6.8. Het recht en de rechters

In zijn dichtwerk stelt Willem zich regelmatig uiterst kritisch op tegenover de rechters en de rechtspraak*1 van zijn tijd. Waar Willem de rechters steeds voor waarschuwt of van beschuldigt, is corruptie en onrecht. De spreker heeft het dan vooral over de baljuwen en de schouten, die zich laten omkopen. In 102.Een disputacie klaagt Willem bijvoorbeeld dat de `stoel der gherechticheden' wordt bezet door degenen `Die nu naden penninc meten: Trecht blijft veel nu onder voet' (vs.14-17). Als oorzaak wordt steeds de hebzucht aangewezen. Uiteindelijk, zo blijkt uit voornoemd gedicht, zal het onrecht in het hiernamaals bestraft worden. Dit motief ziet men telkens terugkeren in Willems sproken als hij het onrecht behandelt. De rechters in het bijzonder herinnert Willem aan hun plicht in 72.Een notabel:

Ghi rechters, die nu rechters heten,

Als ghi te rechte sijt gheseten,

Doet ymmer recht, wats gheschiet,

Ende lochent uwer namen niet,

Soe moechdi in eren voerwaert comen;

Want liet ghi u voer rechters nomen

Ende doedi onrecht, so ist al ghelogen,

Want trecht is emmer onghebogen

Ende nyemant en mach crom aensien. (72; 1-9)

Uit 47.Van drierehande staet van heren kan men opmaken dat in Willems visie de reële situatie verre van ideaal was. Hij spreekt hier de corrupte rechters bestraffend toe: `O ghi rechters! wilt u schamen Recht te mencken [verminken] om enich ghelt, Dat nye te copen en was ghestelt' (vs.104-106). De hebzucht viert hoogtij en de mensen hebben veel te klagen over de rechtspraak, blijkt in 7.Vanden coninc van Poertegael:

Die luden claghen int ghemeen,

Dat hem ghenen recht mach gheschien.

Hoe soet comt, dat laet ons raden.

Wye sijn tassche brinct gheladen

Die mach eysschen sijn begheren.

Wat machmen vanden naecten scheren,

Die calu is int openbair? (7; 83-89)

Willem slaat hier een smalende toon aan. De oorzaak voor het geklaag over het recht laat zich raden: wie geld heeft, kan het recht kopen. Wie arm is, zal het proces verliezen, want van een kikker kan men geen veren plukken. Dat dit gebeurt, voegt de dichter er aan toe, behoeft niet de schuld te zijn van de heren: `Die heren sijn wel soe bedacht, Dat sy niet dan recht en mienen' (vs.98-99). Het zijn vaak hun dienaars, de gerechtelijke ambtenaren, `Die zuecken [zuigen] thonich uten braem' en `Die mit ghewelt om tfordeel poghen' (vs.101, 110).

Spot overheerst in de sproke 19.Van mer waarin Willems loftuitingen steeds omgekeerd begrepen moeten worden. Hij prijst ook de rechters, maar bedoelt het tegenovergestelde:

Ic soudse noch veel hogher prisen

Die trecht regieren ende wisen:

Baeliuwen, schouten ende scepen,

Die sijn in doechden soe begrepen,

Dat sy niet dan recht en doen.

Men biet den armen sulke soen

Voer misdaet, die hem is gheschiet,

Dat hi hem wel ghenoeghen lyet (19; 97-104)

Met andere woorden: de arme man kan zijn recht niet krijgen. De `huusman'*2 krijgt er in de sproke ook van langs omdat hij ambten ambieert die zijn stand te boven gaan. Willem formuleert het wederom quasi-lovend: de `huusman'

[...] wil bailiu noch scepen wesen,

Daer menich man by is gheresen; (opgeklommen)

Hy wilt den heren laten wouden, (aan...overlaten)

Dat sy trecht by reden houden,

Ende gheen onrecht en laten doghen,

Dair hem twair off comt voer oghen. (19; 117-122)

In 97.Vander drierehande staet der werlt wordt het nog duidelijker gezegd: `Die huusman volcht den heren naer Om schout te wesen ofte baeliu: Deen ist echt [weldra], dander nu, Ende elc doet onrecht ende ghewelt' (vs.344-347). Baljuw- en schoutambten worden in de derde stand geambieerd, omdat men zich via onrecht en geweld gemakkelijk kan verrijken.

