Twee belangrijke, steeds weerkerende en samenhangende motieven in Willems werk zijn, zoals hiervóór al bleek: geld*1 en
hebzucht.*2 Hildegaersberch heeft in principe geen bezwaar tegen geld en rijkdom: zijn bezwaren gelden de wijze waarop
de mens er mee omgaat. De spreker benadert de motieven van geld en hebzucht veelvuldig vanuit de wereldse en de
religieuze invalshoek. In de eerste plaats kan de mensheid vanuit wereldse optiek gehekeld worden om haar jacht naar geld.
De wijdverbreide hebzucht geeft aanleiding tot allerlei misstanden, zoals omkoperij, corruptie, onrecht en twist. In de
tweede plaats kan de hebzucht beschouwd worden in religieus perspectief: hebzucht is één van de zeven hoofdzonden, die
de mens van het heil afhouden. Willem heeft zich als dichter mede tot taak gesteld om hebzucht en corruptie aan de kaak te
stellen, zo blijkt in de proloog van 82.Van ruste:
Wye soe te dichten hevet lust,
Die doet die bose hem selven kennen,
Hoe si hier mit valen mennen. (rechte weg afdwalen)
Ist om miede of ist om ghicht, (smeergeld)
Men selse roeren int ghedicht,
So moghen si horen of si dwalen. (82; 18-23)
Waaruit maar weer eens duidelijk wordt dat de gekritiseerden tevens tot het aangesproken publiek behoorden.
Geld vervult in principe een uiterst nuttige functie, volgens Willem. Zijn sproke 12.Van enen cruut ende hiet selve gaat
voornamelijk over het kruid salie en geld (=salve). In het verhalende gedeelte blijkt een knaap er door zijn meester op uit te
zijn gestuurd om het beste kruid ter wereld te gaan zoeken. De ik-figuur, die de knaap ontmoet, zegt dat dit `selve' moet
zijn, en zet uiteen waarom `selve' het beste kruid is: `Selve doet grote vete slechten', `Selve ghift eten ende drincken'
(vs.90, 93).
Selve ghift cleder den lichame,
Menighe chierheit al daer toe;
Selve ghift couse ende schoe
[...]
Selve maect hulde mit scone vrouwen,
Dat sy ons eren ende nyghen,
Op dat si wanen Selve te crighen;
Selve en machmen niet volloven:
Si hout den man in eren boven,
Op datmense nutten wil mit recht (Indien...)
[...]
Die Selve wat heeft, hi is wellecomen
Sinen vrienden, sinen maghen
[...]
Al creghe een man een cleyn misval,
Hi macht mit Selve verwinnen al; (12; 112-114, 118-123, 280-281, 283-285)
Selve is cruut van hogher macht
In zijn slotwoord raadt Willem alle jonge lieden aan om Selve te gaan telen en hun geld er niet vroegtijdig doorheen te jagen; als de ouderdom komt `is Selve quaet te winnen' (vs.304). Uit de sproke blijkt dat geld niet stinkt en veel vermag; Willem laat zich slechts positief uit over geld. Het lijkt er overigens op dat in deze sproke de burgerlijke visie op het verdienen en sparen van geld uit arbeid doorklinkt. En 49.Vanden twaelff maenden lijkt nog duidelijker trekjes van de nieuwe burgermoraal te vertonen: hier bepleit Willem dat vermogensaanwas een verstandige investering is in de oude dag, om te voorkomen dat men deze in armoede en gebrek moet doorbrengen.*3
Nergens geeft hij in zijn sproken het `kapitaal' de schuld van de misstanden in de wereld. Al het aardse, dus ook het geld, heeft de mens van God in leen gekregen om over te beschikken: `Dit aertsche goet is al gheleent' (43; 73). Het geld kan in Willems visie geen corrumperende rol spelen: het is de mens die met zijn zondige zucht naar geld verantwoordelijk is voor het leed in de wereld. Wie echter zijn geld op rechtmatige wijze verkrijgt - in 4.Van den X gheboeden wordt diefstal uiteraard veroordeeld -, beheert en uitgeeft, valt niets te verwijten.
