7.2.6. Deugden- en zondenleer

Dat deugden en zonden een prominente plaats innemen in Willems werk valt vrij gemakkelijk te verklaren vanuit zijn memento mori-thematiek en zijn preoccupatie met het zieleheil. De dichter rekent het tot zijn taak zijn publiek het verschil tussen goed en kwaad, deugd en zonde duidelijk te maken: `Soe wye hem dichtens wil bewinden, Die sel die waerheit te kennen gheven Twisken sterven ende leven, Twisken archeit ende doecht' (82.Van ruste, vs.10-13).*1 Men dient de deugd te beoefenen en de zonde achterwege te laten, of met de sacramenten onschadelijk te maken.

Deugd

De begrippen deugd*2 en zonde keren bij Willem voortdurend terug. Programmatisch met betrekking tot deugd en dood zijn Willems slotwoorden in 38.Vanden ghesellen die ommeseylden*3:

Wanneer u God die doot toesent,

Dat ghi te voren sijt bereyt:

Want nyemant tijt noch stont en weyt,

Hoe off waert hem sel gheschien.

Dus ist een wiselic voersien,

Die in weldoen ende in doghen (deugdzaam leven)

Tewighe leven heeft voir oghen. (38; 96-102)

De beste voorbereiding op een zalige dood zijn `weldoen' (zie par.7.2.7.) en deugdzaamheid. Want goed en kwaad kunnen uiteindelijk maar één weg gaan, blijkens 24.Vanden serpent: `die doecht te Gode vaert Entie boesheit ter hellen waert' (vs.245-246).*4 De openingswoorden van53.Van gheduricheit brengen de boodschap in nog een andere variatie over:

Die wel verdenckt in sinen leven,

Hoe rijcken loon dat God sel gheven

Den ghenen, die die boosheit haten,

Hi mocht hem geerne ter doghet saten, (toeleggen op)

Ende ghedurich daer in bliven (53; 1-5)

In het vervolg van de sproke wordt dan de deugd der `gheduricheit' (standvastigheid, volharding) geprezen. Wie wil volharden in deugdzaamheid, die moet volharden in rechtvaardigheid, trouw en in liefde tot God en de medemens. Het is Willems opzet om zijn publiek - voor eigen en andermans bestwil - tot deugdzaamheid aan te sporen*5: `Ic meen allegader, niet hem somen, Heren, vrouwen, onverscheiden, Die sullen hem hier ter doghet reyden Ende ghedurich daer in wesen' (vs.114-117). Expliciet en dwingend spreekt Willem zijn publiek in 78.Vanden ghedenckeaan. Hoe machtig men ook is, de deugd gebiedt de mens ootmoedig te zijn en altijd te anticiperen op het eigen zieleheil:

Ic seg u allen wat ghi doet:

Ghi selt der doecht ghedencken lanc;

Al hebdi macht of groet bedwanc,

Ghi selt in wrake sijn oetmoedich

Ende in ghedencken wel voerhoedich,

Wat u vromen mach of schaden. (78; 82-87)

Deugdzaamheid wordt na het aardse leven beloond, maar ook tijdens het leven staat de deugdzame mens in Gods gunst. Dit blijkt bijvoorbeeld uit 36.Van Affricanus, waar opgemerkt wordt: `Ende God die spaerden om sijn doecht, Dat hi out worde ende grijs' (vs.178-179).*6 Deugd onderkent men aan de wijze waarop iemand leeft: `Byden wercken diemen doet Soe machmen proeven mitten sinnen Wiese sijn die doechde minnen' (20.Van drien figuren, vs.10-12). Ook in 88.Van hoveerde maakt Willem duidelijk dat deugd niet alleen een geestesgesteldheid is, maar zeker ook actief goed-doen impliceert: `Ghevoecht u selven totter doecht, Want naden wercken moeti ontfaen Loen, alst leven hier is ghedaen' (vs.54-56). Goed voorbeeld doet wat dit betreft goed volgen: zoals Willem meerdere malen constateert, ligt hier voor de clerus en de adel een schone taak. In 31.Van sterven zegt hij:

Wouden priesters ende heren

Hem selven eerst ter doghet keren,

Tghemene volck soude hem schamen,

Dat si niet ter doecht en quamen. (31; 83-86)*7

Vooral de clerus moet een voorbeeldfunctie vervullen, zo blijkt in 77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden:

Willen si goede exempelen gheven,

Dat donct mi talre beste leven

Tfolc tot doechden mede te trecken.

Hoe soudmen beter leer ondecken

Maechden, knapen, mannen, vrouwen,

Dan si tgoede leven schouwen,

Dattie wise voer hem gaen? (77; 65-71)

In de hierboven gegeven voorbeelden verwijst Willem naar deugden als rechtvaardigheid, ootmoed, caritas, standvastigheid en trouw. In veel gevallen echter blijft Willems notie van de deugd vaag en algemeen.

Zeven deugden

Deugd is in feite een breed verzamelbegrip dat vaak te pas kan worden gebracht, zonder dat men in details hoeft te treden. Als er niet gespecificeerd wordt, mag ieder er het zijne bij denken, zolang het maar als het moreel-goede blijft afsteken bij het moreel-kwade. Deugdzaamheid impliceert globaal genomen een levenswijze waarin zonden zoveel mogelijk vermeden worden en het goede wordt voorgestaan.*8 De kerkleer onderscheidt een zevental deugden in het bijzonder. Het betreft de drie theologische deugden: geloof (fides), hoop (spes) en liefde (caritas). En de vier cardinale deugden: voorzichtigheid of wijsheid (prudentia, ook wel sapientia), matigheid (temperantia), kracht, dapperheid of standvastigheid (fortitudo) en rechtvaardigheid (justitia). Als deugden konden voorts ook de tegendelen der hoofdzonden gelden.*9 Een voorbeeld van dit laatste vindt men in de inleiding van 43.Vanden rijcken vrecken:

Al had een man die doecht alleen

Van alder werlt, sonder een,

Dat is, dat hi niet milde en waer,

Soe soudmen hieten wandelbair. (onstandvastig)

Die vracheit wil wederstaen, (vrekkigheid)

Die maeck hem miltheit onderdaen (43; 1-6)

Al is iemand nog zo deugdzaam, zijn deugdzaamheid schiet ernstig tekort als hij de deugd van de vrijgevigheid mist, dus als hij zich overgeeft aan de hoofdzonde der hebzucht en gierigheid.

In 57.Vanden corencopers krijgt het begrip deugd weer een andere invulling, al wordt ook hier geput uit het arsenaal van het moreel-goede, dat in oppositie staat tot het moreel-kwade. In het slot maant Willem de heren dat ze `die quaetheit' moeten vermijden en zich tot de deugd moeten bekennen (vs.166-167). In het kader van het gedicht en het slotwoord betekent dat: misdaad straffen, ongevoelig blijven voor omkoping en rechtvaardig regeren. En in 105.Een notabel van heren staat de deugd bijvoorbeeld in relatie met eer, rechtvaardigheid, `weldoen' en controle op het locale bestuur; de deugd staat er in oppositie tot de noties `Ydel glori' en `hoveerde' (vs.13).

