Regelmatig keert het begrip `weldoen' in Willems sproken terug.*1 Onder `weldoen' kan in het Middelnederlands
worden verstaan: goede daden verrichten, deugdzaam leven, dapper zijn in de strijd, welvaren, een gunst of weldaad
bewijzen.*2 In Willems sproken wordt het begrip, behalve in de betekenis van deugdzaam leven, ook specifieker
gehanteerd. Uitgangspunt kan de algemene uitspraak zijn aan het slot van 38.Vanden ghesellen die ommeseylden.
Willem zegt er dat eenieder op de dood moet zijn voorbereid:
Want nyemant tijt noch stont en weyt,
Hoe off waert hem sel gheschien.
Dus ist een wiselic voersien,
Die in weldoen ende in doghen
Tewighe leven heeft voir oghen. (38; 98-102)
Wie in de hemel wil komen, moet deugdzaam leven. Op de doemsdag wordt men namelijk beoordeeld op zijn `wercken' (vs.244), blijkens 70.Van ses articulen der werlt. Het oordeel zal afhankelijk zijn van de vraag of men `quaet off guet ghedaen' heeft (vs.246). Degenen die `weldoen nu in horen tyden' (vs.250) mogen hoop koesteren op de hemelse zaligheid. Weldoen is hier kennelijk synoniem met `goed doen', `deugdzaam leven'.
Enkele malen wordt weldoen met rechtvaardigheid in verband gebracht. Zo spreekt Willem in 31.Van sterven over
heren, clerken en patriarchen uit het verleden die `weldoen talre best' achtten (vs.164). God spaarde hen en liet hen
oud en grijs worden `Om hoir grote gherechtichede' (vs.168, vgl. vs.170). In 68.Vanden spieghel wordt vanaf
vs.116 het onrecht gelaakt: heren, vrouwen, baljuwen, schouten en schepenen wordt aangeraden het recht te
handhaven. In zijn slotwoord laat Willem hier direct op volgen:
Elcman peynse in sijn jaren
Wel te doen, het sal hem vromen,
Want voerden rechter moetwy comen,
Die noch sel rechten onghespaert,
Ende nyemants danck noch myede gaert. (68; 150-154)
Er wordt opzettelijk een parallel getrokken tussen het aardse en Goddelijke recht. De oproep `wel te doen' lijkt op
weinig anders dan de eerlijke rechtsgang te kunnen terugslaan. In 101.Hoe die heren eerst quamen wordt vervolgens
uiteengezet dat de heren zo'n 700 jaar na Noach het zwaard hebben ontvangen en als handhavers van het recht
werden aangesteld. Willem meent:
Die eerst wert heten wel gheboren,
Dat was die gheen die trecht ontbant (handhaafde?)
Ende weldoen inder werlt vant.
Weldoen ende gherechtichede
Dat gheeftmen goede heren mede (101; 76-80)
Weldoen en rechtvaardigheid zijn niet synoniem, maar wel nauw met elkaar verbonden. Dat blijkt ook in het slot,
nadat Willem heeft gewaarschuwd dat het recht altijd zijn loop moet hebben:
Ghi heren, hier an moechdi horen
Dat weldoen is u an gheboren;
Wantmen by doecht die heren coos, (om)
Doe al die werlt was rechteloes.
Al sidi hoech ter werlt gheseten,
Ghi sult rechte mate meten (101; 115-120)
Ook hier hangen weldoen, rechtvaardigheid en deugd samen.*3
In 40.Vander gheboorten Christi zet Willem uiteen dat wie deugdzaam leeft, door God beloond zal worden. Zij die
boze daden verrichten en zich vastklampen aan het aardse zullen uiteindelijk door God worden gestraft, ook al laat
Hij ze op aarde rijk worden en vreugde ondervinden. Willem meent: `Sy tyden [vertrouwen] op een wanckel niet, Al
die gheen die weldoen sparen' (vs.50-51). Hij heeft het over degenen die het volk belasten, ieder hun wil opleggen,
en in wereldsgezinde vreugde `dansen' en `hoven' (vs. 60) - kennelijk de aristocratie. Het is echter allemaal `ydel
glori' (vs.61). Wie met zijn zieleheil rekening houdt, die neemt zich voor om niemand te verdrukken en
onderdrukten bij te staan, want de goede christen heeft God lief en bewijst zijn naaste `broederlijcke min' (vs.78).
