Twee sproken verdienen in het bijzonder de aandacht in het onderzoek naar Willems standenideologie. Het betreft 80.Vanden woeckenaer en 97.Vander drierehande staet der werlt. De sproke 80.Vanden woeckenaer handelt, zoals de titel reeds aangeeft, primair over de woekeraar, maar biedt evenals 97.Vander drierehande staet der werlt inzicht in Willems visie op de standen.
Alvorens de gedichten nader te bezien, wordt eerst kort stilgestaan bij het fenomeen van de (christelijke) woekeraar, waaraan J.Le Goff een studie wijdde.*1 De veroordeling van de woekeraar vond zijn grond in een vijftal bijbelpassages: Exodus 22:25, Leviticus 25:35-37, Deuteronomium 23:19-20, Psalm 15 (m.n. vs.5) en Lucas 6:34-35.*2 Ook de kerkvaders keurden de woeker af en op diverse concilies werden bepalingen tegen het verschijnsel in de canon vastgelegd. Het canonieke recht bepaalde dat woeker het vragen van een tegenprestatie was voor een lening die de oorspronkelijke lening overtreft; dus het vragen van interest. De kerkvader Ambrosius formuleerde het kernachtig aldus: `Usura est plus accipere quam dare', woeker is meer ontvangen dan men gegeven heeft.*3 De caritas gebood de mens zijn naaste onbaatzuchtig bij te staan. Iemand geld lenen was een daad van naastenliefde, maar iemand geld lenen om er zelf beter van te worden, was woeker. Woeker werd gezien als een vorm van avaritia, de hoofdzonde hebzucht. Tevens werd woeker beschouwd als een vorm van diefstal, en derhalve als een overtreding van het vierde gebod. Verschillende redeneringen moesten de verwerpelijkheid van de woeker kracht bijzetten. Eén ervan was: geld is onvruchtbaar. De woeker wil geld echter met geld laten paren en geld laten baren; de woeker wil met geld meer geld produceren, en dat is een zondecontra natura. De Tabula exemplorum stelt vast dat de ossen van de woeker (boves usurarii) onophoudelijk werken, ook op christelijke feestdagen, als de mens niet werkt: dit kan als een belediging van God worden opgevat. Voorts werd de woekeraar niet alleen gezien als dief van geld, maar ook als dief van de tijd, omdat hij eigenlijk niets anders verkocht dan de tijd die verstreek tussen het moment van uitlenen en het tijdstip waarop het geld met interest werd teruggeëist. En aangezien de tijd aan God toebehoort, vergreep de woekeraar zich aan Gods goed. En tenslotte maakte de woekeraar winst zonder er enig werk voor te verrichten, tegen Gods gebod in van het werken voor het brood in het `zweet uws aanschijns'.*4 In principe gold: `Fenus pecuniae, funus est animae', woekerwinst uit geld is de dood van de ziel.*5 De woekeraar was een instrument van de duivel en voorbestemd om te branden in de hel. In de loop van de tijd werden er een aantal verzachtende omstandigheden ontwikkeld: woeker kon acceptabel zijn indien men zich matigde en hield aan de algemeen erkende rentevoet. Voorts kon woeker in zekere zin beschouwd worden als salaris voor arbeid. Waarlijke redding van het zieleheil was voor de woekeraar slechts mogelijk via berouw, biecht en penitentie. Tot de boetedoening behoorde het teruggeven van de rente aan de slachtoffers. Voorts ontstond met de ontwikkeling van de leer van het purgatorium de mogelijkheid om - in geval van berouw - via een verblijf in het vagevuur uiteindelijk de zwarte ziel wit te wassen en het heil alsnog te bereiken.
