het complexe karakter van de Hoekse en Kabeljauwse tegenstellingen als geheel. De partijstrijd kenmerkt zich door hebzucht, machtshonger, opportunisme, gekonkel, afgunst, hoogmoed en wrok. En alhoewel een deel van de schuld aan de twisten buiten de landsheer lijkt om te gaan - men denke aan de vendetta's en de zelfzuchtige hovelingen die hem omringen -, uiteindelijk kan ook de hoogste gezagsdrager zich niet aan zijn verantwoordelijkheden onttrekken: twist en intriges zouden onder zijn bewind niet getolereerd mogen worden, temeer daar andere groepen in de samenleving willen profiteren van de verdeeldheid in de adellijke gelederen om hun eigen machtspositie te verbeteren. De tegenstellingen zijn Willem een doorn in het oog. Zijn remedie tegen de twisten is even simpel als idealistisch: slechts met verzoening en eendracht kunnen de heren het tij keren. Daarbij is voor de landsheer de bijzondere taak weggelegd om zich boven de partijen te stellen en vanuit zijn machtspositie de tegenstellingen te beteugelen.

Behalve dat Willem de twisten in een viertal sproken breder behandelt, maakt hij in andere gedichten diverse malen toespeling op partijtegenstelling en twist. Zo zegt hij in 66.Van drierehande lyden tot zijn publiek: `Ghi heren, nu trect voirwaert, Seldi mit eren voeren tzwaert, Ghi moetet andersins verweren Dan op malcander aldus te stryden' (vs.166-169). Willem veroordeelt in deze sproke de onderlinge strijd en de zucht naar `grote zeghe Van vechten' (vs.152-153) en spreekt slechts met waardering over de dappere strijd die voorheen tijdens de kruistochten is geleverd. In 106.Van karitas waarschuwt de dichter tegen het niet in praktijk brengen van de christelijke naastenliefde: `Sullen wy oude veete ophalen, Om dat wy machtich sijn te wreken', dan zal God ons dat zwaar aanrekenen, zegt hij in vs.174-177. Hier appelleert de spreker wederom aan het aspect van de bloedwraak. En in 99.Vanden doern ende vander lindespreekt Willem erover dat `schalken raet' en `onnutte miede Brengt in twiste sheren liede' (vs.243-244). Hier brengt Willem dus weer de aspecten van hebzucht en opportunisme naar voren als oorzaak voor de twisten onder de edelen. In 73.Dit is vander ghiericheit hekelt Willem evenzeer onder meer de hebzucht der heren, die aanleiding geeft tot onrecht, uitbuiting en partijschap, mede onder inblazing van bemiddelde schalken, die in de gunst van de heer zijn gekomen. In vs.88-93 zegt de dichter expliciet dat als een land rijk is, het de landsheer aan niets zal ontbreken. Maar als aan alle recht smeergeld te pas moet komen, dan zal de hebzucht leiden tot partijstrijd. Even verder onderstreept de spreker dit nog eens: `Aldus maect Ghiericheit pertyen' (vs.97). En: `Een wijs lantsheer, van sinnen vroet, Die mochte node om enich guet Sijn volc partyen laten kyesen' (vs.109-111). Willem pleit vervolgens weer voor eendracht (zie vs.117 en 126) en concludeert in vs.128-131:

Dus mach een lantsheer gheerne tyden (er op uit zijn)

Sijn volck te soenen alle ganghe; (allerwegen)

Want waer partyen duren langhe,

Daer wart van yammer veel bescreyt (beweend, betreurd)

In dit gedicht komt een deel van de schuld aan het voortduren der twisten bij de landsheer te liggen. Deze moet boven de partijen staan en zich inspannen om verzoening tot stand te brengen tussen de partijen. De landsheer is des te schuldiger aan de twisten als hij de toestand uit eigenbelang laat voortbestaan, namelijk om er zelf financieel op vooruit te gaan (men denke, naast omkoping, aan de toename van opgelegde boetes, inkomsten uit verbeurdverklaring van goederen etc.). Willem meent dat de vorst niets te kort hoeft te komen als er een einde aan de twisten komt en het land welvarend genoeg is. Met andere woorden: reguliere belastingen en andere inkomsten zouden toereikend moeten zijn.

