7. Willem en het geloofsleven

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op een aantal aspecten van het geloofsleven dat in Willems sproken aan de orde komt. In de eerste paragraaf wordt stilgestaan bij het Westers Schisma, en in de tweede paragraaf gaat de aandacht uit naar de geloofs- of kerkleer, zoals die in de sproken naar voren wordt gebracht. De laatste paragraaf behandelt de (eventuele) relatie tussen Willems werk en het gedachtengoed van de Moderne Devotie.



7.1. Het Westers Schisma

Toen de kardinalen in 1378 in conclaaf gingen om een nieuwe paus te kiezen, werden ze sterk onder druk gezet door de Romeinse bevolking: men eiste een Romeinse paus. De kardinalen konden geen overeenstemming bereiken en kozen als compromis voor de aartsbisschop van Bari, die zich Urbanus VI zou noemen. De kardinalen waren achteraf niet gelukkig met deze keuze, en gingen drie maanden later buiten Rome opnieuw in conclaaf. Men verklaarde de verkiezing van Urbanus ongeldig en koos de Franse kardinaal van Genève tot paus. Urbanus wilde, met zijn aanhangers, niet van een ongeldigheidsverklaring weten en hij bleef in Rome. De andere paus, Clemens VII, vestigde zich in Avignon, waar tijdens de Babylonische ballingschap der pausen (1309-1376) reeds diverse kerkvorsten hadden gezeteld. Het Westers Schisma (1378-1417) was een feit. J.W.Marsilje zegt in dit verband: `Wat in 1378 gebeurde, was een storende afwijking van de gewenste gang van zaken. Twee pausen kòn echt niet. Twee pausen die beiden zich als opvolgers van de apostel Petrus presenteerden, was een onmogelijke mogelijkheid'.*1 A.J.Brand toont dat dit schisma anders was dan alle anderen: `Het was nog niet eerder voorgekomen dat men niet uit kon maken wie de legitieme opvolger van Petrus was, nog nooit had men binnen de kerk getracht, in een poging een schisma te helen, de almacht van de paus te beknotten en hem ondergeschikt te maken aan een controlerend lichaam, het algemeen concilie, en voor het eerst waren in beginsel geen wereldlijke heersers medeverantwoordelijk voor het ontstaan van de scheuring'.*2

Christelijk West-Europa werd nu opgedeeld in twee `gehoorzaamheidsgebieden': een deel koos voor Urbanus, een ander deel voor Clemens als de wettige paus. Globaal genomen kozen Frankrijk en zijn bondgenoten voor de Clementijnse lijn, terwijl Engeland en het Duitse Rijk kozen voor de Urbanistische obediëntie. Toch kon dit regionaal en locaal veel ingewikkelder liggen. Holland en Zeeland vielen zowel onder het bisdom Utrecht als het Duitse Rijk en waren Urbanistisch. Van Herwaarden merkt evenwel op dat graaf Albrecht pas in 1386 overging van de Clementijnse lijn naar de Urbanistische obediëntie.*3 Hij voegt hier aan toe: `Toch werd Albrecht, evenals zijn zoon en opvolger Willem van Oostervant, door tijdgenoten als neutraal beschouwd'.*4 Een min of meer neutrale positie werd er ook in Albrechts andere graafschap Henegouwen ingenomen: enerzijds vallend onder het bisdom Kamerijk en Frans-georiënteerd, maar anderzijds via Albrecht van Beieren geliëerd aan het Duitse Rijk, was de keuze in obediëntie er vrij.

Op verschillende manieren heeft men naar een oplossing voor het schisma gezocht. De meest naïeve leek de via facti: er moest bewezen worden wie de ware paus was, waarna de ander - de indringer - met geweld gedwongen kon worden af te treden. Sluitende bewijzen vielen evenwel niet te leveren. Een andere mogelijkheid was de via abdicationis of via cessionis: beide pausen moesten vrijwillig afstand doen, waarna er één nieuwe paus gekozen kon worden. Doch geen van beide pausen peinsde over vrijwillig aftreden. De derde manier, de via conventionis ofvia concilii zou het uiteindelijk worden: een algemeen concilie moest in macht boven de paus geplaatst worden, zodat dit concilie naar believen kon afzetten en benoemen. De beweging van het conciliarisme had uiteindelijk succes: in 1417 koos men op het concilie van Constanz als nieuwe en enige paus Martinus V.

