7.3. De Moderne Devotie

In een bespreking van Het woord van eer van F.P.van Oostrom merkt J.Reynaert op: `Dat Hildegaersberch en Potter b.v. door hun `persoonlijke geloofshouding' wellicht al met de Moderne Devotie in verband moeten worden gebracht, vermeldt Van Oostrom slechts heel terloops: voor de literair-ideologische inhoud van hun werk zou dit gegeven nochtans wel eens belangrijker kunnen zijn dan de, in beide gevallen, vrij onduidelijke, of althans moeilijk in te schatten `verbondenheid' met het hof'.*1

Dat de verbondenheid met het Hollandse hof in het geval van Hildegaersberch vrij onduidelijk zou zijn, is onjuist. De rekeningen getuigen van geregelde optredens op hoogtijdagen, zonder dat er van enig dienstverband sprake was. Diverse sproken van Willem kunnen ook op inhoudelijke gronden goed aan het Hollandse hof hebben gefunctioneerd.*2 Dat de verbondenheid met het hof moeilijk is in te schatten, is in zoverre waar dat het ons tot op zekere hoogte aan voldoende inzicht ontbreekt in allerlei andere specifieke publiekskringen waar de spreker acte de présence gaf. Willem kon immers niet leven van de beloningen die hij aan het Hollandse hof ontving. De vraag is dan ook of Willems optredens aan het hof wel in enige verhouding stonden tot bijvoorbeeld zijn voordrachten in de stad. Op dit probleem wordt in hoofdstuk 8 nader ingegaan.

Hier wordt stilgestaan bij de mogelijke invloed van de Moderne Devotie op de ideologische inhoud van Willems werk, in het volle besef overigens dat hieromtrent het laatste woord nog lang niet gesproken zal zijn. Voorheen zijn Willems sproken weliswaar nooit expliciet in verband gebracht met de Moderne Devotie; niettemin is J.Reynaert wellicht een belangrijke invloed op het spoor.

In de eerste plaats moet opgemerkt worden dat indien Willem inderdaad invloed heeft ondergaan van de Moderne Devotie, hij daar dan reeds vanaf het eerste uur voor ontvankelijk moet zijn geweest. Geert Groote, de stichter van de Moderne Devotie, overleed namelijk in 1384 aan de pest. Geert Groote zelf was bovendien, aldus R.R.Post, wel iemand die opwekte tot vroomheid en devotie, maar `niet de karakteristieke drager van de Moderne Devotie'; de eigenlijke dragers waren de leden van de religieuze gemeenschappen die onder invloed van Geert Groote ontstonden.*3 Na 1379 trok Geert Groote rond als boeteprediker en zielzorger in Deventer, Zwolle, Kampen, Zutphen, Amersfoort en Utrecht, maar ook in Amsterdam, Gouda, Haarlem, Delft en Leiden. `Zijn preken handelen vooral over boete en bekering, over Gods gerechtigheid en de pijnen van de hel, maar ook over Jezus' voorbeeld en de eeuwige beloning. Hij klaagt het zedelijk verval en de verslapping van de kloostertucht aan, [...] de simonie, de proprietarii (kloosterlingen met eigen bezit) en de priesters concubinarii (die onwettig met een vrouw samenleven)'.*4 Hij preekte overal de leer der apostelen, het evangelie en het voorbeeld der heiligen. Hij trachtte de deugdzamen in hun levenswandel te sterken en zondaars te bekeren. De bekering kon bestaan in: het verbreken door priesters van de ongeoorloofde samenleving, het wegschenken van privébezit door monniken, het nalaten van simonie, het rechtvaardig behandelen van de medemens en het restitueren van door woeker verkregen gelden.*5 Vanaf de jaren tachtig, de jaren ook waarin Willems sprekerscarrière een aanvang nam, verspreidde Grootes invloed en die van de religieuze beweging zich vanuit de IJsselstreek over de Nederlanden, Westfalen en het Rijnland.*6