In een paar gedichten geeft Willem een specifieke opsomming van deugden. Zo'n gedicht is 33.Van dominus waarin wordt uiteengezet welke zeven deugden een goede heer moet bezitten. Hij noemt discrecio (oordeelkundigheid), obediencia (gehoorzaamheid, onderdanigheid),misericordia (barmhartigheid), justicia (rechtvaardigheid), nobilitas (edelheid), veritas(waarachtigheid, oprechtheid) en sapiencia (wijsheid). Aangezien de opsomming nu eenmaal afhankelijk is van de letters in dominus, levert het gedicht een deels andere opsomming op dan de traditionele. Maar ook het feit dat de deugdenleer wordt betrokken op een speciale groep mensen, kan er de oorzaak van zijn dat men hier alleen de cardinale deugden justicia en sapienciaterugvindt.

Ook 37.Vanden wijnvaet biedt een opsomming van in dit geval negen deugden: `Schamelhede' (d.i. eerbaarheid, schandebesef, kuisheid*10), `Milthede' (vrijgevigheid), `Wijsheit', `Stadicheit' (standvastigheid), `Schoenheit', `Ghelatenheit' (voorkomendheid, vriendelijkheid), `Vrolicheit', `Reynicheit' en `Oetmoet'. Het kan hier eerder om wereldse (men zou haast zeggen hoofse) deugden gaan, dan om religieuze. Men herkent weliswaar de cardinale deugden van deprudentia en fortitudo, maar ook de hoofse deugd van de vrijgevigheid (largitas, largesse). En alleen de deugd van de ootmoed wordt in de sproke expliciet in religieus perspectief geplaatst. Aan de andere kant zouden bijvoorbeeld `Schamelhede', `Miltheit' en `Oetmoet' opgevat kunnen worden als tegendelen van de hoofdzonden onkuisheid, hebzucht en hoogmoed.

De wereldse context is wat duidelijker in een sproke als 39.Vanden meerblade, waarbinnen deugden als `Schaemte', `Trouwe', `Milthede' en `Oetmoet' aan de orde komen. Deze deugden horen thuis in `vrou Eren tempel' (vs.30 e.v.). In de sproke hekelt Willem de vleiers die zich een plaats aan de hoven van de clerus en de heren hebben verworven. Hij vergelijkt deze lieden met plompebladen, die (als het ware door gebrek aan inhoud en gewicht) komen bovendrijven. De toonzetting in dit gedicht is die van de wereldse lering. Niettemin plaatst de spreker de tekst in een breder religieus kader, als hij begint over de tweespalt tussen hoogmoed en nederigheid (vs.4-19 en 117-120).

De sproke 64.Van die achte salicheiden, geënt op de zaligsprekingen (Mattheüs 5:3-12), biedt ook een opsomming die men tot de deugden zou kunnen rekenen, hetgeen ook niet geheel ongebruikelijk was.*11 Zodoende kunnen als deugden aangemerkt worden: `arm sijn van gheeste', `vreedsaemheit', het bezitten van `goeder herten reyn', `sachtmoedicheit', het bewenen der zonden, barmhartigheid, `hongher lyden ofte smacht Om der gherechticheden staet' en het lijden onder `persecuci'. Het is echter niet zeker of het echt Willems bedoeling was een opsomming van deugden te geven: alleen `sachtmoedicheit' wordt in vs.118 als `doecht' aangemerkt.

Tenslotte is er nog 41.Van seven doechden der minnen. In deze sproke worden deugden opgesomd, die in feite (op één uitzondering na) fungeren als het tegendeel van de zeven hoofdzonden. Willem noemt: `Schamelheit' (versus onkuisheid), `Miltheit' (versus hebzucht/gierigheid), `een reyne hoefsche mont' (geen parallel), het vermijden van `hat' of `nijt' (versus toorn en afgunst), `Soberhede' (versus gulzigheid), `volbrenghen vanden wercken' (versus traagheid) en `Oetmoede' (versus hoogmoed).

Nergens vindt men de drie goddelijke deugden en de vier cardinale deugden, zoals vastgelegd in de kerkleer, tezamen in één sproke bijeen. Wel treft men deze deugden verspreid over het oeuvre aan.*12 De aandacht voor de deugden geloof, hoop en vooral liefde is redelijk groot. De deugden temperantia, fortitudo en prudentia komen echter niet vaak aan bod. Met name het vrijwel ontbreken van fortitudo in de zin van kracht of dapperheid valt goed te verklaren vanuit Willems visie op ridderschap en strijd (zie par.6.1.). Wat meer aandacht krijgt fortitudo in de betekenis van standvastigheid, in het bijzonder in 53.Van gheduricheit. Overweldigend is daarentegen de aandacht die Willem heeft besteed aan de deugd van de justitia (zie par.6.8.).

Bezien we nog kort de drie theologische deugden. Over het geloof zegt Willem in58.Vander heiligher kercken dat Christus kerk en priesterschap instelde om het geloof van de mens in stand te houden (vs.4-11), zoals hiervóór al bleek. Een bijzondere gedachte werkt Willem uit in 81.Vanden sloetel aan de hand van de Petruslegende. Ware de vluchtende Petrus niet naar Rome teruggekeerd op aanwijzing van Jezus, `Tghelove waer thants te niet ghebleven' (vs.161). De gedachte is dat met Petrus het pausdom en het priesterschap - door Christus aan hem verleend - teloor zouden zijn gegaan.*13 Het is, aldus 97.Vander drierehande staet der werlt, vervolgens de taak van de clerus `Om tghelove voort te stercken Onder tfolc' (vs.124-125). Het geloof dat gesterkt moet worden betreft dan onder meer het geloof in één God (4.Van den X gheboeden) en in de H.Drievuldigheid (14.Een notabel).

Zonder geloof is er geen hoop op genade, stelt Willem in 79.Vanden zekeren hope, ergo, zonder geloof geen genade: `Sonder ghelove is hope dier Ende oec te crighen ombereyt' (vs.60-61). Willem zet dan uiteen dat het credo de christen steun biedt in het geloof. Het zijn de twaalf geloofsartikelen, `die wy sullen Gans gheloven ende oec vervullen Mitten wercken der ghelove' (vs.65-67). Hieruit blijkt dat geloof alléén niet voldoende is: het geloof moet ook in praktijk worden gebracht. In 40.Vander gheboorten Christi stelt de spreker dat geloof en heil onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden: `Die niet en gheloeft des rijckes heil, Ten wert hem nymmermeer te deyl' (vs.15-16). De Bijbel toont hoe men in de hemel moet komen en sterkt het geloof: `mitter scrifte machmen bewisen Wattie wech ten hemel sy, Op dat wy loven sonder twy' (90.Vanden figure vanden mensch, vs.138-140). God laat verder wonderen geschieden om de mensen in hun geloof te sterken, zo meent Willem in 84.Vanden sacramente van Aemsterdam, als hij over de wonderen rond de hostie spreekt: `Dit teyken hevet God ghedaen, Dat wy sullen buten waen An hem gheloven' (vs. 340-342). In 70.Van ses articulen der werlt laat de spreker een pessimistisch geluid over zijn tijd horen: hij bespeurt dat men traag wordt in het geloof en vreest dat de doemsdag nadert (vs. 69-70). De traagheid (een hoofdzonde) schuilt erin dat men zich weinig meer aan Christus' leer van caritas en rust gelegen laat liggen en men zich overgeeft aan hoogmoed, twist en strijd.

In par.7.2.10 zal, in het kader van de genade, aandacht worden besteed aan de deugd van de hoop. De mens mag, hoe zondig hij ook is, de hoop op genade nooit verliezen. Vergeving van zonden is te allen tijde mogelijk. In 98.Vanden XL daghen zegt Willem hierover onder meer: `Ende oec soe en sellen wy niet wanhopen, Want Goods ghenade is altoes open: Soe wye wanhoept, dat is een dwaes' (vs. 149-151). Grotendeels aan geloof en hoop gewijd is 79.Vanden zekeren hope. In vs.29-54 zegt de dichter dat als men in goede hoop op genade leeft, men zijn ziel `in Goeds gheleyde' geeft. De beloning zal de hemel zijn. Maar wie zich aan wanhoop overgeeft, geraakt in de macht van de duivel en sterft in ongenade.