Was de Babylonische ballingschap der pausen voornamelijk veroorzaakt door de spanningen tussen kerk en (Franse) staat, het Schisma vindt z'n oorzaak meer in de leer van deplenitudo potestatis. De paus bezat volgens die leer absolute macht en streefde die ook allerwegen na. Dit gaf niet alleen aanleiding tot misstanden en misbruik van de volmacht naar willekeur, het maakte ook dat zowel de paus in Rome als in Avignon zich halsstarrig bleef beroepen op zijnplenitudo potestatis. Beide pausen proclameerden het enige hoofd van de kerk te zijn en plaatsvervanger van Christus op aarde, en verketterden daarmee de ander.*5

Als men op de literaire overlevering mag vertrouwen, dan lijkt het schisma de gemoederen in de Nederlanden nauwelijks beroerd te hebben. Van Buuren merkt kernachtig op: `Blijkbaar zijn Rome en Avignon toch wel erg ver weg'.*6 Voorts moet hij vaststellen dat in de literatuur niet gekozen wordt voor één der beide pausen, maar dat er slechts heftig wordt gereageerd op het feit dat er twee pausen waren. Van Buuren inventariseerde passages over het Westers Schisma in de Middelnederlandse letterkunde en kwam uiteindelijk uit op een viertal min of meer terloopse opmerkingen en op zegge en schrijve één dichter die meer dan zijdelingse aandacht aan de kwestie heeft geschonken: Willem van Hildegaersberch, wiens literair actieve periode precies binnen het tijdvak van het schisma valt. In vier van zijn sproken komt de scheuring ter sprake: 35.Vander wrake Goeds, 70.Van ses articulen der werlt, 73.Dit is vander ghiericheit en 86.Van rechters.

In 35.Vander wrake Goeds noemt Willem als één van de voorbeelden van Gods wraak de recente nederlaag van het Christenleger tegen de Turken (1396). Als één van de oorzaken voor het opwekken van Gods toorn beschouwt hij het Westers Schisma:

Off die coninc van Turkyen

Verwonnen waer ende woude lyen (toestemmen)

Te doen dat goede kerstinen pleghen;

Ende hi daer toe waer gheneghen,

Dat hi sijn doopsel wilde ontfaen,

Tot welken paeus soude hi gaen,

Die hem sijn doopsel mochte gheven

Nae gherechte kersten leven?

Wy waren schuldich alle gader (hebben recht op)

Te hebben enen aertschen vader,

Als Sinte Pieter was gheset

Te regieren al die kersten wet. (35; 75-86)

De Turkse koning zou niet kunnen weten wie het rechtmatige hoofd van de Christenkerk is om zich door te laten dopen: de paus te Rome of te Avignon. Willem wijst er vervolgens op dat de christenen recht hebben op één paus, zoals Petrus als enige was aangesteld als hoofd van het christelijk geloof. Hierop zegt hij:

Wouden die heren dit voersinnen, (bedenken)

Hoe mochten si lichter eer ghewinnen,

Dan sy te samen overdroeghen (overeenstemming

Ende hulpent setten ende voeghen, bereiken)

Dat nyemant el dan recht en dede,

Gheestelijck ende waerlic mede.

Soe quaem tghelove in enen pas (in orde)

Weder daert te voren was.

Daer most onrecht schulen in,

Off ghiericheit off groot ghewin,

Dat kersten ghelove soe langhe staet

Ghedeilt ende sonder toeverlaet

Van hulpe off van enighen troost. (35; 87-99)

Willem meent, blijkens de laatste verzen, dat het schisma voortduurt ten gevolge van de dagelijkse praktijk van onrecht en hebzucht binnen de kerk. Er is sprake van een moedwillig laten voortbestaan van de wantoestanden uit eigenbelang. Willem kan doelen op het ge- en misbruiken van de (pauselijke) volmacht, maar zeker ook op misstanden in de lagere regionen van de kerkelijke hiërarchie. Beide pausen hadden immers hun eigen kardinalen, bisschoppen, abten en dergelijke, die er op hun beurt belang bij hadden dat hun paus aanbleef. Willem beweert hier niet met zoveel woorden dat onrecht en hebzucht ook de oorzaak vormen van het schisma. Wel meent hij dat de wereldlijke heren de handen ineen moeten slaan om er voor te zorgen dat het recht zowel in de staat als in de kerk weer wordt nageleefd. Kennelijk zag hij hierin de oplossing voor het schisma.