Het Corpus iuris canonici stond niet toe religieuze orden te stichten zonder toestemming van het bevoegde gezag; eenieder die een kloosterlijk leven wilde leiden, moest zich in principe bij een bestaande orde aansluiten. De Devoten zochten daarom naar een constructie waarmee dit verbod omzeild werd: de `gezinsgemeenschap' van vrome lieden (vaak leken), waarin de pater familias regels stelt, zonder dat er bindende geloften werden afgelegd.*7 Desondanks werd het bestaansrecht van de gemeenschappen aangevochten, met name omdat het om leken ging die samenwoonden zonder regel of bindende gelofte; men zag hierdoor zelfs de autoriteit van kerk en paus aangetast. Veel kritiek ondervonden de devoten uit de kringen van reguliere geestelijken (m.n. dominicanen). Men trachtte de devoten in een kwaad daglicht te stellen `als vijandig aan de monniken, als anti-kloosterlijke, ja anti-clericale nieuwlichters'.*8

Het leven in de huizen der Moderne Devoten hield het midden tussen een kloosterlijk leven en het `leven in de wereld'. Nog vóór 1400 waren er ook huizen in het westen: Amsterdam, Delft, Utrecht en Leiden. Revolutionaire denkbeelden waren de beweging geheel vreemd. Alberts spreekt van een `religieus réveil'.*9 De term `navolging van Christus' raakt de kern van de geloofsopvatting der Devoti: een op het leven van Christus afgestemde, de innerlijke mens toegekeerde vroomheid. Het evangelie van Christus diende de grondslag van het religieuze leven te zijn. De Devoten waren in hun vroomheid op zoek naar een persoonlijke en innerlijke beleving van het geloof en gemeenschap met God. R.R.Post meent dat de Moderne Devotie begrepen moet worden als `een bezinning van den mensch op de eeuwige waarden, een zoeken van God en van den weg der deugd, een afkeer van de wereld'.*10 De Devoti wensten een sober en ascetisch bestaan te leiden.

Waarin onderscheidde echter de Moderne Devotie zich nu precies van andere religieuze bewegingen? Het eigene en nieuwe lag niet in de dogmatiek, en men heeft zich niet verdiept in grote theologisch-filosofische problemen. De Moderne Devotie heeft dan ook geen belangrijke theologen voortgebracht. De beweging leverde wel een bijzondere bijdrage aan de betrokkenheid van de leek bij het geloofsleven en de persoonlijke geloofsbeleving. De devoten waren ook voorstanders van lezing en studie van de Schrift in de volkstaal: onder meer Gerard Zerbolt van Zutphen hield hiervoor in zijn De libris teutonalibus et de precibus vernaculis een pleidooi.*11 De kracht van de Moderne Devoten school grotendeels in de discipline die zij aan de dag legden in hun vrome overpeinzingen, in hun dagelijkse meditaties. Christus was het onderwerp van hun liefde en zij probeerden meermalen per dag systematisch Zijn leven op aarde, kinderjaren, prediking en lijden zo levendig mogelijk voor te stellen. Met graagte maakte men gebruik van deMeditaties over het leven van Christus, toegeschreven aan de H.Bonaventura, waarin allerlei (apocriefe) verhalen en feiten aan het sobere evangelieverhaal waren toegevoegd. De Moderne Devotie heeft een zeer methodische vorm van meditatie voortgebracht: `Men verstaat hieronder niet het eenvoudig overdenken van de geloofswaarheden of van de gebeurtenissen uit Christus' leven, doch dit volgens een bepaald schema en dan daarbij alle vermogens van de ziel in werking brengen: overdenken, beminnen, aanbidden, prijzen, danken, voornemens maken, zonden betreuren'.*12