Op het punt van de caritas, de liefde voor God en de medemens, zegt Willem in 46.Van twifel: `Hi is salich ende wel ghesint, Die sonder twifel Gode mint' (vs.35-36). En in 40.Vander gheboorten Christi heet het: `Wy moeten broederlijcke min Bewisen onsen evenkersten' (vs.78-79), en als we dat niet doen dan zal dit ons bij het Oordeel aangerekend worden. Zonder omhaal verklaart hij in 60.Dit is van scheyden dat wie de caritas beoefent door God voor de hellestraf wordt behoed (vs.88-90). En Willem acht het de taak van de clerus om `Tfolc te houden in caritaten Mit hoerre leringhe' (97.Vander drierehande staet der werlt, vs.130-131).

De zonden van woeker en hebzucht worden in 80.Vanden woeckenaer afgezet tegen de deugd van de christelijke naastenliefde. Willem betoogt er dat men zijn medemens uit naastenliefde onbaatzuchtig moet bijstaan, niet om er zelf (financieel) beter van te worden (vs.67-72). Tenslotte is er de sproke 106.Van karitas die aan de christelijke naastenliefde is gewijd. In de inleiding kondigt Willem onder meer aan het over twee aspecten van de minne te gaan hebben. De ene soort van minne is de liefde tot God, eerste en hoogste van de tien geboden die Mozes ontving. De andere minne, `ons ter salicheit' (vs.55), is tot ons gekomen via Christus' leer: `Opdat wy hier in minnen leven Malc mit anderen sonder sparen, Of wy ghemene broeders waren' (vs.56-58). Beoefenen wij deze tweeledige liefde niet, dan verliezen we daar de hemel mee:

Men soude een kemel lichter jaghen

Doer een naelde sonder sneven,

Dan hem ten eweliken leven,

Die Gode in minnen niet en dient. (106; 66-69)

God schiep Adam en stelde hem (in Zijn goedheid) alles ter beschikking, vervolgt de dichter; het enige verbod gold de boom der kennis, opdat Adam in God zijn meester zou erkennen. Nadien offerde Christus zich uit liefde voor de mensheid op. Om dit alles moeten wij God liefhebben, `Of sijn rijc der ewicheit Wort ons ten jonxsten daghe wederseit' (vs.95-96). Ook op het punt van de naastenliefde stelt Willem zich strikt op:

Wy moeten hier mit herten reyne

Ganselijc sonder versten (uitstellen)

Minnen onsen evenkersten,

Of ewelijc sijn verscoven (verstoten)

Uten hemelrijc hier boven. (106; 114-118)

Willem trekt een vergelijking tussen de hemel en een hoffeest: het mishaagt de gastheer als de gasten onderling ruzie maken. De gastheer (God) nodigt weliswaar iedereen uit, maar alleen de goeden komen binnen om zorgeloos feest te vieren. De dichter concludeert: ook al bent u rijk, welgeboren, krachtig, machtig en dapper, u moet deugdzaam leven. We moeten geen oude vetes ophalen en wraak nemen, maar daarentegen juist vergevingsgezind zijn, en dankbaar voor de macht die God heeft verleend. Willem moet evenwel vaststellen dat de praktijk anders is:

Want heren worden wreet in macht,

Ende onder hem, van grade te grade,

Soe rijst nijt ende onghenade,

Overdaet ende groot ghevecht.

Men schuwet reden ende recht,

Der doot hebben wy cleynen ducht;

Hoveerde is doer die werlt ghevlucht (106; 184-190)

Van liefde geen spoor, hoezeer God die ook boven alles stelt. Maar Willem waarschuwt de zondaars onomwonden: `Wye in nyde leven hier, Dien wert bereyt een ewich vier [...] Die ghene, die minne van hem wisen, Sijn buter salicheit gheseten' (vs.203-204, 222-223). De liefde is God welgevallig en zuivert ons van zonden; `Wye minnet, hi wert salich vonden' (vs.216). Het principe van de naastenliefde is: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet (vs.231-232). In zijn slotwoord spreekt Willem zijn publiek aan: gij hoge heren, edele vrouwen, priesters en clerken, het is uw plicht als herders, over de schapen aangesteld, om recht te doen en het volk deugden bij te brengen. Hij roept zijn publiek op tijdig het leven te beteren (vs.247).

Zonden

Zoals gezegd komt men het begrip zonde*14 bij Willem zeer regelmatig tegen, en ook de hoofdzonden komen bij hem geregeld aan bod. Willems behandeling van de zonden in het algemeen en de hoofdzonden in het bijzonder heeft uiteraard weer alles uit te staan met zijn aandacht voor het zieleheil. Kernachtig formuleert Willem het in 40.Vander gheboorten Christi: `Die sonden is een ewich doot' (vs.140).*15 Willem laakt de zondaars die er allemaal niet zwaar aan tillen en nog over hun zonden opscheppen ook. Hij zegt in 109.Vanden vier cussen: we horen elke dag

Hoe deen den anderen doet ghewach

Van horen sonden in taveerne,

Of optie strate thoren schaerne (om gekheid te maken)

So thyen si malcander an (vertellen)

Elck dat hi bedencken can,

Dobbelen, drincken, overspel,

Om datmer veel om lachen sel (109; 158-164)

In 6.Van VII punten die wy voer oghen hebben souden besteedt Willem onder meer aandacht aan de vier uitersten*16 en komt hij op zeker moment te spreken over de hellestraf (vs.146-156). De wereld biedt de mens allerlei zondige genoegens aan en maakt hem blind voor de gevolgen voor het zieleheil. Het aardse bestaan lijkt vol beloften, maar het mondt uit in een anticlimax. Naakt wordt de mens uit de wereld verwijderd; het lichaam verdwijnt in een kist en de ziel van de zondaar staat `met lege handen'. De eeuwige hellestraf zal zijn deel zijn. Is de zondaar eenmaal in de hel beland, dan kan geen zielmis meer baten, zo stelt de dichter vast in 13.Vanden vrouwen die hoer kuken wachten:

Tyden wy opter papen singhen, (vertrouwen)

Off op die clocken die clinghen,

Off twywater dat sy wyen,

Daer die ziele mede te vryen

Nader tijt, soe ist al verloren (13; 59-63)

In bedoelde sproke wordt een vernuftige analogie uitgewerkt. Willem vertelt het volgende exempel: vrouwen zijn altijd ingenomen met jonge kuikens in het voorjaar. Ze gaan er mee naar buiten, maar verdelen hun aandacht over de kuikens en het spinwerk. Als de vrouwen teveel met hun aandacht bij het handwerk zijn, vangen kraaien of eksters onherroepelijk kuikens. Als de vrouw het bemerkt, is het al te laat: het baat niet meer als ze met stenen of stokken gaat gooien. De vrouw staat hier voor de mens, het kuiken voor de ziel, de kraai of ekster voor de duivel en het stenen en stokken gooien voor de zielmis. Als de mens teveel aandacht besteedt aan wereldse zaken, dan wordt de met zonden beladen ziel door de duivel gegrepen. Een zielmis baat dan niet meer. Denkt men daarentegen wel tijdig aan het zieleheil, dan heeft de mens in het vagevuur baat bij de zielmis, zo licht Willem toe.

