Hoofsheid noch liefde (al dan niet hoofs) nemen een prominente plaats in Willems werk in. In feite komt de sexualiteit, hoe terloops soms ook, vaker aan de orde, namelijk als Willem spreekt over overspel, (on)kuisheid, hoererij en de zedeloosheid van de geestelijkheid. En ook de sexualiteit binnen het huwelijk, met als doel het verwekken van kinderen, komt bij Willem aan bod.*1
T.Brandis heeft in zijn werk over de Minnereden*2 een achttal sproken van Willem vermeld, die naar zijn inzicht iets hebben uit te staan met de (hoofse) liefde. Tot de categorie `Liebesdichtung' rekent hij twee sproken: 46.Van twifel zou behoren tot het onderdeel `Liebesklage: resignation' en 34.Vanden goeden vrouwen tot het onderdeel `Gespräch über Liebe; Rat in Liebesnot'. Tot de categorie `Minne- und Tugendlehre' behoren de andere zes sproken. Achtereenvolgens rekent Brandis 114.Wat een reyn wijff waerdich is tot de `Lob der tugendhaften Frauen', 41.Van seven doechden der minnen tot de `Ermahnung und Lehre: Minnegebote und Lehre an die Liebenden', en 32.Vanden ouden ende vanden jonghen tot de `Ermahnung und Lehre: Belehrung im Gespräch'. De sproken 23.Vander wankelre brugghen en 12.Van enen cruut ende hiet selve zouden behoren tot het onderdeel `Ermahnung und Lehre: Auslegung von Minne- und Tugendsymbolen', en 96.Vanden droem tenslotte tot het `Gericht: Klage und Anklage der Tugenden'.*3 Het staat evenwel te bezien of al deze sproken verondersteld mogen worden tot de sfeer van de `Minnereden' te behoren. Niet alle sproken lijken in een liefdescontext begrepen te moeten worden.
Tenminste één sproke staat in ieder geval duidelijk wél in de traditie van de hoofse liefde en literatuur: 34.Vanden goeden
vrouwen. Diverse elementen althans zijn aan de hoofse lyriek ontleend. Ook I.Glier merkt in haar studie over de Duitse
Minnereden op dat deze sproke van Willem het nauwst aansluit bij de oude vormen van hoofse vrouwenverering.*4 De
sproke opent met de gedachte dat als een man zo gelukkig is dat een vrouw hem in alle eerzaamheid goedgunstig gezind is,
hij haar zijn genegenheid moet tonen. Vervolgens begint de kern van de sproke als een minnedicht: `Ic hoerde een vrou
goed utermaten Claghen [...]'*5 (vs.6-7). De vrouwenklacht betreft een man, die zich weinig gelegen laat liggen aan de
genegenheid van de vrouw; hierop komt de dichter pas weer expliciet terug in vs.86. In vs.21 hanteert Willem het hoofse
minne-idioom, als hij zegt dat iedere man `Gunst ende troost van gueden wiven' zou moeten hoogachten. Met name het
woord `troost' is een sleutelbegrip uit de registrale minnepoëzie.*6 Vervolgens werkt de dichter een vrij originele gedachte
uit: het gebeurt namelijk soms dat een verstandige vrouw hevig verliefd wordt op een eerloze `kaerl' (=boer) of een plompe
dwaas, omdat hij `een weynich schoen van leden' is of `inden mont wat suet van reden [=taal]' (vs.27-28). De dichter acht
hier de verhoudingen zoek en zegt in sententievorm: `Men soude een sot mit bonen azen, Hi en can gheen wiltbraet wel
hantieren: Hoe soud hi dan mit vrouwen vertieren?' (vs.30-32). Vrij vertaald staat er: wat moet zo'n kerel met een dame?
