Willems langste sproke is 4.Van den X gheboeden en telt 626 verzen. Het gedicht is, zoals Willem vermeldt, geschreven in opdracht van de abdis van Rijnsburg. Aangezien van de leek werd geeist dat hij de tien geboden van buiten kende en begreep*1, mag men ervan uit gaan dat Willem met de decaloog vertrouwd was.*2
Werd in de middeleeuwen aanvankelijk de voorkeur gegeven aan het evangelische dubbele liefdesgebod (Mattheüs 22:37-40, Lucas 10:27), in de late middeleeuwen kwamen de tien geboden in zwang, die voorheen als te specifiek-joods waren afgedaan. De decaloog nam in belang toe als levensnorm en als middel tot kennis van de zonde. De geboden gingen een steeds prominenter rol in biechtonderwijs en biecht vervullen. De verspreiding van de kennis der tien geboden werd nog bevorderd door de (volks)preek en de talloze berijmingen. In tegenstelling tot het Pater Noster en het credo was het niet nodig de letterlijke Schrifttekst te kennen.*3
De sproke opent met een lange inleiding (vs.1-79), waarin Willem spreekt over de perfectie van de schepping,
Adams zondeval en de ontvangst van de tien geboden door Mozes. Vervolgens komt Willem te spreken over de
toenemende mate waarin de mens Gods geboden overtreedt. Sommigen beweren ter vergoelijking:
Twaer den mensche voel te swaer
Gods gebot te houden al (4; 76-77)
Hiermee kondigt Willem een belangrijk motief aan, want deze bewering zal hij in de behandeling van de decaloog telkens pogen te weerleggen. Een tweede motief volgt direct, kernachtig geformuleerd: `Wat in bedwange leven sal, Dat moet ouden ende grisen' (vs.78-79). Dwang schenkt ouderdom. Bedoeld is dat wie zich onderwerpt aan de geboden, een lang leven tegemoet kan zien. Naast dat de spreker de tien geboden dus behandelt en van commentaar voorziet, geeft hij aan de sproke een meerwaarde mee in de vorm van deze twee motieven: de geboden zijn zonder grote inspanning na te leven en bieden uitzicht op een lang leven.
Aan het begin van de kern van de sproke handelt de dichter meteen zelfverzekerd het tweede motief af: `Nu wil ic mitter waerheit bewisen, Dat si langer leven souden, Die die tien gebode houden' (vs.80-82). Wie zich aan de geboden houdt, leeft langer dan wie zich overlevert aan de wereldse zeden. Als voorbeeld geeft Willem de mens `in overvloedich vleisch' (vs.86), dus levend in overmatige weelde.*4 Zo'n mens wordt zelden oud, want eer hij de ouderdom bereikt, openbaren zich lichamelijke gebreken en sterft hij. Afgezien van een terloopse toespeling tegen het eind van de sproke komt Willem op dit motief niet meer terug (i.t.t. het eerste motief). De vraag is naar welke van de tien geboden Willem verwijst met zijn voorbeeld. Strikt genomen geeft hij slechts een voorbeeld van iemand die leeft `na der werlt eysch' (vs.85), zonder zich aan morele wetten gebonden te achten. Men zou het voorbeeld onder kunnen brengen bij het tiende gebod omdat hier in essentie gewaarschuwd wordt tegen de zonde van de begeerte.*5 Sterker nog echter refereert Willem met zijn voorbeeld aan de hoofdzonde der gulzigheid. In het middeleeuwse religieuze denken konden de tien geboden redelijk eenvoudig met de zeven hoofdzonden worden verbonden en gecombineerd.*6
Willem keert vervolgens terug tot zijn `materie', namelijk dat de tien geboden gemakkelijker zijn te `houden dan
tebreken' (vs. 99, 104). De spreker begint dan aan het eerste gebod, zich beroepend op `die scriftuer' (vs.105), en
formuleert het aldus:
Dat is dat wi mit herten puer
God ten vorsten sullen minnen
Mit siel, mit cracht, mit allen sinnen,
Boven enige eertsche dingen. (4; 106-109)
Het is eenvoudiger één God te aanbidden, dan in bijgeloof te dwalen en meerdere vreemde goden te aanbidden, zoals de joden en de heidenen doen.*7 Willem meent: `Men mach voel lichter wesen vrient Enen here dan vier of vive' (vs.122-123). Knuvelder heeft Willem naar aanleiding van deze redenering van triviale argumentatie beticht.*8 Toch is het argument minder triviaal dan het lijkt. Ook in de middeleeuwen gold zowel in wereldlijk als geestelijk opzicht: niemand kan twee heren dienen. En dat is niet zomaar een spreekwoord, maar een bijbelcitaat (Mattheüs 6:24, Lucas 16:13). Dat Willem voorts in zijn argument aanvoert dat het de mens minder moeite kost om één God te aanbidden, heeft alles te maken met één van de taken die de spreker zich gesteld had in dit gedicht. Hij wilde immers aantonen dat het de mens helemaal niet zwaar hoeft te vallen om zich aan de tien geboden te houden.