De devotiebeweging ontstond voor een groot deel uit onvrede met de religieuze en wereldlijke status quo. Geert Groote voelde zich niet voor niets geroepen tot de prediking van de leer van Christus, de bestrijding van misbruiken in kerk en wereld en het bekeren van zijn medemensen tot een levenshouding, zoals staat in zijn Conclusa et preposita, non vota. Kritiek gold bijvoorbeeld de levenswijze van vele geestelijken die niet zelden een weinig verheffend voorbeeld gaven. Geert Groote meende in zijn Contra focaristas dat een zondig priester door de gelovigen gemeden diende te worden, al moest hij toegeven dat de onwaardigheid van de priester het sacrament niet ongeldig maakte.*13 Groote trachtte aan te zetten tot het rechtvaardig behandelen van de medemens en meende bijvoorbeeld dat winst uit woeker diende te worden teruggegeven. Verder had Groote in zijn Contra turrim Traiectensem kritiek op de bouw van de Utrechtse Domtoren. Hij veroordeelde dit als ijdele glorie: klokken konden ook in lage torens hangen. Het ergste vond hij dat de gelden ervoor werden onttrokken aan de armenzorg.*14 De devoten, afkerig van de weelde die de kerk rond zich verzamelde, waren voorts gekant tegen aflaten en aflaathandel*15, en de simonie kon bij hen evenmin genade vinden. Huizinga maakt er melding van dat `de ernstige mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas à Kempis'.*16 Frederik van Heilo noemde in zijn Tractatus de peregrinantibus sive contra peregrinantes de bedevaarten `een bron van gevaar en verleiding [...], onnodig voor kloosterlingen en devoten, alleen nuttig voor mensen die in de wereld leefden'. De leken hadden behoefte aan uiterlijke werken van vroomheid, maar ook voor hen achtte Frederik van Heilo het innerlijk geloof belangrijker. Bedevaarten uit devotie ondernomen keurde hij wel goed, maar bedevaarten, die ondernomen werden omwille van een gelofte vond hij dwaas.*17 Hendrik Mande ging nog het verst in zijn kritiek en stelde: `De Heer zegt niet, loop hier en daar pelgrimage of vaart over zee, maar Hij zegt: keert in tot uwe harten, dáár zult gij mij vinden'.*18 Over het Westers Schisma schreef Geert Groote zijn Epistola de scismate. Hij koos alleen maar voor paus Urbanus VI in de hoop onder het preekverbod van de Utrechtse bisschop in 1383 uit te komen. In feite zag Geert Groote in het Schisma niet meer dan één van de vele symptomen van het diepste kwaad dat aangepakt moest worden: het zedelijk verval. `In wezen achtte Grote beide pausen en de kardinalen aansprakelijk voor de verdeeldheidin de kerk, niet van de kerk. Wie te goeder trouw een der obediënties volgde, kon niet als scheurmaker worden beschouwd: de gelovigen maakten zich niet los van het kerkverband. De pausen waren niet gerechtigd elkander en elkanders aanhang te excommuniceren (hetgeen wel gebeurde), want dan zouden zij hun rechten hoger stellen dan de eenheid van de kerk'.*19

We kunnen verschillende raakpunten met het werk van Hildegaersberch constateren.*20 Het nieuwe religieuze élan en de nadruk op individuele (leken)vroomheid en persoonlijke verantwoordelijkheid voor het eigen zieleheil waren ook bij hem aanwezig. Willem wees zijn gehoor eveneens op het eeuwige heil, pleitte voor boete en bekering, voor rechtvaardigheid en ootmoedigheid. Woeker werd door Willem evengoed veroordeeld. Hij besteedde de nodige aandacht aan het zedelijk verval van de geestelijkheid en constateerde bij de clerici regelmatig een discrepantie tussen leer en leven. De simonie werd door Willem gelaakt. De vraag of het sacrament uit handen van een zondige priester wel geldig was, wordt in 58.Vander heiligher kercken door hem (voorzichtig) aangeroerd: Willem meende net als Geert Groote dat het sacrament niet aangetast kan worden, al pleitte laatstgenoemde er wel voor om priesters te schuwen die zich met simonie en ontucht inlieten.*21 Verder was het onttrekken van geld aan de armenzorg de dichter een gruwel. Op het punt van de bedevaart nam Willem hetzelfde standpunt als de Devoten in: de geestelijke bedevaart is meer waard dan die te voet. En tenslotte hekelde de spreker het schisma. Hij meende louter op dogmatisch-historische gronden dat de paus te Rome moest zetelen, maar hij stond boven de partijen. In zijn ogen werd het schisma gekenmerkt door hebzucht, simonie en onrecht en door het persisteren in partijschap. Evenals Groote beschouwde Willem het schisma als een voorteken voor de naderende doemsdag.*22 Netzomin als de Devoten tenslotte, waagde Willem zich als gelovige leek aan diepzinnige theologische beschouwingen.

