Geen centraal thema, maar wel een regelmatig terugkerend motief is dat van de, nog tijdens dit leven, straffende hand Gods, soms in combinatie met het motief van de beloning die God de deugdzame mens schenkt, veelal in het hiernamaals.
In 7.Vanden coninc van Poertegael is de straf Gods eigenlijk nog min of meer indirect. Willem vertelt in het
exemplarische deel van de sproke dat de koningen van Portugal gestraft werden met een zeer kortstondig leven op
aarde vanwege het onrecht dat zij bedreven en dat onder hun gezag gepleegd werd. Er is hier evenwel geen sprake
van direct Goddelijk ingrijpen, maar van Goddelijk ingrijpen op instigatie van het collectieve gebed van het volk.
`Tghemeen ghebet dat crenct den man Off stercten diemen goedes an' (vs.123-124)*1, zo luidt het kernachtig. De
Portugese koning die zich vervolgens beijverde voor handhaving van het recht werd dankzij het gebed van zijn
dankbare onderdanen `out ende hadde vrede, Ende starff daer nae een salich sterven' (vs. 222-223). In 4.Van den X
gheboeden betoogt Willem dat wie zich aan de tien geboden houdt ook langer leeft (vs.80 e.v.). Wie echter een
werelds leven in weelde leidt en de geboden overtreedt, die `sietmen selden out van dagen' (vs.87). Zulke zondaars
sterven vóór hun tijd of krijgen ziektes als jicht of verlamming, zodat zij `levens lijfs bederven' (vs.94, levend
wegteren). Op het `hoe en waarom?' wil Willem in dit gedicht niet ingaan (vs.96-97), maar in22.Vanden goeden
ridder legt hij wel uit dat het Gods straf is als men `levens lijffs verderft' (sic! vs.48). In de sproke vertelt Willem
voornamelijk dat de straf Gods ook dreigt bij een `goddeloos' bestaan. In de proloog maakt Willem al duidelijk dat
men niet alleen de wereldlijke heer moet dienen, maar ook de hoogste Heer. Hij geeft (zoals vaker) toe, dat God in
staat is om een tijdlang te gedogen:
Al ist dat God een wijl verdraecht (toestaat, gedoogt)
Ende laet veel onghelijcs gheschien, (onrecht)
Int lest soe wreect hijt onvoersien (22; 42-44)
Wie slecht heeft geleefd, kan het overkomen `Dat hi onvoersienlic sterft' (vs.47). Maar ook ziektes en armoede
behoren tot Gods straffen, blijkens deze akelige opsomming:
Sulck wort levens lijffs verderft (teert levend weg)
Mitter gychte, mitter artycke; (jicht; gewrichtsontsteking)
Sulc wort arm, al was hi rycke,
Sulck verdorret daer hi gaet, (verlamt)
Sulck die popelcye slaet. (beroerte)
Die wrake Goeds is menichfout;
Mer veel ist onser sonden schout. (22; 48-52)
Deze visie wordt vervolgens gestaafd met het exempel van de ridder, die zijn koning bijzonder goed diende en alom lof oogstte, maar die God niet diende. Toen hij door een verlamming werd getroffen, bleek geen enkele arts hem te kunnen genezen. De koning adviseerde de radeloze ridder om zich tot God te wenden. Vernemend dat de ridder God nooit gediend had `Mit aelmissen of in knyeghebede' (vs.135), zei hij hem daar alsnog een aanvang mee te maken. Na het gebed zond God de ridder genezing in zijn slaap. De ridder nam hierop het besluit zich uit de wereld terug te trekken en God te dienen in het klooster.