In 117.Hoemen tende sal kennen voer tbeghin is het eveneens de landsheer die boven de strijdende partijen moet staan om de wandaden aan beide zijden te veroordelen: `Sel een heer partye slechten, Soe moet hy scharpelijcken rechten An beyden zyden die misdoet' (vs.55-57). Alleen aldus kan het tot een verzoening komen. De dichter meent: `Eendrachtich volc heeft dic ghewonnen Des partyen niet en connen Wel ghecrighen of verwerven' (vs.71-73). Willem spreekt in het bijzonder over de landsverdediging; eendracht maakt macht. In het algemeen prijst hij vervolgens een `Eendrachtich volc' (vs.80) boven partijschap, want `partyen staen altoos in zorghen' (vs.84). God heeft de partijgenoten `weder lief nochte waert' (vs.86). Willem besluit dan ook aldus: `Wy moeten al ter rekeninghe. Die hier partyen onderlinghe, Dien hebben daer [=in de hemel] gheen grote macht' (vs.101-103).

Het is mogelijk dat Willem in 65.Een notabel van twee wynden in fabelvorm over de twisten spreekt. Hij vertelt hoe twee edele en dappere windhonden met elkaar vechten, maar door een ridder uit elkaar gehaald en aan de ketting gelegd worden. Een bunzing, `vuyl' en `onreyne', begint de twee honden echter weer tegen elkaar op te stoken, zodat hun boosheid andermaal oplaait. Een waakhond (`balch hont') ziet de bunzing en bijt hem dood. De dichter voegt hier aan toe: zo gebeurt het in het land. Als twee goede knapen elkaars vijanden zijn, dan lopen er altijd booswichten tussen die de onenigheid liever zien oplaaien dan tot rust komen. Ik wilde dat men ze een pak slaag gaf. In deze fabel kunnen de twee edele windhonden gezien worden als een Hoekse en een Kabeljauwse edele, die met elkaar strijd leveren. Het is zelfs denkbaar dat de twee honden model staan voor de twee partijen in hun geheel. De ridder die de twee twistende edelen uit elkaar haalt en in toom houdt, kan dan voor de landsheer staan. De bunzing, een laag en onedel dier, die maakt dat de tegenstellingen weer oplaaien, kan staan voor de schalk zonder adelbrieven, de intrigant aan het hof. Hij lijkt belang te hebben bij de strijd - te denken valt aan het vergroten van zijn macht ten koste van de verdeelde adel en van invloed op het landsbestuur, mogelijk ook uit commerciële overwegingen. Wat voor iemand er bedoeld wordt met de waakhond die de bunzing weet uit te schakelen, is niet geheel duidelijk. De landsheer zal hier wel niet bedoeld zijn, want als hij hiervóór reeds als ridder is afgeschilderd, dan zou de vergelijking mank gaan. Eerder zal de waakhond staan voor de raadsheer uit de grafelijke raad, die moet waken voor indringers. Maar men zou ook kunnen overwegen om in de waakhond de sprookspreker te zien, die op het gevaar van intriganten wijst. Het is evenwel niet de sprookspreker die de schalk een pak slaag geeft: hij zag alleen graag dat een ander (de waakhond) dit deed. Op deze manier is het mogelijk om65.Een notabel van twee wynden te verstaan in de context van de twisten.*24 Het is uiteraard niet noodzakelijk om alle dergelijke bedekte en terloopse verwijzingen te begrijpen in de specifieke context van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Willem kan soms meer in het algemeen hebben gesproken, of, buiten Holland optredend, gerefereerd hebben aan andere partijtegenstellingen. Niettemin kan gesteld worden dat hij bepaald oog had voor de troebelen der twisten.

