In zijn sproken besteedt Willem selectieve en `praktijkgerichte' aandacht aan de sacramenten. Over het doopsel
komt de dichter niet vaak te spreken.*1 Voor iedere christen is het doopsel immers even belangrijk als
vanzelfsprekend. De doop neemt de erfzonde weg, en zonder doopsel is geen zaligheid mogelijk.*2 `Onse
sacrament ende kerstenhede [=doop] Moeten wy ter heiligher kercken halen', zegt Willem in 58.Vander heiligher
kercken (vs.12-13). De keuze voor het woord `kerstenhede' in bovenstaand citaat drukt het belang uit dat aan de
doop gehecht moet worden: met de doop wordt men in de christengemeenschap opgenomen, neemt men in feite het
christelijke geloof aan. Met andere woorden: de doop maakt de mens tot christen.*3 In79.Vanden zekeren hope
vergelijkt Willem de Joodse besnijdenis met de doop; de besnijdenis dient
Den kersten ghelove tenen exempel,
Dat wy den doopsel sonder waen
Souden bliven onderdaen,
Ende ons in reynicheit besnyden
Vanden sonden tallen tyden. (79; 118-122)
De spreker bedoelt dat men naar de normen van het geloof moet leven en zich van z'n zonden moet zuiveren, omwille van de band die men via de doop met het christendom is aangegaan.
Over het vormsel komt Willem in zijn oeuvre in het geheel niet te spreken. En strikt genomen rept hij ook nergens over het sacrament van het oliesel in de zin van zalving met gewijde olie. Wel spreekt hij over de laatste sacramenten, waarover later meer. Aan de priesterwijding als sacrament besteedt Willem niet bijzonder veel aandacht.*4 Net als de zes andere sacramenten werd het priesterschap door Christus zelf ingesteld*5, zo memoreert de spreker in 77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden: Christus `sette [...] voert in sinen naem Priesters oerde ende tsacrament' (vs.114-115). Willem doelt hier op de woorden die Christus tot Petrus sprak in Mattheüs 16:18-19. In 81.Vanden sloetel wijst Willem er eveneens op dat Christus aan Petrus de macht schonk tot `Wyen, dopen, absolveren' (vs.118), en onder dat `wyen' moet onder meer de priesterwijding verstaan worden.
Uitgebreider aandacht schenkt de spreker aan het huwelijkssacrament.*6 De sproke56.Van feeste van hilic is een
bruiloftsgedicht dat (met enige aanpassingen) voor herhaalde voordracht vatbaar was. Het huwelijk wordt er
getypeerd als `een salicheit' (vs.73), een sacrament. De dichter maakt duidelijk dat het huwelijk door God in het
paradijs is ingesteld (vs.10-12). Verder zet hij uiteen dat man en vrouw elkaar trouw moeten zijn (vs.56-58); de
belofte van trouw is snel afgelegd, zegt Willem, maar het is de kunst zich eraan te houden. Tijdens de inzegening
worden man en vrouw in de echt verbonden: zij geven elkaar de rechterhand en de priester wikkelt er de stola
omheen: `Dat is dat helighe Sacrament, [...] Dat bediet eendrachtichede' (vs.62, 65). De echtelieden moeten elkaar
in voor- en tegenspoed bijstaan:
[...] elck sel anderen sinen last
Helpen draghen totter doot,
Entat om weelde noch om noot
Nymmermeer te staen ave,
Voer dat sy comen totten grave. (56; 68-72)
De formulering bevat echo's van het kerkelijke huwelijksformulier. Willem besteedt in de sproke tevens aandacht
aan het dynastieke aspect van het (adellijke) huwelijk: de echtverbintenis moet zorgen voor een erfopvolger. In
48.Hoe man ende wijff sullen leven merkt Willem ook op dat God aan Adam een vrouw gaf in het paradijs
(vs.8-12). Daarmee was het sacrament van het huwelijk (later door Christus bekrachtigd) ingesteld. Willem vervolgt
dat het de bedoeling van het huwelijk is dat man en vrouw één worden,
Om datsi kinder mochten winnen te gader,
Die den hemelschen vader
Dienen mochten hier in aertrijck.