Achter de zonden steekt in feite de verleidingskracht van de duivel; Willem noemt hem in21.Vanden doemsdaghe ende van sterven en 104.Vanden lichte `alder sonden vader' (vs.99 en vs.52). Het is de opzet van de duivel om zoveel mogelijk zielen in de hel te doen belanden. Willem wacht zich er echter steeds wijselijk voor om de schuld van alle zonden bij de duivel te leggen. De duivel brengt in verzoeking: maar het is de mens die de keuze maakt.

In 95.Vanden avontmael wordt onomwonden vastgesteld dat de hemel voor de zware zondaar niet bereikbaar is vooraleer hij zich van z'n zonden heeft bevrijd (vs.191-196). Het is derhalve noodzakelijk dat de zondige mens tijdig tot inkeer komt en berouw toont, zo blijkt in84.Vanden sacramente van Aemsterdam, waarin Willem over de zondaar zegt: `Al waren sijn sonden noch soe groot, Heeft hi berou voer sinen doot, Hi comter mede tot ghenaden' (vs.52-54). De zondaar heeft dit te danken aan Christus die is `ghestorven Den bitteren doot ant cruus alleyn Voer die sondaren al ghemeyn' (25.Dat ewangelium van Paeschen, vs.2-4).*17 In geval van berouw vergeeft God onze zonden; Willem haalt in 91.Van tween bomen het voorbeeld van Maria Magdalena aan*18:

Daer was Maria Magdaleen,

Een sondich wijf ende zeer besmet,

Hoer berou ende hoer ghebet

Dwoech die sonden weder ave.

Dat God die sonden niet vergave, (Als...)

Soe souden wy alle verloren bliven (91; 152-157)

In 47.Van drierehande staet van heren strekt koning David tot voorbeeld (vs.26-29). In104.Vanden lichte wordt benadrukt dat men zonder berouw en penitentie geen genade verkrijgt (vs.177-185). Voor het verkrijgen van vergiffenis zijn de sacramenten onontbeerlijk. De biecht is het genademiddel om zich van doodzonden te ontdoen.*19 Willem zegt in 64.Van die achte salicheiden:

Hier om rade ic elken sonder,

Dat hy te tijt sijn sonden claghe,

Ende en houdes niet ten lesten daghe;

Want die doot comt al onverhoet. (64; 150-153)

Men moet zich er niet voor schamen de zonden op te biechten aan de priester, zegt Willem in98.Vanden XL daghen (vs.42-57). Evenmin moet men vrees hebben voor de zwaarte van de penitentie in geval van grote zondigheid (vs.57-72). Het is bovendien van belang dat men regelmatig biecht, zolang alle zonden de mens nog helder voor de geest staan, zoals blijkt uit1.Van den testament (vs.191-197). Men moet zich niet alleen van begane zonden reinigen met de sacramenten, men moet zich tevens voornemen om niet meer te zondigen. Dit zet Willem uiteen in79.Vanden zekeren hope (vs.228-233). Als men zich eenmaal bekeert, dan vergeeft God snel: `Hy mach corter veel vergheven Dan heeft gheduert een sondich leven' (113.Vander bedevaert, vs.51-52).

Uiteindelijk heeft de mate van zondigheid niet alleen repercussies voor het persoonlijke heil, maar ook voor het heil van de (christelijke) wereld. Ware de wereld vrij van zonden, dan zou men Gods wraak niet hoeven te vrezen. Maar de spreker toont zich in 35.Vander wrake Goedsweinig optimistisch op dit punt: `Als die werlt in sonden rijst, Soe is te duchten ende tontsien, Datter wrake off sal gheschien' (vs.18-20). Daarop geeft hij enkele historische en actuele voorbeelden.

Tot slot zij hier een aardige gedachte vermeld, die Willem uitwerkt in 116.Hoe doude jonc willen wesen. De spreker gaat uit van de wens die veel ouderen koesteren: zij zouden graag weer jong willen zijn. Willem ziet weinig heil in dit verlangen; zoals vaker identificeert hij jeugd met zondigheid. Hij laakt het verlangen om weer jong te zijn vanwege het achterliggende motief: om de zonden die men heeft nagelaten alsnog te kunnen begaan. Er zijn ouderen die zich niet schamen over hun jeugdzonden, ja, die ze nog zouden willen herhalen en verdubbelen ook. Willem vraagt zich niet zonder zorg af hoe God over dergelijke mensen zal oordelen. Is het niet beter om oud te zijn in plaats van jong? De dichter draagt allerlei argumenten aan: ook al wordt men weer jong, ouderdom en dood blijven onafwendbaar. Bovendien kan men ook het risico lopen jong en in zonde te sterven. Iemand heeft het bijzonder goed getroffen als God hem de gelegenheid geeft om in z'n ouderdom zijn zonden te betreuren en zich tot de deugd te wenden. Wie als oudere gegronde hoop mag koesteren op hereniging met zijn Schepper, die zou toch wel dwaas zijn als hij die hoop weer wilde verspelen, door twintig of dertig jaar jonger te willen zijn? Wie weet dat een trouwe Vader op hem wacht, gaat liever voorwaarts dan achterwaarts. Uiteindelijk zal men niet graag één dag van de hemelse zaligheid prijsgeven voor duizend jaar op aarde. Willem komt met een verdienstelijke scheepvaart-vergelijking: wie tijdens het zeilen de wind goed weet te verdelen en door Gods hulp gesteund wordt, komt in een goede haven terecht. Maar zij die geen kou willen verdragen en alleen voor hun plezier varen, krijgen vaak tegenwind of lopen aan de grond. Wanneer iemand in een veilige haven terechtkomt, dan is hij dwaas daar weer uit te willen, zoals de ouden die weer jong willen zijn. Willem trekt een nog treffender vergelijking: wie genezen is verlangt niet naar z'n ziekte terug, dus waarom zou een oud mens verlangen weer jong te zijn (vs.189-190)? De dichter stelt kortom: de jeugd lijdt aan de ziekte der zonde, terwijl het ouder worden gezien en gebruikt moet worden als een genezingsproces. Met de dood en de mogelijkheid van een veilige haven voor ogen moet de mens zijn zonden betreuren en de deugd beoefenen.

Niet steeds expliciteert Willem wat onder zonde verstaan moet worden, zoals hij dat ook niet bij de deugd deed. Zonde is evenwel een wat vastomlijnder begrip, en vaak valt wel te herleiden op welke zonde(n) gedoeld wordt. In een gedicht kan in feite gerefereerd worden aan een aantal min of meer samenhangende zonden en deugden. In 11.Dit is van beschermen - op zich een vrij eenvoudig voorbeeld - laakt Willem de praktijk van het `bescheren' (kaalplukken) door de ridderschap. Over het bescheren zegt hij: `Tis met sonden soe besmet' (vs.103). Op welke zonden hij doelt moet tot op zekere hoogte herleid worden. Het kaalplukken behoort natuurlijk tot de hoofdzonde van de hebzucht. Tevens zal het verbod op stelen worden overtreden. Het niet-beschermen van weduwen en wezen behoort tot de roepende zonden. Verder is er een gebrek aan `Ontfarmen ende gherechticheit' (vs.157). De deugd van de justitia wordt dus geweld aangedaan en het ontbreekt de zondaars aan barmhartigheid, essentieel onderdeel van de caritas.

