Naast het op het hiernamaals gerichte zondebegrip, waarover later meer, neemt ook het op de wereld gerichte eerbegrip*1 een vooraanstaande plaats in bij Willem van Hildegaersberch. Niet voor niets zegt hij in 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten: `Al mijn dichten ende leren Is gherechticheit ende eer, Die betaemt wel elken heer' (vs.12-14).
Het begrip `eer' staat in nauw verband met het besef van schande en schaamte. Het eerbegrip is een exponent van wat men wel noemt de shame culture, te onderscheiden van de guilt culture.*2 Het oordeel van anderen speelt in de schaamtecultuur een belangrijke rol. In deze cultuur wordt grote waarde gehecht aan de persoonlijke eer, de publieke reputatie, het eigen aanzien voor het oog van de wereld. Openlijk eerverlies wordt als uiterst vernederend ervaren, maakt de mens te schande en geeft aanleiding tot schaamte. In de schuldcultuur staat daarentegen veel meer het geweten centraal: het aanzien van de mens wordt hier niet bepaald door de goede naam die men bezit bij derden. Het gedrag van de mens wordt niet beoordeeld met de normen en waarden die de buitenwereld oplegt, maar met de normen en waarden die het eigen geweten stelt. Het individu oordeelt op grond van zijn geweten over zijn schuld.
Het zou een misvatting zijn de 14e eeuwse (hof)cultuur te kenmerken als louter shame culture, al blijkt die shame culture in het wereldse Hollandse hofleven prominent aanwezig. Vanuit religieus oogpunt valt de maatschappij echter te kenmerken als een guilt culture: van elke individuele gelovige werd gevraagd zijn geweten te onderzoeken, zijn persoonlijke schuld onder ogen te zien en zijn zondigheid tegenover God te belijden. Wel trad de biechtvader op als intermediair en fungeerde deze in het minder ideale geval als het geweten van de zondaar.*3 Op het punt van de zonde stond elk mens strikt genomen echter alleen, was alleen hij verantwoordelijk voor z'n daden en telde het oordeel van anderen feitelijk niet. Men behoefde slechts met God in het reine te komen en aan Hem rekenschap af te leggen. Het naast elkaar bestaan van de shame en de guilt culture in de middeleeuwen valt in essentie terug te voeren tot het feit dat Germaanse en christelijke cultuur in deze periode met elkaar versmelten. Ook bij Willem van Hildegaersberch spelen naast eer en schande - zoals gezegd - het geweten, de schuld, de zondigheid en de boete, kenmerkend voor de guilt culture, een rol van betekenis.*4
Schande en schuld kunnen zelfs niet altijd van elkaar worden losgezien. Dat geldt ook voor Willems werk. De reputatie in
werelds perspectief wordt door de dichter met opzet wel verbonden met de reputatie in religieus perspectief. In de proloog
van 114.Wat een reyn wijff waerdich is blijkt dit heel duidelijk:
Eer is een die hoochste doecht,
Diemen ter werlt can beghinnen. (vóór hebben)
Men mach oec God in eren minnen,
Want dat Gode yeghengaet
En taemt niet wel der eren staet.
Wye na rechter eren zweven, (streven)
Die en voecht niet wel een sondich leven.
