De sproke 79.Vanden zekeren hope handelt over geloof, `seker hoop', d.i. gerechtvaardigde hoop, en goede werken - kortom de drie Goddelijke deugden fides, spes en caritas.*1 De sproke heeft als bijzonder raamwerk het credo.*2 In de late middeleeuwen werd de leek geacht deze twaalf geloofsartikelen in het Latijn of de volkstaal uit het hoofd te kennen, en van de betekenis van de woorden te zijn doordrongen. Ieder kind leerde de geloofsbelijdenis van zijn ouders of tijdens de catechisatie. De geloofsartikelen fungeerden als gebed, dat men moest kennen voordat men mocht biechten.*3 De Latijnse geloofsbelijdenis, het credo, maakte voorts deel uit van de mis.
Willem geeft van de `Twaelf punten' (vs.65) des geloofs geen blote opsomming of berijming; hij lardeert de tekst met uitweidingen, toelichtingen en terzijdes, zodat er een breed betoog onstaat, waarvan het credo de bindende factor is.
De inleiding van de sproke vormt een vraag of (zo men wil) een raadsel. Willem vraagt: in welke gemoedsstemming, die zorgdraagt voor genoegen, rust en zieleheil, zou een wijs mens het liefst verkeren? `Raet, wat staet hi kyesen soude, Die wise man, daer ic of ruerde' (vs.14-15). Mogelijk heeft de dichter na deze opgave een denkpauze ingelast voor zijn publiek, of enkelen zelfs de gelegenheid geboden om te antwoorden. Men merke daarbij op, dat dit alleen zinvol was indien de spreker de titel van zijn gedicht (nog) niet prijsgegeven had.
De kern van de sproke opent met het antwoord. Opvallend genoeg geeft Willem niet ten antwoord wat de wijze
mens zou kiezen, maar wat hij zélf zou kiezen: `Ic coor in goeder hoop te leven' (vs. 22, vgl. vs.29). De dichter is
hier kennelijk maatgevend voor de wijze. Degerechtvaardigde hoop doet in vreugde leven en zal de ziel naar God
geleiden en uit handen van de duivel houden. De `boese' (vs.38) is het immers die de mens in staat van wanhoop kan
brengen (vs.41). Wanhoop moet hier begrepen worden in de zin van de geloofsleer. Het is de zware zonde van
twijfel aan Gods oneindige genade, die ook bekend staat als de zonde tegen de Heilige Geest. De wanhoop behoort
weliswaar niet tot de zeven hoofdzonden, maar is als tegendeel van de Goddelijke deugd van de hoop, beslist een
doodzonde. De wanhopige trekt het fundament van de gehele heilsleer in twijfel: de leer namelijk dat er voor iedere
berouwvolle zondaar vergeving mogelijk is. Het is de duivel er veel aan gelegen om wanhoop bij de mens aan te
wakkeren, aangezien de ziel van de wanhopige mens tenslotte onherroepelijk tot de hel zal worden veroordeeld.*4
Is de mens eenmaal vervallen tot wanhoop, zo meent de spreker in vs.42-43, `Soe en can die mensche niet
ghewouden Enich werck van caritaten'. Men is niet langer in staat tot het verrichten van goede werken van
christelijke naastenliefde. Willem werkt deze opvatting niet verder uit, maar dat was voor een goed verstaander ook
niet nodig. Wie niet meer op genade rekent, zal genadeschenkende werken van barmhartigheid zinloos achten en zal
zich niet langer in staat voelen om goede werken te doen. God beoordeelt de mens aan de andere kant op zijn
werken: wie goede werken heeft verricht, ontvangt het eeuwige leven. Maar goede werken baten de zondaar niet.