Uit deze redenering blijkt dat weldoen caritas verondersteld. Weldoen is altijd goed, want `Tweldoen is uut Gode
ghesproten' (vs.94). Maar weldoen krijgt op aarde de nodige tegenwerking: `Dat doen die gheen dies niet en
pleghen Ende totter boosheit sijn gheneghen, Dien is tweldoen niet belanc' (vs.97-99). Uit de formulering kan men
opmaken dat `weldoen' begrepen moet worden als `wel doen', goed doen. Het werkwoord `pleghen' duidt het
handelingsaspect aan: men moet goede daden verrichten. Kwade lieden hebben hierbij geen belang, zo blijkt: ze
worden er, vanuit aards perspectief bezien, niet beter van. Willem vervolgt: `Tweldoen gaet den rechten ganck,
Entat en menen sy niet te doen' (vs.100-101). Blijkbaar bedoelt de dichter dat wie weldoet naar rechtvaardigheid
streeft. Ook hierbij hebben sommigen geen belang. Willem redeneert voorts:
Wye weldoet is altoes coen
Ende onversaecht, wat hem gheschiet;
Die weldoet hem en twifelt niet.
Waer om soude hi hem versaghen?
Al worde hi by sijn heer verslaghen
Onvoersienlic in een kijff,
Wat verloer hi dan sijn lijff? (dan slechts)
Die ziel en machmen niet onterven (40; 102-109)
Wie weldoet behoeft niet in onzekerheid te verkeren over zijn zaligheid. Al sterft hij plotseling in een twist, zijn ziel
zal naar de hemel gaan, en dat is het voornaamste. Daarom stelt Willem: `Int weldoen woent een ewich vrede'
(vs.112). Hij vervolgt:
Al waer een van naturen quaet,
Hy schaemt hem als hi weldoen ziet.
Dus ist menichwerff gheschiet,
Dat die bose weldaet dede,
Niet om minnen, mer om die zeede;
Doch ist beste best ghedaen. (beter goed)
Weldoen doet guet loen ontfaen,
Weldoen is een edel have. (40; 118-125)
Ook voor weldoen geldt dat goed voorbeeld goed doet volgen. Boze lieden schamen zich als zij anderen het goede
voorbeeld zien geven. Weldoen moet evenwel bij voorkeur oprecht en uit liefde (voor God en de medemens)
geschieden. Goede daden behoort men niet te verrichten uit gewoonte, omdat het zo gebruikelijk is. Deze
opmerking roept associaties op met de min of meer ingecalculeerde liefdadigheid van bijvoorbeeld het Hollandse
hof: de rekeningen bevatten vrijwel jaarlijks een rubriek Om Gode ghegheven. Het betreft hier de administratieve
verwerking van de gebruikelijke gegeven aalmoezen. `Weldoen doet guet loen ontfaen': men doet iets voor de
medemens en wint daar, vanuit religieus oogpunt bezien, zelf ook aan. Wie weldoet komt reeds in dit aardse leven
in Gods gunst te staan. Maar zelfs als God de mens op aarde nog niet beloont voor zijn goede daden, dan is het
goed om `wel' te `doen', omdat het de eigen zaligheid bevordert (vs.126-128). Wie niet weldoet en in zonde sterft,
zal verdoemd worden. Men kan zichzelf in het aardse bestaan voor de gek houden, maar `Toordel Goods en sel niet
lieghen' (vs.150). Wie goede werken heeft verricht, gaat bij het Oordeel vrijuit. Willem concludeert:
Wye in weldoen hem verblijt,
Alsulke blyscap minnet God.
[...]
Wie dat doecht voer archeit kinnen, (kunnen onderscheiden)
Die sellen ymmer dbeste kyesen:
Men mach mit weldoen niet verliesen.