Sonde is schande, dat weet voirwair,
Wanneer si schijnt int openbaer. (114; 6-14)
Eer is in beginsel een wereldse deugd. Verliest men publiekelijk zijn eer, dan wordt men te schande gemaakt. Zondigen doet men in feite slechts tegenover God. Maar Willem zegt: als de zonde publiekelijk bekend wordt, dan tast dat evengoed de goede naam van de betreffende persoon aan. Zonde die openbaar wordt, is ook schande. Kort formuleert Willem deze wijsheid in8.Dit is van ere omgekeerd: `Eer verlies is dickent zonde' (vs.16). De oorzaak van schande is vaak zonde.*5 In 4.Van den X gheboeden typeert de dichter overspel als `sonde' én `schande' (vs.437), waarmee de overspelige vrouw haar goede naam en eer verliest (vs.443).*6 Ook bij het afleggen van een valse getuigenis brengt men z'n ziel en z'n eer in gevaar (vs.507, 513). Regelmatig verbindt Willem aan bepaald gedrag (opzettelijk) consequenties voor zowel eer als ziel. Bijvoorbeeld in 90.Vanden figure vanden mensch, waarin hij zegt: `Die verre buten reden dwalen, Die en vinden niet der eren palen Noch den wech der ewicheit' (vs.247-249). De spreker lijkt in dit gedicht zelfs te willen zeggen dat bij het sterven de eer met de ziel mee gaat: `Die ziel die hout der eren in, Want als die ziel den lichaem laet, Tlichaem blijft in crancker staet' (vs.270-272). Hoezeer eer met religieuze waarden door Willem verstrengeld wordt, blijkt uit zijn opvatting dat achter alles op aarde uiteindelijk Gods hand schuilgaat. Als men wereldse eer ontvangt, dan is dat in feite met Gods instemming. Dit wordt in 22.Vanden goeden ridder meerdere malen duidelijk gemaakt. De ridder in de sproke wordt uiteindelijk gestraft omdat hij God niet dankte voor de eer die hem werd aangedaan. Willem zegt het met zoveel woorden: `Een yghelijc die gaff hem loff, Mar God en dancte hi niet daer off Der eeren, diemen hem dicke boot' (vs. 79-81). Tenslotte laat de ridder alle wereldse eer voor wat die is, en treedt uit dankbaarheid in het klooster om God te dienen.
De aandacht wordt nu meer exclusief op het wereldse eerbegrip gericht. Willem wil het soms doen voorkomen dat er in
het verleden meer aandacht aan de eer werd geschonken dan in zijn eigen tijd. In 8.Dit is van ere stelt hij het Romeinse
verleden als ideaal voor. De heren waren toen rechtvaardig en verstandig, meent hij in zijn openingswoorden, en `Eer was
doe dat hoechste schat' (vs.11). In de sproke wordt verhaald hoe het de eer van een Romeins veldheer te na was om een
belegerde stad zonder slag of stoot in te nemen, omdat een verrader hem twee vooraanstaande kinderen in gijzeling bracht.
De trouweloze man krijgt stokslagen en wordt met de kinderen terug de stad in gestuurd, met als gevolg dat de stad zich
vrijwillig overgeeft aan de eerzame veldheer. Over een meer recent verleden heeft de spreker het in 51.Van tregiment van
goeden heren, en dan laat hij over de Hollandse graaf Willem V zeggen:
[...] `Tis een edel heer,
Hi hatet quaetheit, hi minnet die eer;
Sijn volck dat isser by verhuecht' (51; 61-63)
Naast Willem V, `Die veel eeren was ghewoen' (vs.50), stond ook Willem III blijkens 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen bekend om zijn `doechde' en `eren' (vs.13). Over zijn eigen tijd zegt Willem in 39.Vanden meerblade echter: `Men ghift der eren nu den ban, Schaemte en is niet veel gheacht' (vs.98-99). Eer en schande boeten aan normerende kracht in. Voorts zet de spreker in 83.Hoemen voer die eere gaet schulen omstandig uiteen dat in zijn tijd de goede dichters niet meer geëerd worden zoals vroeger het geval was. Hij meent evenwel dat de heren het aan hun eergevoel verplicht zijn om de goede dichters naar behoren te belonen.
