6.3. De waarheid

Willem hechtte groot belang aan de waarheid, zoals hiervóór al is aangestipt. Hij wierp zich regelmatig op als een soort wereldlijk en vooral geestelijk raadsheer met zekere inzichten, die het als zijn plicht beschouwde de waarheid*1 te verspreiden door middel van het woord. De waarheid is een centraal begrip waaraan Willem een aanzienlijk deel van zijn gezag als spreker ontleende.

Blijkens zijn sproken was Willem van mening dat het (hoogmogende) publiek teveel op zijn (triviale) wenken bediend werd zonder dat het de waarheid werd gezegd. Het publiek wenste de waarheid niet meer te vernemen, al was het voor z'n eigen bestwil. Dit in tegenstelling tot vroeger, getuige onder meer de proloog van 41.Van seven doechden der minnen, waarin Willem betoogt dat de waarheidslievende dichtkunst vroeger werd geprezen, toen de eer bij de heren nog hoog in het vaandel stond geschreven. Tegenwoordig willen de heren niet meer `Datmen hem die waerheit seecht' (vs.5). Hier blijkt al meteen dat Willem een connectie zag tussen dichtkunst en waarheid. Niet alleen willen de heren de waarheid niet meer horen, zij worden tegenwoordig ook niet meer vermaand, stelt Willem in 47.Van drierehande staet van heren. Als heren vroeger over de schreef gingen, dan sloegen ze na wat er geschreven stond, `Off sy lietent hem beduden' (vs.41):

Nu gaetmen voer den heren huden (hoeden, verzwijgen)

Trechte loy ende wattet hout, (wet)

Si en sijns hem niet te seggen bout, (durven het...)

Die gheen diet openbaren souden,

Sy decken twaer, si nemen gouden: (gouden munten)

Die ghiericheit verdrivet al (47; 42-47)

Om bij de heren in het gevlij te blijven, laat men na om hen te vermanen en profiteert men liever kritiekloos van hun rijkdom. En het zijn juist ook de clerici, aldus Willem, die zwijgen waar zij de heren vanuit hun kennis en inzicht zouden moeten kapittelen:

Die claerliken sien, men doetse winken, (door de vingers

Papen, clercken al ghemien; zien)

Hoe veel onrechts dat si sien,

Si worden doeff in hoer verstaen (47; 50-53)

Alleen voor het gerinkel van geld houden de clerici zich niet doof: als er florijnen uitgeteld gaan worden, blijken ze plots even scherp van gehoor als het everzwijn (zie vs.54-59). Ook in58.Vander heiligher kercken moet Willem constateren dat de geestelijkheid zich niet naar behoren van zijn taak kwijt: `Warent princen off baroen, Men soude hem alle segghen twaer' (vs.28-29). En in 70.Van ses articulen der werlt komt Willem eveneens te spreken over de tekortkomingen van de geestelijkheid, en houdt hij hen hun taak voor:

Ghi priesters, clercken mitten crunen,

Bedenct u selven wel te voren,

Waer om soe dat ghi sijt bescoren (tonsuur hebt ontvangen)

Off ghewyet in hogher waerde:

Ghi soudt den volke sijn een heerde, (herder)

Ende den heren segghen twaer,

Wat hoer zielen is contraer (70; 206-212)

