Volgens het MNW staat de schalk onder andere voor de dienaar, de ondergeschikte, maar ook voor de gewetenloze, de schelm, de misdadiger.*1 Met enige regelmaat keert in Willems sproken de figuur van de schalk terug of wordt over schalkernij gesproken.*2 In het nuvolgende zal worden nagegaan welke rol de schalk volgens Willem in het maatschappelijke leven speelde, welke eigenschappen de schalk bezat en welke lieden meer in het bijzonder tot de schalken gerekend moeten worden.
In 8.Dit is van ere roept Willem een tegenstelling met het verleden op. Vroeger werden stad en land (door de adel) bestuurd
volgens de principes van rede en eer, maar tegenwoordig kunnen de schalken, in strijd met die principes, hun invloed laten gelden:
Doemen lant ende steden
Regierden nader bester reden,
Waer mochten doe die scalken bliven,
Die nu ter werlt soe veel becliven? (voorspoedig zijn)
[...]
Waer die schalken moghen raden,
Daer staet eer in crancken bladen. (8; 21-28)
Kennelijk doelt de spreker erop dat schalken in de stadsraden en de vorstelijke raad zijn `geïnfiltreerd'. Later in de sproke
merkt Willem nog op: `Waer die schalken in machte risen, Daer hoertmen luttel naden wisen' (vs.97-98). In het exemplarische
deel van de sproke wordt een schalk (getypeerd als `loes', vs.60) ten tonele gevoerd die door middel van verraad hogerop wil
komen. Hij levert twee kinderen van stadsnotabelen uit aan de Romeinse belegeraar, in de hoop er zelf beter van te worden.
De Romeinse bevelhebber verafschuwt dit verraad, laat de schalk stokslagen geven en stuurt hem terug de stad in met de
kinderen. Willem prijst de heren die `Alsulc ghelove' (vs.181) hebben, dat wil zeggen: die zulke principes huldigen. Hij zegt:
Wat here die schalken an hem trect,
Ick wane selden in hem stect
Recht ghelove; dat coomt by dien, (oprechte principes)
Die schalken en latens niet gheschien. (8; 183-186)
De heer die schalken in zijn nabijheid duldt, handelt niet volgens de principes van rede en eer, want de schalken zullen
verhinderen dat dit gebeurt. Ze zijn immers slechts op eigen voordeel uit. Willem brengt in 55.Een notabel kort het
opportunisme van de schalk tot uitdrukking. Men moet geen trouw verwachten van een schalk: `Wye op den bosen trou
vermoet, Die is der scalcheit onbehoet' (vs.3-4). Men moet van een schalk niet verwachten dat hij zich aan z'n woord houdt,
vervolgt Willem: hij waait met alle winden mee. Willem klaagt: `Die schalken hebben nu alleyn Den voortganc [succes]'
(vs.16-17). En tenslotte geeft hij te kennen dat de schalk nooit de waarheid spreekt, tenzij het hem goed uitkomt. De vos
Reynaert geldt hier als het prototype van de schalk:
Waer gheseit, dats vast ghemuert;*3
Dats dat Reynaert niet en can
Waer te segghen, hine winter an. (55; 18-20)
In 42.Vander hontsschede stelt Willem vast dat de `schalcheit' in de plaats is getreden voor de `wijsheit' en dat `schalcheit'
tegenwoordig voor `wijsheit' wordt versleten (vs.40-41). Hij schildert de schalken af als onbetrouwbare honden die van
achteren aanvallen als men er niet op verdacht is. De schalken worden getypeerd als `wreet' en `fel van moede' en als lieden die
`mit liste willen voert' (vs.24-25). Ze deinzen zelfs niet terug voor moord (vs.26). Willem roept uit: `Ic woud wel dat si bellen
droeghen' (vs.35). Dan kan men zich voor hen wachten (en als narren te kijk zetten?), want `Hy is wijs, die hem voir schalcheit
hoet' (vs.43). Een ieder moet oppassen als hij bij een hof langskomt met `lupende [=gluiperige] honden' (vs.59). De spreker
valt uit:
Sich omme, schalc, wat mach di baten? (kijk uit)
Constu dijn vinden niet ghelaten (listen)
Dair dijn onsalicheit an leyt?