Het tweede gebod wordt door Willem aldus geformuleerd:
[...] dat wi niet en souden sweren
In eerst, in spot, tot onsen sceren (in ernst)
Bi sinen naem, bi sinen bloede (4; 151-153)
En weer merkt de spreker op dat dit `en brenct ons arbeit min no meer' (vs.150); het behoeft de mens geen moeite te kosten. Het betreffende gebod is een verbod om Gods naam ijdellijk te gebruiken. In het algemeen wordt hiermee het vloeken, het verbreken van gedane beloften in Gods naam en het plegen van meineed verboden.*9 Willem spitst het gebod vooral toe op het zweren van eden, in het bijzonder in de juridische sfeer. Men moet het zweren van eden zélfs zien te vermijden als men bezit of leven dreigt te verliezen, zegt de spreker (vs.154-155). Maar men kan z'n toevlucht nemen tot de eed indien men z'n onschuld wil bewijzen en in zijn recht staat. Wie echter meineed pleegt, roept langdurige vetes in het leven en staat niet langer in Gods gratie (vs.156-167). De mensen die valse eden plegen af te leggen, hebben dat beslist niet uit de Bijbel geleerd, zegt Willem, die deze autoriteit als getuige oproept: `Men vynt geen ede [=valse eden] in die scriftuer; Mer domme sotte nagebuer Die lerent malcanderen voert' (vs.169-171). In plaats van lichtzinnig tot het zweren van eden over te gaan, zou men geschillen beter met de woorden `ja' en `nee' kunnen oplossen (vgl. Mattheüs 5:34-37) en trachten tot een schikking te komen. Op deze wijze lossen verstandige mensen geschillen althans zonder eden en strijd op. Op schrift gestelde contracten en schuldbekentenissen kunnen `rotten' en `scoren' (vs.183). Het ware beter als men overeenkomsten rechttoe rechtaan sloot met de woorden `ja' en `nee', en men zich aan z'n belofte zou houden, zonder `ede' of `brieve' (vs.187).
De spreker noemt het verbod op het ijdellijk gebruik van Gods naam het tweede gebod. Nochtans hebben we hier volgens Exodus 20 en Deuteronomium 5 te maken met het derde gebod. Het tweede gebod luidt: `Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen'.*10 Zoals de meeste middeleeuwers gaat Willem aan het gebod op het snijden en vereren van beelden volledig voorbij.*11 Het gebod werd niet van toepassing geacht op de aanbidding en verering van respectievelijk Christus en de heiligen door middel van Christus- en heiligenbeelden. Naar de letter van het bijbelwoord achtte een geleerde als Jean Gerson het aanbidden van de beelden zélf een vorm van afgoderij. Echter niet het heiligenbeeld is voorwerp van verering, maar de afgebeelde heilige, `per imitationem et reductionem ad Deum', meent Gerson.*12 Voor de middeleeuwen geldt in wezen toch, zegt Troelstra, `dat ons tweede gebod geschrapt was. Al wordt het door sommige uitleggers besproken, het stond in den regel buiten het volksonderwijs. De reden ligt voor de hand: de praktijk der beeldenvereering was te zeer in strijd met het woord'.*13 Huizinga trof de kern van deze zaak: `De geoorloofdheid der beelden zelf, tegenover de uitdrukkelijke woorden van het tweede gebod, werd betoogd met het beroep, dat vóór de menswording van Christus het verbod noodzakelijk was geweest, omdat God toen enkel geest was, maar dat Christus de oude wet had opgeheven door en wegens zijn komst op aarde. Aan de rest van het tweede gebod: `Non adorabis ea neque coles', wenste de Kerk onvoorwaardelijk vast te houden. `Wij aanbidden de beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan de afgebeelde, dat wil zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld het is'. De beelden dienen alleen om aan de eenvoudigen, die de Schrift niet kennen, te tonen, wat zij moeten geloven. Zij zijn de boeken der onwetenden'.*14
Als derde gebod noemt Willem het `Rusten op die heilige dage' (vs.195). De heiliging van de zondag - en mogelijk
doelt Willem ook nog op de heiligendagen - biedt de mens de mogelijkheid aan zijn `salicheit' bij te dragen (vs.199).