Hoofdzonden

De geloofsleer onderscheidt diverse categorieën zonden. In de eerste plaats is er de erfzonde die met de doop wordt afgewassen - Willem refereert kort aan de erfzonde als hij in 40.Vander gheboorten Christi spreekt over `Die eerste wortel onser sonden, Mits Adams daet' (vs.11-12).*20 Verder zijn er de dagelijkse of vergeeflijke zonden (de venialia), die door middel van bijvoorbeeld gebed of communie reeds vergeven worden. Vergeeflijke zonden alleen kunnen de mens niet verdoemen; ze worden uitgeboet in het vagevuur.*21 Verder kent de geloofsleer een paar groepen zware zonden. Naast de vreemde zonden, de roepende zonden en de zonden tegen de Heilige Geest*22 zijn er de zeven dood- of hoofdzonden (de peccata mortalia). Het betreft: hoogmoed (superbia), hebzucht of gierigheid (avaricia), onkuisheid (luxuria), woede of toorn (ira), gulzigheid (gula), nijd of afgunst (invidus) en traagheid (acedia).*23 Overtreding van de tien geboden geldt ook als doodzonde; diverse overtredingen zijn verdisconteerd in de hoofdzonden. Kennis van de hoofdzonden en de tien geboden werd van elke leek vereist in verband met de biecht.*24

De tien geboden zijn hiervóór al behandeld. Beperkt men zich tot de hoofdzonden, dan blijkt dat Willem aanmerkelijk meer aandacht heeft besteed aan de zonde van de hebzucht*25, dan aan welke van de zes andere doodzonden*26 ook. Dit is opvallend, zeker als men bedenkt dat hij het nóg vaker over hebzucht heeft zonder het begrip `ghiericheit' te gebruiken (bij omkoping, simonie etc.).

De hoofdzonden komen bij Willem soms als groep aan bod. In verschillende sproken behandelt hij het thema `jeugd versus ouderdom'. De jeugd kenmerkt zich door onbesuisde zondigheid. De jongelingen die het erg bont maken, lopen zelfs het gevaar te sterven vóór hun tijd, zonder gelegenheid te krijgen om in de ouderdom tot bezinning te komen. Willem spreekt in32.Vanden ouden ende vanden jonghen over zulke zondige jongelieden:

Hoveerde, ghiericheit ende nijt

Hebben menighen man verslaghen,

Eer hi quam ten ouden daghen.

Overaet ende overdranck,

Luxurie sonder groet bedwanck,

Vele te waken boven reden,

Haesticheit, onnutte zeden,

Dit sijn al punten ende zaken,

Die selden totter oude raken.

Wye totter oude comen sel,

Hy moet hem eerst regieren wel, (beheersen)

Te maten eten ende drincken,

Ende sinen God daer in bedincken,

Ende niet te langhe toornich sijn.

Gramschap is een quaet venijn

[...]

Hier om soe sullen wy ons versinnen

Ende mitter jongher joecht beghinnen

Te leven om een salich ende. (32; 122-136 en 141-143)

Hoogmoed, hebzucht, afgunst, gulzigheid, onkuisheid en toorn zijn de hoofdzonden die expliciet genoemd worden. De traagheid wordt niet vermeld maar wel geïmpliceerd: de jongelingen zijn traag in de zorg voor hun zieleheil, nalatig in het vervullen van hun godsdienstplichten. Willem beweert niet zozeer dat God de jeugdige zondaars vroegtijdig uit het leven wegneemt; eerder wil hij beweren dat de hoofdzonden het lichaam reële schade toebrengen.*27

In 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten komt Willem te spreken over hoogmoed, afgunst en hebzucht (een vaker voorkomende trits), die de mens naar de hel leiden:

Den pat, diemen ter helle gaet,

Dats hoverde ende nijt,

Daermen bi vallet ende glijt,

Ende nerghent vast gheleide en heeft

Te comen daermen ewich leeft.

Die ghiericheit maect ons oec den pat,

Die altoes vuyl is ende glat;

Want hoveerde, nijt ende ghierichede

Die en wercken salicheit noch vrede. (111; 34-42)

In het titelloze tweede gedicht hanteert Willem nogmaals de trits hebzucht, hoogmoed en afgunst. Door deze zonden verliest men volgens Willem het wereldse aanzien en Gods genade:

Dus en groeit in geenre stede

Quader venijn dan gierichede

Boven maten voel te plegen,

Daer is hoveerde in gelegen;

Die nijt die woenter vaste bi,

Der heren naem verdonckert si;

Eer ende orbaer, Gods hulde,

Verliest men al bi horen sculde (2; 197-204)

De meest uitgebreide aandacht aan de hoofdzonden als groep schenkt Willem in58.Vander heiligher kercken, waar hij klaagt dat de clerus niet meer leeft naar de eigen leer. Vele geestelijken maken zich schuldig aan doodzonden, en Satan steekt erachter. Het eerste waaraan de clerus zich schuldig maakt is `Hoveerde' (vs.89): de geestelijken willen thans een grote staat voeren. De tweede zonde is een combinatie van afgunst en woede; de geestelijken dragen scherpe messen en andere wapens `Die sy niet schuldich en sijn te draghen' (vs.109). De derde zonde is `Ghierichede' (vs.123): de geestelijkheid spreidt een schaamteloze inhaligheid ten toon. Voorts is er sprake van `Symonye' (vs.137). De clerus verkoopt geestelijke goederen en onttrekt daarmee geld aan de armenzorg. Willem constateert: `Nu is ontfarmicheit verstorven Ende karitaet in hem bedorven'(vs.145-146). Dat brengt hem bij het volgende punt: `Onghenade' (vs.155). De clerus kent geen barmhartigheid meer, tenzij men ervoor betaalt. Als zesde hoofdzonde noemt de spreker `Oncuyscheit' (vs.163). De geestelijken brengen het armengeld naar `wanckelen wiven' (vs.168):

Dat is der kerken groot verdriet,

Dat Lijskijn, Trijskijn hebben verworven

Tgoet, daer God om is ghestorven

Oetmoedelijc anden cruus. (58; 170-173)

De schaapherders ontpoppen zich als wolven. De clerus is `gulsich ende traech' (vs.183) geworden. Maar, zegt Willem, ook al is de clerus zondig, dit tast nog niet de kracht van kerk, leer en sacramenten aan: `Al saeytmen uut enen arghen korve, Twaer quaet dat dat saet bedorve' (vs.205-206). Kennelijk stak de vrees regelmatig de kop op dat de sacramenten van de zondige priester geen waarde hadden en niet bijdroegen tot het zieleheil der ontvangers. Troelstra merkt op dat de kerk officieel het volgende standpunt innam: `In den bedienaar van het sacrament werd alleen geëischt, dat hij de bedoeling had om te doen, wat de Kerk deed; op zijne persoonlijke verhouding tot God kwam het niet aan'.*28 Zelfs al leed de priester een uiterst zondig leven, dan deed dat niets af aan het sacrament. `Toch werden er stemmen vernomen, die iets anders leerden. Geert Groote waarschuwde er tegen, om de mis of ander `ambacht' bij te wonen van een priester, die openbaarlijk in ontucht leefde'.*29 Willem uitte wel kritiek, maar nam uiteindelijk het officiële kerkelijke standpunt in:

Elcman volghe sijns priesters woorde,

Ende dwing hem selven totter doecht,

Int leste wort hire by verhoecht

Ende van sonden oec ontladen. (58; 230-233)

Alle zeven hoofdzonden zijn in de sproke de revue gepasseerd, aangevuld met simonie (een vorm van hebzucht) en onbarmhartigheid (een gebrek aan caritas). En op iedere begane hoofdzonde stond volgens de leer een penitentie van zeven jaar, zo blijkt in 102.Een disputacie: `Voer elke hoeftsonde seven jaer Sellen si penitencie lyden hier, Of daer na int veghevier' (vs.130-132).