Waer om soe doestu onbescheit,*4
- Ten is salicheit noch eer - (42; 67-71)
Willem klaagt tenslotte dat overal de één de ander wil bedriegen: de heer de knecht, de vrouwe de maagd en andersom,
vrienden onderling, boeren... De sproke mondt uit in een tijdsklacht. Tijdskritiek klinkt ook door in 81.Vanden sloetel, waarin
Willem moet vaststellen: `schalkernye, breken, roven, Is nu ter werlt een myene plaghe' (vs.104-105). Uit de sproke blijkt
verder dat bedrog een graag gebruikt instrument is van de schalk:
Want wye ter schalkernye dienen,
Die toghen menich schoen beraet, (bedrog, list)
Daer die goede hem op verlaet
Ende blijft bedroghen alte mael (81; 496-499)
Deze woorden moeten overigens vrij specifiek begrepen worden in het perspectief van het Pinksteroproer van de Leidse ambachtslieden in 1393: onder de ambachtslieden, zo meent Willem, bevonden zich schalken, die goedwillende doch argeloze ambachtslieden onder valse voorwendselen tot opstand hebben aangezet.
Karakteristiek voor de schalk bij Willem is (naast de `traditionele' kwaliteiten) over het algemeen dat hij rijk is, zoals weldra nog zal blijken. Zijn rijkdom is feitelijk een nieuwe eigenschap die de schalk grosso modo (nog) niet werd toegekend.*5 Tot de schalken moet ook de woekeraar gerekend worden. In 80.Vanden woeckenaer stelt Willem: `Men can die schalcheit niet visieren, Die woeckenaer en helptse hantieren Om te meerren sijn beyach' (vs.39-41). De woekeraar staat de schalken financieel bij, maar zelf is hij ook een schalk, want zijn beroep is gebaseerd op slinkse geldhandel: `Is dat niet scalcheit veel ghesocht Ghelt te copen omme ghelt?' (vs.60-61). Zoals hiervóór is betoogd heeft het er alle schijn van dat Willem met de woekeraar de burgerstand (de duivelse vierde stand uit de proloog) wilde bekritiseren, of meer in het bijzonder het koopliedenpatriciaat.
Het profiel van de vleier, de kompaan van de schalk (en zelf ook schalk?), schetst Willem in 39.Vanden meerblade. Hij geeft in de sproke een weinig flatteus beeld van de hoven van de heren en de clerus. Deugden als eer, schandebesef, trouw, nederigheid, rechtvaardigheid en vrijgevigheid bepalen niet langer de norm. De hovaardij viert hoogtij en de heren worden meer en meer omringd door vleiers. De vleier poogt hogerop te komen en waait te dien einde met alle winden mee. En: `Mitten schalken gaet hi runen' (vs.75). De vleier en de schalk spannen samen aan het hof. Om macht te verkrijgen prijst de pluimstrijker zelfs de meest nutteloze zaken. Alles wat de heren doen wordt door de vleier geprezen om maar in een goed blaadje te komen. Willem vergelijkt de pluimstrijker met het plompeblad, dat altijd komt bovendrijven.
Het ontbreekt de schalk aan het adellijke principe van de eer, en aan alle andere deugden die hiermee samenhangen. Dit blijkt
in 96.Vanden droem, een gedroomde dialoog tussen de dichter en twee allegorische adellijke figuren, `Trouwe' (de
kasteelheer) en `Gherechtichede' (een rechter). Het tweetal klaagt van het hof verdreven te zijn, waar eertijds de eer hoog in
aanzien stond, maar thans de schalken aan de macht zijn. Ook de edele heren Rede (portier), Eer, Waarachtigheid, Matigheid,
Ootmoed, Standvastigheid (raadsheren), Vrijgevigheid en Schaamte (rentmeesters) zijn van het hof verdreven, toen de
schalken het offensief inzetten onder leiding van Afgunst. Met de allegorie wil Willem aantonen dat de oude adellijke waarden
en normen vervagen door de infiltratie van de principeloze schalken. Willem waarschuwt de heren:
Woudijt te rechte wel versinnen,