Willem herinnert zijn publiek er vervolgens aan dat God zes dagen aan de schepping werkte en op de zevende dag,
de zondag, rustte.*15 God had er ook een praktische bedoeling mee om de mens op zondag te laten rusten: `Want
soude hi werken dat lange jaer, Den arbeit worde hem voele te groet' (vs.212-213). Maar aangezien de spreker meer
belang hechtte aan de zaligheid van de mens, komt hij hierop terug. God stelde de zondag in,
Dat wi daer op souden reiden (toeleggen)
Ons tot allen goeden werken,
Ende overpeinsen ende mercken
Onse gebrec ende onse sunden (4; 224-227)
En ook over dit gebod had Willem al opgemerkt: `Dat waer den menschen licht te houden' (vs.193). Het is immers veel eenvoudiger om te rusten dan om zware arbeid te verrichten of zonden te begaan op heilige dagen (vs.232-237).
Het vierde gebod luidt `Dat elc mensche sal sijn ouders eren Inden leven ende inder doot' (vs.244-245). Deze verzen vertolken precies wat van de christen verlangd wordt: `De liefde voor de ouders houdt met dit leven niet op. Na hun dood moet men hun dankbaar zijn en voor hen bidden om hunne zielen te verlossen uit het vagevuur'.*16 Willem vervolgt: ouders moeten zich de nodige moeite getroosten ten behoeve van hun kinderen. Als de kinderen het de ouders dan moeilijk maken of hen schande aandoen, dan vervreemden ze zich van God. Toch zal het de mens gemakkelijker vallen om zijn ouders lief te hebben en te eren, dan hen wreed te behandelen en schande te berokkenen - daarmee is het voornoemde motief weer aan de orde gekomen. Niettemin, zo zegt Willem, beleeft de boze vaak meer genoegen aan ondeugd dan de goede aan deugd. Beide zullen evenwel van God loon naar werken ontvangen.
Ook het vijfde gebod dat Mozes ontving kan men `lichter houden dan versmaden' (vs.275). Willem formuleert het aldus:
Ghi en sult in nyde noch in toren
Nyemont slaen noch steken doot
Met vrien wil, sonder noet (4; 280-282) (nodeloos)
Zoals in zulke teksten wel vaker gebeurt, memoreert de spreker aldus dat het overtreden van het gebod ook nog een
doodzonde als afgunst of woede met zich meebrengt.*17 Het gebod verlangt naastenliefde (vs.278), zegt Willem,
en verbindt aldus het verbod om te doden met het gebod van caritas, zoals in zulke teksten ook wel vaker
gebeurde.*18 Willem licht het vijfde gebod met scherpe bewoordingen nader toe: `Al waer u vader doot geslegen,
Broeder, oem ofte neve, Men sal God die wrake geven' (vs.288-290). Ook de bloedwraak is volgens het gebod niet
legitiem. Alleen in geval van zelfverdediging valt doodslag te vergoelijken. Willem doelt hier zowel op individuele
als collectieve zelfverdediging:
Mer quaemdi buten uwen scouden
In felre lagen sonder hoede,
Al daer u lijf in vresen stoede,
Ghi en mostet keren mitter hant, (en u; eigenhandig)
Daer is noet te recht becant;*19
Of voert daer een heer gebiet*20 (voorts)
Om onghelijc, dat hem gesciet, (onrecht)
Sijn volc te vechten of te striden,
Ende dan staet gesceert aen beiden siden, (geschaard)
Ende men ummer striden moet,
Dan is hy wijs diet beste doet
Ende sijn eigen lijf verweert (4; 292-303) (leven verdedigt)
Men merke op hoe uiterst nauwkeurig Willem is in zijn formuleringen, en niet alleen in deze passage. Het luistert
allemaal ook nauw. Individuele zelfverdediging is toegestaan: 1. als men onverhoeds belaagd wordt, 2. als men
hieraan zelf geen schuld heeft, en 3. als er sprake is van levensgevaar. Ook collectieve zelfverdediging is aan strikte
condities gebonden: 1. als de (lands)heer onrecht is gedaan (in zijn soevereiniteit is aangetast?), 2. als hij zijn volk
gebiedt om ten strijde te trekken, 3. als de legers tegenover elkaar komen te staan, 4. strijd onvermijdelijk is en 5. er