Ook rijkdom wordt door Willem niet gelaakt, mits er correct mee wordt omgesprongen. In 1.Van den testament zet de
spreker uiteen dat het aardse goed slechts geleend is en dat de hebzuchtige bij zijn dood al zijn bezit verliest, dat prompt
overgaat in andermans beheer.*4 Maar de dichter voegt er aan toe:
Doch en wil ic nyemont raden,
Datmen rijcheit sal versmaden,
Diemen bruken mach mit recht:
Men vynt menich arm knecht,
Die aenden riken hem geneert. (1; 27-31)
Alleen de rijke vrek, die zijn hele kapitaal voor zichzelf houdt, verliest Gods gunst en zijn aanzien in de wereld (vs.34-38). Na z'n dood zal hij in de hel gestraft worden, omdat hij zijn medemens niet heeft laten meedelen in zijn rijkdom, zoals God dat wil. Als de rijke zijn geld echter aanwendt om z'n dienstknecht mee te betalen en de caritas te beoefenen, dan gedraagt hij zich deugdzaam en eervol. Ook in andere sproken laakt de dichter de hebzucht, vooral die van de heren, zoals in11.Dit is van beschermen. Maar hierin stelt hij eveneens: `Doch den schat en laec ic niet, Daer gheen onrecht om gheschiet. Mitten schat ghecrijchtmen eer, Op datmens niet en mint te zere' (vs.61-64). Een heer vergroot zijn aanzien met grote rijkdom als hij zich niet te zeer laat beheersen door de zucht naar geld.
Wie rijk is of wordt, die is aan zijn geloof verplicht om een deel van zijn inkomsten omwille van God weg te schenken
(God heeft de arme immers op aarde geplaatst om de caritas van de rijke op de proef te stellen). Het gedicht 27.Van drien
ghebroederen verhaalt hoe drie kooplieden in den vreemde hun geluk gaan beproeven en winst maken. Twee broers zenden
hun verdiensten naar huis, de derde niet. De derde broer krijgt te verstaan dat de andere twee hem niet zullen bijstaan als
hij tot armoede vervalt. Op zeker moment keren de twee broers naar huis terug; de derde weigert terug te keren. Hij blijft
winst maken tot het noodlot zich tegen hem keert, hij verjaagd wordt en berooid naar huis moet teruggaan. Thuis is hij
evenwel niet meer welkom. De uitleg luidt: wat men van God krijgt (geld, winst), moet men ook weer omwille van God
`thuiszenden' (naar de hemel, in de vorm van aalmoezen), opdat men bij het overlijden weer naar God mag terugkeren.
Men moet zich niet door het aardse goed laten verblinden. Willem houdt dit zijn publiek voor dat hij in de proloog
veelzeggend aanspreekt als `Ghi ghierighe minres vanden ponden' (vs.6). Tegen het eind van de sproke roept hij dan uit:
`sent wat thuus van uwen ponden' (vs.260). In 54.Vander liever tijt klinkt het dreigend: `Daertsche goet is seer contraer
Jeghen trijcke hier boven claer' (vs.45-46). Wie niet oppast en zich te zeer op de aardse genoegens concentreert, zal
uiteindelijk de hemel niet beërven. Dan wisselt men zijn weelde in voor ellende (vs.102). `Want rijcheit daer hoert sorghe
toe, Hoemense te rechte sal regieren' (87; 145-146); rijkdom kan de mens van God verwijderen*5, maar behoeft het heil
niet noodzakelijk in de weg te staan, zo stelt Willem onder meer in 87.Vander avontuer:
Want rijcheit doet den menighen scheiden
Van hem die alle dinc besat; (bestuurt; nl.God)
Ende oock mach ons wel rijcheit leiden
Daer boven totter hoochster stat;
Want wye hier volcht den rechten pat,
Ende leeft altoes nader waerheiden,
Al heeft hi have ofte schat,
Sijn loon sel ooc voer Gode breyden. (87; 153-160)
En dat betekent in de praktijk onder meer: `Hebdi rijcheit of jolijt, Deelt den armen onghespaert' (vs.223-224). Maar in
Willems ogen is de rijkdom der adel, mits rechtvaardig verkregen, beheerd en gespendeerd, volkomen legitiem. In
7.Vanden coninc van Poertegael verklaart Willem dat de `groten heren' (vs.31) een rijke staat behoren te voeren: schone
vrouwen, grote paarden, mooie dure kleding, goede drank en edele spijs horen hen toe. En de heren moeten rijk zijn, opdat
men hen kan dienen; zonder geld kan een heer geen macht uitoefenen. Een misdadig heer kan maar beter arm zijn, anders
dreigt machtsmisbruik:
Die heren die sijn daer om rijck,
