7.2.8. Bedevaart

In 113.Vander bedevaert suggereert de spreker dat hij door een priester op bedevaart werd gestuurd, toen hij op zijn twaalfde de jaren des onderscheids bereikt had en het verschil leerde zien tussen goed en kwaad. De bedevaart staat hier symbool voor de levensweg die men moet afleggen. Deze weg behoort slechts één doel te hebben: God en de eeuwige zaligheid. Groot waren evenwel de verlokkingen der natuur en de spreker raakte in zijn jonge jaren veelvuldig van het rechte pad. Hij is nu tot het inzicht gekomen dat hij zich ondankbaar heeft betoond ten aanzien van zijn Schepper. Hij vreest de dood, maar hoopt op Gods genade, want `Hy mach corter veel vergheven Dan heeft gheduert een sondich leven' (vs.51-52). De tijd begint te dringen voor degenen die zich in de middag van hun leven bevinden: berouw, biecht en penitentie zijn geboden. De spreker neemt zich dan ook voor om zich op weg te begeven `Om te doen mijn bedevaert' (vs.82). Willem doelt hier echter niet op een reële pelgrimstocht, maar op een geestelijke bedevaart: hij wil leven zoals het God welgevallig is. Daaronder verstaat hij bidden en `weldoen', het rechte pad bewandelen en het zondige geweten reinigen.

Kort spreekt Willem over de echte bedevaart in 22.Vanden goeden ridder. Als hij uiteenzet dat God de mens met ziekte kan straffen voor zijn zondigheid, dan noemt hij twee remedies: `Ende als God den mensche mit plaghen roert, Soe wort hi bedevaert ghevoert, Off men haelt hem meesters by' (vs.57-59). Heelmeesters kunnen voor genezing zorgen, maar ook een bedevaart kan een heilzame werking hebben. De bedevaart geldt immers als penitentie voor begane zonden, ter verkrijging van aflaat. De genezing vindt in de sproke echter noch door heelmeesters, noch door een bedevaart plaats: de zieke ridder geneest eenvoudigweg door God als zijn Heer te erkennen.

Opmerkelijker is vervolgens de inhoud van 9.Dit is van Reyer die vos. Willem vertelt hoe Reynaert zijn tante de wolvin in Haspengouw ontmoet. De wolvin zegt zeven maanden ziek te zijn geweest en in haar ziekte te hebben beloofd een bedevaart naar Aken te zullen maken. Thans is zij voldoende hersteld om de pelgrimstocht te ondernemen. Als Reynaert zijn verbazing hierover uitspreekt, verklaart de wolvin dat ze zeker zou zijn gestorven als ze niet de bereidheid had getoond om op bedevaart te gaan. En ze voegt er aan toe: `Bedevaert [...] Die dwaet zonden ende ziecheit aff' (vs.28-29). Reynaert keurt het af als vrouwen op bedevaart gaan: `Sy gaen om oflaet; mar sy vercopen Dicwijl eer ende salicheit' (vs.34-35). Reynaert wil hiermee niet zozeer zijn tante persoonlijk beschuldigen. Het is echter een algemeen bekend feit dat `poertersen ende ridders vrouwen, Dorpmans wijff, beghinen, nonnen' (vs.40-41) op reis hun schande tegemoet gaan. Toen Reynaert vroeger in Parijs woonde, zo zegt hij, hoorde hij veelvuldig bereisde mannen roemen. Maar rondtrekkende vrouwen werden door de wijzen niet geprezen. De vos adviseert zijn tante om terug te keren. De wolvin voelt daar weinig voor: `Goede ghelofte is goet ghehouden' (vs.57). Maar Reynaert antwoordt:

Tot uwer kercken al hier by

Daer moechdi Goede wel ghenaken.

Moeye, al en quaemdi nymmermeer tAken,

Wilt God, hi doet u wel ghenesen (9; 62-65)

Zijn tante moet lering trekken uit de `Scaemt ende schande' (vs. 69) die vrouwen opliepen. Het is de realiteit van alledag:

Vrouwen, die hem laten zien

After lande hier entaer,

Men volcht hem soe mit listen nair,

Dat si comen buten der waerden. (9; 76-79)

De vos trekt een vergelijking. Deze vrouwen zijn als paarden die lopen en draven tot ze kreupel zijn; beide worden `afgereden'! De vos heeft zijn zegje gedaan en de dichter voegt er betekenisvol aan toe: `Dat sprac Reynaert, ende hi was vroet' (vs.82).