Willem was overigens, net als Boendale blijkens zijn Melibeus*25, ook gekant tegen oorlog en strijd in het algemeen. In 4.Van den X gheboeden, vs.288-308, keert hij zich tegen de bloedwraak: `Al waer u vader doot geslegen, Broeder, oem ofte neve, Men sal God die wrake geven' (vs.288-290). Als iemand ten onrechte en in hoogmoed de strijd aanbindt, dan zal hij Gods wraak over zich afroepen, meent de spreker (vs.304-308). Geweld is in zijn ogen slechts toegestaan ter zelfverdediging en in geval van oorlog, dat wil zeggen: als een land ten onrechte wordt binnengevallen en de heer het volk oproept om ten strijde te trekken (vs.292-303). Ook in109.Vanden vier cussen hekelt Willem de bloedwraak: de mens moet `willen vergheven [...] Ende op die wrake niet al en micken' (vs.118-120). Wie altijd op wraak uit is, zou zich eigenlijk moeten spiegelen aan degene `Die sijns vaders doot vergaf Om Cristus doot, ende liet daer af Te wreken, doe hi wreken mocht'*26 (vs.123-125).

Strijd omwille van de strijd wordt door Willem afkeurend besproken in termen van `overmoet'. Zoals reeds vermeld is, typeert de spreker de ridderlijke graaf Willem IV in 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen als iemand, `Die leefde zeer in overmoede' (vs.17). Deze graaf sneuvelde dan ook uiteindelijk in de strijd tegen de Friezen. Een uitgesproken `pacifistisch' standpunt neemt de dichter in 82.Van ruste in. Willem staat hier de algehele rust voor en betoogt bijvoorbeeld dat geschillen er zijn om bijgelegd te worden (zie vs.38-39). Hij valt verder uit naar degenen die de heren tot de strijd willen aanzetten*27:

Waer sijn si die den heren raden

Manslacht ende groten toern,

Dat si dit bispel niet en horen,

Hoe wel den heren ruste voecht, (past)

Op dat si hem keren ter doecht. (82; 92-96)

Aangrijpend is de toon in 87.Vander avontuer, waar Willem klaagt over de rijke die het heft in handen heeft:

Hi mach vechten, hi mach striden

Mit overmoede op sinen vyant;

Die arme moeter mede lyden:

Dits een recht in menich lant. (87; 213-216)

De arme wordt de dupe van alle strijd. Het moge duidelijk zijn dat Willem met `recht' hier feitelijk `onrecht' bedoelt. Ook in 90.Vanden figure vanden mensch verbindt de spreker de begrippen strijd en overmoed:

Sulc wil vechten, sulc wil kiven

In overmoede mit ghewelt,

Ende seit, hi is daer op ghestelt,

Hi wil sijn onrecht wederstaan. (90; 96-99)

Uit zijn woordkeuze proeft men Willems afkeuring voor dergelijke heethoofdigheid. In 78.Vanden ghedencke zet de dichter onder meer de `gerechter eren' (vs.65) af tegen de `ydel ere' (vs.67) die men in de strijd verwerft. Wie `ydel ere' nastreeft, houdt geen rekening met zijn zieleheil. Deze `ydel ere' verkrijgt iemand slechts `Om wonder dat hi helpt bedriven, Ist mit vechten, ist mit kiven, Of dommeliken avonturen' (vs.69-71). Afkeer van oorlog komt verder naar voren in 92.Van feeste van heren, waarschijnlijk bedoeld om gesproken te worden op een toernooifeest.*28 Het is geen lofzang op de strijd met de wapenen. Willem prijst de heren, naar de woorden van Salomo, als ze hun zinnen zetten op `weldoen' (deugdzaam gedrag) en blijdschap. En natuurlijk worden de beste ridders van het toernooi door de vrouwen en de herauten geprezen. Maar wat Willem in het bijzonder lijkt te bevallen aan het feestelijke toernooi, is dit:

Beroepen grote heren spel,

Dat comt den menen volke wel;

Want oerloghe, nijt ende swaer tempeest (geweld, rumoer)

Doen vergheten menighe feest

[...]

Wanneer die heren hem verbliden

Ende tot malcanders hove ryden,

Dan maken si pays, dan maken si vrede

Hem selven enten volke mede:

Dus wortet al in goeden hoghe.