Willems gedicht 80.Vanden woeckenaer opent met de vaststelling dat God `drierehande leven' maakte: `Papen, heren ende ghebuer'. Door toedoen van de duivel is er nu een vierde stand bijgekomen, namelijk die van de `woeckenaer', die de andere standen `verblijdt' met zijn geld (vs.1-11). Bij deze uitspraak moet eerst even stilgestaan worden. De ideale traditionele driedeling in geestelijkheid, adel en boerenstand treft men het eerst aan in het begin van de 11e eeuw; deze werd verkondigd door de tijdgenoten Adalbero, bisschop van Laon, en Gerard I, bisschop van Kamerijk. Beiden betoogden dat de samenleving verdeeld was in drie - door God gewilde - groepen: bidders, krijgers en werkers. Deze drie groepen ondersteunden elkaar wederzijds. De koopman kreeg in deze driedeling geen plaats toegewezen.*6 De vaststelling dat God drie standen schiep, maar dat de duivel er een vierde stand van woekeraars bijmaakte, treft men ook aan in de modelpreek 59 Ad status van Jacobus de Vitry (overl. ca.1240). Le Goff geeft de openingswoorden alsvolgt weer: `God heeft de mensen in drie soorten onderverdeeld. De boeren en andere werkers voorzien in het levensonderhoud van de andere mensen; de ridders verdedigen hen en de geestelijken leiden hen. De duivel heeft er echter nog een vierde soort aan toegevoegd: de woekeraars'.*7 De opening van deze preek lijkt op die bij Hildegaersberch, maar hier blijft het verder bij: de teksten vervolgen hierna ieder hun eigen weg. Le Goff merkt bij de openingswoorden van Jacobus' Ad status op dat de veroordeling van de woekeraar tot op zekere hoogte samenviel met die van de koopman en dat beide in feite gedeeltelijk op één lijn gesteld konden worden. In Le Goffs visie bestond er geen absoluut onderscheid tussen de koopman-bankier en de woekeraar. Niet alleen noemden veel woekeraars zich koopman, velen waren het ook, en andersom lieten veel kooplui zich met woeker in.*8 Pleij constateert naar aanleiding van de openingsverzen van Willems sproke eigenlijk weinig anders: de woekeraar wordt hier geïdentificeerd met de koopman, en de koopman op zijn beurt met de vierde stand, de burgerij.*9 Dat met de duivelse vierde stand niet alleen op de woekeraars wordt gedoeld, maar dat identificatie met de burgerij als geheel ook bedoeld kan zijn, blijkt uit een nauw verwant exempel uit het Alphabetum Narrationum, waarover G.R.Owst zegt: `the Alphabetum Narrationum remarks significantly of the rising middle-class that God made the Clergy, Knights and Labourers, but the Devil made the Burghers and Usurers'.*10
Hildegaersberchs openingsverzen zijn niet geïnspireerd op de woorden van Jacobus de Vitry of het Alphabetum Narrationum, maar op die van de `Spruchdichter' Freidank, zoals hiervóór is aangetoond. Ook laatstgenoemde zegt dat God `driu leben' had geschapen: `gebûre, ritter unde pfaffen'. Maar `daz vierde geschuof des tiuveles list [...]: daz leben ist wuocher genant'.*11 Ook in dit gedicht lijkt de burgerlijke vierde stand als geheel gestigmatiseerd te worden tot een stand van duivelse woekeraars.
Veel van wat Le Goff met betrekking tot de woekeraar uit diverse teksten bijeen heeft gegaard, vindt men bij Willem in één sproke terug. Willem schildert de woekeraar af als de dienaar van de duivel; hij weet de andere drie standen, die voorheen vrij waren, te knechten. De woekeraar wordt verteerd door hebzucht. Willem betoogt: zou de woeker niet bestaan, dan zouden de mensen elkaar - zoals het hoort - uit christelijke naastenliefde (financieel) bijstaan. De woekeraar heeft nu de hebzuchtige mens zover gekregen, dat hij de arme nog slechts bijstaat, als hij er zelf beter van wordt. Ook Willem zet uiteen dat de woekeraar geld met geld wil maken en in feite de tijd verkoopt. `Is dat niet scalcheit veel ghesocht Ghelt te copen omme ghelt?' (vs.60-61). Dat wil zeggen: is het geen puur bedrog om geld te (moeten) kopen omwille van het geld, of: om geld te (moeten) kopen met (meer) geld? Het is voor hem een retorische vraag. Willem meent: de woekeraar verkoopt de nacht en de dag van morgen; `Die woeckenaer die can wel beyden [afwachten], Want deen penninc den anderen wint' (vs.32-33). Of hij nu waakt of slaapt, dag en nacht ploegt zijn woeker voort, christelijke hoogtijdagen als Pasen, Pinksteren, Kerst en Allerheiligen niet ontziend. De woekeraar viert de kerkelijke feestdagen niet. Maar Willem maakt ook duidelijk dat wie zich met woeker besmet, zijn eens zo witte ziel roetzwart maakt. Voor het heil van alle zondaars wordt in de kerk weliswaar gebeden, in het bijzonder op Goede Vrijdag; maar het gebed kan de woekeraar niet baten. God wenst niet dat er voor de woekeraar gebeden wordt, want niet Hij maar de duivel heeft hem geschapen. De woekeraar mag zijn dood wel met vrees tegemoet zien, want de hel staat voor hem open, tenzij hij alle onrecht nog ongedaan weet te maken (door zijn woekerwinst terug te schenken). Is hij eenmaal overleden, dan heeft er een verdeling in drieën plaats: de wormen stellen zich tevreden met zijn lichaam, de duivel krijgt zijn ziel en zijn erfgenamen ontfermen zich over z'n bezit. Willem meent dat wie dit alles overdenkt, tot geen andere conclusie kan komen dan dat het beter is om te streven naar het eeuwige leven dan te woekeren met het aardse goed.