De waarheid wordt verzwegen, kritiek wordt niet langer geuit. Het is een algemene tendens, die niet alleen de clerus valt te verwijten. In 39.Vanden meerblade moet Willem constateren: `Nu en isser nyemant alsoe coen Die den heren dar castien' (vs.44-45). En in 82.Van ruste is het van hetzelfde laken een pak: `Tis ter werlt alsoe ghestelt, Nyemant en darf die waerheit wagen' (vs. 136-137). De spreker daagt zijn publiek hier min of meer uit om er achteraan te denken: behalve Willem. En terecht, want direct na zijn uitspraak in 82.Van ruste begint hij de heren de waarheid te zeggen. Het is immers ook de taak van de dichters om kritiek te leveren en het publiek op de waarheid te wijzen. Veel dichters laten echter verstek gaan: vroeger beminde het publiek de waarheid, zegt Willem in 24.Vanden serpent, maar nu eert men de dichters niet meer. Als dit tegenwoordig nog gedaan zou worden dan zouden de dichters `noch wel dichtens plien, Die nu zwighen ende loven' (vs.14-15). Kortom, waar de clerici en dichters zwegen en hun taak verzaakten, daar voelde Willem zich geroepen de waarheid te zeggen. Er is hier natuurlijk tot op zekere hoogte sprake van een dichterlijke hyperbool, maar dit neemt niet weg dat Willem het noodzakelijk achtte om, waar nodig, zijn kritische geluiden te laten horen, en als sprooksprekende leek de taak van de vermanende geestelijke en dichter op zich te nemen. De spreker was, zoals gezegd, sterk gepreoccupeerd met de waarheid en nam zijn taak hoog op. Regelmatig benadrukt hij het belang van de waarheid. In 4.Van den X gheboeden zegt hij, als hij aanbeland is bij het verbod op het afleggen van een valse getuigenis: `op die waerheit selmen muren' (vs.517). En in90.Vanden figure vanden mensch verwoordt de spreker het belang van de waarheid aldus: `Die waerheit is beter veel dan gout' (vs.210).*2

De spreker rekent het tot de taak van de dichter om zijn publiek de waarheid te zeggen. Ondubbelzinnig klinkt het in 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven: `Gherechte dichters bringhen voert Dat wair is ende salich mede Te comen totter ewichede' (vs.18-20). Niet alleen suggereren deze woorden dat Willems waarheid nauw aansluit bij die der clerici, de inhoud van het gedicht bewijst dat de spreker hier zuiver clericale stof behandelt (zie par.7.2.11.). In24.Vanden serpent blijkt de waarheid nogmaals tot het terrein van de dichter te behoren: `Want gherechte dichters zeede Dat is, die waerheit bringhen voert. Dichters waren wel ghehoert Die wijl datmen die waerheit minde' (vs.6-9). En ook in 82.Van ruste brengt Willem, in een achttal treffend geformuleerde versregels, de verbinding tot stand tussen waarheid en dichterschap:

Soe wye hem dichtens wil bewinden,

Die sel die waerheit te kennen gheven

Twisken sterven ende leven,

Twisken archeit ende doecht, (kwaad, ondeugd)

Twisken lyden ende ghenoecht,

Twisken winnen ende verliesen,

Twisken den wisen ende den riesen, (dwazen)

Twisken onrust ende rust. (82; 10-17)

Vroeger hechtte men aan de waarheid, meent de spreker, maar vandaag de dag niet meer. Het publiek wil niet meer naar de waarheidslievende dichters luisteren*3:

Wat sy dichten, wat si maken,

Die die quaetheit willen laken

Entie waerheit openbaren,

Die striken wel op dove snaren. (24; 17-20)

Dit probleem snijdt Willem ook aan in de poëticale introductie van 7.Vanden coninc van Poertegael. Hij zegt dat `Dichters conste is al contraer, Willen sy trechte waer ontbinden' (vs.4-5), want voor het publiek geldt dat `Twaer en gaet hem niet in doren, Men sel die waerheit laten rusten' (vs.8-9). Immers, zo zegt de dichter later in zijn gedicht: `die waerheit hoertmen node, Dair die schuldighen sijn voir oghen' (vs.108-109). De waarheidslievende dichters ondervinden de nodige tegenwerking, zoals blijkt in 31.Van sterven: `Die waerheit heeft altoes wedervechten Byder clesi, byden heren' (vs.6-7). Een dergelijke klacht klinkt in 64.Van die achte salicheiden*4:

Die nu nader waerheit meten

Mochten liever swighen stil,

Want elck wil horen sinen wil;

Daerom soe blijft die waerheit verborgen

Ende dichters hert in groter sorghen,

Want seyden sy een ygheliken twaer,

Sy worden thants hoers lijfs in vaer (64; 8-14)