Ook de fabel 24.Vanden serpent kan beschouwd worden als een commentaar op het recht. Een ridder bevrijdt een serpent dat klem zit in een gespleten boom, maar krijgt stank voor dank: de ridder ontvangt een giftige beet. De ridder is hoogst verontwaardigd, maar het serpent beroept zich erop dat dit de dagelijkse praktijk op aarde is: de goede daad wordt met kwaad beloond. De ridder acht dit niet rechtvaardig en maakt er een rechtzaak van. In eerste instantie treden de gans en het schaap als rechters op: de naïeve prooidieren blijken incompetent, want ze stellen het kwade serpent in het gelijk. Het rechtssysteem faalt aldus, en Willem kan niet nalaten op te merken dat in de praktijk in menige schepenbank lieden zitting krijgen*3, die gemakkelijk te beïnvloeden zijn en onkundig zijn van het recht, zodat de misdadige partij het proces weet te winnen. De ridder neemt met dit vonnis geen genoegen en de vos Reinaert wordt gevraagd uitspraak te doen. De listige vos dringt aan op een reconstructie. Het serpent zuigt het gif uit de ridder en laat zich weer klem zetten in de gespleten boom. Het vonnis van Reinaert luidt hierop alles maar bij het oude te laten. Hij verwijt het serpent nu wel dat hij met ondankbaarheid op de goede daad van de ridder heeft gereageerd. Het serpent blijft vastzitten en de ridder gaat zijns weegs. Willem toont zich ingenomen met deze oplossing. `Ic woudment noch soe verre brochte, Datmen schalck mit schalken vinghe' (vs.190-191), had Willem reeds gezegd. In het slotwoord meent hij: `Die gheen die hoeren fellen aert Toghen al hier op aertrycke, Die sullen varen dier ghelycke' (vs.240-242). Maar met deze woorden wil de dichter de fabel onder meer in een religieus perspectief plaatsen: de kwade zal uiteindelijk gestraft worden met de hel - vanuit dit perspectief zou Reinaert beschouwd kunnen worden als (de `advocaat' van) de duivel, die de zondaar ten val brengt. Maar ook in de wereld gebeurt het, zegt Willem, dat de boze als zodanig bekend wordt, met als gevolg dat niemand hem meer vertrouwt. Het recht - zo zou men kunnen stellen - heeft in tweede instantie gezegevierd, maar men moet niet vragen hoe. Immers, in dit geval is een schurk afgetroefd door een nog groter schurk. De `rechter', nota bene de vos Reinaert, behaalt zijn succes niet door het recht toe te passen en het serpent te veroordelen voor het nodeloos aanvallen van de ridder. Reinaert boekt z'n succes door zijn toevlucht tot de list te nemen. Feitelijk blijft het zo, dat althans in de fictieve fabelwereld het rechtssysteem heeft gefaald, omdat het rechtvaardigheidsgevoel niet langs juridische weg, maar met oneigenlijke middelen wordt bevredigd.