niets anders overblijft dan het eigen leven tegen de aanvaller te verdedigen. De dichter waarschuwt: wie ten
onrechte tot de strijd oproept, `Sonder noet om sijn hoveerde', die `sal van God ontfangen wrake, Het si hier of na
der tijt' (vs.304-309). En wie een hinderlaag legt louter om een ander `dlijf te stelen' (vs.313), die overtreedt Gods
gebod. Een ander aanzetten tot moord, maakt medeplichtig én schuldig, meent Willem. Al komt men er misschien
lange tijd mee weg, uiteindelijk zal men het gelag moeten betalen. Aan het eind van de behandeling van het vijfde
gebod benadrukt de spreker nogmaals dat dit gemakkelijker is te houden dan te breken:
Men mach veel safter sijn te vreden (gemakkelijker)
Sonder toorn ende sonder nijt,
Dan warringhe houden ofte strijt
Op onsen buyr, op onsen broeder. (4; 328-331)
Aan het zesde gebod besteedt de dichter ruim aandacht. Ook hier laat hij uitkomen `Hoe licht wy moghen [...] Dit
ghebot vervullen al' (vs.334-335) en komt hij voor het verbod op diefstal uiteindelijk tot de volgende conclusie:
`Men mach der goeder luden staet Houden mit veel minre pijn Dan inder dieven staet te sijn' (vs.428-430). De
spreker omschrijft het gebod aldus: `Wy en sullen stelen groet noch smal Yemants guet of yemants have'
(vs.336-337). Kennelijk werd door bepaalde individuen uit Willems publiekskring diefstal als een minder ernstig
vergrijp aangemerkt. Willem achtte het in elk geval nodig om deze gedachte te verwoorden in de vorm van een
vraag met een stellig antwoord:
Is stelen dan soe groten sonde,
Dattet God verboden heeft?
Jaet! wye dat hem te stelen gheeft,
Hy ontsiet hem dit noch dat,
Hy moorde mede om cleynen schat,
Vonde hijs stede ofte stonde (4; 340-345)
Met diefstal gaat het altijd van kwaad tot erger, betoogt de dichter hier. Het kwalijke in diefstal schuilt in het
bijzonder in een gebrek aan `ontfarmicheit' (vs.346). Doordat het de dief aan barmhartigheid ontbreekt, maakt hij
geen onderscheid tussen stelen van de armen en van de rijken. En juist op de christelijke hoogtijdagen neemt de dief
de gelegenheid waar, als de goede mensen verwachten dat ieder dan deugdzaam zal zijn en als ze niet op diefstal
verdacht zijn. Dieven spelen ook de duivel in de kaart, zegt Willem. Want het komt regelmatig voor dat lieden, die
bestolen zijn, onschuldigen aanwijzen als de dader. De gemoederen kunnen hierover zo verhit raken, dat er doden
vallen. Willem komt vervolgens over Judas te spreken, die hij een aartsdief noemt. Willem stelt Judas voor als een
soort `onrechtmatig belastinginner' onder de apostelen, die van allerlei ontvangsten een tiende deel wilde hebben, en
een tiende placht te stelen van de dagelijkse aalmoezen die Christus en de apostelen ontvingen. Toen Maria
Magdalena Christus zalfde, zo zegt de dichter, had Judas graag van de zalf een tiende deel gestolen. De zalf leek
hem 300 penningen waard, maar toen het hem niet gelukte zich een tiende toe te eigenen, wendde hij zich tot de
joden. Van hen kreeg hij de felbegeerde 30 penningen, waarvoor hij zijn Meester moest verraden (vgl. Johannes
12:3-6; zie ook par.4.3.2.). Zo is de aard van de dief: `Die dieven en hebben gheen vernoy, Dat si stelen horen
vrient' (vs.392-393). Willem moet vaststellen dat de dief, door hebzucht gedreven, het stelen niet meer kan laten:
Ssnachs, als ander luden slapen,
Soe moet hi waken ende poghen,
Off hi erghent siet voer oghen
Wankel sloten, dair hi mach in
Om te crighen sijn ghewin. (4; 410-414)
Toch leven dieven vaker in angst dan mensen die op zee of op het land eerlijk aan de kost komen:
Want si sijn altoes vervaert,
Dat mense melden sal off vanghen,
Want hoer ghelijcke sien sy hanghen [nl. aan de galg]
Hierentaer tot menigher stadt. (4; 422-425)
Daarom is het gemakkelijker om eerlijk te leven.