Wat opvalt in Willems sproke is dat hij ook speciaal aandacht besteedt aan de methoden van de woekeraar. Deze weet zijn slachtoffers aanvankelijk uiterst vriendelijk te overreden om een lening aan te gaan. Vervolgens wacht hij geduldig af. Maar als het op terugbetaling van het geleende bedrag inclusief woekerrente aankomt, dan blijkt hij meedogenloos. De woekeraar wil koste wat het kost zijn geld hebben. Kennelijk wist hij zijn slachtoffers zozeer onder druk te zetten, dat ze voor de aflossing van hun schuld zelfs hun toevlucht namen tot diefstal, moord en prostitutie (vs.125-126). Op deze wijze stort de woekeraar zijn medemens in het verderf. Ook de omstandigheden krijgen bij Willem de aandacht. Wie have en goed verliest en bij anderen in het krijt staat, vervoegt zich voor penningen bij de woekeraar om uit de schulden te komen. Maar wie de ene lening na de andere aangaat, haalt zich meer schulden op de hals dan hij aanvankelijk had af te betalen. Zelf neemt de woekeraar geen risico's. Hij profiteert van andermans ongeluk: `Die diepe zee, die winter zure, Ten schaet hem niet, mer tbaet hem al' (vs.46-47). De woekeraar verdient goed aan schipbreuk en aan schaarste of schade in strenge winters.*12 Ook doet hij goede zaken bij watersnood en in tijden van algehele malaise, armoede en schaarste (vs.135-137), en hij kent dan geen genade. Men mag wel vaststellen dat Willem bij de schildering van het negatieve profiel van de woekeraar ten behoeve van zijn betoog zeker getracht heeft argumenten aan de dagelijkse realiteit te ontlenen.
Op deze plaats moet alsnog de vraag worden gesteld of de vierde stand als geheel hier beschouwd wordt als een stand van woekeraars. Willems inleiding suggereert dit wel. In het vervolg lijkt het toch niet helemaal consequent volgehouden te worden, en dat kan natuurlijk ook niet. Willem moet, zogoed als Jacobus de Vitry en Freidank, beseft hebben dat hij hier (opzettelijk) een gechargeerd beeld gaf van de vierde stand. Men kan niet in alle redelijkheid blijven volhouden dat alle burgers woekeraars waren. Binnen de vierde stand bevonden zich weliswaar vrij exclusief de kooplui-bankiers en woekeraars die zich verrijkten ten koste van anderen, maar het valt niet te loochenen dat zij zich óók verrijkten ten koste van hun medeburgers. Een schipbreuk zal bijvoorbeeld over het algemeen vooral vertegenwoordigers uit de burgerij financieel hebben getroffen. En onder een algehele malaise hebben niet alleen adel, geestelijkheid en boeren geleden, maar zeker ook burgers. Derhalve mag verondersteld worden dat de woekeraars hun slachtoffers onder hun eigen stand maakten. Vooral Willems inleiding zal daarom aangemerkt moeten worden als een min of meer topische hyperbool. Willem moest beter weten, wist ook wel beter*13, maar hij heeft in dit geval kennelijk niet de behoefte gevoeld daar uitdrukkelijk ruchtbaarheid aan te geven.