Datmen hem dienen sal mit macht,
Op dat si in doechden sijn bedacht. (als, zich toeleg-
Een overdadich heer van moede gen op)
Die waer veel beter maet van goede, (arm)
Ende in cleenre macht ghestelt,
Dan off hy dede groot ghewelt. (7; 44-50)
Ook de rijkdom van de kerk is in Willems ogen legitiem: dankzij haar schatten kan de kerk zich onafhankelijk opstellen en
heeft zij van niemand iets te duchten, en dat is goed. In 58.Vander heiligher kercken vertelt de spreker dat de heren in het
verleden giften en inkomsten uit belasting aan de kerk gaven. Willem licht dit nader toe:
Want si arm was int beghin
Ende rechtveerdich oeck daer by,
Daer om maectse Kaerl alsoe vry,
Ende Constantinus daer te voren,
Datse nyemant mochte storen,
Sy en bleeff moghende ende rijck. (58; 48-53)
En even verder zegt de spreker wat de kerk past:
Arm te wesen inden gheest,
Rechtich te bliven nae dat volleest, (geheel en al)
Rijck te wesen om wederstaen,
Wort hoer onghelijc ghedaen (58; 63-66)
Wel bekritiseert de spreker in dit gedicht de hebzucht van de individuele geestelijken (vs.100-101) en de praktijken van
simonie. Het bedrijven van de simonie betekent volgens Willem
Dat si gheestelic guet vercopen,
Dair die armen off souden hopen;
Want men placht om Gode te gheven,
Datter die armen off souden leven (58; 141-144)
De simonie is een ernstige zonde, want ze onttrekt geld aan de armenzorg. En wie voor het `geestelijc recht' moet verschijnen, die moet `tghelt ter palmen bringen' (vs.150-151) om enige kans te kunnen maken. De rijkdom der kerk is kortom wenselijk, maar de hebzucht van de clerus verwerpelijk. De hebzucht van de geestelijkheid speelde ook een rol in het Westers Schisma, zo blijkt uit diverse sproken*6: `Daer most onrecht schulen in, Off ghiericheit off groot ghewin, Dat kersten ghelove soe langhe staet Ghedeilt' (35; 95-98). En wie in Rome of Avignon `Om oflaet van sinen zonden' (vs.89) komt, zo stelt Willem in 86.Van rechters verder vast, die moet ook nog eerst allerlei lieden omkopen om voor de paus te kunnen verschijnen. De geestelijkheid spreekt tevens geen vermanende of kritische woorden meer over het onrecht in de wereld, maar sluit de ogen en houdt zich doof; de clerus hoort alleen het gerinkel van geld nog, zo blijkt in 47.Van drierehande staet van heren. En in 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert wordt op komische wijze de hebzucht van de priester aan de kaak gesteld: de paap laat zich omkopen en licht de hand met het sacrament van de biecht, uiteindelijk tot zijn eigen schade en schande. Willem meent: `Tis een deel der papen zeede, Dat si hem gaerne laten myeden [omkopen]' (vs.70-71).
In 19.Van mer prijst Willem spottend zowel de geestelijke als de wereldlijke elite om het gebrek aan hebzucht, daarmee de
alomtegenwoordigheid van deze zonde in feite bevestigend. Zo stelt hij dat kardinaal en legaat zonder hebzucht leven.
Abten, monniken, parochiepapen en kanunniken zouden geen gewin begeren, priesters absolveren niet om geld, en dekens
en groot-vicarissen verlangen geen smeergeld. Hebzucht is de keizer en de koningen volkomen vreemd. Hertogen en
graven staan bekend om hun vrijgevigheid en ze verdoemen de hebzuchtige. De ridderschap kan men met geen geld
omkopen. In de gelederen der ridderorden is de hebzucht uitgebannen. En baljuwen, schouten en schepenen verafschuwen
het onrecht en laten zich er met geld ook niet toe verleiden. Aan dit alles voegt Willem toe: `maar niet heus!' Deze
tijdskritiek klinkt ook scherp in 86.Van rechters:
Die paeus ende sijn cardinael,
Alle die vander clesi sijn,
Wildi horen den rechten fijn,
Si minnent ghelt an horen rinck;*7
Daer toe keyser ende coninc,
Hertoghen, graven ende ander heren,
Daermen doghet an soude leren,
Alle minnen si den scat;
Ridders, knapen, in elker stat,
Men seit dat si den penninc minnen. (86; 76-85)
In 93.Van ja ende neen raadt de spreker de `mienen lieden' (vs. 83) aan om zich niet te laten omkopen in het geval van een misdaad - doelt hij hier op het omkopen van getuigen?
