In 70.Van ses articulen der werlt spreekt Willem een bang vermoeden uit: `onse ghelove wert soe traghe, Ic ducht het naect den doomsdaghe' (vs.69-70). Het motief van de doemsdag keert regelmatig terug in zijn werk. Voor zijn toehoorders mogelijk één van de meest indringende sproken over sterven en het Laatste Oordeel was 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven. Omwille van de brede en indringende behandeling van de memento mori-gedachte*1, die in Willems oeuvre een belangrijke plaats inneemt, wordt hier nader op de sproke ingegaan.
De sproke heeft een poëticale introductie (vs.1-40), maar zet wel direct de toon voor wat in de kern van het gedicht gaat volgen. Willem stelt vast dat de dichter zich, vanwege de eeuwigheidswaarde, graag laat inspireren door Gods Woord. De ware dichter zet zich in voor de waarheid en het zieleheil (van zijn gehoor). De stof voor zijn sproke is voortgekomen uit een gesprek tussen de lekedichter en een clerk. Zij spraken over dichten en kunst, en de clerk begon de dichter Latijnse teksten voor te leggen, en voor hem te vertalen. Hieronder bevonden zich drie responsverzen, die bij de begrafenisplechtigheid worden gezongen.
In de kern van de sproke (vs.41-331) worden deze drie verzen uit het responsorium (Libera me, Domine) behandeld. Men pleegt de verzen in de kerk te zingen, zegt Willem, bij het ontzielde lichaam van machtige heren, hoge rechters, wijze clerken of vakbekwame meesters die gestorven zijn. Het is niet ondenkbaar dat een dergelijke opsomming reeds een ongemakkelijk gevoel heeft veroorzaakt bij verschillende leden van het luisterend publiek: diversen zullen tot de genoemde groepen behoord hebben. Gezien vs. 124-128, 134-152 en 328-329 was het gedicht primair bestemd voor een rijk en machtig adellijk publiek. Het ligt derhalve voor de hand, dat er bij Willems keuze van voorbeelden van overledenen opzet in het spel was.
De sterfelijkheid van de hooggeplaatste persoon voor wie men in de kerk zingt, mag ons wel tot exempel dienen, zo zegt de dichter: ook al is men rijk of hooggeboren, de dood komt voor iedereen onherroepelijk. De onvermijdelijkheid van het sterven behoort tot één van Willems centrale thema's: veelvuldig verbindt hij hieraan de consequentie van het deugdzaam leven als noodzakelijke voorwaarde voor een zalig bestaan in het hiernamaals. Ook in het vervolg van dit gedicht zal dit nog blijken.
De drie responsverzen handelen `vanden doemsdaghe' (vs.56), wat hier staat voor hetjudicium generale, het Laatste
Oordeel.*2 Het eerste responsvers luidt volgens het missaal: `Libera me, Domine, de morte aeterna, in die illa
tremenda, quando coeli movendi sunt et terra'.*3 In globale vertaling vindt men dat bij Willem, met een aanvulling,
aldus terug:
Dat is: Heer! maect mi vry
Der ewigher doot, des bidde ic di;
Inden dach der yamerhede
Soe hout mi, Heer, in dinen vrede
Voerden wreden vyant fel,
Als hemel ende aerde beroeren sel (21; 59-64)
De verzen verwijzen naar de Jongste Dag (zie ook vs.79), waarop Christus op aarde zal terugkeren om de mensen te oordelen. Immers, zo zegt Willem, op die dag zullen de kwaden beven en de goeden loon ontvangen. De dag zal duizend jaar lang lijken*4 en de oude duivel zal tevoorschijn komen uit de hel om als een brullende leeuw de verdoemden als prooi te vangen en te verslinden. Uit de duivel is alle zonde voortgekomen en deze beschouwt de zondaars dan ook als zijn kinderen. En, zo meent de dichter, de duivel is nog kwaadaardiger dan op de dag dat hij om zijn hoogmoed uit de hemel, door de aarde heen de hel in viel. Degenen, die bij het oordeel door God van zonden vrij worden bevonden, wordt het Duizendjarig Rijk in het vooruitzicht gesteld (zie vs.82-86).
Daarmee acht de dichter het eerste responsvers voldoende toegelicht en begint hij aan zijn commentaar bij het
tweede vers. De rechtvaardigen zullen beloond worden, de onrechtvaardigen zullen bitter moeten lijden. Met de
uitspraak `Als ons die wise meesters lesen' (vs.113) beroept Willem zich op niet nader gespecificeerde autoriteiten.