Een zot die de manieren mist om fatsoenlijk wildbraad te eten, moet men bonen te eten geven. Dat wil zeggen: een persoon
van gering aanzien moet met een vrouw van zijn eigen stand genoegen nemen indien de manieren hem ontbreken voor de
verfijnde omgang met een aanzienlijke dame. Vervolgens zegt de dichter dat het de eerbare, wijze en deugdzame man wel
betaamt om vrouwen eer te bewijzen. Daarmee komt de dichter op het motief van de veredelende werking van de liefde: de
vrouw inspireert de man tot eer en deugdzaamheid (vs.50-55). Hieraan koppelt Willem een ander element uit het hoofse
register: de `nydighe' (vs.56 e.v.) ontbreekt het aan eergevoel en schept geen behagen in deugdzaamheid: `Hi is den
vrouwen al contraer Ende doet hem dickent groten vaer; Daer om heeft hi eer noch loff Daer die goeden houden hoff'
(vs.65-68). In deze `nydighe' herkent men de `nider' uit de hoofse minnelyriek, de afgunstige kwaadspreker. Willem roept
daarna een tegenstelling op. Tegenover de `nydighe' staat de (ideale) minnaar,
Die om prijs van vrouwen goet
Avontuert lijff ende schat,
Ende allent dat hy ye besat
In storme, in stride, in tafelronde. (bestorming; steek spel)
Wye ter minne draghet conde,
Dien ist leet tot allen tyden
Dat hy vrouwen hoort benyden (belasteren)
Mocht hijt keren mit bescheide. (34; 70-77)
Een dergelijke idealisering van de minne die aanzet tot ridderlijk gedrag is een unicum in Willems werk (wat enigszins te denken zou kunnen geven over de waarde die aan de woorden van de spreker gehecht moet worden). Willem weet vervolgens ook bij welke vrouw misogyne*7 kwaadsprekers de schuld van alle ellende leggen: bij Eva, die schuld had aan de zondeval en vervolgens al haar sexegenoten met haar. Maar Willem wijst in de vorm van een metrische sententie de doem die op het vrouwelijke geslacht rust resoluut van de hand: `Al quam by Even onsen val, Maria die versoendet al' (vs.81-82) - en ook dit was overigens een gangbaar argument.*8 Derhalve moet een man een goede vrouw trouw dienen. En hiermee brengt Willem dan ook nog in het kort het hoofse dienstideaal onder woorden. Dan komt de dichter terug op de klagende vrouw uit het begin. Hij ruimt plaats in voor een monoloog in de vorm van een vrouwenklacht, zoals die bekend is in de minnelyriek.*9 Bovendien laat hij de vrouwe het beeldende taalgebruik van de jachtmetafoor hanteren, eveneens bekend uit de hoofse liefdeslyriek.*10 In dit geval tracht de vrouwe met volharding de genegenheid van haar uitverkoren man te winnen, gelijk de jager achter het vluchtend wild blijft jagen. Na haar monoloog neemt de dichter afscheid van de klagende jonkvrouw.*11 In zijn slotwoord (vs.122-148) geeft Willem dan nog een aantal wijsheden ten beste, waarvan vijf in metaforische vorm. Hij stelt vast dat `Wye mit minnen es verladen, Die wil al voert sonder vertoeven' (vs. 122-123); de minnende verlangt ontwikkeling. Voor doorzettingsvermogen, meent de dichter, zal men moeten putten uit een combinatie van wilskracht en hoop. `Die zieck is waer gaerne ghesont' (vs.134); men wil - met andere woorden - gaarne enig resultaat, enige vooruitgang in de liefde zien. En wie zich reeds de nodige inspanningen heeft getroost, geeft niet snel meer op, al ondervindt hij tegenwerking.*12 Maar het is (ook in de liefde) niet onverstandig om, alvorens het anker uit te gooien, na te gaan of men vaste grond kan vinden.