Willem trekt dan ook direct de conclusie: `Soude hi [=de wanhopige] dan sijn leven laten, Dat waer een anxtelike
vaert' (vs.44-45). De implicatie is duidelijk: voor de wanhopende mens dreigt de hel. Willem keert daarmee terug tot
de deugd van de hoop. Wie hoopt `Die heeft gheleeft een salich dach' (vs.48), en de dichter beroept zich daarbij op
de `scrifturen' (vs.49). Mogelijk zinspeelt Willem hier op Paulus in Romeinen 8:24: `In deze hoop zijn wij gered'.*5
Willem vervolgt: zij die oprecht geloven, hopen op eeuwig loon, `Want recht ghelove ist fundament, Daermen seker
hoop bi kent' (vs.53-54). Na de hoop en de caritas wordt hier dus het geloof geïntroduceerd. Zonder geloof is hoop
op zaligheid ijdel. En de hele schepping draait om het bereiken van het heil:
Om des menschen salicheit
Soe is alle dinc gheschepen,
Entie scriftuer heeft oec begrepen (bevat tevens)
Twaelf punten, die wy sullen
Gans gheloven ende oec vervullen
Mitten wercken der ghelove. (79; 62-67)
Met de `scriftuer' kan Willem hier in het bijzonder naar het missaal verwijzen, maar ook wel naar de Bijbel. Het
credo is tenslotte een `interpretatieve samenvatting' van de belangrijkste bijbelgegevens. Van belang is de opmerking
van de dichter dat men de geloofsartikelen volledig moet gelóven. Over doorgronden zwijgt hij: het credo bevat
immers een aantal dogma's, die aan geen beredenering onderworpen mogen of kunnen worden en die het menselijk
bevattingsvermogen te boven gaan. Het vaste geloof moet, aldus Willem, aanleiding zijn tot een christelijke
levenswandel en het verrichten van goede werken, dit alles met het oog op oordeel en zieleheil. Het gaat niet aan
om vroom te spreken, maar niet navenant te handelen. `Byden doechdeliken wercken Machmen kennen ende
mercken Wye volcomelic ghelooft' (vs.71-73, vgl. Jacobus 1:22 en 2:14). Als woord en werk met elkander in
overeenstemming zijn, dan kan de hoop opbloeien. Wankelmoedigen wacht een vreeswekkende wraak, zoals
`Tscriftuer' (vs.83) ons voorhoudt met de val van Lucifer.
Soe sellen wy eerst gheloven vry
Volcomeliken sonder sy (onvoorwaardelijk)
An enen God [...] (79; 87-89)
Daarmee begint Willem vrij onverhoeds met het eerste geloofsartikel, dat begint met `Credo in [unum] Deum'.
Willem vervolgt evenwel niet met de rest van de tekst over de almacht van de Schepper. Aan het geloof in één God
verbindt hij de triniteitsleer. Drie personen onderscheiden zich in één God: `Vader, Soen ende Heylich Gheest'
(vs.91). Aan de Drieëenheid heeft Willem ook een sproke gewijd, 14.Een notabel, die aldus opent:
Den Joeden wondert alre meest,
Dat Vader, Zoen ende Heilich Gheest
Een God is ende onverscheiden;
Oeck verwonderdet den heiden,
- Het verwondert oeck die sinnen mijn -
Dat drie één moeten sijn,
Ende één in drien; dit weet ic wel,
Dat ict ymmer gheloven sel. (14; 1-8)
Willem volgt de kerkleer. De triniteitsleer is een dogma, waarvan de kerk eist dat de christen er voetstoots in gelooft. Het wezen van de Drieëenheid onttrekt zich aan het menselijke bevattingsvermogen, zoals Willem ook moet toegeven. Van kerkelijke zijde is veelvuldig gewaarschuwd tegen pogingen om het mysterie van de Drieëenheid te doorgronden.*6 Willem waarschuwt ook: `Die gronden wil die Godheit, Die weet int lest niet wat hi seit. Wat onbegripelic is te weten, Wat sal daer nauwe nae ghemeten?' (vs.11-14). Veel is - zo betoogt Willem in de sproke nog - voor de mens onzichtbaar en ondoorgrondelijk: hel, hemel, God, ziel, engel.