In 62.Van rechtighen rechters laakt Willem uitgebreid en in scherpe, directe bewoordingen de malversaties in de rechtspraak en onderstreept hij dat Christus dit een gruwel is. De dichter zet de wijze van rechtspreken door de corrupte rechters af tegen de ideale en rechtvaardige wijze van vonnissen door Christus bij het Oordeel; Hij is het `Die elken man ghelike recht' (vs.73). Waar de rechters onrecht bedrijven uit een viertal motieven, te weten angst, liefde, geld en haat, daar vonnist Christus, die Zich slechts door de waarheid laat leiden, altijd rechtvaardig: angst kent Hij niet, want Hij is zelf de hoogste Heer. De onrechtvaardigen heeft Hij niet lief, terwijl Hij de oprechte christenen liefheeft om hun goede werken; het gevolg is dat het vonnis altijd rechtvaardig uitvalt. Christus is vervolgens niet om te kopen - de rechtvaardige arme hoeft het vonnis niet te vrezen - en gevoelens van haat zijn Hem volkomen vreemd. Niet alleen mogen de rechters hier een voorbeeld aan nemen, bovendien mogen ze om hun onrecht het Oordeel wel vrezen. De waarheid zal zich immers openbaren: de goede rechter wint het hemelrijk, de corrupte rechter de hel. Dood, hel en oordeel betrekt Willem graag bij het gedrag van heren en rechters, bijvoorbeeld als hij in 31.Van sterven zegt: `Wanneer die heren niet en achten Der hellen off der doot ontsien, Soe moeter onrechts veel gheschien' (vs.58-60). Dood, hel en Oordeel fungeren als normerende factoren: vrees hiervoor houdt de heren in toom en rechtvaardig. Willem spoorde zijn publiek tot gedragsverandering aan met `dreigementen' en het speculeren op angstgevoelens.

In 86.Van rechters parafraseert Willem een passage uit de Vulgaat ter adstructie van de stelling dat omkoping in de rechtspraak uit den boze is. In I Samuel 8:3 wordt namelijk het gedrag van de zonen van Samuel afgekeurd omdat zij als rechters geschenken aannemen en het recht geweld aandoen. Wederom knoopt Willem hieraan de waarschuwing vast dat de rechters het geld niet boven het recht mogen stellen.

Soe wyen God trecht hier heeft bevolen,

Die sie dat hi gherechtich sy

Ende ontfarmich oec daer by

Over den ghenen dies begaert (86; 42-45)

Willem eist verder van de rechters volkomen objectiviteit. Hij draagt eenieder op

Die vanden rechte voeren tzwaert,

Dat u van Gode ghegheven weert,

Dat ghijt besiet an beyden syden,

Ende latet nyemant te hende sniden, (te diep in het vlees snijden)

Weder armen ofte rijcke (86; 55-59)

De dichter moet evenwel mismoedig vaststellen: `Nu sie ic al die werlt doer Gherechticheit soe ondervoet' (vs.64-65), en hij zegt tot de omkoopbare rechters: `Mar ghi en wiltet waer niet horen, Daer ghi soudt mede behouden bliven' (vs.70-71). Het geld heeft grote macht en `Die vorste minnet alre meest' (vs.73).

Regelmatig heeft de dichter dan ook kritiek op de landsheer: deze was de hoogste rechter, uit zijn naam werd voorts in den lande recht gesproken, en bij hem berustte de verantwoordelijkheid om controle uit te oefenen op de rechtsgang. In geval van corruptie in de rechtspraak was hij op z'n minst mede schuldig en kon hij verantwoordelijk worden gesteld, aangezien hij degene was die de rechters in dienst nam en behoorde te controleren. In 33.Van dominus formuleert Willem kort wat de plicht van de (adellijke) heer is op juridisch gebied: `Een heer sel hem billicx schamen Onrecht te doen off ghehinghen [toe te staan]; Mer gherechtich wesen in allen dinghen' (vs.72-74).