Bewijst Willem met deze sproke zijn bekendheid met de hoofse minnelyriek en de elementaire concepties van de hoofse liefde, hij heeft zelf geen lyrische tekst gedicht, maar een sproke met een veeleer betogende dan lyrische toon. In twee opzichten is deze sproke bijzonder. In de eerste plaats neemt de tekst een unieke plaats in binnen Willems oeuvre: geen enkele andere sproke is zo hoofs van toon.*13 Men krijgt zelfs bij het merendeel van zijn sproken de indruk dat hij de hoofse liefdesthematiek heeft willen vermijden, omdat deze kennelijk weinig paste in zijn wereldbeeld en taakstelling. In de tweede plaats is de sproke bijzonder omwille van de portee, die Willem zelf duidelijk formuleert in zijn vijf inleidende verzen: hij betoogt niet - zoals men binnen de traditie zou verwachten - dat de man na de nodige beproevingen beloond dient te worden voor zijn toewijding, maar omgekeerd juist dat de toenaderingspogingen van de vrouw uiteindelijk door de man gehonoreerd behoren te worden. Ondanks gebruikmaking van de traditionele terminologie, laat Willem de vrouw dingen naar de man.*14 Dat Brandis dit gedicht in zijn studie over de Minnereden heeft opgenomen, is volkomen terecht. Het moge uit het voorafgaande evenwel duidelijk zijn dat zijn nadere toelichting bij de sproke nauwelijks terzake is: `Frauengunst gebührt nur dem Würdigen. [...] Vergeblicher Rat an eine Frau'.*15 Hieruit blijkt wel hoezeer de sproken van Willem in hun moeilijkheidsgraad soms onderschat kunnen worden.
De sproke 46.Van twifel kan geenszins tot de zuivere `Minnereden' gerekend worden en krijgt in de studie van Glier over de Minnereden dan ook geen aandacht.*16 De dichter beweert in het gedicht weliswaar (sporadisch) verliefd te zijn (zie vooral vs.63-76) en hij geeft er ook hier blijk van vertrouwd te zijn met de conventies van de minnelyriek. Mogelijk zinspeelt hij zelfs direct op die hoofse poëzie met de woorden `Daer is menich die van minnen spreect, Daer rechte lieve in ghebreect' (vs.69-70), daarmee het onpersoonlijke ceremoniële karakter benadrukkend. Maar hoe amoureus de dichter zich ook voordoet, in vs.214-215 wordt uiteindelijk duidelijk dat zijn geliefde geen vrouw van vlees en bloed is: `Gheluc is der jonkfrouwen name, Die ic soecke sonder vinden'. De dichter is niet verliefd op een echte jonkvrouw of een ideaalbeeld van de vrouw, maar zoekt slechts de gunsten van het als dame gepersonifieerde Geluk. Willem heeft het publiek (opzettelijk) op het verkeerde been gezet.
Een amoureuze indruk lijkt Willem ook te maken in 23.Vander wankelre brugghen. De sproke opent met een Natureingang en de beschrijving van de maand mei: op zich kan dit als een aanwijzing gelden dat er een minnedicht gaat volgen. Hierna wordt verhaald hoe een jonkvrouw aan de overzijde van de rivier voor de dichter een brug van mooie woorden bouwt, waarmee hij haar kan bereiken. Als haar bedoelingen minder schoon blijken dan haar woorden, stort de brug ineen en belandt de ik-figuur in het water. Twee versregels kunnen verwijzen naar de liefde: `Sy minnede mi voer alle dinck' (vs.68) en `Dat icse minde sonder veynsen' (vs.127). De belering domineert evenwel en het is zeer de vraag of het hier om een minneleer of zelfs een zuivere deugdenleer gaat, zoals Brandis wil. Toch meent ook Glier dat het hier om een minneallegorie gaat, en zij voegt eraan toe dat zij van het beeld dat Willem in de sproke uitwerkt geen parallellen kent.*17
De sproke 12.Van enen cruut ende hiet selve is beslist geen minne- of deugdenleer, en wordt door Glier niet behandeld. Zoals hiervóór reeds aangeduid, is `selve' een woordspel op `salie' en `geld' (en `zelf/ego'?). Er bestaat daarom geen reden om dit gedicht tot de `Minnereden' te rekenen. Met betrekking tot de sproke 32.Vanden ouden ende vanden jonghen kan wel gesteld worden dat het om `Ermahnung und Lehre: Belehrung im Gespräch' gaat, maar ook hier ontbreekt te enen male de liefdescontext. Glier rekent de sproke voor wat z'n minnethematiek betreft tot de `Randzone der Gattung', maar zelfs dit lijkt te sterk uitgedrukt.*18
Het gedicht 96.Vanden droem verhaalt over een gedroomde ontmoeting tussen de dichter en een droef allegorisch tweetal, `Trouwe' en `Gherechtichede' (vs.104). Zij zijn verdreven van het hof waar eertijds de eer werd hooggehouden, totdat de schalk zich aandiende. Ook allerlei andere deugden moesten sindsdien het veld ruimen: `Waerachticheit, Maet ende Eer, Schaemte, Miltheit ende Oetmoet' (vs.108-109), `Ghestadicheit' (vs.112) en `Reden' (vs. 117). De deugdenleer moet wederom niet in een liefdescontext begrepen worden, ook al wil Glier deze nog tot de grensgevallen rekenen*19: de sproke handelt over heren en regeren, en is hekelend en politiek van aard. `Eer', `Waerachticheit', `Oetmoet' en `Ghestadichede' zijn bijvoorbeeld leden van de vorstelijke raad (zie vs.133-141, 151-156) en `Miltheit' en `Schaemt' fungeren als rentmeesters voor de vorst (vs.157-161). In het slotwoord richt de dichter zich ook exclusief tot de heren: `Ghi heren, laet u des ontfarmen, Ende schaemt u alsulker maren, Dat Trou is uut die lande ghevaren' (vs.268-270).