Ook in 70.Van ses articulen der werlt komt Willem te spreken over Gods wraak. Hij zet daarop uiteen dat de aardse tijd (volgens de Bijbel) verdeeld is in zes tijdperken*7, en dat men zich in het laatste tijdperk bevindt. Willem voegt daar aan toe dat `onse ghelove wert soe traghe, Ic ducht het naect den doomsdaghe' (vs. 69-70). Het Laatste Oordeel moet nabij zijn, want de heren, de geestelijkheid en het volk zijn in zonden vervallen. Als Willem komt te spreken over de voortekenen die aan de doemsdag voorafgaan, noemt hij de hebzucht, en het volgende:

Men wil den paeus van Romen weren (uit Rome weghouden)

Ende nedersetten tAvenioen.

Daer om heeft Reynart*8 ende Symoen (daartoe)

Soe dicke valen inghesleghen, (slinkse wegen ingeslagen)

Die wel can schalke borde dreghen (boze plannen koesteren)

Entaer toe mennen Reynerts pat. (slinkse wegen gaan)

Dat hi tAvenioen wort ghesat, (geplaatst)

Oeck by wyen dat eerst gheschiede,

Den ghemenen Kersten diede (volk)

Selre yammer off gheschien. (70; 134-143)

De verzen zijn niet eenvoudig. Duidelijk is dat in Willems optiek een paus niet in Avignon behoort te zetelen, doch in Rome. Voorts begrijpen we dat de paus toch in Avignon is terecht gekomen door toedoen van slinkse, opportunistische streken. De simonie (handel in beneficies, verkoop van kerkelijke ambten en verrichten van kerkelijke diensten voor geld) werd hiermee gediend. Gezien dit laatste zal hier niet gedoeld worden op de Babylonische ballingschap, maar wel degelijk op het Westers Schisma - ook hierna zal dat nog blijken. Beide pausen waren gebaat bij zoveel mogelijk aanhang. En zoals gezegd verleenden beide pausen hun eigen geestelijken beneficies en ambten. Omgekeerd kon men de beide pausen tegen elkaar uitspelen om er zelf beter van te worden.*9 Hoe dan ook: het christenvolk lijdt onder de toestand, zegt Willem.

Het is niet mogelijk uit Willems woorden op te maken of hij ook partij trok voor één van de pausen. Als hij zegt dat `de paus' in Avignon is geplaatst, dan lijkt hij daarmee te erkennen dat Clemens de rechtmatige paus is.*10 De redenering kan echter ook omgekeerd worden: een paus behoort niet in Avignon te zetelen, dus de rechtmatige paus is die in Rome. In dat geval zou Willem voor Urbanus kiezen. Maar eigenlijk laten Willems algemene bewoordingen dergelijke vernuftige interpretaties niet toe. De spreker vervolgt met de vaststelling dat God `selve in sijnre macht Den eersten paeus te Rome ghebracht' heeft, en geboden heeft `sinen stoel aldaer te bliven' (vs.145-147). Volgens de Petrinische doctrine ging de pauselijke macht immers terug tot Petrus, die volgens de overlevering in 40 na Chr. naar Rome was gekomen. Willem betoogt dat wie dit nu anders voorschijft het fundament van de kerk aantast (vs.148-154). De spreker wil hierover geen misverstand laten bestaan en beklemtoont in vs.155-162 dat het Christus zelf was die St.Petrus opdracht gaf om naar Rome te gaan: `Minnestu mi, Soe ganc te Rome binnen der stede: Binden ende ontbinden mede Selstu machtich wesen daer, Ende laet di pine nochte vaer Van danen driven totter doot' (vs.156-161). De referentie is deels apocrief en deels een contaminatie. Het `Minnestu mi' verwijst naar Johannes 21:15-17. Het `binden ende ontbinden' is een duidelijke toespeling op de woorden in Mattheüs 16:19. De pausen beriepen zich voor hun sleutelmacht juist op Mattheüs 16:18-19 en voornoemde Johannestekst.*11 Christus' opdracht aan Petrus om naar Rome te gaan is apocrief*12: mogelijk refereert Willem hier echter ook aan de Quo Vadis-passage uit dePetruslegende, waarin Jezus aan de vluchtende Petrus verschijnt en hem ertoe aanzet om naar Rome terug te keren (zie par.4.3.2.). Men mag het bovenstaande niet begrijpen als een pleidooi voor de Urbanistische obediëntie. Willem kiest hier geenszins voor Urbanus, maar betoogt slechts dat de paus op historisch-dogmatische gronden in Rome behoort te zetelen. Na Petrus, zo vervolgt Willem, bezette menig heilige vader in Rome diens stoel.