Het zevende gebod is Gods verbod op `overspel' (vs.436). Willem kwalificeert overspel als zonde én schande
(vs.437), en stelt vast dat het vaak voorkomt. Over de overspelige vrouw zegt hij:
Een wijff, die heeft een troude man,
Entaer een ander boven kiest,
Openbaer dat wijff verliest
Hoerre goeder naem ende ooc hoer eer. (4; 440-443)
Willem benadrukt hier in eerste instantie het verlies van de goede reputatie door de vrouw voor het oog van de
wereld. Voor mannen - ook geestelijken (`in een convent') - weegt de factor reputatie in overspel of onkuisheid
minder zwaar, maar de zonde is er niet minder om: `Al sijn si niet soe seer gheschent Voirden oghen, het staet voer
Gode Altemale in een ghebode Ghelijck gheteykent ende ghescreven' (vs.450-453). Hierop schakelt Willem kort
over op incest (bloedschande), waardoor het gebod zich (zoals gewoonlijk) verbreedt tot een verbod op allerlei
vormen van onkuisheid.*21 In opvallend voorzichtige bewoordingen maakt de spreker duidelijk dat neven en
nichten beter niet met elkaar kunnen slapen. Snel keert hij weer terug op het thema `overspel'. Overspelige of
onkuise relaties kunnen uiteindelijk uitmonden in moord. Desondanks zijn vele mensen overspelig, en Willem doelt
nu in het bijzonder op de hoerenlopers:
Dat sijn si die hem daer toe gheven,
Dat si op myene wiven leven,
Die int bordeel off opt velt
Mit horen lichaem winnen tghelt
[...]
Elck wil den horen houden vet (4; 469-472, 484)
De zonde dreigt van alle kanten. Het `hoerenbedrijf' trekt diefstal, verraad en moord aan. Als hoeren in het klooster
treden, dan wint het klooster daar niets bij: `Tconvent, dair si hem in begheven, Doetmen selden goede bederve.
Alle soude die helle sijn hoir erve' (vs.480-482). De spreker vraagt zich af:
Mochten si dan niet sochter winnen [si=hoeren]
Hoir broot mit noppen ofte spinnen (laken wieden)
Entie mannen byder ploech,
Dan leven in sulc onghevoech? (4; 489-492)
En echtelieden `Mochten lichter hoer ghemac Houden, als hem God gheboot, Elck by sinen beddenoot [...] Dan mit schanden ende mit sonden Horen tijt ter werlt te leven' (vs.494-499).
Over het achtste gebod is Willem kort. Het betreft het verbod op het afleggen van een valse getuigenis:
Ghine sult om lieff noch om leet,
Condijt weten off bevraghen,
Gheen valschen tuuch der werlt dragen,
Daer lijff ende goet ende eer by crenct. (4; 504-507)
De formulering is zo precies, dat men kan begrijpen dat Willem de opzettelijke valse getuigenis, de leugen dus*22, veroordeelt. Is de getuigenis onopzettelijk vals, zijn bepaalde zaken aan iemand dus zelfs bij navraag verborgen gebleven en heeft men hiervan geen enkel redelijk vermoeden, kortom verkeert men in de stellige overtuiging een correcte getuigenis af te leggen, dan is er geen sprake van een overtreding van het gebod. Maar, zo vervolgt Willem: bezin u terdege eer u aan het uitspreken van een getuigenis of oordeel over iemand begint. Liegen omwille van familieleden of steekpenningen is uit den boze. Willem maakt duidelijk dat men met de leugen niet alleen de ander ten onrechte kan bevoor- of benadelen: de leugenaar zet met de overtreding van het gebod ook z'n eigen leven, bezit, reputatie en ziel op het spel. De sententie is hier van toepassing: `Loghen mach onlanghe duren, Al is sy snel in horen loop'*23 (vs.518-519). Dat het gebod eenvoudig te houden valt, brengt Willem tot uitdrukking in vs.511-512: `Ghi moecht veel lichter spreken waer, Off swighen' dan liegen.