Hierom worter huwelijck
Puerlijc ghemaect allien,
Ende om ander dinc neghien. (48; 13-18)
Het huwelijk is bestemd om kinderen te verwekken en niet om `Sijn oncuuscheit te doen te bat Sonder schande na
sijn ghevoech' (vs. 20-21). Dit lijkt een reactie op het gevoelen dat het huwelijk het minst heilige onder de
sacramenten was, en op de karakterisering van het huwelijk als `geoorloofde onkuisheid'.*7 In de sproke gaat
Willem verder in op de ideale huwelijkse verhoudingen, waarin de echtelieden elkaar moeten liefhebben en eren, de
man de voogd over de vrouw is en hij haar op gepaste wijze moet onderhouden. In 77.Een onderscheit van hilic
ende van gheesteliken luden wordt de huwelijkse staat geroemd boven de geestelijke (celibataire) staat. Willem
hekelt de lieden die trachten om man en vrouw het huwelijk tegen te maken (vs.43-48). Het huwelijk is immers een
heilig sacrament, het celibaat niet (vs.49-51). Bovendien is het huwelijk des te lofwaardiger, omdat het de
maatschappij in stand houdt. Zelfs de heiligste geestelijke is uit een aardse moeder en vader geboren. Uiterst
treffend typeert de dichter in vs.133 het huwelijk als `alre oerden moeder'. Weer refereert hij eraan dat God het
huwelijk zelf heeft ingesteld (vs.107-111). En de spreker ageert hier nogmaals tegen de opvatting dat het huwelijk,
als ware het een instituut voor geoorloofde onkuisheid, weinig kan bijdragen aan de zaligheid der mensen:
Mar man ende wijff, die moghen scaffen
Goeden oirbair nae costume,*8
Ende nochtan pade vinden rume,
Op te gaen in hemelrijcke. (77; 144-147)
Voor echtelieden moet volgens Willem gelden dat `Elc sal draghen sinen bant, Die die stool mit spriesters hant Ghebonden heeft in waerdicheit' (vs.207-209).
De spreker heeft zich kortom ingespannen om het huwelijk als heilig sacrament op te waarderen, in de eerste plaats door te wijzen op het bijbelse fundament, en verder op het kerkelijk ritueel. De huwelijkse relatie, waarbinnen de man weliswaar aan het hoofd staat, vereist het één-zijn van man en vrouw en wederzijdse trouw. Doel van het huwelijk is het verwekken van kinderen. De geloofsleer onderscheidde drie vruchten van het huwelijk: trouw, kroost en sacramentum (zorg voor elkanders welzijn).*9
De meest centrale plaats onder de sacramenten wordt in Willems werk ingenomen door die van het avondmaal*10
en (vooral) die van de biecht/penitentie. Het avondmaal werd in de middeleeuwen gezien als de kroon der
sacramenten, door Christus ingesteld bij het Laatste Avondmaal. Tijdens de mis consacreert de priester met de
woorden `Hoc est enim corpus Meum' het brood en de wijn op het altaar, die daardoor veranderen in het lichaam en
bloed van Christus. De hostie transsubstantieert tot de tastbare Christus en dient de deelnemers aan de communie
tot zielespijs.*11 Willem eert dit wonder van de eucharistie in 16.Van drien bloemen. Hij prijst drie `bloemen' of
vruchten, voortbrengselen van gewassen: de tarwe omdat daarvan de hostie wordt gebakken, de wijndruif omdat
daarvan de miswijn wordt gemaakt en het vlas omdat men er het linnen altaardoek van maakt (het corporale). Deze
drie vruchten dragen bij tot de `salicheit' (vs.3) van de mens, omdat ze een centrale functie vervullen in de eredienst.
Tijdens de transsubstantiatie heft de priester de hostie: `Dar boert hi al openbair Goods vleysch ende sijn bloet'
(vs.22-23). Van Herwaarden en De Keyser merken met betrekking tot de laatmiddeleeuwse geloofsbeleving op:
`Het aanschouwen van de opgeheven geconsacreerde hostie tijdens de mis was voor de gelovige het belangrijkste
moment: de priester heette `onze God te beuren' en degenen die communiceerden meenden `hun God te
ontvangen''.*12 Op het corporale legt de priester dan de geconsacreerde hostie, en Willem zegt erover: `Die
hoechste bloeme die ic meen, Dat is God, Marien soen' (vs.52-53). Als Troelstra opmerkt dat `de ketterij der
middeleeuwen' in de regel bestond in `twijfel aan de transsubstantiatie'*13, dan behoeft het niet te bevreemden dat
Willem de waarheid van dit dogma ook in een sproke als 50.Van sempelen ghelove nog eens benadrukt met de woorden:
Men siet oec voerden outaer
Broot des levens, sijt seker des,
Daer hi waerliken in es; [nl. Christus]
Mar sijn godheit in dien
Die blivet daer al onghesien. (50; 30-34)
Aan het slot van 16.Van drien bloemen memoreert de spreker dan nog dat de communio tevens tot de laatste
sacramenten behoort die men de stervende toedient. Ook in 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven getuigt
Willem tegenover zijn publiek van de heilzame kracht die er voor de stervende van de hostie uitgaat: `Heb ghi sijn
lichaem wel ghenomen, Dat mach u baten ende vromen Entaer gheleiden opten pat' (vs.181-183). In 84.Vanden
sacramente van Aemsterdamstaat zelfs een mirakel met de geconsacreerde hostie centraal.*14 Willems gedicht
verhaalt hoe een zieke man van de priester de laatste sacramenten krijgt toegediend. Gezien de ziekte van de man
geeft de priester het advies om, als de man de hostie weer opgeeft, het sacrament `in enen stroom Of inden vier' te
gooien (vs.98-99). Dit is een katholiek voorschrift: de hostie moet in stromend water of in het vuur gegooid
worden.*15 Het verhaal gaat dat de man inderdaad het sacrament weer opgeeft. Men gooit het in het haardvuur,
doch treft het er de volgende ochtend ongeschonden in aan. De zoon die later de hostie beetpakt, laat er een vlek op
achter.*16 De priester wordt gehaald en deze neemt de hostie tot tweemaal toe mee naar de kerk, doch steeds keert
het sacrament terug naar wat later de Heilige Stede ging heten. Bij dit mirakel geeft Willem het nodige belerende
commentaar. Hij vertelt dat Christus
[...] ons liet dat heilighe broot,
Dat elc begheert in sijnre noot.