Na weldoen comt die blyscap al,
Die sonder eynde duren sal:
Dus ist een seker toeverlaet,
Die hem wacht van boser daet. (40; 156-157, 162-168)
Men mag uit dit gedicht opmaken dat het afzien van `weldoen' voortkomt uit wereldsgezinde zelfzucht, de behoefte
om onbekommerd in rijkdom te leven, macht uit te oefenen en te misbruiken. Wie `weldoet' verricht goede daden uit
caritas, streeft naar rechtvaardigheid en staat de onderdrukten bij in hun nood. Waar `deugd' meer het abstracte,
innerlijk-goede representeert, vertegenwoordigt `weldoen' bij Willem meer het actieve, uiterlijk-goede: de
deugdzame handelingen, de goede werken. Het heeft er alle schijn van dat Willem met weldoen in het bijzonder
doelt op de werken van barmhartigheid. Tot de zeven werken van barmhartigheid worden gerekend: hongerigen
spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, gevangenen verlossen, zieken bezoeken en
doden begraven. Daarnaast kent men werken van geestelijke barmhartigheid. Hiertoe behoren onder meer: het
vergeven van vijanden, het berispen van zondaren, het onderwijzen van onwetenden, het troosten van beproefden en
het bidden voor allen.*4 In 53.Van gheduricheit zegt Willem over het weldoen:
[...] weldoen is een salichede
Te Gode ende oeck ter werlt mede.
Weldoen voertmen sonder blame,
Dan machmen niet der schalken name,
Die mitter boesheit sijn besmet.
Weldoen heeft God selff gheset
Ende vervolt mit sijnre leer;
Die boesheit comt van Lucifer,
Die salmen schuwen ende miden.
Wye in weldoen neemt verblyden,
Die hout die leer van Salomoen (53; 19-29)
In het vervolg van het gedicht komt Willem dan weer te spreken over het dubbele liefdesgebod dat liefde voor God en de medemens gebiedt. Dit gebod tot caritas vormt de basis voor de werken van barmhartigheid. En mogelijk doelt Willem ook op deze werken zoals beschreven in Mattheüs 25:35-36. Degenen die de werken hebben verricht worden door Christus de rechtvaardigen genoemd, die in Zijn Rijk ontvangen zullen worden. En het was in het bijzonder Salomo die de leer van de rechtvaardigen heeft uiteengezet.
Zoals Willem in bovenstaand citaat vaststelt staat weldoen niet alleen in Gods gunst, maar heeft ook de wereld baat
bij caritas en goede werken. In 67.Een notabel geeft de dichter aan dat men in de hemel op zijn goede werken wordt
beoordeeld: `Wercken sijn daer best gheacht' (vs.25). Hij concludeert:
[...] wye weldoet, die maect hem quijt
Der ewigher doot, nae desen leven,
Daer die bosen moeten in sneven;
Want elkerlijc sel loon ontfaen
Nae wercken, die hi heeft ghedaen. (67; 28-32)
Hier worden weldoen en goede werken expliciet met elkaar in verband gebracht. Dat geldt ook voor 118.Opt
voersien. Willem beschrijft er dat als ziel en lichaam van elkaar scheiden men verantwoording voor zijn daden moet
afleggen: `Alsmen van allen reden gheeft, Ende ymmer reden gheven moet, Soe waer weldoen dbeste goet'
(vs.38-40). Allen moeten voor Gods oordeel verschijnen: `Naden wercken, die si plien, Soe moet hem rechten loon
gheschien' (vs.51-52, vgl. vs.171-172). Men moet zich derhalve op het sterven voorbereiden met goede werken
(vs.83). Ook in 1.Van den testament worden goede werken en weldoen in één adem genoemd. Een overpeinzing bij
het sterven luidt: `Heb ic goede werken gedaen, Die mogen my in staden staen' (vs.147-148). Dit in tegenstelling tot
de vervolgens aangehaalde hebzuchtigen, die denken op het laatste moment hun leven wel te zullen beteren, doch
onvoorzien overlijden. Dit impliceert dat zij zich als hebzuchtigen niet meer tijdig kunnen bekeren om de
barmhartigheid te beoefenen in de vorm van vrijgevigheid (het schenken van aalmoezen). Vervolgens keert Willem
terug naar zijn eerdere opmerking: `Mer die weldoen die mogen hopen' (vs.163), namelijk op de hemelse zaligheid.
Heel duidelijk is de identificatie van weldoen als het verrichten van goede werken in41.Van seven doechden der
minnen. Als hij bij de zesde deugd is aanbeland, merkt Willem op:
Die seste doecht, die minne ons scrijft,
Entaer si bi ghestadich blijft,
Die machmen proeven ende mercken
Int volbrenghen vanden wercken.
[...]
Wye in eeren hem verschinen, (zich vertonen)
Die sietmen dick om weldaet pinen.