En even verder richt de dichter zich direct tot z'n publiek: `Ghi heren, ghi vrouwen, draecht den maet, Diemen u hier
van hem [=God] bevelet' (vs.124-125). Willem maakt duidelijk dat ieder naar eigen maat gemeten zal worden en dat
de mate van rechtvaardigheid zwaar weegt in het oordeel. Niet alleen dient men zelf het onrecht te schuwen
(vs.134-137), ook onrecht dat bedreven wordt door een ondergeschikte zal de verantwoordelijke persoon worden
aangerekend als hij ervan mee profiteert. Willem concretiseert dit alsvolgt:
Hebdi enen schalken knecht,
Diet volc mit onrecht seer bescheert,
Ende ghi dan mede der baten gheert,
Ende laet hem daer om dienre bliven,
Tonrecht sal an u becliven (21; 138-142)*5
Prijzende woorden tijdens het leven, noch grote rijkdom baten de mens bij de opstanding voor het Laatste Oordeel: `Als alle menschen uut den grave Moeten rysen op die moude, Ju duer juweel, ju schat van goude En sal u dan niet moghen baten' (vs.148-151). Ook de wetenschap, in het bijzonder de rechtswetenschap biedt dan geen uitkomst. Advocaten kunnen de mens niet meer bijstaan, en grammatica en dialectica baten evenmin. Willem maakt zijn publiek duidelijk dat het oordeel geen subtiele rechtszaak is van fraai geformuleerde aanklachten, vernuftige argumenten, spitsvondige pleidooien en een mogelijkheid tot hoger beroep.*6 Paus en keizer verliezen hun wereldlijke macht: `Hoer spel is uut, tis al volendt' (vs.173); hoge raad noch hofhouding kan hen nog bijstaan. De enige die gerechtigd is om te ondervragen en te oordelen, is Christus, de Verlosser `die sijn cruus tot Jherusalem Voerden sondaer woude draghen' (vs.178-179). Het enige - afgezien van de eigen werken - dat de mens nog kan baten, is het voor het sterven als laatste sacrament tot zich nemen van `sijn lichaem' (vs.181), de geconsacreerde hostie. Daarmee is het tweede vers behandeld, aldus Willem. Maar in dit geval heeft hij het vers niet geparafraseerd. De missaaltekst luidt: `Cum veneris judicare saeculum per ignem', dat wil zeggen: `als Gij de wereld zult komen oordelen door het vuur'. Willems commentaar heeft zich toegespitst op Christus' oordeel.
Bij het commentaar op het derde vers ontbreekt evenzeer een parafrase.*7 Het vers luidt: `Dies illa, dies irae, calamitatis et miseriae, dies magna et amara valde'. In vertaling is dat: `Die dag zal zijn een dag van gramschap, van jammer en ellende, een grote en zeer droevige dag'. Willem zegt dat de mens, vooral als het hem voor de wind gaat, de neiging heeft zich vast te klampen aan de wereldse schoonheid en glorie. Maar al het aardse is vergankelijk en smelt als ijs weg voor de zon (vs.209-213); de mens kan in een ogenblik zijn goed en zijn leven verliezen. De dood komt vaak onverwachts en niemand kan daar iets tegen uitrichten. Schoonheid en kracht kunnen de dood niet stuiten, de dood kan niet afgekocht worden met goud, een hoge koninklijke staat kan niet tegen de dood beschermen. Tovenarij en astronomie baten niet. Boeken bewijzen, meent Willem, dat zelfs de meest illustere figuren uit de geschiedenis de dood niet konden ontlopen. Dit vormt de inleiding op het ubi sunt-motief, waarin de voortreffelijkheid én sterfelijkheid van bepaalde figuren opgesomd en onderstreept wordt (vs.245-325). Waar zijn nu die sterken, rijken, machtigen en geleerden? Waar zijn ze: Plato en Porphirius, die geleerde boeken schreven; de sterke Samson, die we uit de Bijbel kennen; de rijke koning Darius; de machtige Alexander; de scherpzinnige Socrates; en de `meester van logycke Aristotiles' (vs.298-299), die geleerder was dan de grootste geleerden uit zijn tijd?*8 Zij vormen geen uitzondering op de regel: allen zijn zij gestorven. Willem rondt zijn opsomming af met een brevitas-formule: `War wilment cort off lanc verhalen?' (vs.314). Ook al waren al die heren groot in kracht, macht, rijkdom of kennis, `Hoer tijt was cort ende seer onlanghe' (vs.320). Niemand kan de dood ontlopen. Enigszins cynisch en mogelijk met weidse gebaren vraagt Willem zijn publiek: `Wat sellen dan dese hoghe muren Mit diepen graften om begraven?' (vs.328-329).