Soe wye mit crancheit is beladen,
Al waren sijn sonden noch soe groot,
Heeft hi berou voer sinen doot,
Hi comter mede tot ghenaden.
Dat doet, tis machtich ende breit,
Tsacrament, alsmen ons seit,
Ende wy ooc wel gheloven moghen (84; 49-57)
De verzen zijn niet geheel onproblematisch, omdat ze ten onrechte de indruk zouden kunnen wekken dat berouw en
communie volstaan om vergeving van zonden te verkrijgen. Het zal het publiek evenwel duidelijk zijn geweest dat
de spreker het hier over de laatste sacramenten had, dus naast de communie ook over het oliesel en de biecht
(waarbij het berouw aan de orde komt). Na de biecht vindt de vergeving van (dood)zonden plaats. De hostie heeft
dan een reinigende werking op de zondige ziel van de stervende en biedt bescherming tegen de listen van de duivel.
Dit sacrament, daer ic of spreke,
Des wy behoeven alle weke,
Sijn wy sieck of oec ghesont;
Want hi leit so nauwe treke,
Die bose gheest, mit sinen streke (84; 313-317)
De duivel brengt de mens telkens in verleiding en Willem pleit daarom voor wekelijkse communie. De sproke 109.Vanden vier cussen gaat over de kerkgang der gelovigen met Pasen, als men ter biecht en communie gaat. Willem onderscheidt vier soorten communicanten en vergelijkt ze met vier figuren uit het evangelie. De dichter prijst degenen die ter communie komen met goede intenties, zoals liefde (Maria), dankbaarheid (Simeon) en berouw (Maria Magdalena). Hij hekelt de huichelachtige, verstokte zondaars (Judas). In vs.256-263 herinnert Willem er aan dat men het sacrament niet mag ontvangen als men niet eerst gebiecht heeft, vergeving heeft ontvangen en vast van plan is om niet meer te zondigen.*17
Een sproke die hier bijzondere aandacht verdient, is 95.Van den avontmael, een tekst met meerdere, interfererende betekenislagen. Het gedicht beschrijft grotendeels een droomvisioen en opent met een Natureingang; beide indicaties voor het publiek dat er fictie gaat volgen. De ik-figuur komt in een zaal waar een grote langwerpige tafel en een ronde tafel staan. Er zijn veel mensen in de zaal aanwezig, onder wie ook herauten en minstreels. Een baron maakt bekend dat men kan kiezen uit het voedsel van één van de twee tafels. Wie van de lange tafel wil eten, moet tot de avond vasten, maar zal daarna geen honger meer hebben. Men mag evenwel ook direct gaan ontbijten aan de ronde tafel, maar daarna zal de honger niet meer verdwijnen en heeft men zijn recht verspeeld op een plaats aan de lange tafel. Vrijwel iedereen gaat meteen aan de ronde tafel zitten eten. Een aantal mensen weet zich te bedwingen en wacht het veelbelovende avondmaal af. Hebzucht, gulzigheid en twist vieren hoogtij aan de ronde tafel. Op zeker moment komt er een in het wit geklede persoon binnen die allen van de ronde tafel jaagt. 's Avonds gebruiken de geduldigen in alle rust het avondmaal. De ik-figuur krijgt desgevraagd uitleg van de edele gastheer: de ontbijtgangers zijn degenen die de wereld en de aardse rijkdom beminnen, het onrecht bevorderen en hun meester niet erkennen. Zij zijn twistziek, hebzuchtig en ongeduldig. Wie geduldig op het avondmaal heeft gewacht, kan velerlei genoegens verwachten. De gelijkenis is `Dat wy niet in hemelrijc En connen comen mit zwaren sonden' (vs.191-192). Men moet `hem hier van sonden puren, Ende laten dit ontbiten varen, Ende wachten naden avont eten, Soe sal u blyscap langhe waren' (vs.196-199). Wie aan het ontbijt de persoon in het wit blijft afwachten, is verdoemd, want de witte figuur is `die doot, die nyemant en spaert' (vs.216). Wie niet tot het avondmaal heeft gewacht en niet tijdig de ontbijttafel verlaat om om genade te bidden, wordt de hel ingejaagd. Wie echter tijdig om genade bidt, kan in de gunst komen bij `den meester vanden hove' (vs.226). De gebruikers van het avondmaal zijn de deugdzamen, de rechtvaardigen die de wereld verzaken. Zij zullen beloond worden. De gastheer maakt zich bekend als de Vrije Wil. God schonk de mens de vrije wil, opdat hij kon kiezen. Hierop ontwaakt de ik-figuur en vertelt zijn droom voort. Hij leert zijn gehoor: kies voor het goede en het avondmaal. Zondig niet zo lang tot u verdreven wordt. Lucas vertelt in het evangelie van de zomer over de rijke man die gasten voor het avondmaal uitnodigde, die het versmaadden. Men wordt graag door een gastheer met een avondmaal ontvangen; de gastheer mag bij het vallen van de nacht zijn gasten niet wegzenden. Wie zich hoedt voor de nacht en wacht op het avondmaal, wordt door de gastheer niet verjaagd. Willem raadt zijn gehoor niet te lang te dwalen alvorens tot het avondmaal te komen.