Naar men voorzichtig mag aannemen zal de burgerij voor dit gedicht niet als publiek hebben gefungeerd: niet eens zozeer omdat er in de sproke (ogenschijnlijk) stelling genomen wordt tegen de gehele burgerij, als wel omdat die stellingname toch (opzettelijk) te ongenuanceerd blijft. Het publiek zal men meer in de richting moeten zoeken van de concurrerende stand, de vanouds bezittende klasse die steeds afhankelijker werd van het kapitaal der burgerij: de adel. Zij zal beslist minder moeite hebben gehad met deze ongenuanceerde voorstelling van zaken. Niet zonder reden derhalve rekent Pleij het idee van de duivelse vierde stand tot het `behoudend concept uit de hogere standen'.*14 In zeker opzicht kan Willems keuze voor een conservatieve standenvisie opmerkelijk heten, als men bedenkt dat Willem zelf een `dorperszoon' was (die entree kreeg in de hogere kringen).
Richten we de aandacht nu op 97.Vander drierehande staet der werlt. Blijkens de inleiding (vs.1-43) heeft de sproke waarschijnlijk gefunctioneerd als nieuwjaarsgedicht (aan het Hollandse hof?). Aan het slot van zijn introductie merkt Willem op dat de duivel zijn boze zaad heeft gezaaid onder de drie standen. Vroeger, zo vertelt hij vervolgens, was Rome oppermachtig. De vroedschap van de stad bepaalde dat er drie beelden gemaakt moesten worden, die de standen zouden representeren: `Beyde papen ende heren, Entie huusman [=boer] daer byneven' (vs.56-57). Bij elk beeld zou de taak van de desbetreffende stand omschreven worden. Er werden achtereenvolgens een beeld van een priester, een beeld van een gewapend ridder en een beeld van een boer met ploeg gemaakt. De vroedschap zond boden uit naar alle steden met de uitnodiging de beelden met opschrift in Rome te komen aanschouwen. Vanuit alle windstreken arriveerden vertegenwoordigers van de standen om de beelden in de tempel te zien.*15
De priesters lazen dat zij voor het heil van de wereld tot God moeten bidden. Zij dienen geestelijk te leven naar hun eigen
leer en het goede voorbeeld in deugdzaamheid te geven, opdat het volk dit volgt. Voorts mogen de priesters niet naar
wereldlijk aanzien streven. Hun taak is het om te wijden, te dopen en te absolveren en het volk bekend te maken met de
caritas van de evangeliën, teneinde het de weg tot de hemel te wijzen. De ridders vernamen dat zij het zwaard der
gerechtigheid moeten voeren dat God aan de keizer had toevertrouwd. Het zwaard moet in het bijzonder weduwen en
wezen beschermen en `den bosen dwinghen, Die ter doecht is ongheraect' (vs.162-163). De ridder behoort zich met
dapperheid in te zetten voor het recht, gelijk de eerste ridder, St.Joris deed. De ridders dienen verder de wegen te vrijwaren
van rovers en gespuis. Aangezien de ridderschap een edel aanzien heeft verkregen, moet zij alles in het werk stellen om
haar blazoen onbesmet te houden. Een ridder is een strijder die zijn heer dient in de strijd en diens rechten verdedigt. De
boer moet, in Godsvertrouwen, de akker bebouwen en met zijn ploeg bewerken. Hij dient de aarde te bewerken, zoals God
Adam beval, om de wereld van voedsel te voorzien. De boer moet rechtvaardig zijn en niet uit hoogmoed hoger willen
klimmen dan hij aan z'n stand verplicht is. Hij behoort zich ootmoedig en nederig te gedragen ten opzichte van de heren en
de priesters, want zij beschermen hem. Men kan zelf nagaan of de standen zich thans aan het Roomse gebod houden, zegt
de dichter: er zijn heel wat misstanden op te sommen,
Mer Willem en derfs niet wel beghinnen
Van Hildegaersberch, men wout verzinnen
In doechden of hijt brochte voert:
Soe node heeft hi sijn tael ghestoert. (97; 249-252)
Gewoonlijk fungeert de vermelding van de naam door de spreker min of meer ter afsluiting van de sproke.*16 Ook hier lijkt dit het geval: Willem heeft zijn woorden afgebroken, al deed hij het niet graag. Het bijzondere is nu dat de sproke met nog meer dan 120 verzen wordt voortgezet. Dit vervolg is uiterst kritisch van toon. Waarom treft men op tweederde van het gedicht een pseudo-afsluitformule aan? Is er voor wat betreft het vervolg wellicht sprake van een toevoeging - dan wel geheel in Willems stijl - van een andere spreker of een kopiïst, of van een latere toevoeging van Willem? Of is het ook mogelijk de verklaring te zoeken in de voordrachtssituatie? Mogelijkerwijs stond de spreker de complete sproke ter beschikking, maar kon hij afhankelijk van de stemming onder de toehoorders, hun samenstelling of hun reacties besluiten het kritische vervolg al dan niet voor te dragen. Meende Willem dat de stemming er niet naar was, dan gebruikte hij vs.249-252 ter afsluiting. Werd hij na het spreken van deze verzen bijvoorbeeld juist aangespoord om door te gaan, dan had hij tekst paraat. Misschien hebben we te maken met een sprekerskunstgreep om reacties bij het publiek uit te lokken.