In het slot van het gedicht (vs.332-350) zegt Willem tot zijn gehoor: laten wij God bidden om de wil Hem te blijven
dienen en de zonden te verdrijven om de eeuwige dood (in de hel) te ontlopen. En hij werpt zich metterdaad op als
voorganger in gebed:
Ay Heer! nu helpt ons daer verwerven
Doer dijn grote ontfarmherticheit,
Inden daghe als is voerseit,
Dat ghi die quade sult berechten,
Ende onghelijck ghelycke slechten,
Ende hemel ende aerde sult beroeren,
Soe wilt ons, Heer, dan mede voeren
In u hemelrijc hier boven,
Daer die enghelen Gode loven
Ewelijc ende sonder ghetal:
Nu spreect Amen over al. (21; 340-350)
Op poëtische en indringende wijze heeft Willem in zijn gedicht het leerstuk van de Opstanding en het Laatste
Oordeel*9 ontvouwd. Zijdelings heeft hij gerefereerd aan het leerstuk van de val van Lucifer, Christus' kruisdood als
daad van liefde en verlossing, en het laatste sacrament als ultiem genademiddel. Dit alles om op pregnante wijze de
vergankelijkheid van het aardse en de onafwendbaarheid van de dood te thematiseren, in de geest van de memento
mori-gedachte. Retorisch verantwoord, veelzijdig, indrukwekkend en zonder te vervallen in `goedkope' effecten
heeft Willem zijn gehoor eraan herinnerd dat dood, opstanding en oordeel onvermijdelijk aanstaande zijn en dat het
zieleheil slechts veilig gesteld kan worden middels een deugdzaam en Godvruchtig leven. En in het geval van de
gezagsdragers weegt de rechtvaardigheid als één van de cardinale deugden zwaar mee in het oordeel.
In veel van zijn sproken komt Willem bij het sterven uit. Telkens tracht hij z'n publiek, conform de geloofsleer, te bewegen tot de volgende `opwaartse lijn': deugdzaam en rechtvaardig leven, goede werken verrichten, de kerkleer en de kerk als instituut eerbiedigen, geregeld biechten en ter communie gaan, God vrezen, te allen tijde voorbereid zijn op de dood die zich onverwachts kan aandienen, zalig sterven, het Laatste Oordeel ondergaan en zich kunnen beroepen op goede werken, het eeuwige leven beërven. Aan de andere kant probeert Willem zijn toehoorders steeds van de `neerwaartse lijn' af te houden, te weten: dwalen en sterven in zonde en tot de eeuwige dood in de hel veroordeeld worden. De spreker munt uit in persuasieve retorica zonder daarbij zijn toevlucht te nemen tot effectbejag: levendige en emotionele schilderingen van de hemelse heerlijkheden en vooral van het uitgebreide scala aan helse gruwelijkheden ontbreken in zijn werk.
Duidelijke tegenspraken in de leer komt men in Willems oeuvre niet tegen. Zijn lering en vermaan sluiten nauw aan
bij de officiële geloofsleer. Ook waar uitlatingen in 50.Van sempelen ghelove en 90.Vanden figure vanden mensch
met elkaar strijdig lijken, is dit slechts schijn. In50.Van sempelen ghelove verzet Willem zich in navolging van
Boendale tegen de lekenopvatting `Dat God is als een mensch ghedaen' (vs.4). Hij stelt: `God is altemale een gheest,
Daer hemel ende aerde vol sijn mede' (vs.8-9). De lekenvoorstelling is natuurlijk ingegeven door Genesis 1:27,
waarin wordt medegedeeld dat God de mens naar zijn beeld schiep. Dit moet echter zo verstaan worden dat God de
mens bij z'n schepping voorzag van een ziel: deze ziel vormt het beeld van God.*1 Nu lijkt Willem in 90.Vanden
figure vanden mensch zichzelf tegen te spreken. In de kern van de sproke begint hij over de `vormen van taenschijn'
van de mens (vs.20). Over God zegt hij dan:
Nae sijns selfs ghebeelde claer
Soe heeft hi allen menschen ghescepen,
Daer wonders veel in is begrepen,
Als ic u wil namaels bevroeden.