Hoeveel belang Willem aan het behoud van de eer en het vermijden van schande hecht, blijkt onder meer uit zijn uitspraak
in 94.Van hoede: `Schande is altoes quaet te ghenesen Mitten ghenen die hem schaemt, Want elken man wel eer betaemt'
(vs.72-74). Ieder mens zou zich moeten bekommeren om zijn reputatie, zegt de spreker hier; en wie een sterk ontwikkeld
schaamtegevoel bezit, die komt schande maar moeilijk weer te boven. Nodeloos te zeggen dat schande dus te allen tijde
vermeden moet worden. Vastgesteld dient te worden dat, alhoewel Willem het hierboven over `elken man' heeft, hij het
begrip `eer' het meest verbindt met de adellijke `heer'. Zijn uitspraak in 7.Vanden coninc van Poertegael moge ter illustratie dienen*7:
Scone vrouwen, hoghe paerde,
Cleder schoen van rycker waerde,
Goeden dranck ende edel spise,
Doechde ende eer in menigher wise,
Die hoert den groten heren toe (7; 27-31)
Boeren en dwazen hebben geen verstand van eer, zo blijkt uit 34.Vanden goeden vrouwen, waar Willem spreekt over `kaerl off plompe doeren, Die totter eren niet en horen' (vs.25-26). En in101.Hoe die heren eerst quamen stelt de spreker de retorische vraag: `Hoe soude een dorpers hert bekinnen Gherechticheit of eer te minnen?' (vs.71-72). Natuurlijk behoren ook de adellijke dames over eergevoel te beschikken, zoals blijkt in 32.Vanden ouden ende vanden jonghen, waar Willem over een vrouwe zegt: `Mi dochte sijn in hoer becant Doeghet, eer ende rechte schaemt, Als goeden vrouwen wel betaemt' (vs.56-58). De vrouw in de sproke blijkt het gezelschap van wijze ouden te prefereren boven dat van onbezonnen jongelingen. In een cultuur waarin aan de goede naam grote waarde wordt gehecht, daar geldt laster, het aantasten van andermans reputatie, als een zeer ernstig vergrijp. Willem maakt dit met zoveel woorden duidelijk in 71.Van helen als hij zegt: `Crencken wy an goede off an eer Yemant, daer hijs niet en hoert, Tsel voer Gode sijn een moert' (vs.160-162). Laster is verbale moord.
Hoe verwerft, dan wel behoudt, een heer zijn eer? In 33.Van dominus geeft Willem aan `Hoe dat grote heren moghen
Horen naem in eren houden Ende altoes edel sijn gheschouden' (vs.22-24) en somt daartoe een zevental deugden op:
oordeelkundigheid, onderdanigheid, barmhartigheid*8, rechtvaardigheid, edelmoedigheid, oprechtheid en wijsheid strekken
de heer tot eer. In 41.Van seven doechden der minnen worden in het algemeen `Gherechte Schamelheit'*9, hoofs
taalgebruik, het vermijden van haat en nijd, en het verrichten van goede werken als eervolle deugden aangeprezen. En in
71.Van helen wordt de kunst van de geheimhouding geprezen als `der eren vaen' (vs.21). Eervol is het vervolgens dat men
zich aan zijn gegeven woord houdt: uw ja zij ja, uw nee zij nee. Dit betoogt de spreker in 93.Van ja ende neen. Ook
zelfonderzoek is een goede deugd, zo blijkt in 68.Vanden spieghel:
Wye gherende is der werlt eer
Ende hemelrijc ten lesten mael,
Die spieghel eerst hem selven wael, (spiegele)
Off hi erghent is bevlect. (68; 34-37)
Wat verder in het gedicht (vs.86-91) maakt Willem dan duidelijk dat het verrichten van goede werken zowel de reputatie
als het zieleheil ten goede komt; wederom herkent men hier de (opzettelijke) verstrengeling van wereldse en religieuze
waarden. Wereldse lering geeft Willem in7.Vanden coninc van Poertegael waarin hij onder meer bepleit dat de landsheer
ontzag verdient: dat levert `doechde ende eer' op (vs.80). Willem zegt: `Waermen die heren niet ontsiet, Daer staetet lant in
eren niet' (vs.81-82). De stadsbestuurders drukt hij in het titelloze tweede gedicht op het hart om ontzag te hebben voor de
landsheer, eendrachtig te zijn, en de welvaart in belang van het algemeen te stimuleren: `Soe crijchdi eer ende gans
getruwen' (vs.217). En in 55.Een notabel zegt de spreker: `wye in eren wil comen voert, Die diene ghetrouwelic ende
houde sijn woert' (vs.7-8).*10 Wereldse eer kan men ook op het slagveld behalen, maar de toon die de spreker hieromtrent
aanslaat is niet bijzonder positief. In 35.Vander wrake Goeds zegt Willem over keizer, koningen en heren dat zij
[...] hoir eyghen volck beseren
Ende helpen beschatten boven reden,
Ende trecken dan in vremden steden
Om eer te halen buten lande.