Terug naar 79.Vanden zekeren hope. Willem meldt vervolgens dat uit de Vader `Een enich soen' (vs.95) is
voortgekomen. Dit verwijst naar het tweede geloofsartikel, waarin het geloof beleden wordt aan Jezus Christus,
Gods eniggeboren Zoon (`filium Dei unigenitum'). Willem voegt er evenwel een commentaar bij, waarin hij een
kernpunt uit de heilsgeschiedenis aanhaalt. Jezus zag namelijk de mensheid `in zonden zeer bezwaert' (vs.97),
Want hem die helle was bescaert [hem=de mens]
In te comen nader doot,
Soe wilde hi uut sijns vaders schoot
Hier nederdalen als een vrient. (79; 98-101)
Sinds de zondeval belandden volgens de leer de mensen na hun dood in de hel: de zondaars kwamen in de eigenlijke hel terecht, het infernus, de plaats der verdoemden, maar de rechtvaardigen belandden in het limbus patrum, het voorgeborchte.*7 Pas met Christus' verzoenende kruisdood konden de rechtvaardigen uit het voorgeborchte worden verlost en konden deugdzame christenen na hun dood in de hemel komen. Willem komt hierop nog terug.
Jezus nam een sterfelijk lichaam aan `Doen Maria woude ontfaen' (vs.104). Dit verwijst naar het derde
geloofsartikel. Willem besteedt hieraan ruim aandacht en hij vult de geschiedenis beknopt aan, zodat goede
aansluiting gevonden wordt bij het vierde artikel. De spreker gewaagt van de boodschap van de engel aan Maria en
zinspeelt op de ontvangenis van de H.Geest. Tevens stipt hij aan dat Maria maagd was en bleef toen zij Jezus ter
wereld bracht.*8 Ook aan dit dogma voegt de dichter toe: `Ende wy gheloven al ghemien' (vs.115). Dan spreekt hij
over de besnijdenis in de tempel op de achtste dag (zie Lucas 2:21):
Opten achtsten dach nae dien
Wort hi besneden inden tempel,
Den kersten ghelove tenen exempel,
Dat wy den doopsel sonder waen
Souden bliven onderdaen,
Ende ons in reynicheit besnyden
Vanden sonden tallen tyden. (79; 116-122)
Weer is Willem recht in de leer. Wat voor de joden de oudtestamentische besnijdenis is, is voor de christenen het doopsel van het nieuwe verbond. En het is niet geheel uitgesloten dat Willem tevens (indirect?) een allusie maakt op Romeinen 2:25-29, waarin Paulus betoogt dat de ware besnijdenis bestaat in het naleven van Gods geboden, een besnijdenis is `van het hart, een geestelijke en niet een naar de wet'*9, dus een besnijdenis van zonden.
Willem rept vervolgens van de wonderen, de leer van Christus en de bekeringen, Zijn gevangenname, de Judaskus, de mishandeling en smaad, om daarmee aan te sluiten bij het vierde geloofsartikel. Christus leed onder `Pilato Ponciaen' (vs.132), werd ter dood veroordeeld, droeg Zijn kruis, werd gekruisigd, stierf, werd van het kruis afgenomen en in een graf gelegd (vs.132-138). De corresponderende credo-tekst meldt dat Christus geleden heeft onder `Pontio Pilato', is gekruisigd, gestorven en begraven.
Het vijfde geloofsartikel volgt direct:
Sijn ziele voer ter hellen neder,
Om die sielen te halen weder,
Die duusterlic hadden ghedwaelt, (in het duister)
Die wijl hoer schult was onbetaelt (79; 139-142)
Zoals hierboven reeds vermeld daalde Jezus' ziel af naar de hel om er de rechtvaardigen uit het voorgeborchte te verlossen en naar de hemel te geleiden. Het zesde artikel gewaagt van de verrijzenis ten derden dage (`resurrexit tertia die'), en ook Willem zegt: `Des derden daechs verres hi schoen Mit ziel, mit live' (vs.143-144). De toevoeging `met ziel en lichaam' is fijnzinnig. Er is immers geen sprake van een geestverschijning, maar van een lijfelijke opstanding uit de dood. Hierover mag bij de leek geen misverstand bestaan. De spreker voegt er nog aan toe dat Jezus zich `openbaerde [...] voer die ghoen [=diegenen], Die hi te troesten was ghewoen' (vs.145-146). En hij meldt dat Christus, na 40 dagen bij zijn discipelen te hebben vertoefd, de komst van `een troester' (vs.152), de H.Geest aankondigde. Deze informatie berust op Handelingen 1:1-8 en 2:1-4.