Het tiende gebod van de decaloog (het niet-begeren van andermans bezit of vrouw) werd in de middeleeuwen vaak
gesplitst in een negende en tiende gebod. Immers, als het gebod op de beeldenverering ontbreekt, moet een ander
gebod in twee geboden uiteenvallen. Omdat evenwel de twee aldus verkregen geboden de `begeerte'
gemeenschappelijk hadden, werden ze veelal tezamen behandeld.*24 Ook Willem onderscheidde een negende en
tiende gebod en nam ze samen in zijn betoog: `Die leste twee van desen thienen Die machmen sluten in yenen; Want
dbegheren van hem beyden Comen moet, al staen sy ghescheiden Elc bysonder in sijn reden' (vs. 527-531). De
spreker omschrijft de geboden aldus:
Hoe veel dat wy ter werlt vermoghen,
Men sal om wille noch om deren*25
Nyemants beddenoot begheren,
Noch sijn guet, al hadden wy commer. (4; 536-539)
Toch laat menigeen zich gemakkelijk in verleiding brengen, en volgens Willem gaat dat alsvolgt in z'n werk: wie in verleiding komt, begint een begeerte te ontwikkelen. Wie in zijn begeren volhardt, hetzij goed, hetzij kwaad, die zal uiteindelijk zijn groeiende verlangen ten uitvoer brengen als hij de macht heeft. Om het gevaar van de kwade begeerte af te wenden, is nu bepaald dat men `Nyemants beddenoet ofte guet' mag begeren `Dat ons te bruken niet en staet' (vs.552-553). De spreker maakt een onderscheid: conform het gebod is het volvoeren van de kwade begeerte een doodzonde, maar `Wanneer die daet blijft ongheschiet, Soe en is een quaet begheren niet Dan ene ghenadelike sonde (vs.563-565). Wanneer het met de begeerte bij zondige gedachten blijft, is er slechts sprake van een vergeeflijke of dagelijkse zonde. Voor vergeeflijke zonden kon men volgens de leer op diverse manieren vergeving ontvangen (gebed, communie, werken van barmhartigheid). Op niet-geboete, vergeeflijke zonden stond geen hellestraf, maar vagevuur.*26 Het middeleeuwse publiek was voldoende van de geloofsleer op de hoogte om geen toelichting van Willem te behoeven. Hij gaat namelijk direct over op het motief van het eenvoudig te houden gebod: het is veel gemakkelijker om `een goet begheren' dan `quade begheert' te koesteren (vs.567-569).
Willem is dan aanbeland bij de vraag waar de tien geboden nu eigenlijk op neerkomen. Overeenkomstig de nieuwtestamentische visie berust volgens Willem het merendeel van de tien geboden op `broederlike minne' (vs.576). De woorden dat wij de ander moeten liefhebben `Ghelijc ons selven' (vs.579) vormen zelfs een directe echo van het dubbele liefdesgebod uit Mattheüs 22:37-40 en Lucas 10:27. De spreker licht dit nader toe aan de hand van het (niet expliciet genoemde) spreekwoord `wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet'. Door op te sommen wat men zichzelf allemaal niet graag zag overkomen (moord, diefstal e.d.), geeft hij een recapitulatie van het merendeel van het voorafgaande. Willem keert de redenering vervolgens handig om: wie zijn naaste zo behandelt als hij zichzelf graag behandeld zag, die houdt zich automatisch aan de tien geboden. Tenslotte houdt de dichter zijn publiek nogmaals voor om één God te aanbidden: het andere aspect van het dubbele liefdesgebod.
Dan komt hij, voor hij z'n slotwoorden gaat uitspreken, in drie verzen terug op het motief van het korte zondige leven:
Al leefde die moghende Alexander,
Wilde hi hem een weynich deeren, [hem = God]
Hy mochte onlanghe regneren (4; 602-604).