Ende had elck paeus te Romen bleven,

Soe en waer dit wonder niet opheven,

Dat onse ghelove in sijnre staet

Soe yammerlyken te quiste gaet (70; 167-170)

Hier spreekt Willem wél van de Babylonische ballingschap: deze heeft in zijn ogen het precedent geschapen voor het Westers Schisma. Met andere woorden: Clemens V had voorheen in Avignon alle mogelijkheden geschapen voor Clemens VII om naar deze stad uit te wijken. Indien Willem bedoelt dat het schisma zou kunnen zijn voorkomen als er geen pauselijk paleis in Avignon had gestaan, dan is zijn redenering op zich vrij naïef. De actuele crisis is die van het schisma, zo suggereren de woorden van de dichter in elk geval. En het wordt nog duidelijker. Over de pausen zegt Willem:

Al waersy gheleert inder scriftuer,

Si creghen valsche naghebuer,

Ghiericheit ende symonie;

Entaer [bi] wort al hoer partye*13

Destrueert ende zeer testoort (70; 175-179)

Willem bedoelt waarschijnlijk te zeggen: hebzucht en simonie kregen vat op de navolgende pausen en vervolgens werd ook hun gevolg door hebzucht en simonie aangetast. Zonneklaar is wat hierna gebeurde: `Want onser heyligher kercken hooft Dat staet soe yammerlijck gheclooft Ende ghedeelt in twee partyen' (vs. 181-183). Van Buuren oppert hier voorzichtig een interpretatie die minder juist lijkt. Hij vertaalt `hooft' als top. Deze top van de kerk zou niet zozeer in twee partijen verdeeld zijn, als wel gespleten handelen. In zijn interpretatie betrekt hij deze vs.181-183 dan op wat gaat volgen: bij de geestelijkheid valt een discrepantie tussen leer en leven te constateren.*14 Dit is zeker een correcte interpretatie van de volgende verzen, maar ze moeten eerder begrepen worden in de context van de in vs.177 genoemde hebzucht en simonie. Met `onser heyligher kercken hooft' wordt wel degelijk degene bedoeld die aan het hoofd van de katholieke kerk staat, degene die het hoofd is: de paus. In de kerkstructuur werden caput enmembra onderscheiden, als hoofd de paus en als leden de andere gezagsdragers binnen de hiërarchie.*15 Uit vs.181-183 blijkt dat het hoogste gezag in de kerk werd uitgeoefend door twee pausen en verdeeld was in twee partijen, twee obediënties. Vervolgens komt Willem te spreken over de verwording bij de geestelijken der beide partijen:

Die dopen souden ende wyen

Ende tghemene volck ten hemel wisen,

Die rapen vast mit groten pisen (hoeveelheden)

Der kercken goet in horen sack.

Ende elck schict sijn ghemack (verschaft zich voordeel)

Sacht te leven in overvloede;

Nochtan leren sy reyn armoede,

Hongher, dorst, by wilen coude,

Dat elcman daer in leven soude;

Mer selve willen sy node gheven

Exempel veel van harden leven

[...]

Sy schelden die heren cume om roven;

Elck wil hebben sijn coken vet.*16 (70; 184-194, 198-199)