De sproke biedt genoeg aanknopingspunten voor diverse interpretaties. Eerst moet de inhoud van het droomvisioen nog eens nader worden bezien. Op het meest elementaire niveau kan het verhaal geïnterpreteerd worden als een pleidooi voor wilskracht en geduld, en tegen onbezonnenheid, gulzigheid, hebzucht, twist en ongeduld. Men kan zelfs in de verleiding komen om de taferelen van de twistende gasten aan het hof, die de `meester vanden hove' vertoornen, te duiden in het kader van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Associaties met de twisten lijken opgeroepen te worden met formuleringen als deze: `Elc begheerde een beter deel', `Want si twisten ende scouden', `Wat elcman greep, dat woudi houden' en `Soe langhe scheiden si hem in contraer' (vs.110, 113, 115 en 117). De uiterste consequenties voor het deugdzame en het laakbare gedrag zullen respectievelijk beloning en straf zijn.
Het gedicht vraagt echter (ook) om een theologische interpretatie. De verklaringen die in het gedicht worden gegeven, maken het droomvisioen tot een parabel; een parabel over verdoemden en uitverkorenen. Echter, in de sproke wordt slechts een deel van de interpretatie gegeven. Het lijkt alsof Willem verwachtte dat zijn publiek de rest van de interpretatie zelf aanvulde. De zaal staat voor de (hof?)wereld en de gasten zijn de mensen die op aarde (in het hofmilieu?) leven. De wereld heeft de mensen het nodige te bieden, zowel ten goede als ten kwade. God heeft de mens de vrije wil geschonken om zelf een keuze te maken tussen goed en kwaad. De ronde tafel representeert het kwaad, en heeft de gasten aantrekkelijke doch zeer tijdelijke genoegens te bieden. Velen staan hier niet bij stil en zetten zich gedreven door ongeduld en hebzucht aan het ontbijt. Het eten aan de ronde tafel symboliseert de daad van het zondigen. Doodzonden die genoemd worden, zijn hebzucht, gulzigheid, woede en afgunst. De ontbijtgangers zullen binnenkort allen hongeren, namelijk naar God. Het is immers God, die de `meester vanden hove', van de wereld is, en die de mens middels de wil de vrije keuze laat. Als de dood de zondaars komt halen, is het te laat en zullen ze de Goddelijke genade nimmermeer deelachtig worden. Er was alleen nog genade mogelijk geweest voor degenen die tijdig tot inkeer zouden komen. Wie op tijd het zondigen staakt en God om vergeving bidt, kan op genade rekenen. De langwerpige tafel symboliseert het goede. De gebruikers van het avondmaal staan voor de deugdzame christenen. Zij zwichten niet voor het aardse, het tijdelijke en het zondige. Zij vertrouwen geduldig op de veel waardevoller beloften die het avondmaal biedt; beloften met eeuwigheidswaarde. Vrede en vreugde zal hun deel zijn, en zij zullen niet hoeven hongeren (naar God). Zij zullen niets tekort komen en in de hemel worden opgenomen. De maaltijd aan de langwerpige tafel is als het ware een voorafspiegeling van de hemelse dis waaraan de deugdzamen binnenkort mogen aanzitten. Vanuit deze interpretatie kan Willem tegen het einde van de sproke zeggen: `Hier om hoet u voer die nacht Die nymmermeer en mach verdaghen' (vs.317-318). De nacht is hier de eeuwige nacht, symbool voor dood en hel. Willem vervolgt: `Op dat ghi tavontmael verwacht, Die waert en sel u niet veryaghen' (vs.319-320). Wie in alle deugdzaamheid kan wachten op de beloften die het geloof de mens doet, zal door God niet verjaagd worden. De waarschuwing die van de parabel uitgaat, is uiteindelijk fundamenteel: zij die zich niet tijdig tot God bekennen en niet doordrongen zijn van de Waarheid, zetten hun zieleheil op het spel, riskeren een eeuwig verblijf in de hel.
Maar de interpretatie van het droomvisioen is nog niet voltooid. Er moet nog worden stilgestaan bij de vraag hoe Willem voor de parabel aan het hele beeld van ontbijt, avondmaal en vasten is gekomen. Bij het middeleeuwse publiek moet onwillekeurig de associatie zijn gewekt met het Avondmaal van de eucharistie. Als Willem zijn publiek aanmaant te kiezen voor het avondmaal, dan spoort hij het in feite aan te kiezen voor het Avondmaal, voor het ontvangen van het H.Sacrament des altaars, waardoor de mens verenigd wordt met het geestelijke lichaam van Christus door middel van de geconsacreerde hostie. En wie ter communie gaat, ontbijt niet, want van de communicanten werd verlangd dat zij vastten voor de kerkgang. Troelstra meldt hieromtrent: door het voorafgaande en navolgende vasten moest de hostie bewaard blijven voor verontreiniging of voor een mogelijk verloren gaan.*18 Verder was het raadzaam om voor de communie te biechten, zodat men vrij was van doodzonden. De betekenis van de parabel is dus ook: wie gereinigd van doodzonden deelneemt aan het sacrament van het avondmaal, zal de hemelse zaligheid beërven.