De landsheer en zijn college van raadsheren dienen zelf als rechtvaardige rechters op te treden. In 117.Hoemen tende sal kennen voer tbeghin zet de spreker uiteen dat God van de heren eist `dat recht gheschiet' (vs.18). Te dien einde moet de heer wijze lieden in zijn raad opnemen, zodat het recht zijn loop kan krijgen, in conflicten `tale ende wedertale' gehoord worden (vs.39), en `ghewelt ende overdaet' bestraft worden (vs.26). Als er partijschap in het land is en de heer wil `partye slechten' dan moet hij `scharpelijcken rechten An beyden zyden die misdoet' (vs.55-57). Slechts op deze wijze kan de heer een verzoening tot stand brengen `Mit goeden rechte ende bescheide' (vs.61). Onpartijdigheid en objectiviteit van hoor- en wederhoor verlangt Willem ook van de heren in 69.Vander verrisenis*4:

Mar hoert an beyden zyden twaer,

Soe moechdi rechte mate draghen,

Daer comt die menighe voer u claghen

Ende lude roepen om grote wrake,

Die meest misdaen heeft inder zake (69; 106-110)

Het is voorts de taak van de verantwoordelijke heren - men denke in eerste instantie aan de landsheer - om toe te zien op de naleving van het recht in het land en om rechtvaardige rechters aan te stellen. In 57.Vanden corencopers adviseert Willem de hoge heren: `hout in goeden recht u lant' (vs.169). En in 69.Vander verrisenis raadt hij de hoge heren met klem:

Minnet recht ende doet ghelijck

Tghemiene volck in uwen lande,

Want ghi setter voer te pande

U ziel, u eer, u hoghen naem (69; 98-101)

Uit de sproke 99.Vanden doern ende vander linde*5 blijkt dat de gerechtelijke ambtenaren gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan hun heer: `Baeliuwen, schouten ende schepen, Die inden rechte sijn begrepen, Die sellen doen hoers heren bot' (vs.131-133). In 35.Vander wrake Goedszegt Willem met zoveel woorden dat de heren `Rechters die ghelycke rechten' (vs.121) in dienst moeten nemen. En in 47.Van drierehande staet van heren slaat Willem, na de woorden van Salomo over rechtvaardigheid te hebben geparafraseerd, een waarschuwende toon aan tegen de landsheer en zijn gerechtelijke ambtenaren:

Die boven den rechters sijn gheseten,

Ende kennen souden ende weten

Hoet in horen lande ghinghe,

Of hoe si setten hoer ghedinghe;

Die gheen die totten rechte zweren,

Entie dan mit onrecht gaen besceren (kaalplukken)

Hier entaer hoers heren liede,

Ende rekeninghe van sulker miede (smeergeld)

Horen heer doen omt jaer,

Een hardt sentenci ende zwaer (vonnis)

Sal over hem gaen ten lesten daghe,

Als men al mit eenre claghe

Berechten sal wat sy ye bedreven (47; 107-119)

De landsheer behoort ervan op de hoogte te zijn wat er in zijn land gebeurt. Hij moet controle uitoefenen op zijn ambtenaren, in dit geval de baljuwen en schouten die zijn ingezworen om namens de vorst recht te spreken. Willem hekelt voorts de rechters die meer oog hebben voor geld dan voor het recht en die zich laten omkopen. Van alle inkomsten, ook van de steekpenningen, leggen de rekenplichtige ambtenaren verantwoording af in hun rekeningen, die zij jaarlijks moesten overleggen aan de landsheer. Kennelijk waren vorst noch rechters van zins om verandering aan te brengen in de situatie, want de enige troost waaruit Willem hier weet te putten is het Laatste Oordeel, als alle onrecht bestraft zal worden. Niet alleen de corrupte rechters worden dan bestraft, ook de `graven off hertoghen, Daer sulke dienres onder dienen' en die `tonrecht doer den vingher sien' (vs.122-123, 131). Doelde Willem hier speciaal op de situatie in Holland en mocht Albrecht van Beieren of Willem VI zich het gezegde aantrekken? In 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven laat Willem een vergelijkbare waarschuwing uitgaan naar de adellijke heren en dames:

Ghi heren, ghi vrouwen, wilt dit bedincken

Hoe langhe, hoe breet ghi meten sult,

Datter niet bi uwer schult

Ghemeten wort el dan recht.