Hebzucht

Als men kijkt naar de behandeling van de afzonderlijke hoofdzonden, dan valt op dat hebzucht veelvuldig ter sprake komt, zowel in werelds als in geestelijk perspectief - voor zover die twee bij Willem te scheiden zijn (zie ook par.6.5.).

Het Westers Schisma moet volgens Willem in 35.Vander wrake Goeds (vs.95-98), 73.Dit is vander ghiericheit (vs.133-137) en 70.Van ses articulen der werlt onder meer aan hebzucht en simonie geweten worden. Hij expliciteert:

Die dopen souden ende wyen

Ende tghemene volck ten hemel wisen,

Die rapen vast mit groten pisen (hoeveelheden)

Der kercken goet in horen sack. (70; 184-187)

Willem maant eenieder aan vrijgevig te zijn, want `Miltheit taemt wel byden heren, Sijn si papen ofte leec' (73; 236-237).

In 43.Vanden rijcken vrecken vaart Willem heftig uit tegen de gierigheid, en hij plaatst dit ook in een religieus perspectief:

Ons seit een man van wisen leer,

Dat God den vrecken wil verhoghen

Alsmen een ezels hoeft sal moghen

In een hallincsbuerse sluten;

Ende sel hi daer nae bliven buten

Ter salicheit, soe ist qualic ghevaren (43; 24-29)

De vergelijking is niet van humor gespeend. De vrek zal zalig worden op de dag dat een ezelskop in een klein beursje voor hellingen past; dus nooit. De dichter waarschuwt de vrek ervoor dat hij zijn bezittingen bij z'n dood moet achterlaten en dat God de dood ieder moment kan toezenden (vs.31-33).*30 Men heeft het aardse goed immers slechts in leen. En Willem acht het hoogst onverstandig als de vrek `mit gheleenden goede Verdient die ewighe duusterheit' (vs.76-77). Hij maant de vrek om aan zijn zieleheil te denken, en aan de vrijgevigheid die God verlangt.

In 83.Hoemen voer die eere gaet schulen plaatst Willem de hebzucht in bijbels perspectief als hij in vs.203-214 de gelijkenis van de arme Lazarus en de hebzuchtige rijke man parafraseert (Lucas 16:19-31). De dichter voegt er aan toe:

Wy souden schulen voerden bosen,

Die ons brenct tot sulker nosen, (verdriet, schade)

Dat wy versumen ewich goet,

Dat God den sinen gheven doet

Soe mildeliken sonder ghetal.

Ten jonxsten daghen, daermen sal

Alle wercken openbaren,

Sonder lichten ofte zwaren

Soe sieter elck sijn oerdel blycken (83; 215-223)

De hebzuchtigen staat dan een veroordeling tot de hel te wachten. Eenzelfde conclusie wordt in87.Vander avontuer getrokken met betrekking tot de hebzuchtige mens: `Die sel mitten ewighen ban Inder hellen gront verslinden [=verzwolgen worden]' (vs.287-288). Het is Lucifer die de hebzuchtigen aan zich bindt, blijkt in 102.Een disputacie: `Lucifer die helptse binden, Die ghierighe' (vs.24-25).*31 De duivel doet dit in een poging zoveel mogelijk zielen van het licht af te houden, dat hij zelf ook eeuwig moet ontberen. Met het nodige pessimisme wordt gesteld:

Nu is die menscheit alsoe cranc,

Si en can hoer selven niet bewaren, (beschermen)

Lucifeer mit sijnre scharen

En brencse totter ghierichede

Ende oec tot anderen sonden mede,

Al daer die ziel om blijft ghewont,

Op datse God ter lester stont

Van sinen aenschijn sel veryaghen

Ende wisen totter helscher plaghen, (kwelling)

Die sonder eynde is ende zwaer. (102; 56-65)

Hoogmoed

Hebzucht is bij Willem meer dan hoogmoed de wortel van alle kwaad.*32 Wel komt na de hebzucht de hoogmoed, samen met nijd, vervolgens het meest aan bod. De verpersoonlijking bij uitstek van de hoogmoed is natuurlijk de opstandige engel Lucifer, die in de hel stortte, zoals onder andere aangegeven in 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven:

Dus is hi alder sonden vader,

Out van daghen ende quader

Dan doe hi vel om sijn hoveerde

Uten hemel doer die eerde

Inder hellen gront beneden. (21; 99-103)

Door de eerste daad van hoogmoed is het verschil tussen deugd en zonde in feite ontstaan, betoogt de spreker in 81.Vanden sloetel: `Want die scriftuer tughet mi vry, Dat hoveerde inden hemel quam, Ende maecte wech [=wig] ende dam Twisken archeit ende doecht' (vs.44-47). Ook in 62.Van rechtighen rechters betoogt Willem dat hoogmoed de eerste zonde was, waar Lucifer om ten val kwam (vs. 57-60). Daarom, zo voegt Willem toe, zal het op aarde ook nooit aan hoogmoed en afgunst ontbreken. Wie hoog wil stijgen, zal diep vallen, meent hij elders, `Want hi slacht nae Lucifeer, Die om hoveerde viel soe seer' (39.Vanden meerblade, vs.117-118).

Hoogmoed komt verder bij Willem voor in de context van oorlog en strijd, zoals in 4.Van den X gheboeden, waarin hij waarschuwt dat God zich zal wreken op `wie den strijt mit onrecht sceert [=verordent] Sonder noet om sijn hoveerde' (vs.304-305). In 70.Van ses articulen der werltmoet de dichter mismoedig vaststellen dat `Hoveerde, werringhe ende strijt' aan de orde van de dag zijn bij de papen en de heren (vs.75-77). Ook in verband met de Hoekse en Kabeljauwse twisten moet een dominante rol van de hoogmoed worden vastgesteld. In 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen stelt Willem ondubbelzinnig: `God, die anden cruce stoet, Die heeft hoveerde zeer verwaten' (vs.156-157). Ootmoed zou de mens sieren. In 66.Van drierehande lyden komt in verband met de twisten eveneens de rol van `nyde' en `hoveerde' ter sprake (zie vs.169-210). Slechts in één geval lijkt Willem de hoogmoed in verband met de strijd iets positiever te benaderen, als hij het heeft over de landsverdediging in 115.Van goeden ghedachte. Hij zegt dat hoogmoed geen waarde heeft, behalve als men zich dapper moet betonen op het slagveld (vs.85).

Ook in verband met opsmuk en pronkzucht brengt Willem de hoogmoed aan de orde, zoals in 6.Van VII punten die wy voer oghen hebben souden waarin hij de ongebreidelde zucht naar `Duer juweel of scone peerde' afkeurt (vs.83). Dat hij daarbij niet exclusief de adel op het oog hoeft te hebben, blijkt als hij in 97.Vander drierehande staet der werlt de hoogmoed van de clerus bespreekt:

Waermen weet die clesi comen,

Daer wilt al in feesten leven.

Oec heb ic die waerheit beseven,

Datse duerbair cleder draghen,

Daer toe ryden hoghe paghen (paarden)

In hoveerde, die God verboot. (97; 262-267)

Ook de `huusman' kon zich aan hoogmoed schuldig maken, namelijk als hij de standsgrenzen wilde overschrijden: `si climmen mit hoveerden, Ende elc wil anders beter sijn' (vs.334-335). Willem leert in de sproke dat de `huusman [...] in hoveerde' niet hoger moet klimmen `Dan sinen staet behoerlic es' (vs.228-231).