Rust is beter dan oirloghe (92; 19-30)

Men kan beter in een toernooi op vriendschappelijke basis met elkaar strijd leveren, in een feestelijke en vreedzame ambiance, dan land en volk met oorlog teisteren. Al moet Willem daar wel aan toevoegen dat als een vredesverdrag niet tot de mogelijkheden blijkt te behoren, de landsgrenzen verdedigd moeten worden (zie vs.32-35). Vrede is altijd beter dan oorlog, maar in de optiek van de spreker is de oorlog uit zelfverdediging een geoorloofd, noodzakelijk kwaad. Dergelijke gedachten worden ook uitgedrukt in 99.Vanden doern ende vander linde. Een heer, zo meent Willem, moet bijgestaan door z'n raadsleden het recht in z'n land handhaven en geweld zien te vermijden:

Dus mach een heer, diet wel versint,

Houden al sijn lant in recht

Mit wijsheit sonder groot ghevecht.

Veel te vechten ende te striden

Dat maect vyanden tallen tyden (99; 90-94)

De enige legitieme vorm van wapengeweld is die van de rechtmatige (lands)verdediging, aldus Willem: `Doch ist wederstriden goet, Daermen ghewelt ende onrecht doet; Want onrecht selmen wederstaen Mit striden, macht niet anders gaen' (vs.95-98). Willem pleit vervolgens voor een strenge grensbewaking omdat dit een eventuele agressor afschrikt: `Want waermen stoute weer vermoet, Daer sijn die palen wel behoet, Entie heer heeftes prijs' (vs.103-105). Ook in 120.Dat elc sinen meerren ontsiet neemt Willem een `pacifistisch' standpunt in. Dit moge duidelijk blijken uit de volgende verzen, waarin hij over de raadsheren van de vorst spreekt:

Mar den rade mach wel gruwen

Te raden, waren sijs wel voersint,

Daer een oerloghe of beghint.

Soe menich mensch, dies cleyn vermoet,

Wort by oerloochs spel ontgoet,

Ontlijft, gequetst ende oec verdreven,

Die in ruste plaghen te leven,

Ende nerghent in gheen schulde en heeft (120; 34-41)

Het is opvallend dat Willem het (gewone) volk regelmatig bij zijn beschouwingen over oorlog en strijd betrekt en in bescherming neemt: oorlog en strijd mogen voor de hoge heren tot op zekere hoogte `spel' zijn, voor de kleine luiden vormen ze een plaag.*29 Het volk loopt in tijden van oorlog veelvuldig meer gevaar huis en haard te verliezen, gewond te raken, te sterven of verdreven te worden, dan de adel. Het is volgens de spreker veel beter als ieder ontzag zou hebben voor z'n meerdere en zou proberen om conflicten op andere wijze dan gewapenderhand op te lossen (zie vs.56-59). De hoofse ridderlijke strijdidealen ontbreken bij Willem te enen male. Willem veroordeelt degenen die strijden om `roem, Ende willen datmense hoghe noem' (vs.111-112). Het enige excuus voor de strijd dat hij accepteert is de zelf- of landsverdediging: `Want onrecht selmen wederstaen Mit stryden, macht niet anders gaen' (vs.125-126).

De enige maal dat Willem zich gematigd positief over de strijd uitlaat, is in een passage van 115.Van goeden gedachte, als hij afkeurend over de hoogmoed spreekt:

Want hi, die viel den hoghen val, [= Lucifer]

Is selve een oerspronc van hoveerde,

Daerom en staetse tot geenre weerde (is waardeloos)

Dan daermen manlicheit sel doen (behalve)

Ende inden velde wesen coen: (op het slagveld)

Daer machmen hoveerde tellen eer (aanmerken als)

Anders en doochse min noch meer. (115; 80-86)

Hoogmoed kan alleen van nut blijken als het tot dapperheid op het slagveld leidt. Deze mededeling behoeft geenszins in tegenspraak te zijn met verschillende `pacifistische' uitlatingen. Willem is weliswaar afkerig van twist, wraak en oorlog, maar hij rechtvaardigt de strijd als zelfverdediging. Vanuit die context bezien kan hij ook de dapperheid op het slagveld wel prijzen.