Het slotwoord opent met een lange zin waarin de kern van de geloofsleer is samengebald:
Nu siet, ghi domme creaturen,
Hoe ghi die helle moet besuren,
Eer ghi die thien gheboden breect, (vooraleer...gaat
Die God selve in u wreect breken)
Naden oerdel, als ghi vaert
Om u misdaet ter hellen waert,
Ghi en wort in beter staet ghevonden (tenzij u)
Mit berou van uwen sonden,
Die u God wel mach vergheven,
Op dat ghi beteren wilt u leven
Ende blijft in doechden vaste staen,
Sonder twifel ende waen. (4; 605-616)
Naast de inhoud van het gedicht moet hier ook de publieksvraag behandeld worden. Het ligt bij nadere beschouwing namelijk minder voor de hand dat de sproke bedoeld was om de Rijnsburgse nonnen te stichten: de geïntendeerde publiekskring lijkt eerder wereldlijk (soms zelfs masculien) dan geestelijk-feminien van samenstelling te zijn geweest. Globaal genomen kan het eerste gebod, zoals door Willem behandeld, voor ieder publiek bestemd zijn geweest, zowel geestelijk als wereldlijk. Maar in dit verband moet nog eens gewezen worden op het argument dat niemand meerdere heren kan dienen: `Men mach voel lichter wesen vrient Enen here dan vier of vive'. Het argument lijkt meer zeggingskracht te hebben voor een wereldlijk, mannelijk en adellijk publiek dan voor een gehoor van nonnen. Het is daarom het overwegen waard het publiek buiten het klooster te zoeken. Bij de behandeling van het tweede gebod wordt nog duidelijker de religieuze lering aan wereldse, juridische toestanden gepaard, namelijk aan het zweren van rechtsgeldige eden en aan meineed. Is het niet waarschijnlijker dat Willem met zijn betoog, in plaats van nonnen, een wereldlijk publiek op het oog had, zeker als hij begint over de vetes? Ook Willems behandeling van het achtste gebod, over het afleggen van valse getuigenissen, ligt duidelijk in de juridische sfeer en zou een wereldlijk publiek kunnen doen vermoeden. De bespreking van het derde gebod, over arbeid en zondagsheiliging, is niet bepaald op de kloosterpraktijk toegesneden: men kan in dit verband eerder geneigd zijn aan een burgerlijk publiek te denken. Het behoeft vervolgens weinig betoog dat Willems behandeling van het vijfde gebod (niet doden) vrij openlijk toegesneden is op de belevingswereld van een adellijk-ridderlijk publiek, voor wie bloedwraak en oorlog welhaast dagelijkse praktijk waren. Bij de oorlogsvoering speelde voorts ook de derde stand inmiddels een rol. Als Willem in het perspectief van het zesde gebod de diefstal veroordeelt en dit illustreert met bijvoorbeeld de nachtelijke inbraakpraktijken van dieven, dan zal hij daarmee noch direct een publiek van nonnen, noch direct een publiek van (hoge) edelen een spiegel hebben willen voorhouden. Veelzeggender is hier het ingebedde Judas-argument, waarin associaties worden gewekt met de heffing van belastingtienden. Ten onrechte geheven (inkomsten)belasting als vorm van diefstal: dat zou - op verhulde wijze - in de richting van een te bekritiseren, adellijk publiek kunnen wijzen, al mag men een toespeling op kerkelijke tienden evenmin uitsluiten. Het contrast dat Willem oproept tussen dievenarbeid en eerlijke arbeid op zee of op het land, zal een burgerpubliek weer aangenaam in de oren hebben geklonken. In de bespreking van het verbod op overspel wijst bijzonder weinig op vermaning aan het adres van een nonnenpubliek. Men kan ongehuwde nonnen moeilijk waarschuwen voor overspel in de zin van echtbreuk. Tenzij men vernuftig zou willen beredeneren dat nonnen als Christus' bruiden wel degelijk echtbreuk kunnen plegen, schiet een dergelijke vermaning aan Rijnsburgse nonnen zijn doel voorbij. Als er bij `overspel' al gesproken wordt van het `convent', blijkt Willem onkuise monniken te bedoelen, en heeft hij het niet (exclusief) over echtbreuk, maar (ook) over