Een uitgebreider behandeling krijgt de hoofdzonde in 88.Van hoveerde. Willem pleit in deze sproke voor de caritas, de deugdzaamheid en de nederigheid ten behoeve van het zieleheil. De najagers van het `aertsche slyke' (vs.28) houdt hij het lot van de hovaardige Lucifer voor. Alle hoogmoedigen en hebzuchtigen zullen dezelfde weg gaan. Een ieder zal rekenschap van zijn werken moeten afleggen tegenover God, die met het tweesnijdend zwaard der gerechtigheid zal oordelen. De hoogmoedigen zal Hij tot de onbeschrijfelijke hel verdoemen, en derhalve is het voor een ieder van het grootste belang om tijdig tot inkeer te komen en de hoogmoed af te zweren. Wat betreft het onderwerp sluit hier het volgende gedicht in zowel hs.H als hs.B tot op zekere hoogte bij aan: 89.Een ewangelie. In eerste instantie beschrijft Willem kort een stukje heilsgeschiedenis conform de kerkleer: Christus nam een menselijk lichaam aan, stierf voor ons de kruisdood, bracht Zijn Vader tot vergeving van zonden en bevrijdde de mens van de hel. De dichter voegt toe dat Christus' leer ieder ter zaligheid moet brengen. Dan stelt hij: `Hoveerde heeft hi meest verwaten, Want si is alder zonden moeder' (vs.25-26). De hoogmoed kent thans vele aanhangers. Jezus sprak evenwel: `Wye hem vernedert hier int leven, [...] Dat hi mit Gode sal sijn verheven' (vs.34-36; Matth.23:12). De hovaardigen die in zonde sterven mogen met recht bang zijn, want God zal Zich wreken. Zij die zich verheffen zullen vernederd worden. God zal de nederigen beschermen en in de hemel opnemen. Het is wijs als de hooggeboren edelman ook buigt voor zijn minderen en hen groet. Het maakt hem er niet minder om. Als hij zich voor hoogmoed hoedt, dan zal het hem voor de wind gaan. Maar wie in hoogmoed blijft leven, zal onderop eindigen. Beide gedichten klagen de hoogmoed aan en hier lijkt Willem deze hoofdzonde als de meest ernstige*33 en wijdverbreide te beschouwen. Vaardig laakt hij, in het perspectief van heil en hiernamaals, de hoogmoed en in zekere zin de daarmee verbonden wereldsgezinde hebzucht, terwijl hij vergezeld van enkele Schriftreferenties caritas en nederigheid propageert.

Afgunst

Het begrip `nijt'*34 keert regelmatig terug als Willem het heeft over (partij)strijd. Bijvoorbeeld in52.Een exempel van partyen, waarin hij beschuldigend opmerkt: `Die nijt is groot onder den heren' (vs.30). Een sententie moet de kwalijke gevolgen hiervan onderstrepen: `Daer vrienden onderlinghe nijt wercken, Dat sy horen vyanden stercken' (vs.49-50). Willem roept uit: `Wapen over die felle nijt, Die schiet [=plaats heeft] in steden off op tlant!' (vs.52-53). Willem besteedt de meeste aandacht aan de (te verbeteren) toestand in de wereld en het (te corrigeren) gedrag van de heren; slechts kort plaatst hij dit alles expliciet in een religieus perspectief, met de verzuchting: `Die voer ons allen leet die smerte, Die moetet noch int beste voirsien!' (vs.56-57). De spreker maant in 81.Vanden sloetel zijn publiek `Dat ons nijt noch ander werre Niet en brenghe vander rijck, Daer vruechd sel wesen ewelijck' (vs.76-78). Hier is de relatie tussen zonde en zieleheil evidenter. Willem klaagt in 106.Van karitas over de heren: `Want heren worden wreet in macht, Ende onder hem, van grade te grade, Soe rijst nijt ende onghenade, Overdaet ende groot ghevecht' (vs.184-187). Maar de dichter waarschuwt even verder dat de `nydighe' zal eindigen in het `ewich vier' (zie vs.203-206). Hij stelt de minne, de caritas tegenover de afgunst.*35 En als Willem het over de oorlog heeft in 120.Dat elc sinen meerren ontsiet, dan onderkent hij ook de hand van de duivel hierin: `Die vyant sayter in sijn zaet; Hoverde, nijt ende onghenade Die wast soe starc by sinen rade' (vs. 96-98). In 62.Van rechtighen rechters tenslotte geeft de spreker aan om welke vier redenen het recht door rechters geweld wordt aangedaan: uit angst, uit liefde, om geld en uit afgunst/haat. Over dit laatste heet het:

Dat vierde punt dat is die nijt,

Daer Goods recht om wert versmaet

Mitten menighen inder tijt,

Om dat hi den ghenen haet [hi=rechter]

Die voer hem te rechte staet,

Al daer hi node yeghens strijt,

Soe soect hi enen nauwen raet,

Aldaer sijn recht mede wert ontwijt. (62; 145-152)

Woede

Als Willem bij het vijfde gebod is aanbeland in 4.Van den X gheboeden, dan introduceert hij in z'n formulering ook de hoofdzonden afgunst en woede: `Ghi en sult in nyde noch in toren Nyemont slaen noch steken doot' (vs.280-281). In 32.Vanden ouden ende vanden jonghen verklaart hij: `Gramscap is een quaet venijn Beyde den lichaem ende den sin' (vs.136-137). En Willem geeft in82.Van ruste lucht aan zijn verontwaardiging als hij vraagt:

Waer sijn si die den heren raden

Manslacht ende groten toern,

Dat si dit bispel niet en horen,

Hoe wel den heren ruste voecht,

Op dat si hem keren ter doecht. (82; 92-96)

Moord, woede en onrust staan in dit gedicht in oppositie tot de rust, vrede en deugd die God welgevallig zijn. De hemel en God representeren de rust, de hel en de duivel vertegenwoordigen de onrust. De ziel zal tot de onrust gedoemd zijn als men op aarde geleefd heeft `In toorn, in nyde ende in hoveerden, In menichfoudelyken sonden' (vs.110-111). In 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten wijst Willem erop dat zijn werk er steeds op gericht is geweest de juiste weg naar de hemel te wijzen. En die juiste weg bewandelt men `Sonder nijt ende sonder toern' (vs.21).

Opmerkenswaard is de passage in 76.Vander rekeninghe waarin Willem kort aangeeft dat God de zondaars weliswaar straft en dat Hij zich op hen wreekt, maar dat daaraan geen toorn of `nijt' te pas komt: `Want God en wreect mit ghenen toern. Had hi toern of nijt ghesmaect, Soe en waer sijn wesen niet volmaect' (vs.270-272). God kan niet in hoofdzonden vervallen omdat Hij perfect is.

Onkuisheid

Zoals hiervóór al bleek achtte Willem `Luxurie sonder groet bedwanck' schadelijk voor de gezondheid (32.Vanden ouden ende vanden jonghen, vs.126). En in 48.Hoe man ende wijff sullen leven verzette hij zich tegen de visie op het huwelijk als een instituut voor `geoorloofde onkuisheid': het huwelijk is niet bedoeld om `Sijn oncuuscheit te doen te bat' (vs.20).

