7.2.2. De priester

Ook voor Willems visie op de priesterschap*1 is 58.Vander heiligher kercken van belang. De spreker betoogt er dat Christus het priester- en clerkschap heeft ingesteld.*2 Het is niet alleen de taak van de priesters om de christelijke leer uit te dragen, zij moeten er ook naar leven om zo het goede voorbeeld te geven:

Want hiet si ons den lichaem dwinghen,

Ende wils nature niet gehinghen,

Dat si selve daer nae leven,

Hoe moghen sy recht exempel gheven? (58; 31-34)

Maar zelfs als de priesters niet leven naar wat ze leren, dan nog `ist waer dat si leren' (vs.35). Vervolgens hekelt Willem de misstanden in de kerk. De clerus rijdt hoogmoedig op paarden rond op kosten van de kerk. De geestelijken dragen messen bij zich om hun vetes te kunnen uitvechten. Hebzucht en simonie vieren hoogtij, ten koste van de armenzorg. Voor het geestelijk gerecht wint men alleen een proces als men geld meebrengt. En ook de barmhartigheid moet men tegenwoordig kopen. Bovendien brengt de clerus veel geld, dat voor de armen bestemd is, naar de vrouwen van lichte zeden. De kerkelijke schaapherders zijn in hun gulzigheid en traagheid tot wolven geworden. Niettemin moet Willem vaststellen dat de zondigheid van de priesters de kracht van de kerkleer en de sacramenten niet aantast.*3 Ondanks alles moeten de gelovigen `volghen spriesters leer; Want hoir woerden die sijn claer' (vs.196-197). Ook al zijn `hoer wercken som onreen, Ende mit sonden', toch is hun leer zuiver en navolgenswaardig (vs.199-200). In zijn slotwoord benadrukt Willem dit nogmaals:

Elcman volghe sijns priesters woorde,

Ende dwing hem selven totter doecht,

Int leste wort hire by verhoecht

Ende van sonden oec ontladen. (58; 230-233)

De taak van de priester wordt duidelijk omschreven in 97.Vander drierehande staet der werlt. De priesters moeten tot God bidden omwille van het heil van de wereld (vs.117-119). Verder behoort het tot hun opdracht

Dat sy gheestelijc souden leven,

Op dat si exempel mochten gheven

Van hoerre woorden mitten wercken,

Om tghelove voort te stercken

Onder tfolc, cleyn ende groot. (97; 121-125)

De priesters moeten dus zelf het goede voorbeeld geven. Zij behoren geen `hoecheit totter werlt te gheren' (vs.127). Het is hun taak om te wijden, te dopen en te absolveren (vs.128). Verder moeten zij het volk de caritas bijbrengen. Ze dienen zich erop toe te leggen

Tfolc te houden in caritaten

Mit hoerre leringhe, die si wisten

Vanden vier Ewangelisten

Bescreven uten monde ons Heren:

Die souden si predicken ende leren (97; 130-134)

En wederom moet de priester hier zelf het goede voorbeeld geven. Via deugdzaamheid kan men `tfolc ten hemel leiden' (vs.136). Slecht voorbeeld doet evenwel slecht volgen. Willem bekritiseert verderop in de sproke de priesters omdat zij hun opdracht verzaken, `Daer onse ghelove bi wert verdooft' (vs.256). De geestelijkheid zwelgt in weelde, en hoogmoed en hebzucht tieren welig. Er wordt verzuimd de heren om hun zondig gedrag te vermanen. En er zijn zelfs clerici die wisselbanken en tollen beheren, tegen Gods uitdrukkelijke verbod in.

In 73.Dit is vander ghiericheit geeft Willem kort aan waarom er priesters zijn, namelijk `om die goede werken, Die sy den luden sullen tonen' (vs.172-173). De priesters vervullen een herderlijke rol. Zij moeten het volk hoeden en de heren confronteren met hun zonden, zoals blijkt in 70.Van ses articulen der werlt:

Ghi priesters, clercken mitten crunen,

Bedenct u selven wel te voren,

Waer om soe dat ghi sijt bescoren

Off ghewyet in hogher waerde;

Ghi soudt den volke syn een heerde,

Ende den heren segghen twaer,

Wat hoer zielen is contraer (70; 206-212)

Uit de toon van het citaat blijkt reeds, dat de realiteit niet steeds aan het ideaal voldeed. In de sproke toont Willem dat er bij de geestelijkheid een discrepantie valt te constateren tussen leer en leven. De clerici leren het volk om armoede, honger, dorst en koude te verdragen, maar zelf geven ze geenszins het goede voorbeeld door in weelde te leven.

De priester heeft voorts de sacramenten in handen. Hij fungeert onder meer als biechtvader. De gelovige moet niet te lang wachten met biechten, want anders vergeet hij zijn zonden weer, blijkens 1.Van den testament*4:

Hier om sullen wi ons versnellen

Ende den priester gaen vertellen

Van tide te tide ons sunden al,

Die wijl wi weten recht getal. (1; 191-194)

Biecht men berouwvol zijn zonden voor de priester, dan kan deze de zondaar absolveren en een `penitencie' opleggen (20.Van drien figuren, vs.137). In 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert betoogt Willem impliciet dat het boetesacrament bij de priester in goede handen zou moeten zijn. Hij hekelt er de biechtvader die zich laat omkopen om de hand te lichten met het sacrament. Voorts leidt de priester de communie, zoals beschreven wordt in 16.Van drien bloemen: `Inder missen voerden outaer; Dar boert [heft] hi al openbair Goods vleysch ende sijn bloet' (vs.21-23). En ook het sacrament van het huwelijk berust bij de priester. Hij huwt de echtelieden en maakt hen één als hij de stola om hun handen wikkelt: `Dat is dat helighe Sacrament, Dat sy ontfaen in enen bant Mitten stoel van spriesters hant' (56.Van feeste van hylic*5, vs.62-64). En voor het sacrament der stervenden is men eveneens aangewezen op de priester, zoals verhaald wordt in 84.Vanden sacramente van Aemsterdam (zie vs.85-93).

Willem eist kortom van de priester dat hij een herderlijke rol vervult, dat hij preekt en dat hij het geloof, de christelijke leer en de leer van caritas en goede werken uitdraagt. Daarbij moet de priester een voorbeeldige functie vervullen. Verder beschikt de priester over de genademiddelen, die de gelovigen tot het heil kunnen brengen. Willem moet constateren dat priesters vaak niet het goede voorbeeld geven. Niettemin acht hij ook de leer en sacramenten van dergelijke priesters zuiver.