Al striden sy op Goeds vyande,
Ist Gode bequaem? dat en weet ic niet (35; 108-113)
De schaduwzijde van het behalen van eer op kruistochten of Pruisenreizen is dat het volk er te zware belastingen voor
opgelegd krijgt. Bovendien meent de spreker in dit gedicht dat men eerst in eigen land orde op zaken zou moeten stellen -
hij doelt op de corruptie in de rechtspraak -, alvorens in het buitenland `ere' te `willen halen' (vs.115). Waar een auteur als
de heraut Beieren eer, ridderschap en strijd nadrukkelijk lovend met elkaar in verband brengt, toont Hildegaersberch zijn
bedenkingen. Willem veroordeelt in 78.Vanden ghedencke `vechten', `kiven' en `dommeliken avonturen' zelfs met zoveel
woorden als `ydel ere' (vs.67-71). Alleen in 115.Van goeden gedachtelijkt Willem positiever te oordelen over eer en strijd
(landsverdediging). In het gedicht spreekt hij afkeurend over de hoogmoed:
Daerom en staetse tot geenre weerde [se = hoogmoed]
Dan daermen manlicheit sel doen (behalve)
Ende inden velde wesen coen:
Daer machmen hoveerde tellen eer,
Anders en doochse min noch meer. (115; 82-86)
Alleen ridders die voor de gerechtigheid strijden, die zullen `altoes in eren bliven' (97.Vander drierehande staet der werlt,
vs.202). Wereldse eer verwerft de heer, als hij het recht weet te handhaven. Deze gedachte is vrij prominent aanwezig in
Willems oeuvre en komt onder meer voor in 57.Vanden corencopers:
Peynst hier om, ghi hoghe heren,
Ende hout in goeden recht u lant,
Soe wordi sonder twy bekant
In eren, waermen uwes ghewaecht.
Soe wye dat name van eren draecht,
Die heeft rijcken schat ghewonnen.
Soe menich arbeit wort begonnen
Om der eren name te crighen:
Subtijlheit, grueten ende nyghen
Al ist om der eeren naem;
Maer recht te houden sonder blaem
Dat salmen altoes prisen voren.
Dat doet, het is der eren toern,
Want een ongherechtich heer
Den sietmen leven sonder eer. (57; 168-182)
Willem spreekt klare taal: de naam een eerzaam heer te zijn verdient men niet met list of vleierij, maar met het bewaken van
het recht. Een onrechtvaardig heer is een eerloos heer. Of, zoals hij het in 101.Hoe die heren eerst quamen zegt: een `heer
die sijn recht verdraeyt, Die sietmen leven buten eren' (vs.14-15).*11 Ook z'n scherpe woorden in 69.Vander verrisenis,
gericht tot hoge heren en edele vrouwen, zijn niet voor tweeërlei uitleg vatbaar:
Minnet recht ende doet ghelijck
Tghemiene volck in uwen lande,
Want ghi setter voer te pande
U ziel, u eer, u hoghen naem (69; 98-101)
De heer is er voorts bij gebaat dat hij geadviseerd wordt door eervolle raadsheren, zo blijkt in 78.Vanden ghedencke - en ook deze gedachte keert met een zekere regelmaat terug in Willems werk*12: een verstandig heer `kiest te rade, Die hem raet dat eerlic sy Ende sijnre zielen baet daer by' (vs.62-64). De landsvrouwe speelt in dezen ook een belangrijke rol, zoals blijkt in99.Vanden doern ende vander linde. Als zij bemerkt dat haar echtgenoot slechte adviezen ontvangt van zijn raadslieden, dan kan zij `doen bekinnen Horen heer wat schande sy, Soe bliven si beyde in eren vry' (vs.248-250). En de heer die bemerkt dat er leugentaal verspreid wordt en achter de waarheid komt, die moet zich `ter eren tien Ende den logenaer castien' (2; 71-72).