Gedachtengoed uit het beroemdste boek dat de beweging voortbracht, De navolging van Christus van Thomas à Kempis, vindt men soms ook bij Willem terug. Niet dat Willem door dit werk beïnvloed kan zijn, want het werd pas in 1441 geschreven. Wel omdat Thomas à Kempis schatplichtig is geweest aan het gedachtengoed van Geert Groote. Belangrijk is onder meer dememento mori-gedachte bij Thomas à Kempis. Hij waarschuwt (net als Groote) voor de onverwachte dood en maant om altijd in deugdzaamheid op het sterven voorbereid te zijn. Ook op de dag van het oordeel moet men voorbereid zijn, want eens zal men zich tegenover de Rechter voor zijn daden moeten verantwoorden, en dan baten rijke giften noch pleidooien van anderen.*23 Voorts wees Thomas op de vergankelijkheid van al het aardse. Voor het najagen van de wereldse genoegens zal men uiteindelijk gestraft worden. Het is derhalve van belang om juist te streven naar het rijk der hemelen.*24 Thomas zette uiteen dat de armen gemakkelijk het eeuwige leven zouden beërven, terwijl de rijken om hun rijkdom het risico liepen dat de hemelse zaligheid hen uiteindelijk ontzegd werd.*25 Verder bepleitte Thomas de voordelen van de ootmoedige levenshouding boven die van hoogmoed en hebzucht.*26 Hij verlangde van de christen dat zijn geloof tot uiting kwam in een oprechte levenswandel. Het doorgronden van Gods geheimen werd van de gelovige niet geëist.*27 Tevens heeft Thomas groot belang gehecht aan de communie en de biecht, zoals blijkt in zijn tractaat Godvruchtige aansporingen tot de Heilige Communie.*28 Hij benadrukt hierin dat men biecht en communie niet steeds moet uitstellen, maar dat men tijdig en regelmatig vergeving moet zoeken via deze genademiddelen.*29

Deze motieven zijn uit De navolging van Christus geselecteerd omwille van hun overeenkomsten met het werk van Hildegaersberch. Thomas' werk bevat anderzijds ook voldoende passages waarvoor men geen `parallel' in Willems oeuvre zal vinden. Bovendien moet men erop verdacht zijn dat de Moderne Devotie niet het alleenrecht bezat op bovenstaand gedachtengoed: ook bij andere theologen trof men deze denkbeelden aan. De devoten brachten ze echter met nieuw élan weer onder de aandacht.

Daarmee zijn we bij een kardinale vraag aanbeland: kende Willem de beweging van de Moderne Devotie? Het antwoord lijkt te vinden in 77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden. Willem opent de sproke met een korte bespiegeling over de (vrije) wil. De wil heeft aanleiding gegeven tot `Menigherhande staet van leven' (vs.18). De spreker blijkt dan te doelen op religieuze bewegingen en ordes. En `elcman denctet sine goet' (vs.19), voegt hij hier enigszins spottend aan toe.

Dus crighen wy Lollaerts ende Baghinen, (Cellebroeders)

Nonnen die oeck heilich schinen,

Tsaertroysers, Zweesteren*30 ende Bagaerden, (Kartuizers)

Ende ander gheestelyke harden, (herders)

Die ons leren ende wisen,

Soe datse ons billics staen te prysen;

Want wat sy leren int sermoen

Ons, dat ghaen si selve doen:

Dus gheven si goet exempel mede. (77; 21-29)

De toon blijft spottend: Willem lijkt de draak te willen steken met de `heiligheid' van genoemde personen. Evenmin van ironie gespeend zijn z'n woorden over de meer officiële orden:

Si sijn ghewyet op die bede, (om te bedelen)

Karmeliten ende Augustinen,*31

Minrebroeders end Jacopinen, (franciscanen en dominicanen)

Ende oec om salicheit gheset;

Want leven si wel, si leren bet:

Dat is int oechschijn openbaer.

Lieghe ic niet, soe seg ic waer;

Brecter yet, dat volle God. (77; 30-37)

Willem maakt hier van dezelfde ironische omkeringstechniek gebruik als in 19.Van mer: hij prijst personen, maar maakt expliciet duidelijk dat er feitelijk de nodige kritiek geleverd kan worden. De spreker laat hier echter in alle ernst op volgen:

Al dese heilighe goede lyede,

Die ic roer in mijn bediede,

Leven sy wel in horen zaken,

Wye machse dan mit rechte laken? (77; 39-42)

Willem wil de goede geestelijken niet te na spreken. Vervolgens begint de dichter zijn kritiek te specificeren:

Mar sy, die heymelijc gaen leren,

Dat man ende wijf van ander keren

Hoir ghenoecht ende horen wil,

Die mochten liever zwighen stil;

Want wederwil ende onghenoecht

En wercken salicheit noch doecht.