In vs.155 en 161 vertelt Willem dat Jezus `totten hemel voer' en `Sit tot sijns vaders rechter hant'. Dat is een vrijwel
letterlijke weergave van het zevende geloofsartikel (`Et ascendit in coelum, sedet ad dexteram Patris'). Willem voegt
toe dat de joden in beroering raakten en poogden Jezus' leer te vernietigen. Het baatte niet: `sijn heilighe leer is
wyde becant' (vs.162).
Al starf sijn menscheit hier beneden,
Sijn godheit die bleef wel te vreden
Even gheweldich, even schoen,
Heilighe Gheest, Vader ende Zoon,
Die en mochten nymmermeer verscheiden. (79; 163-167)
Vs.163 zal nogal specifiek begrepen moeten worden. Willem zal slechts hebben willen zeggen dat Christus als mens op aarde de dood heeft gesmaakt. Maar zoals hij zelf reeds aangaf, stond Hij lichamelijk op uit de dood. De leer wil vervolgens dat Hij met ziel én lichaam ten hemel voer. Van een tweede dood op aarde of de achterlating van een ontzield lichaam is geen sprake, en zo kan vs.163 dus niet bedoeld zijn. In de hemel nam Hij Zijn wezen als almachtige godheid weer ten volle aan - in die zin heeft Hij Zijn menselijke natuur wel afgelegd - en, zo onderstreept Willem nog eens, maakt Hij deel uit van de Drieëenheid.
Als Willem komt te spreken over Christus' rechtvaardige oordeel dat de mensheid te wachten staat, dan is hij aanbeland bij het achtste geloofsartikel. De Zoon zal `Al dat menschelic gheslacht Daghen voer sijn oerdel snel' (vs.172-173; het credo spreekt van `judicare'). Naar ieders `verdient' (vs.178) en `wercken' (vs.181) zal het oordeel zijn. En het zal met weinig woorden geveld worden: `Ghi selt comen ende ghi selt gaen' (vs.184). Willem beroept zich op een schriftelijke bron, want hij heeft het over het oordeel `daermen of leest' (vs.182). Het zal hier gaan om de voorstelling van het oordeel dat in Mattheüs 25:34 en 41 wordt gegeven. Als wij in het rechtvaardig oordeel geloven, zegt de dichter, en ons ervan doordringen, dan schenkt dit hoop en steun, en bescherming tegen de duivel. Maar als twijfel zich met hoop vermengt, dan komt de mens in zorg, want er bestaat geen zwaarder gang dan die van de verdoemden naar de hel.
Nu last Willem een tussentijdse recapitulatie in (vs.204-223). Hij herhaalt kort de kernpunten van het credo, zoals
hij dat tot nu toe behandeld heeft. Weer spreekt hij van de komst van de `troester' (vs.219), de H.Geest. Mogelijk
moet men hierin een toespeling zien op het negende artikel, waarin het geloof aan de Heilige Geest wordt beleden.
Als wij het geloof belijden, zegt Willem, dan moeten wij dat in onze `wercken' (vs.226) tonen en nalaten te
zondigen, om ons
Mede tontschuldighen voerden heer,
Die ons ten oerdel heeft ghedaecht,
Daermen om penninghen niet en vraecht
Of om enich ander goet. (79; 232-235)
Er mankeert iets aan ons geloof als wij veelvuldig zeggen `Ic ghelove an God' (vs.239; vgl. `Credo in Deum') en nochtans Zijn geboden overtreden. Het is volkomen zinloos `Ewich loen' (vs.247) te verwachten als men geen `werc van minnen' (vs.248) doet. Want, en dit acht Willem van eminent belang: `Uut goeden werc comt seker hoop' (vs.249).