Dat laatste zal wel niet al te letterlijk genomen moeten worden: waarschijnlijk bedoelt Willem eerder dat de broodwinning van de dichter in gevaar komt. Toch meent hij: `Tes sienre camp dan hals verloren' (vs.18), het is beter om de strijd aan te gaan dan zich bij voorbaat gewonnen te geven. En hij vervolgt: `Hierop willic mi verbouden' (vs.19), om daarna toch de waarheid naar voren te brengen. In 86.Van rechters gaat Willem rechtstreeks in de aanval tegen zijn publiek als hij zegt: `Mar ghi en wiltet waer niet horen, Daer ghi soudt mede behouden bliven' (vs.70-71). Wie Willems ware woorden zou navolgen zou niet minder dan zijn zieleheil in veiligheid brengen. Maar kennelijk verwijlde de belangstelling van het gehoor te vaak bij wereldse geneuchten naar Willems zin.

Willem eist de waarheid tenslotte veelvuldig voor zichzelf op, zoals uit enkele voorafgaande citaten al min of meer gebleken is: hij claimt de waarheid. Hij is een dichter `Die gaerne die waerheit spreken soude' (31; 10). En als hij in 4.Van den X gheboeden de autoriteit van de Bijbel achter zich weet, gebruikt hij als formulering: `Nu wil ic mitter waerheit bewisen' (vs.80). Even verder zegt hij zelfverzekerd:

Ic wil die waerheit gaen beduden

Tot enen exempel goeder luden,

Daert nuttelijck is vertoghen. (4; 533-535)

Dergelijke zelfverzekerde `Wahrheitsbeteuerungen' keren regelmatig terug. Een bloemlezing*5:

-Dat ic u segghe is waerheit fijn (12; 258)

-Hoert, ic sel u twaer beduden (19; 196)

-Hierop willic wesen coen

Ende spreken twair na mijn vermogen (24; 26-27)

-Als ic u noch wel*6 exponeren

Ende inder waerheit openbaren (27; 209-210)

-Nu willict twaer ontbinden bloot (58; 68)

-Ic wil die waerheit ontbinden (58; 77)

-Dat mach ic mitter waerheit bewisen (60; 43)

-Want mi is die waerheit cont (81; 269)

-Tis waerheit dat ic u telle (84; 94)

-Ic wil des wel ter waerheit comen (86; 30)

-Des dar ic wel der waerheit ghyen (89; 82)

-Dit is waerheit sonder loghen (90; 35)

-Ic wil die waerheit laten blyken (93; 21)

De `waerheit' bij Willem moet eerst en vooral in morele en religieuze zin verstaan worden als de hogere, eeuwige waarheid, de `Goddelijke' waarheid, de waarheid van Bijbel en kerkleer*7, die de mensheid tot het heil brengt.*8 Gods Woord is de waarheid. Hierover wil de spreker geen misverstanden laten bestaan. Over Christus en de Joden zegt hij in 64.Van die achte salicheiden:

Om dat hi die waerheit claer

Predicte ende leerde met,

So waren sy in toern op hem gheset,

Dat sy hem persecuci daden. (64; 222-225)