Hebdi enen schalken knecht,

Diet volc mit onrecht zeer bescheert,

Ende ghi dan mede der baten gheert,

Ende laet hem daer om dienre bliven,

Tonrecht sal an u becliven (21; 134-142)

Ook in 10.Dit is van drien coeren besteedt de dichter aandacht aan het recht. Hij werkt er een interessante gedachte uit:

Een heer die recht ende vonnis dede,*6

Hem soude in broecken meer verschinen (misdaden)

Sonder pers ende sonder pinen (druk)

Mit vollen recht int openbaer,

Dan oft al te doen waer

Hier te disen, daer te stoppen. (de zakken vullen*7)

[...]

Wat item*8 mochtmen claerre scriven

Van sheren broecken, groot off cleen, (inkomsten uit boetes wegens misdaden)

Dan voer oghen waer ghesien

Off ghehoert mit rechten wisen? (10; 62-73)

Willem zegt hier dat er meer (reële) misdaden aan het licht zullen komen met een eerlijke rechtsgang dan met afpersing en intimidatie van onschuldigen. En als er meer misdaden uitkomen, dan ontvangt de landsheer ook meer geld uit boetes. In de rubriek `sheren broecken' van de rekeningen kan men dan zonder bezwaar menige post met `item' beginnen - men merke op dat `sheren broecken' één van de rubrieken in de Hollandse grafelijkheidsrekeningen vormde.*9 Willem moet evenwel tot zijn spijt constateren dat omkoopbare rechters en misdadigers meer belang hebben bij corruptie dan bij een eerlijke rechtsgang.

Er schuilt een ernstig gevaar in het voortduren van de corruptie in de rechtspraak, namelijk: volksoproer. De sproke 36.Van Affricanus vormt hiervan een illustratie.*10 Het volk komt in opstand tegen een rechter die alleen zijn zakken vult en zich er niet om bekommert of iemand schuldig of onschuldig is. Na het volk weer aan het Romeinse gezag te hebben onderworpen, vindt Affricanus een nieuwe rechter, die niet geplaagd wordt door hebzucht. In het slotwoord zet Willem uiteen dat men zich moet wachten voor het aanstellen van hebzuchtige rechters: `Sy mochten tvolck wel so beswaren, Dat by wanrade daer off quame Onraet, diemen node name' (vs.204-206). Willem keurt het oproer niet goed, maar hij onderkent het gevaar. Daarom moet de landsheer controle uitoefenen op de rechters, ook als ze ver van de residentie hun ambt uitoefenen: `Die verre sitten vanden heer, Daer soudmen somwijls trecken by Ende oversien hoet mit hem si' (vs. 190-192). Men merke op dat Albrecht van Beieren in de loop van zijn regering zijn landen meer en meer vanuit de Haagse residentie ging besturen. Het is derhalve niet geheel ondenkbaar dat de sproke meer in het bijzonder aan het adres van Albrecht was gericht. Ook in 68.Vanden spieghel waarschuwt Willem de heren voor de risico's van het voortbestaan van onrecht:

O edel vorsten! nu besiet

U selve inden spieghel bat,

En laet om have noch om schat

Onrecht doen, al daer ghijt weet;

Tmene volc wort seer ontwreet,*11

Ach! als gheen recht en mach gheschien.

Ghi hebt ghehoert ende oec ghesien,

Dat moghende heren hier te voren

Hoer volc, hoer guet daer by verloren. (68; 116-124)

De vorsten dienen het onrecht, waarvan zij weet hebben, te bestrijden, ook indien zij er zelf financieel wijzer van worden als het in stand wordt gehouden. Het volk wordt met onrecht in het nauw gedreven. En het zou niet de eerste maal zijn dat een vorst zijn positie verliest, zo klinkt het dreigend. Even verder zegt Willem: `Baeliuwen, schouten ende wet [schepenen], Die souden oeck gherechtich sijn' (vs.144-145). En ook in 101.Hoe die heren eerst quamen klinkt een zekere dreiging door: in vs.105-109 memoreert Willem dat de bevolking in het verleden een onrechtvaardig heer wel ter dood veroordeelde en een nieuwe heer koos.