onkuisheid, want hij betrekt er ook ongehuwde `knapen' bij (vs.447). Maakt Willem juist niet een mannelijk publiek duidelijk dat bij overspel de eer weliswaar niet ernstig aangetast wordt, maar de zonde er niet minder om is? Opvallend is voorts hoe behoedzaam Willem plots formuleert als hij het over neef-nicht-relaties heeft. Dit zou gemakkelijk verklaard kunnen worden uit het feit dat dergelijke relaties bij de adel regelmatig voorkwamen. Overspel of onkuise relaties, zegt de spreker verder, kunnen uiteindelijk tot moord leiden. Het is natuurlijk speculatief te veronderstellen dat Willem hier zinspeelt op de relatie tussen Albrecht van Beieren en Aleid van Poelgeest. Van echtbreuk was toen in elk geval geen sprake: de graaf was weduwnaar. Maar van moord is het uiteindelijk wel gekomen. Had de spreker hier slechts een vooruitziende blik? Feit is in elk geval dat de graaf in zijn leven bepaald niet is teruggeschrokken voor overspel en onkuisheid.*27 Tot slot wekt Willem met het aanroepen van de laakbare hoerenloperij niet de indruk andere dan mannelijke toehoorders te waarschuwen. De mannen kunnen zich beter op hun werk concentreren - het voorbeeld `ploegen' is overigens niet bepaald adellijk-hoofs - dan hun geld bij de prostituées verbrassen. Ook de hoeren, over wie de dichter er een hardvochtige mening op nahoudt, zouden beter een eerzaam beroep kunnen uitoefenen. Als nogmaals het `convent' ter sprake komt, dan blijkt Willem niets anders te beweren dan dat een klooster weinig baat heeft bij intredende (berouwvolle) prostituées.*28 Wat betreft het publiek kan bij het negende en tiende gebod het volgende opgemerkt worden: Willem spreekt consequent sexe-neutraal van `beddenoot', wat de vertaling `levenspartner' verdient. Het verbod op het begeren geldt volgens hem voor `vrouwe' en `man' (vs.557). Een publiek van nonnen valt op grond van deze passage derhalve niet uit te sluiten, al heeft Van Oostrom wel het vermoeden uitgesproken dat de dichter direct de landsheer op het oog kon hebben.*29 In dit verband is het opvallend dat de dichter nog even komt te spreken over de heerser Alexander de Grote, die ondanks zijn macht Gods wraak niet zou kunnen weerstaan en die om zijn zonden inderdaad een kort leven beschoren was. Wilde Willem in bedekte termen een vergelijking trekken, die de landsheer vrees kon inboezemen? Inhoud en toon van de vermaning wekken meerdere malen sterk de indruk tot een lekenpubliek gericht te zijn. Rijnsburgse nonnen spreekt men niet aan met `ghi domme creaturen', aangezien verwacht mag worden dat de meeste vrouwen onder hen tenminste even goed op de hoogte waren van de tien geboden en de geloofsleer als Willem. Het ligt veeleer voor de hand dat de dichter een publiek van leken aanspreekt en in zijn slotwoord nog maar eens memoreert dat de zondige ziel bij het oordeel tot de hel wordt verdoemd, maar de berouwvolle en deugdzame mens in genade zal sterven. Men mag, zij het met de nodige reserve, al met al concluderen dat dit gedicht eerder voor een publiek van wereldse (overwegend mannelijke, adellijk-ridderlijke, en ook burgerlijke?) leken was bedoeld. `Van Reynsburch die abdisse' (vs.617) was de opdrachtgeefster van het gedicht, maar inhoud en toon ervan verraden dat het mogelijk reeds haar bedoeling was, dat Willem het in wereldse - `zondige'? - kringen (het Hollandse hof, de adellijke families van de nonnen?) voordroeg om de heren (en de dames) te stichten.
Nergens komen de tien geboden bij Willem zo uitgebreid aan bod als in 4.Van den X gheboeden; de dichter volstaat elders veelal met een korte verwijzing naar Gods geboden.*30 In zijn sproken brengt hij anderzijds zaken als diefstal, moord, overspel en dergelijke met enige regelmaat ter sprake*31, maar nergens gaat hij daar omstandig in op de decaloog als zodanig.