Als de ik-figuur in de sproke uit zijn droom is ontwaakt, sluiten zijn vermanende woorden goed aan bij het voorafgaande. Met de introductie van Lucas' gelijkenis van de onwillige genodigden (Lucas 14:15-24), geeft Willem een extra dimensie aan de sproke. Als één van de tafelgenoten tegen Christus heeft gezegd: `Gelukkig al wie zijn maaltijd zal houden in het Rijk Gods', komt Jezus met de gelijkenis: een rijk man nodigt gasten uit voor een maaltijd, maar allen verzinnen uitvluchten om niet te hoeven komen. Daarop nodigt de man armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen. Ook in deze gelijkenis gaat het over verdoemden en uitverkorenen. Degenen die voor de keuze staan en de uitnodiging versmaden, worden door God `ewelijc verdreven' (vs.304). De uitverkorenen zijn de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen en alle andere mensen die wel op de uitnodiging ingaan om de maaltijd te houden `in het Rijk Gods'. De gelijkenis houdt verband met Jezus' eerdere woorden, waarin Hij aanraadt om de behoeftigen voor het avondmaal uit te nodigen, juist omdat zij niet in staat zijn deze vrijgevigheid te belonen. De beloning ontvangt men bij de opstanding van de rechtvaardigen (Lucas 14:12-14). Op de caritas-gedachte uit deze laatste bijbelpassage gaat Willem voornamelijk door, zonder dat met zoveel woorden te zeggen - er is dus sprake van een sprong in het betoog, waarbij Willem verwachtte dat het publiek zelf het verband zou leggen. Willem interpreteert beide bijbelpassages respectievelijk naar de letter en naar de geest. Hij merkt het als een vorm van caritas aan als een gastheer mensen voor het avondeten uitnodigt. En een goede gastheer stuurt zijn gasten niet de nacht in, als ze bij hem willen blijven. Willem noodt zich hier conform de bijbeltekst als misdeelde aan de tafel van zijn gastheer en werft zodoende naar kost en inwoning als beloning. Door deze vergelijking te trekken plaatst Willem zijn gastheer en maecenas overigens in zekere zin in een messiaanse rol, want de passage staat ook een geestelijke interpretatie toe, zoals hiervóór bleek.
Zeer aardse en theologische betekenislagen interfereren in deze sproke, die óók over het sacrament van het avondmaal gaat. Op vaardige en deskundige wijze heeft Willem rond het thema van het avondmaal noties als twist, ongeduld, deugd en zonde, beloning en straf, uitverkiezing en verdoeming, eucharistie en christelijke naastenliefde weten te verenigen.
Het belangrijkste sacrament is voor Willem dat van de biecht of de penitentie.*19 Dankzij het boetesacrament kan
de gelovige zijn hoofdzonden (inclusief overtreding van de geboden) belijden tegenover de biechtvader. Om
vergeving van zonden te verkrijgen, dient er sprake te zijn van oprecht berouw (contritio). De priester verleent
vervolgens absolutie en legt de gelovige een penitentie op. De boetedoening kan bestaan uit bidden, vasten,
aalmoezen schenken of op bedevaart gaan. Na biecht, berouw en volvoerde penitentie is de ziel van de gebiechte
doodzonden bevrijd, en wordt de mens de genade deelachtig. Van de gelovige wordt verwacht dat hij zijn
doodzonden zo volledig mogelijk opsomt; voor al dan niet opzettelijk verzwegen zonden kan geen absolutie
verkregen worden. De christen was verplicht tenminste één maal per jaar te biechten, namelijk met Pasen, maar het
werd raadzaam geacht om het boetesacrament vaker te ondergaan. De dood kon zich immers onverwacht
aandienen.*20 Veel hiervan vindt men met zekere regelmaat terug in Willems oeuvre. Fundamenteel is zijn
vaststelling in 59.Vander dwalinghe dat de zondige mens tijdig op het rechte pad moet terugkeren, `Want God die
mint den sondaer meer, Als hi te biechte is ghecomen Ende penitencie heeft ghenomen' (vs.126-128). En kort
daarvóór had Willem al opgemerkt: `Wil hi dan te biechte gaen Van sinen sonden, ende ontfaen Penitencie, die hy
dede, Hy blever wel behouden mede, Al had hi oeck een deel ghedwaelt' (vs.71-75). Biecht en penitentie, zo maakt
de dichter duidelijk, zijn essentieel voor de menselijke behoudenis. In 76.Vander rekeninghe zegt de spreker dat
ieder voor de biecht moet `Sijn consciencie al te gronde Graven doer om elke sonde, Die der zielen moghen
schaden' (vs.275-277). Liegen is hier uiteraard uit den boze (vs.280). Heel precies formuleert Willem de
voorwaarden voor het boetesacrament in 104.Vanden lichte:
Sijn ons hier die zonden leet,
Wy moeten beteringhe doen,
[...]
