De geloofsleer zoals die bij Willem naar voren komt, zal hierna aan de hand van enkele belangrijke facetten worden
behandeld - het moge duidelijk zijn dat een volledige bespreking van de geloofsleer in het oeuvre van de spreker
binnen het kader van deze studie niet haalbaar is. In deze paragraaf zal allereerst aandacht worden besteed aan de
rol van de kerk als instituut en die van de priester in Willems werk. Vervolgens worden de sacramenten behandeld.
Dan komt een deel van de catechetische stof aan de orde: er wordt stilgestaan bij het credo, de tien geboden en de
deugden- en zondenleer, en in verband met dit laatste ook bij het begrip `weldoen' en de goede werken. Hierna
komt de bedevaart aan bod. De paragraaf wordt afgesloten met beschouwingen over de straf Gods, de genadeleer,
de dood en het Laatste Oordeel.
De rol van de kerk*1 als instituut staat min of meer centraal in 58.Vander heiligher kercken, een sproke waarin
Willem lijkt te reageren op uitspraken van Maerlant in zijn Der kerken claghe.*2 In de sproke stelt de spreker zich
op het standpunt dat, wat er ook op de individuele clerici valt aan te werken, de Heilige Kerk voor de
geloofsgemeenschap een onontbeerlijk instituut is. Op de kerk als zodanig valt niets aan te merken. God (d.i.
Christus) stichtte de H.Kerk en de priesterschap om het geloof levend te houden (vs.4-8); `Die heilighe kerck dat is
sijn huus, Hy heeftse ghereynt mit sinen bloede' (vs.174-175). Willem meent:
Die heilighe kercke is onse moeder,
Ende si is spieghel ende roeder;
Onse ghelove staet daer mede. (58; 9-11)
De kerk vervult een centrale rol in het geloofsleven van de christenen: hun geloof wordt er levend gehouden, want
in de kerk wordt `Goods ghebot' verkondigd (26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert, vs.17*3). Maar de
gelovigen zijn ook voor de sacramenten aangewezen op de kerk: `Onse sacrament ende kerstenhede Moeten wy ter
heiligher kercken halen' (vs.12-13). In het gedicht hekelt Willem de misstanden in de kerk, die de geestelijkheid zijn
aan te rekenen. Willem formuleert wat de kerk betaamt:
Arm te wesen inden gheest,
Rechtich te bliven nae dat volleest, (ten volle)
Rijck te wesen om wederstaen,
Wort hoer onghelijc ghedaen (58; 63-66)
Met andere woorden: ootmoedigheid, rechtvaardigheid en rijkdom horen de kerk toe. Rijkdom maakt de kerk onafhankelijk: niet in bezit of rijkdom schuilt in Willems optiek de verwording van de kerk, maar in de hebzucht der clerici, en de andere hoofdzonden waartoe zij zich laten verleiden door de duivel. Zodoende wordt de kerk geplaagd door hoogmoed, afgunst en gramschap, hebzucht, simonie, onbarmhartigheid, onkuisheid, gulzigheid en traagheid. Niettemin zijn de gelovigen voor hun zieleheil aangewezen op de kerk: en aan de genadeschenkende kracht van de kerk, haar heilsleer en haar sacramenten kan geen afbreuk worden gedaan, meent Willem.
Als hij het credo behandelt in 79.Vanden zekeren hope, verdedigt Willem de kerk ook als fundament voor het geloof:
Voert sullen wy gheloven meer
Die heilighe kerc ende al hoer leer,
Daer sy om nutscap sijn ghesticht
Ende tonser salicheit gheschicht; (ingesteld)
Want al die seven sacrament
Worden ons al daer bekent,
Die die zielen moghen vryen (79; 261-267)
Zonder de genademiddelen, die in handen zijn van de kerk, kan de gelovige het zieleheil niet bereiken. Even verder
heet het:
Ghelovic in die heilighe kerck,
Soe moet ic doen alsulken werck
Als mi die heilighe kerck ghebiet,
Of anders waert een cranck bediet, (zonder waarde)
Dat ic ghelovich word ghescouden. (79; 273-277)
Wie zijn geloof belijdt aan de kerk, maar niet in zijn werken tot uitdrukking laat komen wat de kerk hem leert, die is geen oprecht gelovige. Aldus Hildegaersberch.
Willem beschouwt de kerk, conform de geloofsleer, als het enige en onontbeerlijke heilsinstituut*4, onmisbaar voor het geloof en de zaligheid van de christenmens.