Een kernpunt van de geloofsleer is dat, sinds Christus' offerdood voor de zonden der mensheid*1, Gods genade oneindig groot is ten aanzien van de berouwvolle zondaar: deze kan altijd op vergeving rekenen. Het is daarom voor het behoud van de ziel van groot belang dat de mens zijn hoop op genade behoudt. Hoop is de goddelijke deugd die tegenover de zonde van de wanhoop staat, een zonde tegen de Heilige Geest. De hoop verwacht het eeuwige leven als loon. Wie zijn hoop op vergeving heeft verloren en meent dat voor zijn zonden geen genade mogelijk is, dwaalt dus in wanhoop en is derhalve reddeloos verloren. De wanhopige zal ten prooi vallen aan de duivel*2, in ongenade sterven en in de hel belanden.*3
Vrijwel nergens zet Willem de leer van de Goddelijke genade*4 zo helder uiteen als in98.Vanden XL daghen.
Willem zegt er dat men over `wanhope der ghenaden' niet lichtvaardig mag denken (vs.119-120). Wie zo ver heen is
dat hij meent geen genade meer te kunnen ontvangen, die schuwt het kwaad hoe langer hoe minder. Niemand zij
echter zo dwaas om niet in hoop te leven, zegt de dichter. Wie wanhoopt, geeft het allemaal verloren; `Ende als hi
comt soe verre in dwael, Soe heeftie vyant eerst volbrocht Sijn ghewerc, sijn ghedocht' (vs.130-132). Even verder
raakt Willem de kern van de materie: `Ende oec soe en sellen wy niet wanhopen, Want Goods ghenade is altoes
open: Soe wye wanhoept, dat is een dwaes' (vs.149-151). Dergelijke lering kan altijd een sterk voorbeeld gebruiken,
waaruit blijkt dat zelfs voor de zwaarste zonden genade mogelijk is als men de hoop maar niet verliest. De figuur
van Judas is uiterst geschikt om het leerstuk van genade, hoop en wanhoop aan te illustreren. De dichter van
bijvoorbeeld De reis van Sinte Brandaan deed dit reeds*5, en ook Willem doet dit: `Dat moechdi mercken by
Judaes, Die by wanhope bleef verloren' (vs. 152-153). Willem verklaart zich nader:
Al was Judas zeer misdadich,
God die was alsoe ghenadich,
Had hi in goeden hoop gheleeft
Ende gheroepen: `Heer, vergheeft
Den armen Judas sijn misdaet!'
God en hadde hem niet versmaet. (98; 155-160)
Voor de middeleeuwse christen was Judas' verraad van Jezus een ongekende zonde. Als één zonde de indruk van onvergeeflijkheid zou kunnen wekken, dan was het deze wel. Judas zelf moet er ook zo over gedacht hebben, aldus de Bijbelinterpreten. De afvallige apostel toonde geen openlijk berouw, ondernam geen poging meer tot verkrijging van genade en pleegde - geheel in de macht van de duivel - zelfmoord. Het opmerkelijke is nu juist dat, had Judas wel berouwvol om vergiffenis gevraagd, hij dit zou hebben gekregen volgens de leer. Zelfs voor de schijnbaar onvergeeflijke zonde is genade mogelijk: er is in de heilsgeschiedenis geen sterkere casus denkbaar waarmee de leer van de oneindige genade geconfronteerd zou kunnen worden. Willem kan geen beter advies geven dan: `Hier om wacht u van misdoen Ende weest in hopen altoes coen' (vs.161-162).
Mogelijk heeft Willem in 104.Vanden lichte de casus van Judas willen evenaren met die van Lucifer. Ook deze had in geval van berouw genade kunnen krijgen: `Mar Lucifer die comt te spade' (vs.127), want nu hij eenmaal in de hel zit, bestaat er geen weg terug meer. Bovendien is Lucifer veel te hoogmoedig, onderkent hij zijn zonde niet en `Nymmermeer soect hi ghenade' (vs.128). Als God Lucifer uit de hel zou bevrijden dan zou deze duivel waarschijnlijk alleen maar klagen dat hem groot onrecht is aangedaan, dat hij zo lang in de hel moest verkeren, meent Willem.
Ook in 47.Van drierehande staet van heren maakt Willem in weinig woorden duidelijk dat vergeving van zonden
mogelijk is als men daar om bidt. In dit geval dient koning David als voorbeeld:
Als David inden sonden vel,
Hy bekende sijn misdade,
Hy riep an God, hi bat ghenade
Soe langhe dat hi creech perdoen. (47; 26-29)
De leer van hoop en genade komt ook aan bod in 113.Vander bedevaert. Ditmaal heeft Willems betoog een
(quasi-)persoonlijke toonzetting. Hij overdenkt zijn zonden en zegt over God:
Al ist een goedertieren weert, (waard, gastheer)
Die vrese beghint mi zeer te nopen. (zich op te dringen)
Doch ic wil ghenade hopen,
Want sijn goedertierenheit
Die en is nyemant wederseit.