Het is de waarheid van het Woord Gods die de mens uiteindelijk tot het heil brengt. De dichter speelt een belangrijke rol hierin als hij zich op die waarheid baseert. Niet voor niets zegt Willem in zijn poëticale introductie bij 61.Van ghilden over de dichter: `Can hi der scrifturen woort Nader waerheit wel versinnen, Soe mach hi aert van dichten kinnen' (vs.10-12). Waarheid, gewijde geschriften en geloof zijn voor Willem niet te scheiden grootheden, zoals ook nog eens blijkt in81.Vanden sloetel, waar de spreker in vs.43-44 `waerheit' en `scriftuer' met elkaar in verband brengt.*9 In 6.Van VII punten die wy voer oghen hebben souden noemt de spreker een zevental zaken, die de Christenmens niet uit het oog mag verliezen. De mens moet zijn zonden onthouden en in berouw overdenken (1), hij moet beseffen dat het leven kortstondig is en gedenken te zullen sterven (2), en hij dient zich voor te bereiden op zijn dood, die altijd onverwachts komt (3). Verder blijkt de mens van nature nooit genoeg te hebben en nimmer tevreden te zijn, en dat is iets om zich voor te hoeden (4). Hij moet het komende oordeel voor ogen hebben (5) en zowel rekening houden met de mogelijkheid van hellestraf (6) als van de hemelse vreugde (7). Deze religieuze raadgevingen, met aandacht voor de vier uitersten (dood, oordeel, hemel en hel)*10, verkondigen de waarheid, maken er deel van uit. Aan het eind van zijn inleiding zegt Willem namelijk: `Soe souden wi billics sonderlinge Voer ogen hebben soven dingen, Die die waerheit doen orconden' (vs.33-35). In 16.Van drien bloemen roemt de dichter tarwe, wijn en vlas als `bloemen der waerheide' (vs.26), omdat ze een centrale functie in het sacrament van het altaar vervullen, respectievelijk als hostie, miswijn en linnen altaarkleed. Tarwe, wijn en vlas leiden de mens kortom, middels de H.Communie, tot de waarheid en tot het heil. En als Willem in21.Vanden doemsdaghe ende van sterven (vs. 18-20), 27.Van drien ghebroederen (vs.3 en 210) en 31.Van sterven (vs.1-10) de waarheid voor zich opeist, behandelt hij vervolgens religieuze stof. Verder verwijst de spreker in 47.Van drierehande staet van heren enkele malen expliciet naar hetBoek der wijsheid van Salomo. Hij voegt er zelfs aan toe dat wie hem niet gelooft, het maar moet nazoeken in het zesde hoofdstuk: `Soe mach hi horen off ic zoecke Anders yet dan trechte waer' (vs. 140-141). Vermaning (in religieuze zin) heeft voor de spreker alleen nut, als deze door de waarheid gefundeerd wordt; dit zegt hij in 79.Vanden zekeren hope, wanneer hij over het credo en over geloof, hoop en goede werken spreekt:

Dat ic veel van verre noop (zou vermanen/stoten?)

Entie waerheit niet en roer, (zou aanroeren/treffen)

Soe leve ic recht in sulker voer, (dusdanig)

Als een die water putten gaet

Ende brenct bodemlose vaet,

Daer en blijft altoes niet in.*11 (79; 250-255)

Daarvóór meldde Willem reeds dat Jezus zijn discipelen de komst van `die Heilighe Gheest' voorzegde, `die twaer bekende' (vs. 220-221). Het bij uitstek inspirerende, kracht en inzicht schenkende deel van de Drieëenheid krijgt bij de spreker de rol van waarheidsbode toebedeeld. En in hetzelfde gedicht bezweert Willem zijn gehoor om zich `andie waerheit' vast te houden (vs.379). Het betreft hier de geloofswaarheid van de wederopstanding van het vlees voor het Laatste Oordeel. Men moet deze waarheid eenvoudigweg aannemen, aldus de dichter, ook al begrijpt men niet hoe een en ander in z'n werk zal gaan. Als Willem voorts in 86.Van rechters een passage uit de Vulgaat (I Samuel 8:3) gaat aanhalen, dan zegt hij zich daarmee op de waarheid te beroepen: Gods woord en waarheid zijn hier synoniem: `Hier om wil ic u sonder sparen Nader letter segghen twaer' (vs.14-15). De waarheid is naast de letterlijke waarheid van het Bijbelwoord beslist ook de religieuze morele waarheid die de mens tot het heil brengt, zoals onder meer blijkt uit 87.Vander avontuer. In deze sproke betoogt Willem op zeker moment dat het voor de rijke moeilijker is om in de hemel te komen. Maar rijkdom hoeft het heil niet in de weg te staan: `Want wye hier volcht den rechten pat, Ende leeft altoes nader waerheiden' kan ook als hij rijk is het eeuwige leven beërven (vs.157-158).