Soe soude Reden sijn portier,
Soe en quamer schalc nochte ghier (hebzuchtige)
Binnen uwen hove ymmermeer (96; 288-291)
De reputatie van de heren wordt ernstig geschaad als `sy den schalken trecht bevelen' (vs.103), zo blijkt in 7.Vanden coninc
van Poertegael. De spreker durft geen namen te noemen `Dair die schuldighen sijn voir oghen, Die mit ghewelt om tfordeel
poghen' (vs.109-110). De schalken die als rechter zijn ingezworen deinzen dus kennelijk niet terug voor geweld om zich te
verrijken (vgl. par.6.8.). Dat zij er rijk van werden, blijkt meteen:
Mochtmen mitten ghelde copen
Tleven ende der doot ontlopen,
Wye souds den schalken dan veronnen,
Dat sy schat mit onrecht wonnen? (7; 111-114)
Het antwoord op de (retorische) vraag moet natuurlijk luiden dat niemand het de schalken gunt dat zij met onrechtmatig
verkregen kapitaal de dood zouden kunnen afkopen. Maar, voegt Willem eraan toe, gelukkig kan men de dood niet afkopen en
komen de schalken dikwijls vroegtijdig aan hun eind. In 69.Vander verrisenis waarschuwt Willem de heren voor de schalken
met hun listen en zegt:
Want waer die schalken gaen te rade,
Daer staet dat hoff sonder genade
Den armen luden, dies begheren;
Mar wye mit ghelde can solveren,
Die crijcht macht te sulken hove (69; 61-65)
In plaats van door de rijke (!) schalken zouden de heren zich van advies moeten laten dienen door raadslieden die de (oude adellijke) deugden huldigen, meent Willem; naar de schalken dient niet geluisterd te worden. De spreker herinnert de edele heren aan hun taak op aarde: `Minnet recht ende doet ghelijck Tghemiene volck in uwen lande [...] Ende weest ghenadich ende goedertieren' (vs. 98-99, 103). De schalken laten zich immers niet leiden door normen als rechtvaardigheid en erbarmen. Zij zullen veeleer trachten om de goede mensen te benadelen. Daarom moet men in conflicten niet blind varen op het advies van de schalken, maar `an beyden zyden twaer' aanhoren (vs.106).
Echter, de heren gaan één voor één door de knieën. Willem klaagt in 73.Dit is vander ghiericheit dat (ook) bij de adel de eer
heeft plaatsgemaakt voor de hebzucht. Er zijn lieden aan het hof die de heren in alles loven en listig het recht met voeten
treden. De spreker verklaart zich nader:
Waer die scalken boven rysen,
Daer mach die goeden wel off grisen, (gruwen)
Want sy sijn ghierich ende wreet;
Wye wel doet, den hebben sy leit (73; 25-28)
Zoals hierna zal blijken, verstaat Willem onder weldoen in het bijzonder `actief goed-doen', goede werken verrichten. Schalken
zien geen heil in weldoen, omdat met liefdadigheid niets te verdienen valt. Caritas en barmhartigheid stroken niet met hun
principe van genadeloos winst maken. Willem vervolgt: als men schalken zou kunnen herkennen, `Men soudse nyet te rade
kyesen, Die nu den goeden sijn dus wreet' (vs.34-35). Willem spreekt derhalve wederom over schalken die trachten een plaats
te bemachtigen binnen de (vorstelijke) raad.*6 Het is de schalk slechts te doen `om sijn behaghen' (vs.39) en met zijn verbale
kwaliteiten weet hij de heren een rad voor ogen te draaien:
Die schalke leest hem sijn ghetyde [fig.]
Also subtylic voerden oren,
Hierom die heren, die dit horen,
Wanen dat hi hevet recht (73; 42-45)
De schalk is een meester in bedrog. De realiteit van het moment is volgens Willem: `Men wart mit ghelde der heren vrient' (vs.
58). Wederom blijkt hier de schalk over kapitaal te beschikken. Als de heren zich zouden schamen om voor steekpenningen het
onrecht te bevorderen
Die schalken souden hem zeer ontsien
Te comen inder heren raet.