Wyese soect, hi machse vinden (113; 44-49)
God is goedertieren en op Zijn genade mag men wel hopen. Hij is zelfs zo goed, dat Hij in één ogenblik een lang
zondig leven kan vergeven (vs.51-52). De dood kan reeds zeer nabij zijn en daarom moet men niet langer dralen:
Wy souden haesten tot berouwen
Ende Goede in hopen wel betrouwen,
Ende totter biecht mit conscienci,
Ende int voldoen van penitencie
Daer den wille toe reyden (113; 73-77)
Wie berouwvol en hoopvol genade zoekt, moet zijn heil zoeken bij het genademiddel bij uitstek, waarop de kerk de exclusieve rechten heeft: het boetesacrament. Willem trekt als conclusie: `Dus machmen gaerne maken schoen Een vuyl consciencie vanden zonden, Om tgrote loon ten lesten stonden' (vs.106-108).
Uiterst pregnant maakt Willem in zijn inleiding van 91.Van tween bomen duidelijk dat al het aardse vergankelijk is -
één van Willems geliefde motieven - en dat slechts Gods genade ons immer ter beschikking staat:
Hi donct mi sot ende ongheleert,
Die sinen sin te vaste keert
An dinghen die verganclic sijn.
Rouwe, zorghe ende pijn
Heeft hi daer of dicke te loen.
Hier en is chierheit gheen soe schoen,
Die ons hier langhe blijft ghestade,
Anders dan die Goods ghenade,
Die blijft ons durich tonsen baten. (91; 1-9)
Het is natuurlijk het best voor het zieleheil wanneer men niet zondigt. Wie plots in doodzonde sterft, kan in de regel geen aanspraak meer maken op de Goddelijke genade. De zondigende mens is derhalve zijn ziel ongenadig, zo zegt Willem in 76.Vander rekeninghe: `Wye veel in sonden wert misdadich, Die is hem selven onghenadich Ende sijnre zielen alte voren' (vs.267-269).
Wie zondigt en zijn zieleheil wil herwinnen, moet oprecht berouw tonen en boete doen, zegt de spreker als hij in 104.Vanden lichte komt te spreken over het boetesacrament. Hij stelt vast: `Sijn ons hier die zonden leet, Wy moeten beteringhe doen [...] Sel die misdaet sijn vergheven' (vs.158-162). Na berouw en biecht moet terdege boete worden gedaan: Willem noemt gebed en het geven van aalmoezen (zie vs.163-167). In dat geval zal God ons Zijn genade niet onthouden: `Hi is soe rechte goedertieren Ende ghenadich den zondaer' (vs.174-175). Maar zonder oprecht berouw, zo kan Willem niet nalaten te benadrukken, baat de boetedoening niet (vs.177-185).
In 109.Vanden vier cussen hekelt Willem de mensen die het hele jaar door zondigen, hun zonden veel te licht opvatten in de veronderstelling dat God hen wel zal vergeven en bepaald geen haast maken om zich in de biecht van hun zonden te reinigen. Sterker nog, dergelijke lieden lachen om hun zonden, meten ze in de kroeg en op straat breed uit en scheppen erover op. Als ze al eens gaan biechten, zijn ze veel van hun zonden reeds vergeten en maken ze zich er gemakkelijk vanaf (vs.143-245). Maar vanuit de gedachte dat de dood de mens ieder moment kan overvallen, kan Willem niet anders adviseren dan: `Elcman soecke te tyde ghenade' (vs.246), want het gevaar van de eeuwige verdoemenis loert. Het middel daartoe is om ter biecht en communie te gaan (vs.258-263).
Het behoeft nauwelijks nog betoog dat Willem in zijn sterk met het hiernamaals gepreoccupeerde poëzie regelmatig het belang onderstreept van een goede en tijdige voorbereiding op de dood ter verkrijging van de Goddelijke genade. Van cruciaal belang zijn daarbij hoop, berouw, biecht en penitentie. In Willems optiek waren genade en het eeuwige leven het hoogste heil dat de mens kon bereiken, en hij laat niet af om dit denkbeeld in zijn sproken te verwoorden. Dat hij dit deed zoals in de geloofsleer algemeen werd voorgeschreven, moge in het voorafgaande genoegzaam zijn gebleken.