In 114.Wat een reyn wijff waerdich is worden de deugden behandeld die een goede vrouw betamen. Zo moet zij bij God in de gunst staan. Ze dient thuis zachtaardig te zijn en moet onrust en ruzie zien te voorkomen, want een goede vrouw heeft de rust lief. Zij moet hoofs van taal en vriendelijk zijn, zowel in de kerk als op straat. Ze hoort vriendelijk te groeten, maar niemand te lang aan de praat te houden. Een goede vrouw mag voorts noch te gierig, noch te vrijgevig zijn. Zij dient bezoek gastvrij te onthalen en ze streeft als goede vrouw altijd naar eer en andermans dankbaarheid. Zij behoort haar buren te vriend te houden en ook diegenen met hoofse woorden te bejegenen, die niet in eer leven. Voorts hoort de eerzame vrouw goede werken te verrichten en op kuise wijze haar eer te bewaren, want een goede vrouw vermijdt altijd schande. De sproke rept evenwel met geen woord over de liefde. Glier spreekt niet ten onrechte van `eine Reihe zum Teil praktischer Verhaltensregeln' met betrekking tot de `gesellschaftliche Funktion' van de vrouw.*20 Het gedicht laat zich dan ook veel gemakkelijker rangschikken in de categorie `praktische wenken voor de goede `huisvrouw'', dan in de categorie `lofdicht op deugdzame vrouwen' in het perspectief van de (hoofse) minne. De sproke vertoont waarlijk burgerlijke trekjes; de adviezen lijken eerder bestemd voor voordracht in een meer burgerlijk milieu dan voor aanzienlijke adellijke dames.
Er is tenslotte nog één sproke die Brandis noemt waarin ook de wereldse, hoofse liefde aan bod komt: 41.Van seven
doechden der minnen. Willem stelt eerst vast dat `God is selve die hoochste minne' (vs.15). Vervolgens behandelt de
dichter de zeven goede kwaliteiten die tot de liefde behoren. Eerst komt de oprechte eerbaarheid (kuisheid, schandebesef),
daarna de vrijgevigheid, waarover de dichter opmerkt: `Alsoe soud een man, die nauwe spaert [=gierig is], Dicke sonder
vanghen jaghen, Woude hi hoghe minne draghen' (vs.68-70). De derde goede kwaliteit is hoofs taalgebruik: liegen,
bedriegen, roddelen en snoeven zijn uit den boze. Ten vierde streeft de minne naar rust en bant zij `hat' en `nijt' uit. De
vijfde minnedeugd is oprechte soberheid, de zesde het verrichten van goede werken, het `weldoen'. De zevende en
belangrijkste deugd is ootmoed, nederigheid. In vs.182-200 waarschuwt de dichter dan voor de `nyders', die met hun
kwaadsprekerij uiteindelijk meewerken aan hun eigen doem. Willem acht het verstandig om zoveel mogelijk voor hen
geheim te houden. Na de behandeling van de zeven - toch voornamelijk wereldse - minnedeugden, merkt de dichter in zijn
slotwoord op dat `Die sijn oec Gode wel bequaem' (vs.203). Willem gebruikt het slot voor zijn niet ongebruikelijke
`wending in het geestelijke', al had hij bij de wereldse minnedeugden ook reeds de (te vermijden) hoofdzonden behandeld,
te weten onkuisheid (vs.49), gierigheid (vs.58), haat en nijd (vs.97), gulzigheid (vs.118), traagheid (vs.141) en hoogmoed
(vs.160). Men mag zich zelfs afvragen of het merendeel van de genoemde minnedeugden niet louter een functie heeft in
hun oppositie tot de hoofdzonden, en of men hier onder het mom van een leerdicht over minnedeugden niet met een
leerdicht over de zeven hoofdzonden te maken heeft. Willems slotwoorden met `wending in het geestelijke' luiden dan ook:
Is die minne by naturen
Dus edel in hoer selfs beruren, (werking)
Soe sijn si salich diet bekinnen,
Dat si Gode ten voirsten minnen. (41; 219-222)
Glier zegt over deze sproke: `Gebote der geistlichen und der weltlich höfischen Minne erscheinen merkwürdig geklittert in der Rede'. Ze concludeert: `Doch handelt Willem van Hildegaersberch hier sachlich wohl primär von der Gottesliebe'.*21
Er zijn drie gedichten waarin de liefde (zijdelings) aan bod komt, die Brandis niet noemt: het eerste gedicht is 66.Van drierehande lyden, vs.91-150. De sproke bespreekt drie strevingen van de mens en het leed en lijden dat hij daarvoor moet doormaken. Daarbij biedt Willem telkens een alternatief. Als eerste noemt de spreker het streven naar bezit. In het geval van hebzucht leidt dit tot excessen. Het alternatief van Willem is: genoegen te nemen met wat God geeft en te leven in het besef dat de mens sterfelijk is en de hemel zijn grootste beloning zal zijn. Als derde streving noemt de dichter het behalen van roem in de strijd. Het is evenwel verkeerd als heren elkaar bekampen en daarmee het getal van hun vijanden slechts vergroten. De enige gerechtvaardigde strijd is in Willems ogen hier de strijd voor het geloof. Als tweede smartelijke streving noemt de spreker de liefde. Het belangrijkste in de liefde is de trouw. Maar tegenwoordig wordt de beschuttende kracht van Venus' schild aangetast door de loszinnige, trouweloze liefde. Het is in Willems visie derhalve veel belangrijker te beseffen dat al het aardse vergankelijk is en dat de mens er goed aan zou doen Gods liefde te verwerven. De moraal van de sproke wordt adequaat verwoord in vs.194-195: `Wat ghi lijt, tis al verloren, Anders dan die Gode verkiest'. In deze sproke heeft Willem weinig op met de aardse, zinnelijke liefde en vormt deze voor de spreker slechts een aanleiding om te spreken over de hogere religieuze waarden en de geestelijke liefde.
Het tweede gedicht waarin de liefde aan de orde komt en dat Brandis niet noemt, maar Glier wel*22, is 71.Van helen. Willem spreekt over het belang van de geheimhouding in het algemeen, bij raadsbesluiten en in de liefde, en hij besluit zijn gedicht met enkele religieuze overpeinzingen. De spreker hanteert in de passage over de liefde (vs.68-115) de hoofse terminologie. Hij betoogt dat geheimhouding geboden is bij een oprechte liefdesrelatie. Minnaars die hun mond voorbijpraten en opsnijden `draghen minne sonder bediet [=waarde]' (vs.76). Als Venus twee geliefden bij elkaar brengt, moeten zij haar gebod van geheimhouding respecteren. Dit houdt de dichter voor aan `Ridderen, knapen ende joncheer, Moghende vrouwen ende joncfrouwen' (vs.98-99). Zij moeten zich met hun geliefden niet in het openbaar aan de `nyders' (vs.101) vertonen, want dezen kunnen de minne kwalijk velen en zullen trachten de relatie te gronde te richten. Willem gebruikt hier duidelijk het hoofse minne-idioom, put uit het arsenaal traditionele hoofse motieven en spreekt zich in deze passage bovenal niet relativerend of negatief uit over de hoofse liefde. Een lyrische toon ontbreekt evenwel volledig. De sprokepassage onderstreept nog eens dat Willem met het hoofse cultuurgoed vertrouwd was, maar zelden de behoefte heeft gevoeld zijn kennis voor louter hoofs-dichterlijke doeleinden aan te wenden.