Het fenomeen van de hebzucht behoeft op deze plaats nog wat meer aandacht. De mens is nooit tevreden, stelt Willem
vast in 6.Van VII punten die wy voer oghen hebben souden. Men legt zich er voortdurend op toe `Om te crigen groten
scat, Mede te copen dit of dat, Duer juweel of scone peerde, Die wi bruken mit hoveerde' (vs.81-84). In 5.Van commer
van ghelde zet Willem kort uiteen dat men op God moet vertrouwen als men in geldgebrek leeft. Anderzijds wordt
duidelijk dat de hebzuchtige niet op Gods steun hoeft te rekenen. Hij kan met armoede gestraft worden*8 of moet zijn
bezit achterlaten bij zijn dood:
Al heeft hi have ofte schat,
Soe coept hi meer op enen dach
Dan hi in tween betalen mach,
Soe sal hi dan in commer leven.
Dien moet God te lone geven
Commer al sijn dage voert.
[...]
Wie gierich is om deertsche goet,
Dat hi dwaelt ende seer misdoet.
Als God wil soe moet hijt rumen (5; 22-27, 85-87)
Telkens weer wijst Willem erop dat bij het Laatste Oordeel geld en bezit geen invloed kunnen hebben op het vonnis.*9 In
57.Vanden corencopers - een sproke overigens over handelaren die om het gewin, en ten koste van de bevolking, met
zwarte kunst de prijs van het koren weten op te drijven - formuleert hij het aldus:
Want noch sal comen onvoersien
Die bitter doot al onghespaert,
Ende daer nae toordeel ende tzwaert,*10
Daer nyemant voer en mach verdingen, (zich vrijpleiten)
Sijn sy keyser off coninghen,
Hertoghen, graven off prelaten:
Nyemant en comt daer schat te baten (57; 6-12)
Willem vraagt zich in 102.Een disputacie af hoe het toch komt dat hebzucht en onrecht de wereld in hun greep hebben. Hij krijgt ten antwoord dat dit het werk is van de afgunstige Lucifer, die de menselijke ziel van het licht af wil houden. De dichter werpt tegen dat de mens toch in staat moet zijn om de duivel te weerstaan, en zijn gesprekspartner geeft hem hierin gelijk. Wie zichzelf kent en de dood indachtig is, zal de zonde schuwen. Beide zijn het eens: bij het Oordeel zullen degenen die de armen onrecht hebben aangedaan worden gestraft. Alle mensen zouden broeders moeten zijn. Willem meent daarop dat niettemin ook verstandige en hoofse mensen tegen beter weten in tot hebzucht vervallen. Zijn gesprekspartner beaamt dit: tegenwoordig beschouwt men het zondigen als de gewone zede, in tegenstelling tot vroeger. Alles draait nu om het geld. Willem vult aan dat de schalk nu aan de macht is en dat de rechtvaardigen zich niet te weer durven stellen. Zijn gesprekspartner spreekt hierop de vrees uit dat God de wereld straffen zal toezenden.