De geestelijkheid wordt verteerd door hebzucht en simonie en leeft niet naar haar eigen leer. Was in het vorige gedicht duidelijk dat hebzucht en onrecht het schisma in stand hielden, hier lijkt Willem in hebzucht en simonie vooral oorzaak en begeleidend symptoom van de kerkscheuring te zien.*17 Denkt Willem hier meer in het bijzonder aan een complot van egocentrische kardinalen? Feit is dat Urbanus VI niet al te fijngevoelig is omgesprongen met de kardinalen die hem hadden gekozen: terwijl zij zichzelf zagen als medebestuurders, wees hij hen op hun plicht van dienstbaarheid. Ressentiment kan vervolgens bij de kardinalen een rol hebben gespeeld: `De verdenking ligt voor de hand, dat het verlangen om hem kwijt te raken hen er toe bracht het verwarde conclaaf, waarin zij hem kozen, als ongeldig te beschouwen'. Na de keuze van Clemens VII zijn alle kardinalen naar Avignon vertrokken: geen van hen is ooit bij Urbanus teruggekeerd.*18 Een spreker in het verre Holland kan hier zo het zijne van gedacht hebben. Het is in elk geval Willems wens dat aan alle wantoestanden een eind komt, want `Soe sal God die werlt sparen, Die ymmer moet in corten jaren Beter worden off vergaen' (vs.227-229).

De sproke 73.Dit is vander ghiericheit handelt over de hebzucht onder de heren en geestelijken. Als Willem over de clerus komt te spreken, zegt hij:

Ghiericheit heeft veel te doen

Binnen Room ende tAvenioen

Onder thooft van onser wet, (godsdienst)

Dat is mit paeusen soe beset,

Dat kerstenhede comt in dwael.

Elc heeft sinen cardinael

Ende blijft in partyen staen;

Die een wil scheren, dander vlaen, (villen)

Ende elck rechtich vader wesen. (73; 133-141)

Weer hekelt de dichter de hebzucht als hij over het Westers Schisma komt te spreken. Willem weet de toestand hier scherp te typeren. Het christendom heeft meer pausen dan goed voor hem is. Beide pausen hebben hun eigen kardinalen; en alles wat daar in de hiërarchie nog op volgt, mag het publiek er wel achter denken. De pausen noch hun gevolg erkennen de andere partij als rechtmatig. Dat is de kern van het schisma, zoals hiervóór bleek: zo is de scheuring ontstaan en zo heeft deze kunnen voortduren. Ze willen allemaal doorgaan voor rechtvaardige geestelijke vaders, zo vervolgt de spreker, maar tegelijkertijd doen ze niets liever dan het kerkvolk uitbuiten. In de volgende strofe heet het:

Ghiericheit van aertschen goede

Bedwinghet dus die wise vroede,

Dat sy hem scheiden in contraer. (onenigheid)

Gaet te Rome, ghi vintet daer,

Of tAvinioen inder stede,

Daert hooft is van kerstenhede

Ende der kercken fundament.

Dese heeft ghiericheit ontwent, (doen afdwalen*19)

Dat sy hem in pertyen cloven;

Die heren helpen tcoern schoven,

Om datmer keest in weyt*20 (73; 145-155)

Door de hebzucht blijven de wantoestanden en partijtegenstellingen voortbestaan. Ga naar de pauselijke paleizen in Rome of Avignon en aanschouw daar de hebzucht. Ook de wereldlijke heren sluiten zich bij een partij aan, want zij hebben belang bij het voortbestaan van de tegenstellingen. Met hun steun aan één van de pausen delen zij in de winst. Hoe abstract dit ook moge klinken, bepaalde wereldlijke heren zullen er zeker baat bij hebben gehad als zij de gunst wonnen van de paus die zij steunden.

Men kan zich afvragen of uit vs.148-151 blijkt dat Willem de Clementijnse obediëntie was toegedaan. Men zou immers het vers `Daert hooft is van kerstenhede' exclusief kunnen betrekken op `tAvinioen'. Toch is dit minder aannemelijk. Hiervóór plaatste Willem reeds `thooft van onser wet' in `Room ende tAvenioen' (vs.134-135). Willem lijkt er juist over verontwaardigd te zijn dat er twee gelijkwaardige pausen en partijen zijn; hij zal in vs.148-151 bedoelen dat het hoofd van het christendom zowel in Rome als in Avignon te vinden is.

In de volgende strofe zegt Willem dat de christenen in verwarring raken omdat de clerus het goede voorbeeld niet meer geeft.

Want sy spisen den lichaem

Gulseliken eerst van binnen,

Entan gaen si van buten winnen

Groten schat ende duer ghewade:

Dus vintmen thoff sonder ghenade,

Die wijl der schalken macht is breyt (73; 162-167)

De inhaligheid is troef aan de pauselijke hoven en de sluwe lieden die er thans de dienst uitmaken, hebben persoonlijk belang bij het voortbestaan van deze situatie.