Nu helptmen ghewelt ende overdaet
Jeghens den here om ghelt verdingen; (vrij te pleiten)
Deen gaet perssen, dander wringhen,
Hoe hire meest uut can ghepuren (73; 64-69)
Als iemand terecht moet staan voor misdaden tegen het soevereine gezag, dan kunnen de schalken in de raad omgekocht
worden om een veroordeling te voorkomen. Maar de schalken willen dan financieel wel het onderste uit de kan! Vervolgens
betoogt Willem dat een adellijk heer zich behoort te onderscheiden door prioriteit te verlenen aan het principe van de eer,
zowel in woord als daad. Dat betekent onder meer dat de heer deugdzaam is en zich niet laat omkopen. Laat een heer zich niet
door dergelijke principes leiden, waar kan men hem dan nog aan herkennen? Willem meent: `Waer dan een schalc mit gout
gheladen, Hy mochte wel een heer gheliken' (vs.76-77). Met andere woorden: als rijkdom het enige criterium is om een
edelman aan te herkennen, dan is hij in feite niet van de kapitaalkrachtige schalk te onderscheiden. En als (smeer)geld boven
alles wordt gesteld, dan zal dat onder invloed van de groeiende hebzucht leiden tot tweedracht en partijschap. Willem alludeert
hier vrij ondubbelzinnig op de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Een wijs landsheer, betoogt hij, laat niet omwille van geld zijn
volk in partijen uiteenvallen, maar zal steeds naar eendracht streven. De heren zijn er om het recht te handhaven; niettemin is
het al menigmaal gebeurd dat de heren `Om tghenyet' (vs.177) met de schalken in zee gaan. Dat de schalk een factor was in de
Hoekse en Kabeljauwse twisten blijkt ook uit 63.Hoe deeste partyen in Hollant quamen. Willem noemt als één van de redenen
waarom de tweedracht voortduurt: `elkerlijc die visiert Hoe hi den anderen mach bedrieghen' (vs.114-115). En:
[...] men sal veel liever sien
Die te hove wat weet te bringhen
Dit of dat van nuwen dingen,
Daer die heer wat an mach winnen:
Dat sal die schalke thans versinnen (63; 126-130)
De kapitaalkrachtige schalken worden aan het (steeds om geld verlegen) hof met open armen ontvangen. De invloed van de
schalk neemt er toe. Adeldom schijnt niet meer te verplichten; de `penninc' regeert (zie vs.132-140). In 99.Vanden doern ende
vander linde komen we de schalken nogmaals tegen als zaaiers van tweedracht. Willem betoogt dat het de taak van de
(schande-gevoelige) landsvrouwe is om erop toe te zien dat haar heer niet onder invloed van schalken komt te staan:
Wanneer een edel vrouwe denct
Om scamelheit, hoe soud si doghen, (toestaan)
Dat hoer heer quaem voer oghen
Schalken raet, aldaer sijt wiste,
Op dat sijt keren mocht mit liste?
Want schalken raet, onnutte miede (steekpenningen)
Brengt in twiste sheren liede (99; 238-244)
In 15.Van Reynaert ende van Aven en 24.Vanden serpent tenslotte is Reinaert de schalk, die respectievelijk zelf te grazen wordt genomen en een andere schalk te slim af is.*7 Reinaert was in de Nederlanden al meer dan een eeuw de literaire schalk bij uitstek. Van Oostrom heeft betoogd dat reeds in Vanden vos Reinaerde de Reinaertfiguur een negatieve rol vervult. Bij Maerlant is Reinaert de verderfelijke schalk.*8 En: `Zowel Potter als Hildegaersberch blijken Reinaert [...] te zien als het prototype van de scalc, de perfide mooiprater aan het hof. Dat is ook de Reinaertvisie van hun ambt-*9 en tijdgenoot, de auteur van Reinaert II. Ook hij fulmineert voortdurend tegen de verderfelijke invloed van de scalken aan de vorstenhoven van zijn tijd - en zijn Reinaert laat zien hoe Nobels koningshof door de vos, de opperschalk, naar de afgrond wordt geleid'. Het is daarbij opmerkenswaard dat de vos aan het slot van Reinaert II, als hij in ere is hersteld, niet alleen weer zitting mag nemen in de vorstelijke raad, maar tevens door de koning wordt aangesteld als baljuw. Welke consequenties dat voor het land en het recht zal hebben, laat zich raden. Van Oostrom omschrijft de schalk globaal als `de onbetrouwbare raadgever aan het hof, de hypocriete vleier die wel ter tale is maar enkel uit op eigenbelang, terwille waarvan hij vorst en medehovelingen even gemakkelijk laat vallen als hij ze in de hoogte steekt'.*10 P.Wackers merkt naar aanleiding van Reinaert II op dat het begrip schalk in de 14e eeuw meer en meer doelde op `diegenen van het lagere volk, die weigeren zich in hun onderhorigheid te schikken en die hun heren in moeilijkheden proberen te brengen'.*11 Even verder meent hij: `De menselijke scalc wil zich niet neerleggen bij zijn ondergeschikte positie, hij is egoïstisch en hebzuchtig en hij heeft te maken met onrechtvaardige rechtspraak (in zijn voordeel)'.*12 Als eigenschappen van de schalk noemt Wackers onder meer: zich willen verheffen, benadelen van anderen, op eigen voordeel uit zijn, vleien, bedriegen, onrechtmatig verwerven van bezit, manipuleren van het recht, slechte raad geven, onoprechtheid en begeerte.*13