De hebzucht wordt in 108.Hoe die joecht overgaet afgeschilderd als een ziekte: `Die rechte siect der ghierichede Dat is te
peynsen nacht ende dach Hoemen veel ghecrighen mach' (vs.102-104). Men wil altijd meer dan men heeft. De enige
remedie tegen de hebzucht, zegt de dichter, is de begeerte te matigen. Een andere genezing bestaat er niet, en derhalve
concludeert de spreker mismoedig: `Dus staet hem lanc ziec te wesen' (vs.114). Frontaal in de aanval tegen de hebzucht
gaat Willem in 43.Vanden rijcken vrecken. Eerst stelt hij vast dat vrijgevigheid een belangrijke deugd is: `Die vracheit wil
wederstaen, Die maeck hem miltheit onderdaen' (vs.5-6). De spreker waarschuwt vervolgens de vrekken dat God hen in
een oogwenk van hun geld kan scheiden door de dood te zenden. In de ideale situatie zou men van zijn rijkdom moeten
delen `Om Goede, om eer, om enich loff' (vs.44). Rekening houdend met het zieleheil voegt Willem de vrekken toe: `Ghif,
God sel di weder gheven Meer dan du moghes vermoeden' (vs.50-51). De vrek zou zijn hebzucht moeten laten varen, want
al het aardse goed is slechts geleend. Willem zegt tot de vrek:
Ghi donct my zeker buten vroede, (onverstandig)
Dat ghi mit gheleenden goede
Verdient die ewighe duusterheit. (43; 75-77)
De mens wordt, of hij nu arm is of rijk, door God slechts beoordeeld op zijn werken. Daarom is Godsvrucht altijd op zijn
plaats, zoals Willem zegt in 67.Een notabel:
Sijn wy arm off sijn wy rijck,
In wat staden wy sijn gheset,
Draghen wy pellen ofte net, (bont of bedelaarskledij)
Wy moeten sijns ontsien al hier
[...]
Want elkerlijc sel loon ontfaen
Nae wercken, die hi heeft ghedaen. (67; 16-19, 31-32)
In 80.Vanden woeckenaer wordt de woekeraar, of bij uitbreiding eerder de nouveau richegehekeld.*11 Hij weet de standen te knechten, profiteert financieel van andermans ellende en armoede en vaart wel in tijden van malaise. Hij verkoopt geld voor méér geld en dankt zijn winst louter aan het verstrijken van de tijd. Uiteindelijk zal de hellestraf zijn deel zijn, want de christen behoort zijn medemens in nood belangeloos bij te staan, `Uut goeder minnen in caritaten' (vs.69).
Een aspect van de hebzucht dat nog niet aan de orde is geweest, heeft betrekking op de malversaties in de rechtspraak.*12
Willem waarschuwt de verantwoordelijke heren in 47.Van drierehande staet van heren als ze de corruptie in de rechtspraak
oogluikend tolereren. De omkoopbare rechters wacht `Een hardt sentenci ende zwaer [...] ten lesten daghe' als zij
`rekeninghe van sulker miede Horen heer doen omt jaer' (vs.114-117). Maar ook de heren zullen ervoor gestraft worden.
De `hoghe, wise lantsheren stout' moeten zelf ook de `onrechte miede' schuwen (75; 1 en 23). In 10.Dit is van drien coeren
betoogt Willem dat een goede heer het recht niet op z'n beloop laat omwille van het financiële profijt dat hij daarvan heeft
(vs.135-138). Hij houdt de heren in 99.Vanden doern ende vander linde hun taak voor:
[...] elke heer heeft recht ghezworen
Sinen lande, sinen lieden,
Dien soude om smeken noch om mieden
Laten vander gherechtichede. (99; 44-47)
De sproke 17.Vanden waghen vormt de illustratie van Willems stelling: `Men siet trecht om ghelt vercopen' (vs.19), met als
gevolg dat de arme mens nooit zijn recht kan halen, zoals ook blijkt in62.Van rechtighen rechters:
Dat is den armen zwaer te horen,
Datmen den penninc soe sere mint,
Wanttet ghelt gheeftet hem verloren,
Wat recht dat hi hem onderwint (62; 33-36)
Kernachtig formuleert de dichter het in 64.Van die achte salicheiden: `Men sal gheen recht om ghelt verdinghen' (vs.250).
Niet alleen in de rechtspraak viert de hebzucht hoogtij, ook aan het hof is dit het geval. Steeds meer rijke schalken*13
weten zich aan het hof in te dringen, omdat ze de vorst van geld kunnen voorzien. Gevolg is, aldus 69.Vander verrisenis,
dat deze schalken invloed kunnen uitoefenen op het bestuur en daar heeft het arme volk onder te lijden:
Want waer die schalken gaen te rade,
Daer staet dat hoff sonder ghenade
Den armen luden, dies begheren;
Mar wye mit ghelde can solveren, (betalen, aflossen)
Die crijcht macht te sulken hove (69; 61-65)
Hebzucht en de groeiende macht van de schalken aan het hof waren volgens Willem een factor in het voortduren van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De oorzaak van deze `plaghe' moet gezocht worden bij de zucht naar de `penninc': `Want wye den penninc meest mach gheven, Die wort te hove thants verheven' (63; 137-140).