Men krijgt de indruk dat de dichter zoekt naar de zuivere `waerheit' zoals die ook met het Laatste Oordeel onvermijdelijk `blyken moet' (106.Van karitas, vs.97), `Als elck man moet die waerheit lyen' (20.Van drien figuren, vs.32). Niet alleen moet dan `die waerheit openbaren [aan het licht komen]' en moet ieder `daer der waerheit ghyen', Christus ként bij het Laatste Oordeel ook `die waerheit slecht', de zuivere waarheid (62.Van rechtighen rechters, vs.182, 106 en 78). Het lijkt alsof Willem, juist om te anticiperen op de Jongste Dag, op zoek is naar die waarheid om deze te verkondigen, met de bedoeling misstanden en zonden tijdig uit de weg te ruimen. Voor de waarheid is bij Hildegaersberch Gods Woord een absolute leidraad, en verder moet men afgaan op de rede, zoals blijkt uit 109.Vanden vier cussen: `Reden tuucht die waerheit fijn, Wat oerbaer is of schade groot' (vs.8-9).

De waarheid heeft echter ook een werelds gezicht, al krijgt deze kant van de waarheid van Willem beslist minder aandacht. Bovendien is het niet eenvoudig om `zuivere' voorbeelden van Willems wereldse waarheid te geven, omdat die veelvuldig ook meteen in een religieus perspectief wordt geplaatst. In 69.Vander verrisenis adviseert Willem de heren bijvoorbeeld bij het nemen van juridische beslissingen: `hoert an beyden zyden twaer' (vs. 106). Er kan hier niet zozeer sprake zijn van het horen van de waarheid, als wel van het zoeken naar de waarheid. Het gaat hier om het horen van beide partijen in een geschil om zo achter de ware toedracht, dus achter de waarheid te komen. De rechtsprekende heer moet er voor oppassen om alleen naar de schalken (vs.104) te luisteren, want `Daer comt die menighe voer u claghen Ende lude roepen om grote wrake, Die meest misdaen heeft inder zake' (vs.108-110). Een heer moet derhalve onafhankelijk, via hoor en wederhoor, de waarheid zien te achterhalen. In 76.Vander rekeninghe waarschuwt Willem frauderende rekenplichtige ambtenaren: `Want heren horen node lieghen In rekeninghe off in claghen, Daer die waerheit last moet draghen' (vs.102-104). De waarheid, in dit geval een correcte weergave van inkomsten en uitgaven in rekeningboeken, mag ook in wereldse aangelegenheden geen geweld worden aangedaan.

Kritische en vermanende geluiden waren niet telkens aangenaam om te horen - de spreker geeft het zelf toe. Willem heeft in een aantal gevallen de waarheid als schild gebruikt, een retorische kunstgreep. Hij beschermde zichzelf tegen kritiek door de waarheid te claimen. Het viel natuurlijk door zijn publiek wel te betwisten óf iets de waarheid was, maar zogauw de spreker aannemelijk wist te maken of althans met de nodige aplomb de indruk wist te wekken dát iets de waarheid was, dan konden zijn woorden lastig nog in twijfel getrokken worden. Zeker als zijn waarheid door een aantal religieuze noties gesteund werd.