Uitgebreid gaat Willem op de straffende hand van God in met 35.Vander wrake Goeds. Onheilspellend zijn reeds vs.18-21: `Als die werlt in sonden rijst, Soe is te duchten ende tontsien, Datter wrake off sal gheschien; Want tis Goods gherechticheit'. Hierop geeft Willem dan een drietal herkenbare voorbeelden van de straffe Gods. In de eerste plaats werden Adam en Eva vanwege de zondeval uit het paradijs verdreven. Daarop volgde de wraak op Kaïns geslacht voor de broedermoord en de begane zonden in de vorm van de zondvloed. Als derde straf noemt Willem de oorlog die Alexander de Grote voerde: `twas een ghecel by ghehinghe' (vs. 51). Alexanders oorlog was een door God gedoogde gesel voor de mensheid. Vervolgens komt Willem op zijn eigenlijke onderwerp: in een - voor hem en zijn publiek - uiterst actuele gebeurtenis herkent hij de meest recente straf Gods: de nederlaag die het christelijke ridderleger had geleden tegen de Turken bij Nicopolis (1396). Het is nu de taak van de dichter om na te gaan welke zonden aanleiding zijn geweest tot deze nederlaag, door God gedoogd (zie vs.67). In de eerste plaats wilden de heren de heidense Turken bekeren, terwijl het hen zelf ontbrak aan het nodige geloof. Een tweede oorzaak vormt het Westers Schisma. Aangenomen dat de Turkse koning zich zou willen bekeren en laten dopen: naar welke paus moet hij dan gaan, vraagt Willem. In de derde plaats stelt de dichter vast dat de vorsten hun eigen volk te zware belastingen opleggen ten behoeve van hun kruistochten*2 `Om eer te halen buten lande' (vs.111). Willem vraagt zich af: `Al striden sy op Goeds vyande, Ist Gode bequaem? dat en weet ic niet' (vs.112-113). In plaats van eer in het buitenland te gaan behalen, zou men er goed aan doen om eerst in eigen land orde op zaken te stellen. De vierde oorzaak van de nederlaag zou immers wel eens de corrupte rechtspraak kunnen zijn. De vorsten zouden betrouwbare rechters moeten aanstellen: `Soe mochten si buten varen [zonder vrees] vechten Ende striden op die Sarrasine' (vs.122-123). Zolang genoemde misstanden echter blijven bestaan, is het vergeefse moeite om tegen de heidenen te strijden. De conclusie moet - in sententievorm - aldus luiden: `Die God te vrient heeft eer hi vaert, Is voer den vyant wel bewaert' (vs.129-130).
De sproke 102.Een disputacie handelt over hebzucht en onrecht die de wereld in hun greep hebben. Aan het eind
van het gedicht wordt de volgende vrees verwoord:
Wanttet is te duchten zeer,
Blijftet langhe in desen keer,
Dat God die werlt plaghen moet
Om die boesheit diemen doet,
Wanttet is des duvels zaet. (102; 219-223)
Denkt Willem hier wellicht aan een nieuwe pestepidemie? Hij specificeert dit in ieder geval anders nader:
hebzuchtige en onrechtvaardige hoogwaardigheidsbekleders mogen hun val wel vrezen.
Al coemdire bi in hogher staet, (nl. met hebzucht en onrecht)
Ghi moechtet onlang houden staen.'
Daer om raet u Willem, sonder waen,
Van Hildegaersberch boven al,
Dat ghi selt pensen omden val:
Wye dat valt van hoghen neder,
Die sietmen lancsom rysen weder. (langzaam) (102; 224-230)
De zonde roept in dit leven vroeg of laat de straf van God af. Onder die zonden neemt het onrecht, als tegendeel van de cardinale deugd justitia, een prominente plaats in. De straffen Gods zijn velerlei: verdrijving, zondvloed, oorlog, ziekte, armoede, nederlaag, verlies van een hoge positie en een voortijdige dood. Maar zo goed als de hoogste beloning voor de deugdzame en Godvruchtige mens na dit aardse bestaan uiteindelijk het eeuwige leven is, zo vormt de zwaarste straf die God de zondige mens na dit leven kan opleggen de eeuwige dood in de hel. Dit benadrukt Willem in vele sproken. Kernachtig zegt hij het in 40.Vander gheboorten Christi: `Die sonden is een ewich doot' (vs.140). Bij het oordeel zal Christus aldus spreken: `Gaet ghy sonders totter hellen, Ende coomt ter blyscap, mijn ghesellen!' (6; 139-140). Wie zondig leeft, zal door God bestraft worden, zo betoogt Willem ook in 76.Vander rekeninghe (zie vs.234-297). Maar, licht hij subtiel toe, Gods wraak is geen daad van toorn: `Want God en wreect mit ghenen toern. Had hi toern of nijt ghesmaect, Soe en waer sijn wesen niet volmaect' (vs.270-272). De redenering doet scholastiek-geleerd en vernuftig aan, en is op zichzelf ook volkomen juist: God kan Zich, als volmaakt Opperwezen, niet bezondigen aan enigerlei hoofdzonde.