Een delicate kwestie is de verhouding tussen eer enerzijds en geld en bezit anderzijds. Een vorst dient over voldoende
financiële middelen te beschikken om zijn wereldse staat te kunnen voeren. Niet voor niets was het volk in 10.Dit is van
drien coeren bereid om aan de goede vorst het dubbele aan belasting te betalen dan waar hij om gevraagd had. Men redeneert:
`Heeft onse heer dus hulpe noot,
Wy willen houden in sijn eer,
Ende gheven hem te helfte meer (het dubbele)
Dan hi ons om ghebeden heeft,
Opdat hi voert in eren leeft.' (10; 210-214)
Geld en bezit staan de eer op zich geenszins in de weg. Toch schuilt er een adder onder het gras: rijkdom moet natuurlijk
rechtmatig verkregen zijn, maar ook verstandig beheerd en op de juiste wijze besteed worden. Als Willem in 1.Van den
testament bespreekt hoe menigeen aan het aardse goed hangt, zonder te beseffen dat hij alles slechts van God in leen heeft,
dan voegt hij er direct aan toe:
Doch en wil ic nyemont raden,
Datmen rijcheit sal versmaden,
Diemen bruken mach mit recht:
Men vynt menich arm knecht,
Die aenden riken hem geneert.
[...]
Caritaet, doecht ende eer
Die mach die rijcheit staende houden.
Al wort die rike vrec gescouden, (als; als vrek bekend staat)
Dat en is Gode niet bequaem
Noch der rechter eren naem. (1; 27-38)
Hier is wederom sprake van een verstrengeling van het zonde- en het eerbegrip. Wie de rijkdom op de juiste wijze aanwendt, behoeft deze niet te versmaden. Juist aanwenden betekent hier: anderen laten delen in de rijkdom in de vorm van loon of aalmoes. Wie in de hoofdzonde der hebzucht vervalt, verspeelt echter Gods gunst en zijn goede naam in de wereld. Dit wordt ook uitgedrukt in 43.Vander rijcken vrecken. Idealiter zou de kapitaalkrachtige mens van zijn bezit moeten wegschenken `Om Goede, om eer, om enich loff' (vs.44). Over de vrek zegt Willem echter: `Mar tschijnt wel dat hijt mint, Hy doeter toe al dat hi wint.' (vs. 45-46). Alles wat de vrek in handen krijgt, pot hij op. Daarmee maakt hij een oneigenlijk gebruik van het geld. Men zou anderen in de rijkdom moeten laten delen, om lof te oogsten voor God en het oog van de wereld.*13
Niet alleen onrechtmatig verkregen en onverstandig beheerde rijkdom geeft aanleiding tot schande en eerverlies. Ook als men zijn geld verspilt en veel schulden maakt zonder die af te lossen, dan maakt men zichzelf te schande. Dit blijkt uit het tweede exempel in 59.Vander dwalinghe. Willem vertelt hier van een man die zoveel schulden maakte `Dat hi nyemant wel en mochte Yet betalen, groot off clyen; Doe bleef hi inde schande alleen, Hine mochte nerghent mit eren gaen.' (vs.88-91). Het motief van eer-en-bankroet speelt in Willems oeuvre evenwel nauwelijks een rol van betekenis. Zijn voorkeur ging duidelijk meer uit naar het probleem van rijkdom, eer en hebzucht. En als men in ogenschouw neemt voor welke publieksgroepen Willem gesproken heeft, dan hoeft dat niet te verbazen.