Wye int weldoen bliven traghe,
Die sijn onghemint al hoir daghe (41; 131-142)
Bezien we kort wat Willem over de goede werken zegt.*5 Hij is van mening dat men niet alleen moet geloven,
maar dat dit geloof ook tot uiting moet komen in daden. Willems vermaan heeft aldus betrekking op de praktijk van
het (dagelijkse) bestaan, en zet aan tot actie en gedragscorrectie. Hij zegt naar aanleiding van de twaalf
geloofsartikelen in 79.Vanden zekeren hope:
Twaelf punten, die wy sullen
Gans gheloven ende oec vervullen
Mitten wercken der ghelove.
Dat ic veel mijn sinnen clove
In woorden schoen ende twerc onreen,
Soe is mijn ghelove cleen.
Byden doechdeliken wercken
Machmen kennen ende mercken
Wye volcomelic ghelooft. (79; 65-73)
De dichter benadrukt dit verschillende malen.*6 Willem gaat niet diep in op de aard van deze werken: het zal gaan
om het beoefenen van deugdzame werken en waarschijnlijk in het bijzonder de werken van barmhartigheid. Hij
spreekt namelijk over `werck van caritaten' (vs.43) en `werc van minnen' (vs.248). Maar ook biechten en penitentie
doen rekent de spreker hier tot de goede werken (zie vs.310-320).*7 In 99.Vanden doern ende vander linde rekent
Willem de `Ontfarmicheit' (vs.188, barmhartigheid) tot het `werc van caritaten' (vs.192). En in112.Twisschen wil
ende die waerheit worden de goede werken aan de rechtvaardigheid gerelateerd als Willem opmerkt: `Uter waerheit
soe comen voert Alle doechdelyke wercken. Die waerheit en wil gheen onrecht stercken' (vs.28-30). In 88.Van
hoveerde zet de dichter uiteen dat ieder bij het Oordeel op zijn werken zal worden beoordeeld: `Want naden
wercken moeti ontfaen Loen, alst leven hier is ghedaen' (vs.55-56). En: `Elc sel voer hem ghescreven bringhen
Wercken, die hi heeft bedreven' (vs.62-63).*8 In 79.Vanden zekeren hope heet het:
Tis om niet dat yemant waent
Ewich loen van Gode te winnen,
Hi en doe alre eerst werc van minnen:
Uut goeden werc comt seker hoop. (79; 246-249)
Willem rekent het tot de taak van de geestelijkheid om ook op dit punt het goede voorbeeld te geven: `Die priesters [sijn ter werlt ghesat] om die goede werken, Die sy den luden sullen tonen' (73.Dit is vander ghiericheit, vs.172-173).
Weldoen in de connotatie van dapperheid in de strijd treft men slechts eenmaal aan in92.Van feeste van heren,
waarin Willem het heeft over de gebruiken op het toernooifeest.*9 Als hij het over de toeschouwende vrouwen
heeft, merkt hij op:
Wanneer die heren houden hof
Ende der wapenen willen plien,
Na dien weldoen, dat si sien, [si=de vrouwen]
Soe wortet lof ghegheven daer (92; 58-61)
Het begrip weldoen komt nog verschillende malen vaker in dit gedicht voor, maar niet meer in deze betekenis.
Tenslotte moet de opmerkelijke slotformule uit 98.Vanden XL daghen vermeld worden, waarin Willem zegt zijn publiek wel graag op het rechte pad te wijzen, maar zelf `in weldoen lat' te zijn (vs.166). Na de vermanende toon in zijn gedicht relativeert de spreker zijn gezag enigszins. Willem was zelf blijkbaar niet altijd in staat de deugd te betrachten (een sprookspreker is ook geen heilige) of de naastenliefde te beoefenen (geen geld om aalmoezen te geven?).
Weldoen kan heel algemeen opgevat worden als deugdzaam leven, maar bij Willem staat het meer in het bijzonder voor de rechtvaardigheid, de goede werken (waaronder ook biecht en penitentie vallen) en specifiek de werken van barmhartigheid. De mens die na zijn dood voor Gods rechterstoel gedaagd wordt, zal beoordeeld worden op zijn werken. Weldoen zal de mens de zaligheid opleveren. Maar goede werken worden ook op aarde hoog gewaardeerd, omdat ze voortkomen uit naastenliefde en bedoeld zijn ter leniging van noden. Het ware geloof dient men ook actief in de eigen levensstijl tot uitdrukking te laten komen; men moet aan meer voldoen dan louter aan de rituele verplichtingen.