Het derde gedicht dat niet door Brandis maar wel door Glier wordt genoemd is 94.Van hoede. De minne komt in deze sproke, naast allerlei andere kwesties, wel zeer kort aan bod, namelijk in vs.78-89. Willem betoogt dat wie `hoghe mint' op zijn hoede moet zijn voor de listige `nyders'. Immers: `Die nyders sellen altoes peynsen, Hoe si loghen moghen zoecken' (vs.82-83), waarmee ze de mensen in problemen kunnen krijgen. Hier stelt Willem zijn kennis van de hoofse minnethematiek slechts voor een korte passage ter beschikking.
Tenslotte moet hier nog kort aandacht worden besteed aan een aantal sproken die Brandis niet noemt, en die de relatie
tussen man en vrouw behandelen. Het blijkt hier telkens om huwelijkse relaties te gaan.*23 In 56.Van feeste van hylic
vertelt de dichter dat man en vrouw trouw moeten zijn en in eendracht met elkander behoren te leven. Zij dienen elkaar in
voor- en tegenspoed bij te staan. Dat Willem hier in het bijzonder het aristocratische huwelijk op het oog heeft, blijkt uit
het belang dat hij hecht aan de politieke en dynastieke aspecten. Over liefde rept de dichter met geen woord. Een ander
gedicht dat de relatie tussen man en vrouw thematiseert is48.Hoe man ende wijff sullen leven. Weliswaar heeft Willem deze
tekst aan Boendale ontleend, maar het feit dat Willem deze in zijn repertoire opnam, duidt erop dat hij zich met de inhoud
kon verenigen. Ook hier ontbreekt het de sproke aan hoofs idealisme. De praktische adviezen beperken zich tot het leven
der echtelieden. Er wordt betoogd dat de relatie tussen man en vrouw gebaseerd moet zijn op wederzijdse liefde en dat
man en vrouw één van wil dienen te zijn. Het huwelijk vervult voorts slechts één functie: het verwekken van kinderen. Het
huwelijk is niet bedoeld om er de onkuise lustgevoelens in bot te vieren.*24 In de echtverbintenis vervult de man de rol van
voogd over zijn wederhelft. Het is ook de man die het bezit beheert. De man moet zijn vrouw eren en liefhebben om haar
schoonheid, maar vooral om haar goede zeden en deugdzaamheid. Ten slotte dient de echtgenoot zijn eega naar behoren te
onderhouden.*25 In77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden wordt de huwelijkse staat geroemd boven de
geestelijke staat. Het huwelijk houdt immers de maatschappij in stand. En alle geestelijken zijn voortgekomen uit de
verbintenis tussen een man en een vrouw. Deze sproke beperkt zich evenwel tot deze vaststellingen met betrekking tot de
echtverbintenis.*26 Over de huwelijkse man-vrouw-relatie handelt ook een passage uit 91.Van tween bomen. Willem
oordeelt scherp over de overspelige echtgenote:
Een wijf, die heeft een goeden man,
Al daer sy kinder winnet an
Vier of vive, ses of seven,
Ende leefter by in goeden leven
Twintich jaer min of meer,
Entaer nae overghift hoer eer (91; 125-130)
die vervalt, aangetast door duivels gif, tot zware zonde. De spreker voegt er zelfs aan toe: `Al quaem sire bi in groten leide,
Des had si een deelkijn wel verdient' (vs.132-133). De vrouw die overspel pleegt, verliest `Hoer eer, hoer guet, hoers
mannes hulde' (vs.137). De vrouw, zo zegt Willem, zou haar man onderdanig moeten zijn. De man mag zijn vrouw in geval
van overspel zonder meer verstoten, evenwel tót het moment waarop zij op haar schreden terugkeert! Indien de vrouw
berouwvol terugkeert naar haar man en haar leven wenst te beteren, dan moet haar man haar vergiffenis schenken en weer
tot zich nemen. Dit toch `barmhartige' aspect in de visie van de spreker wordt hier ingegeven door de bijbelse leer van de
vergiffenis en door de leer van het huwelijkssacrament, die het huwelijk in principe voor eeuwig gesloten acht.*27 In
99.Vanden doern ende vander linde komt een bijzonder aspect van de band tussen de adellijke heer en zijn vrouw aan bod.