Dat alle menschen te gader stoeden,
Die ter werlt ye lijf ontfinghen,
Soe kentmen elc by sonderlinghen,
Ende als malc van anderen gaen,
Soe schinen si al alleens ghedaen
Nader formen der godlijchede,
Daer si sijn gheteykent mede (90; 24-34)
De passage zou aldus geïnterpreteerd kunnen worden: God heeft de mens naar zijn evenbeeld geschapen. Zou men alle mensen die ooit leefden bij elkaar zetten, dan zou men de één van de ander kunnen onderscheiden aan de hand van zijn individuele trekken. Maar zou men ieder mens afzonderlijk beschouwen, dan schijnt hij gevormd te zijn naar Gods evenbeeld. Willem lijkt hier, in tegenspraak met 50.Van sempelen ghelove, wel degelijk te beweren dat het menselijk lichaam naar Gods gelijkenis is geschapen. Was Willem de uiteenzetting in dat gedicht weer vergeten, of nam hij dit gedicht pas later van Boendale over? Of spreekt Willem hierboven eigenlijk over mensenzielen? Dat hij niet dwaalt, blijkt tegen het eind van 90.Vanden figure vanden mensch: `God [...] heeft die ziel nae hem ghebeelt Ende inden mensche alsoe ghevoert' (vs.259-261). Kennelijk sprak Willem over mensenzielen, die ieder afzonderlijk naar Gods beeld gevormd zijn. Iedere individuele ziel is schijnbaar niet te onderscheiden van Gods wezen. Deze visie komt dicht bij de opvatting dat de zielen der mensen aan elkaar gelijk zijn - alle (stands)verschillen vallen in de hemel weg - en dat iedere ziel niet ouder was dan 33 jaar (de leeftijd die Christus bereikte)*2. Maar, zegt Willem: zet allen die ooit op aarde leefden naast elkaar en men zal bij vergelijking de ene ziel van de andere kunnen onderscheiden.
Willems leer is die van de (eenvoudige) geloofsleer. De spreker wist regelmatig vaardig en deskundig met de stof om te springen, als een docent die boven z'n stof staat. Maar wat bewoog een spreker ertoe zeker de helft van zijn oeuvre te besteden aan geloofszaken? Waarom zoveel aandacht besteed aan het geloof, terwijl het publiek de door Willem behandelde stof zo niet dagelijks dan toch wel wekelijks van de clerici te horen kreeg? En vanwaar de belangstelling van het publiek voor Willems vrome gedichten? In de eerste plaats mag men aannemen dat Willems persoonlijke zendingsdrang en zorg voor het zieleheil van z'n gehoor oprecht waren. Zijn doel was daarbij niet de instructie, als wel de sterk praktijkgerichte confirmatie. Hij verschafte niet zozeer lering of nieuwe religieuze kennis, maar herinnerde het gehoor met de nodige nadruk aan wat het op geloofsgebied al wist. Er was hem veel aan gelegen om z'n publiek van de elementaire en essentiële geloofswaarheden te blijven doordringen, en dit op aangename, poëtische wijze. Ten tweede konden de religieuze uiteenzettingen en geloofswaarheden dienstig worden gemaakt aan werelds vermaan. Anders gezegd: Willem kon het geloof inzetten als `dreigement'. De geloofsleer kon het publiek kwalijk in twijfel trekken. En met een beroep op deze leer was Willem in staat zijn publiek effectief te vermanen en te bekritiseren, soms terloops, soms uitgebreid. Hij kon zijn toehoorders op hun plichten en tekortkomingen wijzen en hen aansporen tot mentaliteitsverandering en een actief beleden christendom, niet alleen op het gebied van het geloof, maar bijvoorbeeld ook op het gebied van politiek, bestuur en recht. Tot slot bestond er bij het publiek kennelijk toch tenminste behoefte om dit soort religieuze en vermanende gedichten te laten klinken. De mogelijke verklaringen zijn velerlei: de voortdurende behoefte aan een stichtelijk woord (zeker op kerkelijke hoogtijdagen), de kunstzinnige, literaire vormgeving van de `preekstof', de normerende functie die van zekere sproken kon uitgaan voor bepaalde groepen binnen de publiekskring, het belang dat men mogelijk hechtte aan het vernemen van (redelijke, gegronde) kritiek, en wellicht de behoefte aan een zekere compensatie voor de soms zo wereldsgezinde zelfgenoegzaamheid.