Vrij concreet laakt Willem de hebzucht in verband met de eer in het titelloze tweede gedicht over het besturen van steden:
Men sal geen stat regeren laten
Den jongen dommen roekeloesen,
Of gierich volc, die menige nose (schade)
Hebben gewracht om hoer gewin;
Want si en dogen meer no min
Geset in sulken regement, (bestuur)
Daer sceemte ende eer soude sijn bekent:
Die giericheit verdrijft die sceemt. (2; 24-31)
De gedachte die hieruit spreekt is dat een gewetensvol stadsbestuur zich moet laten leiden door principes van eer en
schaamte. Hebzucht uit eigenbelang getuigt evenwel van schaamteloosheid als men het algemeen belang behoort te dienen.
De hebzucht schaadt het vertrouwen in het bestuur, en zal aanleiding zijn tot gezichtsverlies van de betreffende notabelen.
Hetzelfde geldt in feite voor het hoogste gezag, namelijk dat van de landsheer, getuige 10.Dit is van drien coeren:
Een heer die tlant aldus bewaert,
Dat hi schat noch miede en gaert (steekpenningen)
Te nemen voer gherechticheit,
Dat is een heer daer baet an leit;
Want hem en mach eer noch guet ghebreken. (10; 135-139)
Het zal de heer aan goede naam noch bezit ontbreken als hij het recht handhaaft zonder zich te laten omkopen. In 11.Dit is
van beschermen komt Willem met tijdskritiek, en hij betoogt dat de wereldlijke heren en ridders niet langer denken `Om
hoer ziel ende om hoer eer' (vs.9), zoals vroeger. Beschouwden zij voorheen `beschermen' als hun taak, thans schieten ze
een letter tekort en gaan ze het volk het liefst `bescheren': kaalplukken, beroven. Willem laakt de hebzuchtige heren, maar
het rechtmatig verkregen bezit niet:
Doch den schat en laec ic niet,
Daer gheen onrecht om gheschiet.
Mitten schat ghecrijchtmen eer,
Op datmens niet en mint te zere. (indien) (11; 61-64)
Wederom blijkt dat bezit normaal gesproken het wereldlijk aanzien niet aantast en zelfs vergroot, behalve als men het zich op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend, gedreven door hebzucht.*14
In 62.Van rechtighen rechters klaagt de spreker over de `Ghiericheit die is nu soe stranck' (vs.17) en sluit hij zich aan bij
de volgende uitspraak:
Wye den penninc mit groten prisen (sommen)
Gheven mach, die heeft den danck
Vanden heren ende loff,
Die hier voermaels minden eer, [Die = heren]
Soe dat si*15 wort van machte groff. (groot)
Nu achtmeer langher min noch meer;
Die penninc ist waert voer elken heer,
Eer die wort ghedreven off (62; 23-30)
Er wordt een simpele tegenstelling opgeroepen: de eer van vroeger tegenover de geldzucht van nu. De heren hebben hun
zorg voor een goede reputatie ingeruild voor penningen. Niet langer gaat een onberispelijk gedrag voor het oog van de
wereld hen boven alles. Hun handelen, hoe onrechtvaardig ook, kan thans gekocht worden. Nog explicieter hierover is
69.Vander verrisenis, waarin Willem verklaart dat kapitaalkrachtige `schalken' zich in het hof en de raad weten in te kopen,
hetgeen het arme volk niet ten goede komt en de goede naam van de vorst aantast:
Want waer die schalken gaen te rade,
Daer staet dat hoff sonder ghenade
Den armen luden, dies begheren;
Mar wye mit ghelde can solveren, (betalen, aflossen)
Die crijcht macht te sulken hove:
[...]