Behalve dat Willem de heren zelf bekritiseert (zie hiervóór), krijgen ook de schalken een deel van de schuld van de wanorde en misstanden in de wereld. Uiteindelijk zijn hiervoor wederom de heren verantwoordelijk te stellen*14, want het ligt in hun macht om de invloed van de schalken te vergroten of te verkleinen.*15
Het is niet steeds geheel duidelijk welke personen Willem precies als schalken aanduidt. Soms lijkt het om een amorfe groep `zondebokken' te gaan, die de spreker risicoloos de schuld kan geven van misstanden.*16 Toch wijst de beschrijving van de schalk meerdere malen in eenzelfde richting. De eigenschappen van de schalk volgens Willem worden hier nog eens op een rijtje gezet. De schalk bedient zich van een openlijk opportunisme en egoïsme: hij handelt in eerste instantie uit eigenbelang. Hij schept zichzelf kansen om hogerop te komen in de wereld en geld te verdienen. H.Pleij beschouwt dit als een wezenlijk onderdeel van de opbloeiende burgermoraal.*17 De schalk acht zich niet gebonden aan de oude adellijke normen en waarden (rechtvaardigheid, waarachtigheid, eer, landsbelang, trouw e.d.). Hij is dan ook doorgaans niet van adel. De schalk komt steeds van `buitenaf' (zie vooral 96.Vanden droem). Hij is geen heer die gelaakt moet worden omdat hij van `binnenuit' zijn ondermijnende werk doet; hij is een indringer zonder adelsbrieven. Hij stoort zich niet aan (ouderwetse) normen in zijn jacht naar geld en macht. Om zijn doel te kunnen bereiken, deinst hij niet terug voor list, bedrog, leugen en verraad. De schalk was een factor in de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Hij wist zich voorts in de stadsraden in te kopen of rechterlijke ambten te verschaffen - daarmee de (stads)adel van z'n plaats verdringend. Hij was ook duidelijk de intrigant aan het hof, die handelde uit eigenbelang. Hij zocht naar mogelijkheden om invloed op het landsbestuur te kunnen uitoefenen, mede om zijn eigen (commerciële) belangen veilig te stellen en te bevorderen. De schalk werkt zich met zijn geld - inkomsten voor de heer - in de vorstelijke raad als raadgever om er zelf beter van te worden, en niet om het land of het algemeen belang te dienen.
Combineert men vervolgens de aversie die Willem toont voor de omhoogstrevende, met adellijke ambities geïnfecteerde
burgerstand (par.6.6.) met het voorafgaande en de realiteit van de sterk groeiende burgermacht in de 14e eeuw, dan lijkt
slechts één conclusie gerechtvaardigd. De schalk is in Willems oeuvre in het bijzonder de omhooggevallen burger, de nouveau
riche, de niet-edele kapitaalkrachtige patriciër, die uit was op het vergroten van zijn macht en fortuin, ten koste van de
verdeelde adel in hof en stad. De schalk is vooral de sociaal opgeklommen, rijke burger die de grenzen van Gods standenorde
overschrijdt om zijn invloed in rechtspraak, bestuur en politiek te laten gelden, zijn eigen belangen te behartigen, en de macht
van de adel in te perken. In de betekenisontwikkeling van het woord schalk van ondergeschikte naar gewetenloze booswicht is
Willem nog een stapje verder gegaan: de opportunistische carrièremaker is de patriciër. En deze conclusie bevestigt eens te
meer hoezeer Willem zich op een aristocratisch standpunt plaatste, en zich in zeker opzicht gezagsgetrouw betoonde: `Die
schalken en doghen verheven' (8; 96).
In dit hoofdstuk zijn enkele `wereldse' aspecten van Willems visie op de wereld behandeld: politiek, bestuur, recht, twist en sociale verhoudingen hebben hem beziggehouden. Willems `wereldse' visie kan evenwel niet losgezien worden van zijn religieuze betrokkenheid, zoals al bleek. In het komende hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de religieus-geïnspireerde kant van zijn oeuvre.