Hildegaersberch benadrukt hier de zalvende rol die de echtgenote kan spelen in politiek-bestuurlijke kwesties. De ideale
landsvrouwe wordt ten dele gekarakteriseerd in de rol van Maria, middelares tussen het volk en de landsheer. Als de heer
zijn volk hard wil aanpakken, dan kan zijn vrouw hem van dit voornemen afhouden (vs.154-163). De vrouwe kan zich over
het welzijn van het volk ontfermen (vs.182-193). En:
Hoert si dan karmen ofte claghen
Hoer volc in enigherhande node,
Die te bidden sijn te blode (bevreesd)
Horen heer, si mach hem vromen (tot voordeel strekken)
Ende inder noot te hulpe comen.
Dus ist den volke een grote vraem (voordeel)
Een edel vrou van goeder naem,
Want si lescht hoers heren toern. (99; 218-225)
Tenslotte kan de vrouw met haar feilloze gevoel voor eer en schande haar man ook waarschuwen voor `Schalken raet' (vs.241). Met dit alles toont Willem veeleer aandacht voor het harmonieuze huwelijk te hebben, dan voor de (hoofse) liefde.
Eens te meer wordt duidelijk dat de hoofse liefde bij Willem niet tot de prominente thema's gerekend moet worden en nauwelijks een plaats heeft gekregen in zijn werk, ook al was hij wel op de hoogte van de hoofse lyriek en liefdesconcepties. Willem was als dichter blijkbaar wel `hofs' maar niet `hoofs'. Het woord `hoofs' komt nauwelijks voor in zijn oeuvre.*28 Dit lijkt bevreemdend, aangezien Willem regelmatig in hofkringen verkeerde, maar in bepaalde opzichten toont hij zich kennelijk toch meer als een buitenstaander. Aan het Hollandse hofpubliek kan het vrijwel ontbreken van de hoofse liefdesthematiek in zijn werk niet gelegen hebben, getuige bijvoorbeeld de lyriek uit het Haagse Liederenhandschrift zoals die waarschijnlijk ook in Hollandse kring gefunctioneerd heeft.*29 In de stiefmoederlijke behandeling van aspecten als hoofsheid en ridderlijkheid openbaart zich mogelijk de burgerlijke kant van Willems dichterschap: het ontbreekt hem wellicht aan reële affiniteit met dergelijke hofidealen. Meer aandacht heeft de spreker aan de sexualiteit en de reële huwelijkspraktijk besteed. Zijn visie op de huwelijkse relatie tussen man en vrouw is traditioneel.*30 En al lijkt hij meestal te spreken over het aristocratische huwelijk, een enkel gedicht van Willem is zelfs niet geheel vrij van burgerlijke trekjes.
Van de acht gedichten die Brandis in het kader van de Minnereden noemt, concentreert zich één werkelijk op de hoofse liefde, namelijk 34.Vanden goeden vrouwen. Van de gedichten die Brandis niet noemt, bevat alleen 71.Van helen een wat uitgebreider passage over de hoofse liefde. De sproke 23.Vander wankelre brugghen is een twijfelgeval. Glier meent terecht dat bij Willem `der Anteil der Minne verhältnismäßig gering bleibt'*31 en concludeert: `Zusammenfassend läßt sich [...] sagen, daß Willem van Hildegaersberch die Darstellungsweisen, Formeln und Lehren der Minnereden recht gut beherrscht, daß er aber thematisch die Grenzen der Gattung immer wieder nach den verschiedensten Seiten hin überschreitet. Minnelehre erscheint bei ihm selten isoliert, gleichsam als Selbstzweck, und auch kaum ausschließlich der höfischen Tradition verpflichtet. Sie bildet vielmehr, ähnlich wie beim Teichner, nur einen schmalen, wenig deutlich abzugrenzenden Ausschnit in einer breiten Themenskala, die vielen Seiten des menschlichen Lebens gerecht werden will'.*32