O edel vorsten! laet u raden
Den ghenen die die doeghet minnen,
Soe moechdi prijs ende eer ghewinnen
In uwen lande ende elder mede (69; 61-71)
Hier blijkt dat geld de reputatie indirect kan schaden als de vorsten bepaalde lieden om hun geld in de raad zitting laten nemen; lieden die het kennelijk niet zo nauw nemen met regeringsverantwoordelijkheid en moraal, en met de belangen van volk en land. Een heer behoort slechts goede, betrouwbare raadslieden rond zich te verzamelen, die hem van `eerlic' advies dienen: `Ende sijnre zielen baet daer by; Want gerechter eren staet Dien houtmen wel ter sielen baet' (78.Vanden ghedencke, vs.64-66).
Uitgebreid komt de hebzucht aan de orde in 73.Dit is vander ghiericheit. De spreker stelt vast dat `Ghiericheit' cum suis
`vrou Eren' overlast bezorgen (vs.8-9). Weer blijken het de `scalken' (vs.25) te zijn die in hun nieuwverworven posities het
hof beroven `Vander rechten eren cleyt' (vs.23). Deze schalken zijn `ghierich ende wreet' (vs.27):
Mochtmen tsien int openbaer
Off bekennen wye sy waren,
Die den heren dus beswaren,
Dat sy der eren naem verliesen,
Men soudse nyet te rade kyesen (73; 30-34)
Maar intussen laten de schalken hun invloed op de heren gelden. Willem vraagt zich vertwijfeld af: `Waerby soe salmen heren kinnen, Ist dat sy gheen eer en minnen, Weder in meninghen off in daden?' (vs.73-75). In zijn optiek heeft de (adellijke) heer als heerser van oudsher het monopolie op de eerbare moraal en daad in politiek en bestuur. Waar kan men de heer evenwel nog aan herkennen zodra hij zich in denken noch handelen door enig eerbesef laat leiden? Zonder ontwikkeld eergevoel onderscheidt de heer zich niet van andere stervelingen, meent Hildegaersberch.
Net als voor de notie `zonde' (i.v.m. het zieleheil), achtte Willem zijn publiek gevoelig voor de notie `eer' (i.v.m. het wereldse aanzien) - althans heeft hij gepoogd zijn gehoor er gevoelig voor te maken. Hoe meer Willems (elite)publiek zich openlijk op een ontwikkeld eergevoel beriep, hoe meer effect de woorden van de spreker konden sorteren. Indien nu zijn toehoorders waarde hechtten aan de reputatie, kon de dichter hen niet alleen op hun eergevoel aanspreken, maar kon hij tevens de gelegenheid aangrijpen om een eigen invulling te geven aan het eerbegrip, dat Willem regelmatig koppelde aan het zondebegrip. In de eerste plaats probeert Willem zijn publiek te prikkelen door vast te stellen dat aan de eer vroeger meer gewicht werd gehecht dan in zijn eigen tijd. Voorts stimuleert de dichter het idee dat de eer bij uitstek bij de heren hoort. Goede heren verdienen een goede naam. Maar heren die zich niet door gevoelens van schaamte laten afremmen, kunnen rekenen op kritiek en verlies van aanzien in de wereld. De reputatie van de heren hangt voor een niet onaanzienlijk deel af van hun doen en laten in politieke en bestuurlijke aangelegenheden. De heren behoren het algemeen belang te dienen en doordrongen te zijn van hun regeringsverantwoordelijkheid. Zij moeten zich derhalve laten leiden door principes van eer en schande. De eer representeert veel van het - in Willems ogen - moreel-goede: deugdzaamheid, trouw, ontzag voor de landsheer, rechtvaardigheidsgevoel, waarheidslievendheid, barmhartigheid, eendracht en zo meer. Strijd behoort in Willems optiek daarentegen tot de `ydel ere'. En geld en bezit passen bij de status van de aanzienlijke heer, mits eerlijk verkregen, verstandig beheerd en correct besteed. Maar dat is tegenwoordig eerder uitzondering dan regel: de kwade hebzucht heeft de gezonde eerzucht uit de omgeving van de heren verjaagd.