Willem vervolgt: de geestelijkheid wil thans tegen het Roomse gebod in `leven mit riveel', in feestvreugde (vs.260). Verder
willen ze `duerbair cleder draghen, Daer toe ryden hoghe paghen [lees: paarden] In hoveerde, die God verboot'
(vs.265-267). De geestelijkheid zou aan de heren de Schift moeten openbaren en tot deugdzaamheid aanzetten, in plaats
van zelf van het rechte pad af te dwalen. En geestelijken zouden geen wisselbanken of tollen mogen beheren, want in de
Bijbel maakt Jezus dit duidelijk aan St.Mattheüs. Willem zegt dat hij met deze uitspraak geenszins de landsheerlijke macht
wil aantasten. Als de boeren niet belast worden en hun eigen goed mogen beheren en als de kooplui zonder te betalen de
tollen mogen passeren, dan wordt de welvaart nodeloos gespreid. `Wat sal meer dan int ghevoech?', vraagt Willem: wat
heeft het voor zin dat een boer meer bezit dan hij voor zijn levensonderhoud nodig heeft? De heer heeft het recht om tol te
heffen en belastingen op te leggen. Maar men ziet thans dat de heren hebzuchtig zijn geworden. De heer lijkt nu op de
havik, die in z'n onderhoud voorziet met roof. De boer klaagt dat de heren, die hem zouden moeten beschermen, hem van
weinig nut zijn.
Nu die heren dus verdwalen
Entie cleysie buten pade,
Nu glijt die huusman vanden grade (stort in het ongeluk)
Menichwerf mit onbescheide, (onverstand/overmoed)
Ende hi dwaelt meer dan dander beide. (97; 322-326)
Het normbesef taant allerwegen. Als de boeren zich tevreden zouden stellen met wat ze hebben, dan zouden de heren hen
wel met rust laten. Maar de boeren stellen zich niet meer tevreden met hun werk. In hoogmoed beconcurreren ze elkaar om
hogerop te komen in de maatschappij en deinzen er niet voor terug de ander bij de heer in discrediet te brengen.
Die huusman volcht den heren naer
Om schout te wesen ofte baeliu:
Deen ist echt, dander nu, (straks)
Ende elc doet onrecht ende ghewelt:
Dus comt die heer an shuusmans ghelt. (97; 344-348)
De boer wil zich kortom - i.t.t. de heren en clerici - aan z'n stand ontworstelen. Hij laat geen middel onbenut om zich te
verrijken. Op hun beurt verrijken de heren zich dan weer aan de ambitieuze boeren (want die moeten zich in de lucratieve
ambten inkopen). Als de boeren onderling niet zo verdeeld zouden zijn, maar de handen ineen zouden slaan, dan zouden
`paep nochte deken' hen `tonrecht' kunnen `beschatten' (vs.350-351). Maar zolang de onenigheid onder de boeren zelf
voortduurt, `is die huusman goet te matten, Want hi selve versiet den scaeck' (vs.352-353; hij geeft anderen volop de
gelegenheid om hem schaakmat te zetten).
Wat baet dat ic die heren laec?