Willem onthoudt zich van (inhoudelijke) juridische uitspraken: de wet en het recht zijn boven alle verdenking verheven. In 72.Een notabel zegt de dichter:

Recht en can gheen onrecht maken,

Al dedemen onrecht openbaer,

Recht blijft in hem selven claer (72; 18-20)

Zoals de geloofsleer niet aangetast kan worden door wantoestanden binnen de kerk (men denke aan zondige priesters), zo kan het (abstracte) recht niet aangetast worden door het onrecht in de praktijk. Willem laakt niet het recht zelf, maar degenen die (willens en wetens) misbruik maken van het recht, of die het misbruik oogluikend tolereren. Alleen in 10.Dit is van drien coeren gaat Willem wat dieper in op recht en wet, maar hij gaat hier eerder descriptief van prescriptief te werk. Hij besteedt in de sproke onder meer aandacht aan het hoogste rechtsgeding, namelijk met de landsheer als rechter. In een eerlijk proces, zegt de spreker, is de vorst gerechtigd om gedaagden te veroordelen tot ballingschap of doodstraf. In beide gevallen vindt verbeurdverklaring van de goederen plaats, hetgeen inkomsten betekent voor de landsheer:

Verboert een man lijff ende goet,

Ruymt hi tlant, dan bliven moet

Den heer sijn goet ende hi verdreven.

Neemtmen hem mit recht sijn leven,

Soe staet sijn goet in sheren hant (10; 91-95)

Over wettelijk uitgevaardigde keuren (i.e. plaatselijke verordeningen) zegt hij:

Koeren, daer ghenade in stect,

Diemen onnoseliken brect,

Daer moetmen wel ghenade in pleghen,

Gaetet nyemant anders teghen (10; 115-118)

Als iemand zonder het te beseffen, argeloos de wet overtreedt, de misstap niet bepaald ernstig te noemen is en de wet vergeving toestaat, dan moet de rechter clementie kunnen tonen, mits niemand daarmee wordt benadeeld.*12 Willem pleit hier dus voor wat hij elders wel als barmhartigheid aanmerkt.

Willems visie op recht en rechtspraak is al met al vrij pessimistisch te noemen. Veelzeggend somber is een vers als `Al houden wy onrecht voer costume' (47) uit 120.Dat elc sinen meerren ontsiet: al vinden wij onrecht gewoon, al zijn we eraan gewend... En 17.Vanden waghen, die het midden houdt tussen een hekeldicht en een boerde, moge wellicht de lachlust van het publiek hebben opgewekt, de moraal is serieus en somber. Willem begint de tekst al in mineur: `Ic sie die werlt soe verkeren' (vs.1). Even verder moet hij vaststellen: `Men siet trecht om ghelt vercopen' (vs. 19) en door de alom verbreide omkooppraktijken in de rechtspraak kan de minder bemiddelde mens het in een proces nooit van de rijkere winnen. Deze vaststelling wordt in het verhalende gedeelte van de sproke geïllustreerd: in een rechtsgeding is de rechter*13 aanvankelijk op de hand van de timmerman, omdat deze hem heeft omgekocht met een wagen. Uiteindelijk wint toch de slager het proces als hij de rechter heeft omgekocht met vier ossen. `Soe creech dat recht een grote cromme' (vs.235), zegt Willem.