Ter afsluiting van deze paragraaf wordt 112.Twisschen wil ende die waerheit nader bezien, omdat hierin diverse aspecten van de waarheid aan de orde komen, die hiervóór zijn besproken. In het gedicht wordt de hebzucht van de heren gelaakt en geeft de spreker de machthebbers een lesje in elementaire `staathuishoudkunde'. Willem ontzegt de heren niet het recht om wettelijk vastgelegde belastingen te heffen. Maar hij betoogt met klem dat alleen een welvarend volk een heer ook welvarend kan maken en dat een berooid volk een heer op een gegeven moment niets meer te bieden heeft: wie het schaap te diep in het vel scheert, krijgt het volgende jaar geen wol meer. Dit is dan de wereldse kant van Willems waarheid, de waarheid die hij in de inleiding aankondigt te zullen gaan spreken en waarover hij het in het hele gedicht heeft. Maar de kwestie heeft (natuurlijk) ook een religieuze keerzijde. De hebzuchtige heer die zijn volk uitbuit, zal de eeuwige rijkdom - de hemel - mislopen. Wie deze waarheid aan de betreffende heren wil verkondigen, moet sterk in zijn schoenen staan en met de nodige omzichtigheid te werk gaan. Willem begint aldus: `En weet wat seggen, noed swijch ic stil: Die waerheit enter heren wil Dien can niet wel te rime maken' (vs.1-3). Een fraaie retorische opening: de dichter beweert niet te weten wat hij moet zeggen (ofwel hoe hij zijn woorden moet inkleden), maar wil er bepaald niet het zwijgen toe doen. De wil van de heren (grote rijkdom vergaren) en de waarheid (de noodzaak tot matigheid) zijn niet met elkaar te rijmen.*12 De spreker toont zich hier behoedzaam, want de waarheid zal niet prettig zijn om te horen. Bij een hebzuchtig publiek kan de waarheid slecht vallen: `Die dan die waerheit openbaert, Die mach wel billics sijn vervaert' (vs.11-12). Willem zal hier zeker ook zichzelf mee bedoelen, en impliciet maakt hij derhalve al een aanvang de waarheid te claimen en zich achter de waarheid te `verschuilen'. Vervolgens brengt hij weer het primaat van de waarheid onder woorden en herkent men zijn dichterlijk credo:

Men soud den heren seggen twaer

Wat oirbair is of zielen vaer,

Soe mochten si crighen onderscheit,

Waer die beste baet an leit.

Eer ende oirbaer leiter an,

Die den heren gheraden can,

Dat hi die waerheit gaerne hoert.

Uter waerheit soe comen voert

Alle doechdelyke wercken. (112; 21-29)

Vervolgens speelt Willem Christus' woorden als hoogste troef uit, zich daarmee beroepend op een Goddelijke autoriteit die geen tegenspraak duldt:

Die waerheit en wil gheen onrecht stercken,

Want God heeft selve aldus gheseit:

`Ic bin die wech ende die waerheit,

Wye mi volghet, hi sel naken

Den rechten pat ende dbeste raken.' (112; 30-34)

Christus gedoogt geen onrecht. Wie als heer zijn volk uitbuit, begaat een groot onrecht en vindt derhalve geen genade in Christus' ogen. Na dergelijke inleidende woorden kan Hildegaersberch veilig aan zijn kritische betoog beginnen. Zijn stelling `Die waerheit mint al gherechtichede' (vs.47) valt lastig nog in twijfel te trekken zonder dat men zichzelf verdacht maakt. Willem kan zijn gedicht nu ook aldus besluiten:

Waer die wille wel op yen

Mittie waerheit onverscheiden,

Soe souden hem die heren reyden

Totter doecht, vroe ende spade,

Ende mitten wisen gaen te rade,

Die die waerheit gheerne scouwen. (112: 168-173)

En een welwillend publiek zal Willem van Hildegaersberch mede rekenen tot de `wisen [...] Die die waerheit gheerne scouwen', bij wie men te rade kan gaan.

Willems beroep op de waarheid kan beslist niet afgedaan worden als (louter) topiek: daarvoor staat de spreker te veelvuldig, nadrukkelijk en genuanceerd stil bij dit kernbegrip. De waarheid is niet minder dan het (bijna sacrale) fundament waarop, aldus de dichter, zijn sproken zijn gebouwd. Men onderkent binnen de waarheid zowel een wereldse als (vooral) een religieuze component, gebaseerd op geloofswaarheden. Vastgesteld kan worden dat Willems waarheid vrijwel telkens een morele waarheid*13 behelst met betrekking tot goed en kwaad, eerlijkheid en corruptie, deugd en zonde, recht en onrecht, en bovenal heil en doem. Willems waarheid heeft veel weg van de absolute religieuze en morele waarheid zoals die zich bij het Laatste Oordeel zal openbaren.