Dan is de spreker aanbeland bij het tiende geloofsartikel:
Voert sullen wy gheloven meer
Die heilighe kerc ende al hoer leer,
Daer sy om nutscap sijn ghesticht
Ende tonser salicheit gheschicht (79; 261-264) (ingesteld)
De belijdenis aan het geloof in één heilige algemene katholieke kerk is evenwel slechts het eerste deel van het artikel. Het geloof aan de gemeenschap der heiligen en de vergeving van zonden noemt Willem even later pas: in vs.283 roert hij `Die goede heilighen alle gader' aan en in vs.305 de `Verlatenis van onsen sonden'. Maar eerst licht hij nog toe waarom men in de kerk en haar leer moet geloven. In vs.265-282 verdedigt Willem - conform de leer - de middelende rol van de kerk tussen de gelovige en God. De kerk bezit namelijk de `seven sacrament' (vs.265), de genademiddelen die de ziel van zonden kunnen reinigen en voorbereiden op het hemelse heil. Willem noemt in het bijzonder de biecht, waarin de mens met oprecht berouw zijn zonden moet belijden: `Die hem veynst' (vs.270), die zal bedrogen uitkomen. En wederom stelt de spreker dat als hij in de heilige kerk gelooft, hij ook moet `doen alsulken werck Als mi die heilighe kerck ghebiet' (274-275). Daarna spreekt Willem over het geloof aan alle heiligen, en hij heeft het dan in het bijzonder over de martelaren die stierven omwille van het geloof. Zij zijn in glorie opgevaren en ontvangen, en ze smaken het eeuwige leven in rust. Als wij hierin geloven dan zal de hoop beklijven, meent de dichter. Vervolgens belijdt hij dan het geloof aan de vergeving der zonden en benadrukt dat God in Zijn almacht daartoe in staat is. Als meest voor de hand liggend sacrament noemt hij hier weer de biecht. De zondaars moeten ootmoedig hun oude zonden opbiechten, volledig penitentie doen en nieuwe zonden schuwen. Zulke werken, zegt de spreker, brengen `Veel sekere hoop ende salichede' (vs. 320). En weer wordt de elementaire geloofsleer door Willem zuiver uiteengezet: zonden moeten (met oprecht berouw) gebiecht worden en zijn volledig vergeven als men zijn penitentie heeft volvoerd. Dit brengt de ziel weer in staat van genade. Terecht spreekt de dichter van `vol te doen' (vs.317) in verband met de penitentie. De niet (volledig) uitgeboete, tijdelijke straffen moesten volgens de leer na de dood worden ondergaan in het vagevuur. Maar hierover zwijgt Willem: aan de leer van het vagevuur schenkt hij in zijn oeuvre niet veel aandacht.