Sel die misdaet sijn vergheven.
Daer moet betalinghe wesen an,
Ja! goede betaling mit conscienci.
Aelmis, beding ende penitenci,
Die wasschen hier die sonden ave
[...].
Een recht berouw dat seit ons waer:
Waer gheen berou int herte sy,
Daer en comt gheen ghenade bi.
Al wilde hi swaer penitencie lyden,
Hi en dorste niet hopen noch verbliden,
Oec hoe hi om sijn sonden dede,
Recht berou en waer daer mede.
Recht berou dat souct ghenade,
Berou is een die hoochste grade,
Dar God die sonden om vergheeft. (104; 158-185)
De verzen zijn niet mis te verstaan. Het sacrament is alleen werkzaam als er sprake is van oprecht berouw en indien
men aan de opgelegde penitentie voldoet. Biecht, berouw en penitentie vormen de enige manier om de ziel van
doodzonden te reinigen, zo blijkt ook in 20.Van drien figuren. In deze sproke zegt Willem over de mensen die in
staat van doodzonde verkeren:
Wat si vasten, wat si lesen, (bidden)
Tis te mael in hem verloren;
Want God en wilre niet off horen
Voer der tijt, suldi verstaen,
Dat sy te biechte sijn ghegaen,
Ende hebben ontfanghen penitencie
Ende mit goeder consciencie
Hebben berou vanden sonden,
Ende voer den priester sijn ontbonden (20; 132-140)
Men moet de biecht niet steeds uitstellen en zonde op zonde stapelen, want op een gegeven ogenblik wordt men
ziek en resteert er geen tijd meer. Dit blijkt in 1.Van den testament, waarin Willem het volgende betoogt: wie biecht
en penitentie uitstelt tot zijn sterfbed, die heeft te lang gewacht. Men heeft de tijd niet meer om te boeten, en
berouw is ook al niet te koop. Bovendien kan men onmogelijk al z'n zonden onthouden hebben en begint men de
ene zonde met de andere te verwarren, zodat niet alles vergeven kan worden. Men behoort regelmatig te biechten,
meent Willem, als de zonden de mens nog helder voor de geest staan. De zondaar die de biecht maar blijft uitstellen,
maakt zich schuldig aan de hoofdzonde acedia (traagheid). Willem maakt dit duidelijk in 113.Vander bedevaert en
wederom roept hij zijn toehoorders op tot biecht en penitentie conform de kerkelijke voorschriften:
Die traechlic comt in allen dinghen,
Die sietmen selden verre springhen.
Wy souden haesten tot berouwen
Ende Goede in hopen wel betrouwen,
Ende totter biecht mit conscienci,
Ende int voldoen van penitencie
Daer den wille toe reyden (113; 71-77)
Wie niet regelmatig biecht, dreigt in doodzonde te sterven: men moet de biecht niet tot de laatste dag willen
uitstellen `Want die doot comt al onverhoet' (64.Van die achte salicheiden, vs. 153). Niet voor niets spreekt Willem
in 13.Vanden vrouwen die hoer kuken wachten waarschuwende woorden: `wye dat mitten sonden sterft Sonder
berou, die blijft onterft Vander hofstede daer hi hoerde [=de hemel]' (vs.9-11). Het is niet alleen raadzaam om oude
zonden op te biechten, maar ook om zich voor te nemen niet meer te zondigen (uit voorzorg en als teken van
oprecht berouw). Dit blijkt uit 79.Vanden zekeren hope: de zondaars moeten
Biechte doen ende hem verclaren (zuiveren)
Van ouden zonden, daer si in waren,
Ende voert die sonden willen schuwen,
Ende hoer leven wat vernuwen
Mit penitencie vol te doen,
Soe moghen si in hope wesen coen;
Want sulke wercken brenghen mede
Veel sekere hoop ende salichede. (79; 313-320)
Echter, wie aan het eind van z'n leven oprecht berouw toont en de intentie heeft z'n leven te beteren*21, hoeft niet
te vrezen dat zijn (laatste) zonden hem nog in de hel doen belanden. Geruststellend klinkt het in 13.Vanden vrouwen
die hoer kuken wachten:
Wye dat inden lesten stonden
Recht berou crijcht van sijn sonden,
Ende voert sijn sonden meent te laten,
Dien comt alle dinc te baten,
Singhen, lesen, testament;
Ende als sijn veghevier is volendt,
After dien is hem bereyt
Een deel der hogher salicheit (13; 137-144)
In het geval van oprecht berouw (en vergeving van zonden) valt niet de hel maar het vagevuur de zondaar ten deel, alwaar de ziel gereinigd wordt en de tijdelijke straf wordt uitgeboet. Een testament, als bijzondere vorm van het schenken van aalmoezen (penitentie), kan de tijd in het vagevuur bekorten. Hetzelfde geldt voor zielmissen en het gebed van nabestaanden. Na een korter of langer verblijf in het vagevuur, stijgt de ziel dan ten hemel. Op elke hoofdzonde staat in principe een penitentie van zeven jaar; op aarde of, indien wel vergeven maar niet volledig uitgeboet, in het vagevuur.*22 In de geloofsleer wordt in het Middelnederlands wel de termcarine gehanteerd.*23 Willem laat zijn gesprekspartner in 102.Een disputacie over de zware zondaars zeggen: `Voer elke hoeftsonde seven jaer Sellen si penitencie lyden hier, Of daer na int veghevier' (vs.130-132).