De sproke 73.Dit is vander ghiericheit is geheel aan de rol van het geld en de hebzucht gewijd, en heeft als refreinregel `Wapen over die Ghiericheit!'. In het gedicht zet Willem uiteen dat de eer aan het hof volkomen ten prooi is gevallen aan de hebzucht. De hebzuchtige schalken krijgen het meer en meer voor het zeggen aan het hof en weten zich in de raad in te dringen. De heren luisteren naar de schalken, met als gevolg dat de goede man het onderspit moet delven, omdat de heren de kwade opzet van de schalken niet doorzien. De heren schamen zich er voorts niet meer voor om steekpenningen aan te nemen, ook al zouden zij zich in het recht niet mogen laten omkopen. Omkoperij is volgens Willem nergens voor nodig: ook als een land niet wordt uitgebuit, hoeft het de heer aan niets te ontbreken. Als aan alle recht smeergeld te pas moet komen, dan zal de hebzucht tot partijstrijd leiden. Een wijs landsheer laat het niet zo ver komen dat z'n volk in partijen tegenover elkaar komt te staan, want op dat moment wordt het uiterst moeilijk om de eendracht te herstellen en het volk te verzoenen. Hebzucht speelt niet alleen een rol in de twisten, maar ook in het Westers Schisma. Elke paus heeft zijn eigen partij die erop uit is zich zoveel mogelijk te verrijken. En de heren hopen daarvan een graantje mee te pikken. De clerici geven geenszins het goede voorbeeld meer, zoals het zou betamen, en ook bij hen is de schalk aan de macht. Zowel heren als papen worden gedreven door ongebreidelde hebzucht, die bij het Laatste Oordeel gestraft zal worden. Het aardse goed kan men niet eeuwig bezitten, want eens komt immers de dood. Willem beveelt de wereldlijke en geestelijke heren de vrijgevigheid aan, maar vreest dat zijn pleidooi geen effect zal sorteren.
Willem brengt in breder perspectief de hebzucht in verband met economie en welvaart. Hij vindt bijvoorbeeld dat de heren
de stedelijke nering, de handel en welvaart niet te zeer in de weg mogen staan met beperkende maatregelen, te hoge
belastingen, of gebrek aan voldoende rechtsbescherming. Dit brengt hij onder meer tot uitdrukking in het tweede, titelloze
gedicht: `Waer neringe is ende machse daer bliven, Daer en derfmen niet te nauwe scriven, Want tis dagelics gewin'
(vs.127-129). Even verder is het:
Alsmen den coepman wel betaelt
Ende altoes gelijc ende reden doet,
Soe brenget menich man sijn goet,
Daer die lude hem aen generen;
Mer wilmen ruwelijc gaen sceren [men = stadsbestuur]
Om thans te wesen rijc,
Dat maect die neringe ongelijc. (berokkent schade) (2; 144-150)
Alle welvaart kan teniet worden gedaan als `scoutheit, scepen ende raet Gierig sijn om grote baet Ende onredelike winnen'
(vs. 169-171). Over belasting*14 spreekt Willem onder andere in 10.Dit is van drien coeren waarin hij Willem III prijst
omdat hij een belasting (een hoofse bede die door zijn dankbare volk vrijwillig was verhoogd) niet in ontvangst wilde
nemen. Willem III had het geld niet echt nodig en vertrouwde het geld aan de hoede van de eigenaars toe. Een rijke
gemeenschap heeft zelden een arm of hebzuchtig heer, voegt de dichter er nog aan toe. De gedachte zal zijn dat een rijke
gemeenschap de welstand van de heer garandeert, of eventueel dat een arm of hebzuchtig heer zijn volk snel zal hebben
uitgebuit. Willem brengt hier, zoals vaker, de idee tot uitdrukking dat rijkdom en armoede van heer en volk ten nauwste
met elkaar samenhangen. Als de heer de rijkdom van zijn volk bevordert, dan kan hij daarvan zelf ook de vruchten plukken,
maar als hij z'n volk tot de bedelstaf brengt, dan zal hij uiteindelijk zelf ook van inkomsten verstoken blijven. In 73.Dit is