Die huusman heeft die meeste scout (97; 354-355)
Met deze wat cryptische uitspraak zal bedoeld zijn: waarom zou ik de heren terechtwijzen wanneer ze de boeren uitbuiten,
als de (ontevreden, onderling verdeelde en ambitieuze) boeren het er zelf naar maken?*17 Het is waar: de clerici spannen
samen. En de heren twisten onderling, maar dat duurt niet eeuwig: `Want si zoenen wel daer naer Ende doen malcander
doecht ende eer' (vs. 366-367). Maar onder de boeren gaat het er kwalijk aan toe:
Die een die slaet den anderen doot,
Ende sulc wil boven sijn ghenoot
Clymmen in sijn overmoet,
Ende brengt hem selven onder voet (97; 369-372)
In het gedicht blijkt Willem wederom vast te houden aan de ouderwetse, traditionele driedeling: adel, geestelijkheid en boerenstand. De geestelijken zijn de bidders, die hun geestelijke taken naar behoren moeten vervullen, het volk met hun leer en levenswijze moeten voorgaan, en dienen af te zien van wereldse weelde. De ridders zijn de vechters, die hun beschermende zwaard in dienst moeten stellen van heer, veiligheid en recht. De boeren zijn de werkers, die in alle nederigheid het land dienen te bebouwen, opdat zij de wereld van voedsel kunnen voorzien. Alle drie de standen zijn volgens Willem aangetast door de hebzucht.
Opvallend is het dat Willem de burgers in dit gedicht volledig lijkt te negeren: hij rekent hen niet met zoveel woorden onder de derde stand, zoals wel gebeurde, en hij heeft het niet over een vierde stand. En toch, als hij de ambities van de ploegende boerenstand hekelt om zich op te werken tot schout of baljuw, dan laakt hij eigenlijk ambities die vooral in de (zeer) bemiddelde burgerstand werden gekoesterd. Aanvankelijk werden alleen edelen voor deze ambten benoemd. Sinds echter het schout- en baljuwambt door de landsheer letterlijk verpand werd, dienden steeds meer leden uit de burgerij zich aan voor deze lucratieve betrekkingen.*18 Als concreet voorbeeld zou de auteur van burgerlijke huize Dirc Potter mogen gelden, die zijn carrière aan het Hollandse hof begon als eenvoudig clerk op de kanselarij, die zich opwerkte tot baljuw van Den Haag (1408-1416) en die uiteindelijk in de adelstand werd verheven (1415)!*19 Hildegaersberch rept er met geen woord over dat het de landsheer was, die (uit geldnood) gerechtelijke en bestuurlijke functies tegen betaling bereikbaar had gemaakt voor de niet-edele elite. Kennelijk school voor hem het laakbare in het ambitieuze najagen van vanouds adellijke carrières, waarmee de burgerlijke nieuwe rijken de traditionele grenzen van hun stand definitief overschreden. Waar Willem kortom in naam de onderling verdeelde en uiterst ambitieuze boerenstand hekelt, laakt hij in werkelijkheid de opklimmende burgerij. Weer krijgt men van de spreker een opzettelijk gechargeerd beeld van de standenmaatschappij voorgeschoteld, waarbij de burgerij ditmaal denigrerend als boerenstand wordt afgeschilderd.
Wanneer we trachten de balans van Willems standenideologie op te maken aan de hand van de twee hiervoor besproken gedichten, dan is zoveel zeker: van de drie standen komen adel en geestelijkheid - hoezeer intern ook gecorrumpeerd - traditioneel een leidende rol toe. Ieder die zich in stand onder hen bevindt, dient zich lijdzaam te kwijten van de hem (van hogerhand) toegemeten taak in dit leven. Tot zover geven andere sproken geen enkele aanleiding om dit beeld van Willems ideale standenmaatschappij bij te stellen. Wat adel en clerus ook te verwijten valt, zij zijn trouw aan hun stand, in tegenstelling tot de derde of vierde stand. De burgerij wil vooruit in de wereld en prominent is daarbij de rol van twee gecombineerde factoren: geld en macht. Hoezeer Hildegaersberch ook tracht te vermijden hen bij hun juiste naam te noemen (woekeraars, ambitieuze boeren, ook wel schalken), in feite hekelt hij telkens de sociale mobiliteit en groeiende macht van de burgers, en in het bijzonder de nouveau riches.*20 Door hen te stigmatiseren als duivelse woekeraars en ambitieuze boeren, tracht hij de toenemende invloed van de nieuw opkomende elite in een kwaad daglicht te stellen en te bezweren: hun geld en macht immers ondermijnden de leidende positie van adel en clerus. Hun macht, hun economische en politieke invloed zal evenwel onstuitbaar blijken te zijn. Maar aangezien Willem zich hier stelt op het aristocratische standpunt van de traditionele machthebbers (hoezeer hij soms ook begaan was met het lot van `het volk' in het algemeen), moet hij stelling nemen tegen het patriciaat. Uit de kunstgrepen waartoe Willem z'n toevlucht moet nemen om zijn behoudende standenvisie sluitend te houden, zou men kunnen afleiden hoe sterk het ouderwetse beeld aan het eind van de 14e eeuw eigenlijk onder druk was komen te staan.