In een drietal sproken staat de dichter nog uitgebreider stil bij de biecht. In 109.Vanden vier cussen memoreert hij
dat men niet ter communie mag verschijnen alvorens te hebben gebiecht en absolutie te hebben ontvangen
(vs.256-263). Voorts hekelt hij onder meer degenen die het hele jaar door zondigen, hun zonden veel te licht
opvatten in de veronderstelling dat God hen wel zal vergeven, en geen haast maken zich van hun zonden te ontdoen.
Zulke lieden drijven zelfs de spot met hun zonden en scheppen er over op, zegt Willem. Maar wie hel en vagevuur
voor ogen heeft, handelt wel anders, meent hij. Als deze zondaars na veel uitstel eens gaan biechten, zijn ze veel van
hun zonden al vergeten en maken ze zich er gemakkelijk van af. Willem vervolgt:
Voerden Paesschen ist coustum,
Dat maechden, knapen, mannen, vrouwen
Te biechten souden gaen mit trouwen
Ende ontfanghen penitenci
Ende uut goeder conscienci
Overdencken hoir ghebreken,
Eer si hoer biechten souden spreken (109; 194-200)
Maar de verstokte zondaars hebben hun geweten niet aan een serieus onderzoek onderworpen, want na Pasen gaan ze spoedig weer op de oude voet verder: `Is dat niet biechte van bedrieghen, Daer si hem selven mede lieghen?', vraagt Willem in vs.211-212. God laat zich echter niet bedriegen, zo luidt de waarschuwing.
De tweede sproke waarin extra aandacht aan het sacrament van de biecht wordt geschonken is 98.Vanden XL daghen, evenals de voorafgaande sproke een Paasgedicht. De tekst opent met de vaststelling dat men zich in de voorbije veertigdaagse vasten heeft kunnen voorbereiden op het sacrament van de biecht. Pasen, zo zegt Willem, is de zaligste tijd van het jaar, maar de duivel zal trachten ons te weerhouden van het biechten door onze vijf zintuigen te verdoven. De dichter loopt vervolgens aan de hand van de zintuigen de listen van de duivel langs. Willem merkt op dat de mens verblind is omdat hij zijn gebreken niet meer ziet of zich schaamt om z'n zonden aan de priester te biechten. De mens is ook doof: wat de priester zegt, hoort hij niet meer. Hij is bang voor de penitentie en denkt zozeer gezondigd te hebben, dat de penitentie te zwaar zal zijn om vóór z'n dood te kunnen volbrengen. Het kan ook zijn dat men de zoete geur der godsvrucht niet meer verneemt, en dat men Gods oordeel niet vreest, doch behagen schept in z'n zonden. Men wordt thans op ontzag onthaald als men zijn ziel op het spel zet en de dood niet vreest. Van berouw is geen sprake: men denkt op z'n oude dag wel met God in het reine te komen. Willem voegt daar evenwel aan toe: `die doot is alsoe snel, Wye weet hoe langhe hi leven sel?' (vs.101-102). Het ontbreekt de mens aan smaak als hij het contact met God verliest. Men hoopt op een lang leven in alle rust, maar rust zal men op aarde niet vinden. Alleen God is rust en slechts hij die zich van zonden vrij maakt, zal na dit leven rust vinden, meent Willem. Een falende tastzin brengt de mens tot de wanhoop. Wie wanhoopt, is verdoemd en in de macht van de duivel terechtgekomen. Er volgt een recapitulatie waarin Willem eenieder de kracht toewenst om te biechten en penitentie te doen. God is immers altijd bereid om genade te schenken.
Beide sproken hebben, naar men mag aannemen, gefungeerd ter voorbereiding op de (verplichte) Paasbiecht voor Willems publiek. In het oog springend is hier de `priesterlijke' taakopvatting van de spreker. Het belang van het sacrament wordt benadrukt, en allerlei misplaatst gedrag, `uitvluchten' en `beletselen' worden systematisch door de dichter aan de kaak gesteld.