De laatste sproke waarin het Westers Schisma aan bod komt, is 86.Van rechters, over omkoopbaarheid en hebzucht. Willem betoogt dat iedereen het geld boven alles bemint; niet alleen de wereldlijke heren, ook `Die paeus ende sijn cardinael, Alle die vander clesi sijn, [...] Si minnent ghelt an horen rinck'*21 (vs.76-79). In de volgende passage wordt dan aan het schisma gerefereerd:

Ende al quaem een man te Romen binnen

Of tAvengon al binnen der stede,

Daer thooft is van kerstenhede,

Om oflaet van sinen zonden,

Hi soude lancsaem werden ontbonden, (weggewerkt)

Ten waer of hi den hoghen lieden

Gheven mochte alsoe veel myeden, (steekpenningen)

Dat si en brochten voerden vader,

Die ontbinden mach algader

Hem, die des oflaets begheren:

Anders soudmen buten weren,

Waert dat hi gheen miede en gave. (86; 86-97)

Van Buuren annoteert `oflaet' als `vergiffenis'*22 en dat is mogelijk. Toch had Willem dan ook andere woorden kunnen gebruiken, zoals `pardoen' of `absolucie'. Mogelijk moet `oflaet' hier als `aflaat' verklaard worden, en misschien refereert de dichter zelfs wel heel concreet aan de zogenaamde jubelaflaten. Paus Urbanus VI had mede om financiële redenen het jaar 1390 uitgeroepen tot jubeljaar, waarin men te Rome tegen betaling een volle aflaat kon verkrijgen. De paus in Avignon deed in 1400 hetzelfde.*23 Indien Willem doelt op de jubelaflaten, dan is daarmee in ieder geval de pauselijke hebzucht des te schrijnender getypeerd.

Maar de pelgrim moet niet alleen genoeg geld bij zich hebben om de aflaat van de paus te verkrijgen. Het wemelt aan het pauselijke hof van de hebzuchtige personen. De pelgrim moet ook bij machte zijn om hen om te kopen, want anders is het onmogelijk om tot de paus door te dringen. Aldus Hildegaersberch.

Met vs.86-88 staat men nogmaals voor de vraag of Willem kiest voor de paus in Avignon. Men zou zijn woorden zo kunnen opvatten dat `thooft [...] van kerstenhede' zich uitsluitend `tAvengon' bevindt. Toch is deze interpretatie wat gezocht, zoals ook Van Buuren meent. Willem noemt Rome en Avignon naast elkaar: men komt óf te Rome óf te Avignon voor een aflaat.*24

Resumerend kan men in de eerste plaats vaststellen dat als er ergens in de Middelnederlandse letterkunde sprake is van verontwaardiging over het schisma en de wantoestanden, het in Willems vier sproken is. De spreker is zeker niet gelukkig met het feit dat er twee pausen zijn. Willem moet regelmatig in zijn sproken constateren dat het slecht gaat met de wereld. Eén van de bewijzen daarvoor is het Westers Schisma: het kan zelfs een voorteken zijn voor het einde der tijden. Zijn grootste afschuw richt zich op de hebzucht, die het schisma kenmerkt en in stand houdt. Als andere begeleidende symptomen noemt hij het onrecht en de simonie. Terecht ook ziet hij in het persisteren in partijschap uit eigenbelang de oorzaak en de onoplosbaarheid van de tweedeling. Dit alles getuigt van een behoorlijk inzicht in de problematiek. Willem koestert geen voorkeur voor één van de pausen. Wel meent hij op historisch-dogmatische gronden dat de paus in Rome moest zetelen. Maar verder staat hij, net als in de Hoekse en Kabeljauwse twisten, boven de partijen. Want in beide gevallen gold: wie kiest, handhaaft. Men treft bij de spreker verder geen roep om hervorming aan en conciliaire gedachten zijn hem volledig vreemd. Eerder kon in zijn optiek het ingrijpen van wereldlijke leiders tot een oplossing van het probleem leiden. Tot slot kan men met Van Buuren concluderen dat Willem niet speciaal rekening heeft gehouden met de keuzes van zijn begunstiger Albrecht van Beieren, aanvankelijk voor Clemens, later voor Urbanus.*25 Zoals gezegd worstelde de spreker niet met het probleem `Clemens of Urbanus?', maar met het probleem `Clemens én Urbanus'.