Het hierboven geschetste beeld wordt bevestigd in andere gedichten. In het satirische19.Van mer hekelt Willem de ambitie
van de `boer' door spottend het tegenovergestelde te beweren:
Die huusman staet oeck op sijn hoede,
Om wel te leven als die vroede
Min noch meer in sinen daghen
Als sijn overouders plaghen;
Hine wil bailiu noch scepen wesen,
Daer menich man by is gheresen;
Hi wilt den heren laten wouden, (besturen, beheersen)
Dat sy trecht by reden houden (19; 113-120)
In 101.Hoe die heren eerst quamen maakt Willem duidelijk dat het volk de heren ooit aanstelde (d.i. een adelstand
creëerde) om het ontstane onrecht te bestrijden. De spreker stelt vervolgens dat het goed is dat er heren zijn om het recht
te handhaven.
Want heren dus by node quamen, (uit noodzaak)
Soe moghen hem wel mit rechte schamen,
Die spreken noch op goede heren, (kwaadspreken)
Want elcman isse schuldich te eren. (101; 63-66)
Dan zegt Willem dat men aan de dorper het handhaven van het recht niet kan opdragen. Immers: `Hoe soude een dorpers hert bekinnen Gherechticheit of eer te minnen? [...] Den dorper moet sijn toebehoren' (vs.71-72, 75). De dorper heeft geen flauw benul van recht(vaardigheid) en eer; hij moet een onderhorige blijven. Weer lijkt de dichter de ambities uit een lagere stand te hekelen om zich edele functies te verwerven. En wederom lijkt de term `dorper' met opzet gekozen als denigrerende kwalificatie voor de stand waartoe juist ook de ambitieuze burgers behoorden, die zich boven hun stand wilden verheffen. Overigens geeft Willem zijn (edele) gehoor in deze sproke duidelijk te verstaan dat adeldom verplicht. Tegenover de gunst van het `uitverkoren'-zijn, moet een integere plichtsbetrachting staan.
In 76.Vander rekeninghe betoogt Willem tegen het eind onder meer dat het volk zich niet met politiek moet inlaten en
zeker niet mee moet gaan regeren:
Want als die myente macht vercrighen,
Dattie besten moeten swighen,
So gaen sy raden elken bysonder:
Sy heffen op, sy duwen onder
Huden dien, morghen desen.
Hierom donct mi beter wesen,
Dattie wise ende oec die vroede
Regieren mit hoers heren roede
Beyde steden ende lant (76; 201-209)
Al heeft Willem het niet speciaal over het patriciaat, hij negeert hier de burgerlijke macht niet en geeft toch al een meer
realistische voorstelling van zaken met betrekking tot de politieke verhoudingen: de burgerij wordt hier als machtsfactor
niet miskend. Conform zijn aristocratisch standpunt meent hij:
Die meent die sel hoer neringhe doen,
Vollen, weven, maken schoen,
Smeden, backen ende brouwen,
Enten goeden wel ghetrouwen (76; 217-220)
Willem is niet anti-burgerlijk, hij huldigt slechts het standpunt van de adellijke en clericale suprematie over het volk.*21 En
dat volk (boeren en burgerij) bewijst z'n nut als het de taak uitvoert die het toegemeten heeft gekregen binnen de door God
gewilde orde. G.Duby merkt terecht op dat het abstracte ideaalbeeld van de organisatie van de samenleving in drie standen
dienstig was aan de heersende macht en dat de standenideologie het principe van de noodzakelijke ongelijkheid verdedigde.*22