Historische studies stellen ons in staat de vraag te stellen of Willem wellicht overdrijft en de (wan)toestanden in de rechtspraak zwarter afschildert dan billijk is, teneinde zijn argumenten meer kracht bij te zetten. Beziet men de situatie in Holland in de tweede helft van de 14e eeuw, dan blijkt Willems pessimistische visie op het rechtssysteem vrij goed bij de realiteit aan te sluiten. D.E.H.de Boer meldt dat gedrag en taakuitoefening van grafelijke ambtenaren reeds in de jaren zestig van de 14e eeuw aan kritiek onderhevig waren en in de jaren zeventig zelfs aanleiding gaven tot een grafelijke inquisitie `naar de wijze waarop baljuwen, rentmeesters, schouten en boden hun functies vervulden'.*14 H.P.H.Jansen stelt vast dat door de 14e eeuwse ambtenaren in Hollandse dienst in de provincie, onder wie de baljuwen, `de mogelijkheden tot corruptie en afpersing' niet ongebruikt werden gelaten. Hij meent: `wie tussen de regels doorleest en vooral de rekeningen en documenten van het financieel beheer aan een nauwkeurige analyse onderwerpt, ziet toch verscheidene onregelmatigheden, die lucratief zijn geweest voor de bedrijver daarvan'.*15 Aan het baljuwschap waren een bepaalde wedde en onkostenvergoedingen verbonden, alsmede een ambtswoning, personeel en talloze mogelijkheden om zich te verrijken. Het ambt van baljuw en rentmeester bood `geweldige mogelijkheden voor corruptie en andere illegale verrijkingen. [...] Uit de tijd omstreeks 1400 zijn er meer van dergelijke gevallen bekend, er zijn toen ook enkele baljuwen en rentmeesters wegens corruptie in staat van beschuldiging gesteld, zoals de baljuw en de rentmeester van Kennemerland en West-Friesland'.*16