Een wonderbaarlijk en voor de mens verstandelijk niet te bevatten dogma is dat van de wederopstanding van het
vlees. Het elfde artikel getuigt van het geloof aan de verrijzenis der doden (`resurrectionem mortuorum') voor het
Laatste Oordeel. Willem komt ook uitgebreid te spreken over het feit dat de mens `Verrisen sel inden vleysch'
(vs.325). De ziel, zo zet hij uiteen, verenigt zich met het verrezen lichaam en aldus zal de mens zich moeten
verantwoorden voor zijn daden en geoordeeld worden. Wie God heeft gediend zal beloond worden. Deze
verrijzenis, zegt de spreker, zal zijn `Voerden doemsdach' die aangebroken zal zijn als de `bazunen sijn gheblasen'
(vs.340-341, zie Apoc.8, 9 en 11:15-19). Elk mens zal op dat moment aan de ander gelijk zijn, en hij zal louter op
zijn werken beoordeeld worden. Kennelijk twijfelde menigeen aan de mogelijkheid van een opstanding van een
lichaam, dat zielloos duizend jaar heeft liggen vermolmen in de aarde (zie vs.351-363), want Willem voelt zich
geroepen om dit aannemelijk te maken aan de hand van een vergelijking. Hij daagt zijn publiek uit met de vraag `wat
wy waren, Eer wy hier quamen, sech mi dat' (vs.364-365). Aanvankelijk, betoogt hij, bestonden wij niet, waren wij
allen niets. Toch zijn we ooit ontstaan (begrijp: bezield). Maar hoe dat in zijn werk is gegaan of `waert beghinsel
heeft ghelegen', dat weten we niet `Anders dan van horen segghen' (vs.376-377). God schonk ons het leven en mag
ons het leven benemen: `Alsoe moghelic is teen als tander, Dat wy verrisen al te samen, Als dat wy hier van niete
quamen' (vs.388-390). Eigenlijk houdt Willem zijn publiek dus de volgende uitdagende vraag voor: waarom zou de
tweede wording van de mens uit niets zoveel wonderlijker of ongeloofwaardiger zijn dan de eerste wording uit het
niets? Het ligt alles in de macht van God, zo moet het antwoord luiden. Precies zoals het in Gods macht lag om
Adam te scheppen uit een kluit aarde (vs.391).
Gheloefden wy niet int wederrysen,
Soe mochte ons wel voer sterven grisen;
Want dan bleven wy als een beest,
Dat weder ziel en heeft noch gheest,
Alst der aerden wort ghelijc (79; 393-397)
Wat de spreker in bovenstaand citaat bedoelt is: als we niet zouden verrijzen (zoals sommigen geloven), dan vergaan we bij het sterven gelijk de dieren tot stof zonder dat onze ziel en geest zich ooit nog met ons lichaam zullen herenigen. Maar zo is het niet: `Nu hopen wy ten hemelrijc' (vs.398).
Willem is tenslotte aanbeland bij het twaalfde geloofsartikel:
Tleste punt, daert al op rust,
Onse ghelove in soeter lust,
Dat is dat God ten lesten gheeft
Vruechde, daermen ewich leeft
Sonder sterven, sonder zeer,
Mar altoes vruechde soe lanc soe meer
Te bruken in des hemels zael. (79; 399-405)
Het artikel belijdt het geloof in het eeuwige leven (`vitam venturi saeculi'). Degene die hierin niet gelooft, die dwaalt en met hem loopt het slecht af, zegt Willem. En het is vaak voorgekomen dat zij die dwalen uit onwetendheid als runderen sterven, onvoorbereid en zonder biecht. Wie in staat van zonde sterft, is het ergst denkbare lot beschoren. `Daer voer bescherme God ons allen!', zegt Willem tot zijn publiek (vs.416). Het geloof van de mens is aan zijn werken af te meten. De dichter zegt: zou ik mij ten overstaan van de buitenwereld gelovig voordoen, maar zouden de goede werken mij te zwaar vallen, `Soe ghiet ic loot van finen goude*10, Daer groet verlies is in beschaert' (vs.428-429). Hetzelfde geldt voor degene die in hoop leeft, maar zichzelf, op zoek naar de waarheid, aan het twijfelen brengt.
Daarmee is een sproke ten einde die zonder meer gekarakteriseerd kan worden als een knap religieus leerdicht, waarin de belangrijkste en meest fundamentele aspecten van de geloofsleer zuiver uiteen worden gezet. Willem toont zich hier de goed gedocumenteerde docent, die boven z'n stof staat en zijn religieuze materiaal (geloofsartikelen, geloof, hoop, goede werken, bijbelstof en kerkleer) tot een zinrijk betoog weet te ordenen. Willem komt hier naar voren als de gedreven dichter en redenaar, die zich merkbaar rekenschap heeft gegeven van de vraag van welke boodschap hij zijn (leken-?)publiek wilde doordringen.