De laatste sproke waarin de biecht aan de orde komt, is min of meer een curiosum: het betreft de boerde
26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert. Nogmaals gaat het hier om een Paasgedicht. Willem schetst in de
inleiding hoe de mensen met Pasen jaarlijks ter biecht gaan en penitentie ontvangen. De spreker prijst de Paastijd
omdat dan ieder zijn zonden gedenkt, en hij beweert dit met een verhaal te zullen illustreren (vs.1-11). Het publiek
krijgt in de geest van derisus paschalis-traditie*24 een komisch negatief bewijs voorgeschoteld, namelijk hoe het
allemaalniet moet. Getoond wordt hoe het sacrament van de biecht van twee kanten misbruikt wordt*25: een weinig
godvruchtig jongeling gaat naar een priester om te biechten uit berouw voor z'n diefstallen. Vervolgens zegt de
knaap een geslacht varken te willen stelen. Hij biedt de priester de helft van het varken aan als deze bereid is om
hem vóóraf reeds te absolveren. De priester laat zich omkopen en verleent absolutie [N.B.: over penitentie wordt
niet gesproken]. 's Nachts steelt de knaap dan één van de twee varkens van de priester zelf, en de volgende ochtend
vroeg neemt de huishoudster het halve varken in ontvangst. Als de priester het varken bij z'n eigen twee varkens wil
hangen, bemerkt hij zelf bestolen te zijn en de dief daarvoor nog te hebben geabsolveerd ook. Willem toont weinig
sympathie voor de jeugdige delinquent: hij is `loes' (vs.64) en een `overdadighe jonghelinck' (vs.21) die `luttic docht
om enich sneven' (vs.14) en die zich bedient van `nauwer liste' (vs.160). Hij kwam zelden `inder kercken Om te
horen Goods ghebot' (vs.16-17) en `Nochtiens coes hi een quader lot Tot sijnre zielen oirbair' (vs.18-19). De jongen
krijgt weliswaar berouw en gaat biechten, maar van oprecht berouw kan geen sprake zijn: hiervóór bleek al dat
Willem bij oprecht berouw ook eist dat men zijn zondige gewoontes afzweert. De dief kondigt daarentegen nota
bene tijdens de biecht zijn volgende misdaad aan en durft daar nog absolutie voor te vragen ook. Echter, dat de dief
de biecht wil misbruiken is laakbaar, maar dat de biechtvader erin toestemt is nog veel afkeurenswaardiger. De
sacramenten zouden bij een priester toch in goede handen moeten zijn. Willems afkeer richt zich dan ook
voornamelijk op het gedrag van de paap. De dief mag `loes' zijn, de paap is `ghier' (vs.64). De priester bezondigt
zich aan simonie, hij ontheiligt het sacrament uit hebzucht. Willem merkt geërgerd op: `Tis een deel der papen
zeede, Dat si hem gaerne laten myeden' (vs.70-71). De knaap vreest de woede van de misleide priester niet,
`Wanttet dochte hem wesen rechte schout' (vs.153). Uiteindelijk moet ook de paap toegeven dat het zijn eigen
schuld is dat hij is bestolen: `Ic bin wel te recht gheloont' (vs.215). In het slotwoord bekent Willem kleur*26:
Ic woud mense alle dus verdoerde,
Waer si quamen tenighen steden,
Die om miede loesheit deden,
Die menighe souts hem dan wel hoeden. (26; 226-229)
Daarmee zijn de sacramenten bij Willem behandeld. Geconcludeerd moet worden dat zijn visie op de sacramenten ten nauwste aansluit bij de officiële kerkleer. Wel besteedt hij aan bepaalde sacramenten meer aandacht dan aan andere. Over het vormsel heeft hij het nergens; misschien was er gezien de samenstelling en leeftijdsopbouw van zijn publiek weinig behoefte aan vermaan hieromtrent. Het oliesel komt evenmin aan de orde; van de laatste sacramenten noemt de dichter alleen de communie, die blijkbaar van groter belang werd geacht dan de zalving. Het doopsel zal om z'n vanzelfsprekendheid zelden ter sprake zijn gekomen, en zelfs nooit als onderwerp van vermaan. Dat aan de priesterwijding weinig aandacht is besteed door Willem, kan ook een kwestie zijn van de samenstelling van zijn publiek en de prioriteiten die hij zichzelf gesteld heeft. Bovendien is de priesterwijding, samen met het huwelijk, geen verplicht sacrament.*27 Het door Willem opgewaardeerde sacrament van het huwelijk heeft meer aandacht gekregen, ten dele ter gelegenheid van bruiloften, ten dele vanuit een behoefte het lekenpubliek lering te verschaffen met betrekking tot de taken in het huwelijk.
Twee sacramenten hebben Willems bijzondere aandacht gekregen, en het verband met (de samenstelling van) zijn publiek en de functie van zijn sproken ligt hier voor de hand. De mensheid is zondig en dus ook Willems publiek. Aangezien de spreker begaan is met het zieleheil van zijn mede-christenen, legt hij in zijn vermanende teksten telkens weer de nadruk op de twee sacramenten bij uitstek, die de mens op effectieve wijze van dagelijkse en doodzonden kunnen bevrijden en die uitzicht bieden op de zaligheid: het sacrament van het avondmaal en het boetesacrament. Hij wekt zijn gehoor `voor eigen bestwil' op om regelmatig ter communie te gaan en bovenal om regelmatig te biechten. Wat betreft dit laatste spant de spreker zich ook in om allerlei tegenwerpingen te ontzenuwen. Willem toont zich hier een dichter met een zending en een zeer praktische taakstelling: het zieleheil van zijn publiek, te verkrijgen met de officiële genademiddelen der kerk.