Willem heeft zich de hebzucht en corruptie, en het daaruit voortvloeiende onrecht in de rechtspraak in elk geval geenszins ingebeeld.*17 D.A.Berents schetst geen ander beeld.*18 Het baljuwschap was in de 13e eeuw in Holland ingevoerd. De baljuw reisde als vertegenwoordiger van de graaf rond in zijn rechtsgebied. Berents heeft diverse indicaties gevonden voor machtsmisbruik door Hollandse baljuwen. Zo gebood de graaf in een oorkonde van 1322 de baljuw van Zuid-Holland en de schout, schepenen en raad van Dordrecht uitdrukkelijk om recht te doen en verbood hij om geschenken te geven aan baljuw, rentmeester of schout. Philips van Leiden waarschuwde tegen het machtsmisbruik van de baljuwen, en in de Divisiekroniek werd ingrijpen van de Hollandse graaf wenselijk geacht. Diverse rechtsbronnen bevatten voorts bepalingen tegen het omkopen van de schout en schepenen tijdens de rechtspraak. Maar indertijd lijkt niet zozeer te hebben gegolden: een eerlijke bestuurder is iemand die zich niet laat omkopen, als wel: `een eerlijk bestuurder is iemand die omgekocht blijft als hij eenmaal omgekocht is'. Er bestond een brede behoefte aan controle van de gerechtelijke ambtenaren. Berents vervolgt: `Het is echter zeer de vraag of die controle er ook werkelijk was en of ambtsdragers in hun misdragingen werden gecorrigeerd want uit diverse voorbeelden wordt duidelijk dat tegen de meeste ambtsmisdrijven door de landsheer niet werd opgetreden'. De grafelijke ambtenaren waren vooral uit op geld. `Door middel van composities of schikkingen gaven zij de beklaagden de mogelijkheid om rechtsvervolging te voorkomen wanneer er geld op tafel kwam. Zij bliezen kleine zaken op tot grote en arresteerden op grond van valse beschuldigingen onschuldige mensen om deze lang gevangen te houden en geld af te persen'. Desondanks greep de landsheer vaak niet in omdat hij belang had bij de hoge inkomsten van de ambtenaren. Als voorbeeld van een baljuw die de nodige ambtsmisdrijven beging, geeft Berents de baljuw van Zuid-Holland, Aernt van der Dussen. Hij werd eind 14e, begin 15e eeuw verschillende malen ter verantwoording geroepen door de graven Albrecht en Willem VI voor allerhande juridische en financiële malversaties. Aernt kwam er telkens genadig af met (hoge) boetes, verbeurdverklaringen (inkomsten voor de graaf!) en ontzetting uit zijn ambt, dat hij later terug kon kopen. Berents moet vaststellen dat een ambtsdrager vrij lang de regels kon overtreden alvorens te worden afgezet. `De vorst, aan wie de ambtenaren verantwoording schuldig waren, had weliswaar belang bij een goede rechtsbedeling, maar hij had veel meer belangstelling voor hoge inkomsten. Die konden afkomstig zijn uit boetes die de baljuw voor hem inde [...]'. De behoefte van de vorst aan geld wordt nog eens onderstreept als deze de gerechtelijke ambten gaat verpanden, wat ten tijde van Albrecht van Beieren het geval was. `Als de landsheer een som geld ineens nodig had, kon hij het ambt voor geld afstaan. De bekleder van de functie zag deze niet als een opdracht van de gemeenschap, maar als een lucratief bezit en probeerde er zo veel mogelijk geld uit te persen'. Berents concludeert: voor de grafelijke ambtenaren `bestond de mogelijkheid van machtsmisbruik en nalatigheid, van corruptie, knevelarij en knoeierijen met geld. [...] Hun motief was zo te zien vooral het verwerven van meer geld en meer bezit [...]. Tegen ambtsmisdrijven trad de landsheer maar zelden op, want zolang hij zijn aandeel in de opbrengsten maar kreeg, was hij tevreden. Hij had belang bij hoge boetes en zware lasten want hij had tenslotte zelf grote uitgaven: het hof, de oorlogen, de ambtenaren. Alleen wanneer hij zelf de benadeelde was, werd er een onderzoek ingesteld en dan kon de straf nog vaak worden afgekocht. Met geld, want de geldzucht van de ambtsdragers werd misschien alleen overtroffen door die van hun heer'.

Het sombere beeld van hebzucht, corruptie, omkoperij, onrecht en incompetentie dat Willem oproept is dus geenszins zwaar overtrokken. Hij stelde niet zonder grond vast dat het recht te koop was, alleen niet voor de onbemiddelde mens - de gedachte aan klassejustitie dringt zich hier op. Inderdaad blijken zowel de gerechtelijke ambtenaren als de landsheer belang te hebben gehad bij hoge inkomsten uit de rechtspraak, ook als die op dubieuze wijze werden verkregen. Het recht faalde niet, maar de rechters en de landsheer schoten wel (ernstig) te kort. Willem geeft regelmatig lucht aan onlustgevoelens die onder brede lagen van de bevolking moeten hebben geleefd. Niet voor niets wijst hij soms (subtiel) op het dreigende gevaar van oproer. Willems troost is telkens dat het onrecht in het hiernamaals zal worden gestraft, en hiervoor kan hij zijn publiek ook steeds waarschuwen. Als de meest ideale rechtsvorm zag hij in feite het recht zoals dat bij het Laatste Oordeel gesproken zal worden: dan zal de waarheid altijd aan het licht komen, baten steekpenningen niet en krijgt het recht steeds zijn loop. In veel sproken wijst Willem de rechters en de landsheer met zijn raad op hun plichten: rechtvaardig zijn, onpartijdig, objectief, trachten de waarheid te achterhalen, oordelen op grond van hoor- en wederhoor, de misdaad straffen, en in bepaalde gevallen mededogen kunnen tonen. Op de landsheer rustte dan nog de plicht om rechtvaardige rechters in dienst te nemen en controle uit te oefenen op de rechtsgang in het land.