Hoe serieus mag men deze sproke nemen? Treedt Reynaert hier niet op als schalk of advocaat van de duivel? Moet zijn advies niet mede in het licht worden gezien van de rivaliteit tussen de vos en de wolf in de Reinaert-traditie of in het licht van de specifieke relatie tussen Reynaert en zijn tante Hersint? Reynaert speelt in de Middelnederlandse literatuur doorgaans geen positieve rol.*1 Ditzelfde kan globaal gezegd worden voor Willems sproken, waarin Reynaert voorkomt, of waarin over `Reynardien' gesproken wordt.*2 Alleen in 24.Vanden serpent speelt Reynaert in zeker opzicht nog een positieve rol omdat hij als schalk, doorkneed in list, een andere schalk weet af te troeven.*3

Niettemin moet men de adviezen in 9.Dit is van Reyer die vos als serieus beschouwen. Naar middeleeuwse maatstaven gerekend doet Reynaert er goed aan zijn tante te waarschuwen voor de gevaren en verlokkingen van de bedevaart. De mannen liggen op de loer, en voor menige lichtzinnige vrouw was dit zelfs de meest aantrekkelijke kant van de pelgrimstocht, die gelegenheid bood de bloemetjes eens buiten te zetten. Reeds Bonifatius maakt melding van wantoestanden: `St Boniface was disturbed by the misbehavior of many pilgrims and in 747 urged the archbishop of Canterbury to prohibit pilgrimages to Rome by women, many of whom became prostitutes in the towns of Italy and France'.*4 H.Pleij meent dat 9.Dit is van Reyer die vos gewijd is aan het `lichtzinnig gedrag op bedevaart' van de vrouw: `ze gaat niet uit devotie maar om pret te maken'.*5 Deze interpretatie lijkt weer iets te ver te gaan. Niets in het gedicht wijst er met zoveel woorden op dat de wolvin door frivole motieven gedreven wordt. Zij wil na haar ziekte in alle oprechtheid haar belofte gestand doen om een bedevaart te ondernemen. En Reynaert waarschuwt haar er serieus voor dat zij als vrouw-alleen onderweg allerlei risico's loopt. Willem eindigt zijn sproke derhalve met opzet en terecht met de vaststelling dat Reynaert wijze woorden sprak.

Het meest opmerkelijke aan de sproke is het argument dat Reynaert in vs.62-65 hanteert, en dat hier op neerkomt: men nadert God in een gerenommeerde bedevaartsplaats niet méér dan in de eigen parochiekerk. Een provocerend argument dat het nut van bedevaarten in twijfel trekt, in een tijd waarin pelgrimages aan de orde van de dag waren. Toch bestond er vanaf de kerkvaders al oppositie tegen bedevaarten. Augustinus benadrukte in zijn Contra Faustum reeds: `God is in all places and [...] is not contained or enclosed in any one place'.*6 Mettertijd groeide de oppositie alleen maar. In de late middeleeuwen stond de pelgrimage, alhoewel door tallozen ondernomen, in feite niet zo hoog meer aangeschreven. Huizinga maakt er melding van dat `de ernstige mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas à Kempis'.*7 Constable concludeert: `As time went on, pilgrimage sank lower and lower on the scale of Christian good works, below not only monasticism but also pastoral duties, charity, and the obligations of public office and even marriage. It still had prestige and was immensely popular with all classes of society, but serious folk were more inclined to stress the dangers and difficulties than the benefits of pilgrimage. [...] A would-be pilgrim in the late Middle Ages might therefore have to overcome many objections. Some of these went back to the Fathers, stressing that the true Christian acquires eternal life by living well rather than by visiting holy places, that God is not to be found in some places more than in others, and that pilgrims are exposed to many dangers of body and soul'.*8

Met de sproken 9.Dit is van Reyer die vos en 113.Vander bedevaert tezamen past Hildegaersberch uitstekend in de traditie die kritisch staat ten aanzien van (het nut van) de bedevaart. Over de `geestelijke' bedevaart spreekt hij vrij direct, maar voor zijn kritiek op de `fysieke' pelgrimage kiest hij de meer distantie-scheppende fabelvorm. Willem sluit zich zowel aan bij de praktische kritiek ('the physical dangers of pilgrimage and the misbehavior of various categories of pilgrims') als bij de spirituele kritiek (`the true pilgrimage for each Christian should be with the heart rather than the feet'*9).