vander ghiericheit zegt Willem iets dergelijks:
Een lant, dat staet in goeden recht
Elken man al even slecht, (gelijk)
Dat comt den heren veel te baten;
Want worden rijc hoer ondersaten,
Soe en can hem gheen goet ghebreken. (73; 85-89)
Uitgebreid gaat Willem in op deze problematiek in 112.Twisschen wil ende die waerheit (vs.84-126). Hij betoogt dat als een heer zijn bevolking de gelegenheid biedt om nering te drijven en een goede boterham te verdienen, en als een heer zijn volk niet al te zwaar belast, hij zelf uiteindelijk ook veel inkomsten zal kennen; een rijke gemeenschap maakt een rijke heer (vs.99-100). Willem geeft een paar fraaie metaforen ten beste. Men moet een schaap niet te diep in het vel scheren als men het volgende jaar weer wol wil hebben, zegt hij. Als de heren zich al het koren toeëigenen en de bevolking slechts het stro overlaten, dan kan het volk niet langer in zijn levensonderhoud voorzien. Wie het volgende jaar weer wil maaien, moet wel wat overlaten om te zaaien. Willem voegt daar even later aan toe dat de heer uiteraard gerechtigd is om, binnen de marges van de redelijkheid, belasting te heffen. Zijn `renten' (vs.137) en zijn korentienden mag niemand hem ontzeggen; `Een schat die wort mit recht ghewonnen, Die en selmen ghenen heer veronnen [misgunnen]' (vs.143-144). En een heer die door zijn volk gerespecteerd wordt, die `mach te bidden wesen coen' (vs.158), dat wil zeggen: die kan zonder vrees een hoofse bede om geld doen. Kortom: een gezonde economie met een rechtvaardig, op welvaart gericht bestuur en een acceptabel belastingstelsel komt niet alleen het volk ten goede, maar ook de schatkist van de landsheer. Niet minder duidelijk brengt de spreker deze gedachte tot uitdrukking in 36.Van Affricanus als hij zegt: `Blijft die ghemient in riken schijn, Die heer en mach niet arme sijn' (vs. 131-132). De sproke zelf verhaalt hoe Affricanus zo verstandig is om een rijke rechter te benoemen die niet door hebzucht wordt geplaagd, nadat daarvóór het volk in opstand was gekomen tegen een inhalige rechter. Men dient zich in te zetten voor het `ghemenen oirbair'.*15
Geld is niet de wortel van alle kwaad in Willems optiek, zo mag men concluderen. Integendeel, met geld vermag men veel,
ook veel goeds. Rijkdom vormt voor Willem in principe geen beletsel voor het bereiken van werelds aanzien of hemels heil.
Voorwaarde is slechts dat de rijkdom op de juiste wijze wordt verkregen, beheerd en uitgegeven. Hier is de caritasgedachte
dan prominent aanwezig: men moet anderen in de rijkdom laten delen. Het is laakbaar als men personen op
onrechtvaardige wijze geld ontneemt, of als men geld onthoudt aan diegenen die het rechtens toekomt. In het bijzonder
mag men geen geld aan de armen onthouden, of onttrekken aan de armenzorg. Het is van belang te leven in het volle besef
dat alle goed vergankelijk is en door God verleend. De rijkdom van de adel is verder volkomen legitiem. En de adel is
gerechtigd, binnen de grenzen der aanvaardbaarheid, belasting te heffen. Ook de kerk behoort rijk te zijn om zich
onafhankelijk te kunnen opstellen. Voorts moet de bevolking in staat worden gesteld om nering te doen en handel te
drijven, geld te verdienen en te sparen voor de oude dag. Willems ideaal is dat van de stabiliteit. Fundament van het kwaad
is de (door de duivel ingegeven) menselijke neiging tot hebzucht. Willem klaagt de misstanden die erdoor veroorzaakt
worden aan, wijzend op eer en zieleheil, en hij verzet zich daarmee tegen onrecht, corruptie, tweedracht, intrige en
uitbuiting van de bevolking.