Bij uitstek over de onkuisheid gaat de boerde 85.Vanden monick. Vooral clerici, gehouden aan het celibaat, moesten oppassen voor de luxuria.*36 Willem stelt in de proloog dat de gelegenheid de dief maakt en het vlees zwak is. Vrouwen kunnen maar beter geen gelegenheid geven, en `enicheit' schuwen (vs.15), want de man geeft gemakkelijk aan de verleiding der zonde toe. De dichter voegt daar betekenisvol aan toe dat hij zijn eigen biechtvader niet zou vertrouwen `In enicheit mit schone vrouwen; Want die vyant is naradich' (vs.24-25). Dan volgt het verhaal: een vrome Dominicaan die goed kon preken werd zo vaak door een edele schone maagd bezocht voor de biecht, dat hij voor de verleiding bezweek. `Entie broeder diende hoir mit half sesse*37, Ende si verstont van sijnre lesse Tpater noster entie crede, Soe dattet wide van haren clede Begonde te vollen in die zyden' (vs.59-63). De gemeente begon kwaad te spreken. De broeder werd erg ongerust en was de wanhoop nabij, toen de duivel hem bezocht, die zich voordeed als een `meester' met invloed bij de duivel. De duivel bood zijn hulp aan - in feite om wraak te kunnen nemen op de broeder, omdat deze het volk zo bevreesd maakte voor de duivel. Hij toverde het geslachtsdeel van de monnik weg, zodat deze zijn onschuld kon aantonen: hij was nu nog platter dan een vrouw. Tijdens de preek ging de monnik vervolgens tekeer tegen de kwaadsprekerij. Om zichzelf van alle blaam te zuiveren, gooide hij zijn pij open. Daarop toverde de duivel z'n geslachtsdeel weer terug: groter en stijver dan ooit tevoor. De broeder werd door het kerkvolk vervloekt en mishandeld, en uiteindelijk voor dood weggedragen. In zijn slotwoord waarschuwt Willem ervoor om `Te drincken heimelic ghelach' (vs.206). De slotverzen zijn scabreus:

Want vintmen meyskijns slap ghegort,

Ende sijn hem dan die hielen cort,

By enen cleynen orisoen (gebed)

Machmense opwert nighen doen;

Mar stolpelinghe vallen si node: (voorover)

Dat doet si sijn van herten blode.

Vellen si ontwee nose ofte mont, (kapot)

Therte en bleve niet ghesont;

Quetsten si knye of ellenboghe,

Soe en sijn si niet in goeden hoghe; (verheugd)

Ende want si aldus sijn vervaert,

Soe vallen si liever achterwaert,

Al wortet hem een deel te suer,

Dan si tlijf in davontuer

Setten of hoer zonde lede; (gezonde)

Want vrouwen hebben altoes gheerne vrede.*38 (85; 219-234)

Met andere woorden: er zijn meisjes die, op zoek naar sexuele bevrediging, maar al te snel bereid zijn hun kleren af te gooien en op hun rug te gaan liggen om de geslachtsdaad te verrichten. Zij zijn echter niet in voor alternatieve houdingen: ze vrezen zich te bezeren als ze zich op knieën en ellebogen laten vallen. Of dit wellicht iets te maken heeft met het kerkelijke verbod op alternatieve houdingen in het menselijke sexuele verkeer*39 - ingegeven door duivelse wellust en ongeschikt voor bevruchting -, is allerminst duidelijk. Drijft Willem hier misschien de spot met de mate van religieuze principe-vastheid bij vrouwen: wel bereid tot het bedrijven van onkuisheid, maar afkerig van tegennatuurlijke posities op religieuze gronden? In elk geval kenmerkt 85.Vanden monickzich door een `dubbele moraal': enerzijds functioneert de sproke, hoe vermakelijk ook, als waarschuwing tegen onkuisheid en de listen van de duivel*40, anderzijds mag de sproke als grap worden opgevat en verlustigt ook de spreker zich in het scabreuze karakter van het onderwerp.

Gulzigheid

De mensen weten, in tegenstelling tot de dieren, vaak geen maat te houden, betoogt Willem in4.Van den X gheboeden. En hij doelt dan onder meer op de hoofdzonde der gulzigheid: `In gulsicheit ende in bosen seden Breken si hoers selfs natuere Ende Gods gebot ter meniger ure' (vs.72-74). Zoals hiervóór al is gemeld achtte Willem `Overaet ende overdranck' schadelijk voor het menselijk lichaam (32.Vanden ouden ende vanden jonghen, vs.125). Naast het lichaam schaadt de gulzigheid ook de ziel, zo wordt duidelijk in 41.Van seven doechden der minnen: `Gulsicheit is onbequaem Beyde der zielen ende den lichaem; Si hout den mensche in weldoen lat' (vs.119-121). Gulzigheid veroorzaakt traagheid in het beoefenen van de deugd. Naast hebzucht speelt ook gulzigheid een rol in het Westers Schisma, aldus Willem in 73.Dit is vander ghiericheit, waar hij over de clerus zegt:

Want sy spisen den lichaem

Gulseliken eerst van binnen,

Entan gaen si van buten winnen

Groten schat ende duer ghewade (73; 162-165)

Traagheid

De hoofdzonde der traagheid komt in de praktijk neer op nalatigheid in het vervullen van de godsdienstplichten.*41 In 70.Van ses articulen der werlt heeft Willem het erover `Dat onse ghelove wert soe traghe' (vs.69). De traagheid schuilt in een gebrek aan caritas en een teveel aan hoogmoed, twist en strijd. De traagheid komt bij Willem verder onder meer ter sprake in113.Vander bedevaert, waar gesteld wordt dat men tijdig berouw moet tonen, moet biechten en penitentie doen: `Die traechlic comt in allen dinghen, Die sietmen selden verre springhen' (vs.71-72). Telkens als Willem erop wijst dat men tijdig moet gaan biechten (zie par.7.2.3.), dan waarschuwt hij eigenlijk voor de acedia, al zegt hij dat niet steeds met zoveel woorden.

Hiermee is de deugden- en zondenleer zoals die bij Willem naar voren komt behandeld. In vele sproken brengt hij in talloze variaties deugd en zonde ter sprake in verband met respectievelijk heil en verdoemenis. Tegelijkertijd trachtte Willem zijn gehoor vaak met een beroep op deugd en zonde aan te sporen tot actieve gedragsverandering, mede ter verbetering van het bestaan van velen op aarde. De voornaamste deugden worden bij Willem gevormd door de caritas en de rechtvaardigheid. De spreker onderkent de duivel als de eeuwige verleider en de mens als de schier onverbeterlijke zondaar. Willem stuurt telkens aan op tijdige bekering, berouw van zonden en beoefening van de deugd. Onder zonde kan de spreker dobbelen en drinken verstaan, maar de grote hoofdzonden vormen voor hem de trits hebzucht, hoogmoed en nijd. Dat juist deze hoofdzonden zo veelvuldig aan bod komen, kan goed verband houden met de elitaire samenstelling van zijn publiek. Als hij poneert dat de elite het goede voorbeeld zou moeten geven, dan zal regelmatig zijn eigen gehoor zich aangesproken hebben mogen voelen. Willems behandeling van deugden en zonden is niet moeilijk of geleerd, maar beperkt zich tot de essenties en sluit direct aan bij de eenvoudige geloofsleer voor leken. Het gaat hier om de deugden- en zondenleer van een onderlegde leek, die zich naar vermogen in het geloof verdiept had, en die zijn leer heeft bestemd voor en afgestemd op een publiek van eveneens goeddeels onderlegde leken.