Hilic is een salicheit,

Daer veel meerre bate an leit

Dan an die langhe cappe wijt

Off an hoer gheestelic abijt,

Dat si draghen off visieren (77; 43-53)

Willem bekritiseert de prediking met als oogmerk om man en vrouw, echtelieden, het huwelijk tegen te maken. Kennelijk was het de bedoeling van dergelijke prediking om mensen ertoe aan te zetten een celibatair en religieus leven te gaan leiden. Het huwelijk stond in de middeleeuwen als sacrament niet in hoog aanzien; velen beschouwden het huwelijk als `geoorloofde onkuisheid' en men meende dat zaligheid veeleer verkregen werd via een celibataire levenswandel. Willem heeft zich enkele malen tegen deze opvatting teweer gesteld. Hij benadrukte het sacrale karakter van het huwelijk en stelde dat men het heil evengoed, of misschien nog beter, met het huwelijk kon bereiken: het huwelijk was een sacrament, het celibaat niet.*32 Willem betoogt vervolgens in de sproke dat het huwelijk de maatschappij in stand houdt. Zelfs de heiligste geestelijke is uit een aardse vader en moeder geboren. Hij meent:

Wat sal dan runen ofte raden, (samenspannen, fluisteren)

Dat wittachtich hilic doet versmaden?

Willen si goede exempelen gheven,

Dat donct mi talre beste leven

Tfolc tot doechden mede te trecken. (77; 63-67)

De geestelijken kunnen beter trachten de gelovigen deugdzaamheid bij te brengen, dan proberen om hen van het huwelijk te laten afzien. Hiermee wil de spreker geen kritiek leveren op het celibaat in het algemeen of het celibataire leven van geestelijken, hij bekritiseert slechts de geestelijken die leken trachten over te halen om het huwelijk te versmaden vanuit de gedachte dat het celibaat heilzamer is voor de ziel. Willem is nog steeds niet bij zijn eigenlijke onderwerp aanbeland. Pas in vs.81 zegt hij:

Nu moecht ghi vorder vraghen mi,

Wyen ic myen, of oeck waer by (waarom)

Dat ic spreke sulke woerde:

Ic heb gheweest al daer ic hoerde

Begheven luden, monicken, nonnen,

Die nuwen staet hebben begonnen,

Die niet en was by ouden tyden,

Daer sy hem selven in verblyden

Ende menen, dat si heilich sijn. (77; 81-89)

Het is erg aannemelijk dat Willem hier doelt op de - voor hem en zijn publiek uiterst actuele - stichting van broeder- en zusterhuizen door de Moderne Devoten. De kritiek van de dichter richt zich in het bijzonder op deze nieuwe `orde' die er naast alle oude ordes is bijgekomen, en waar mannen en vrouwen, geestelijken*33 maar ook vele leken, een vroom leven gaan leiden en afzien van het huwelijk. Het heeft er alle schijn van dat Willem de Devoten ervan beticht mensen het huwelijk te willen tegenmaken, ten gunste van een kuis en vroom leven in een broeder- of zusterhuis. Feit is dat Geert Groote in zijn De matrimonio weinig gunstig over het huwelijk heeft geschreven. R.R.Post merkt hierover op: `Dit [...] was bedoeld om een bepaald persoon van het sluiten van een huwelijk af te houden, maar het kon tegelijk ook andere voor het gevaarlijke van het huwelijksleven en het bedriegelijke van de vrouw waarschuwen'.*34 Groote was niet zonder meer tégen het huwelijk, maar het kon slechts onder heel strikte voorwaarden genade vinden in zijn ogen. Zelfs als men louter trouwde om nageslacht te verwekken en onkuisheid te vermijden, lag de zonde op de loer. Groote beschouwde, ook blijkens andere geschriften van zijn hand, het huwelijk derhalve als een minder perfecte staat van leven dan het celibataire bestaan. Zijn extreme opvattingen hieromtrent waren uniek voor de Nederlanden.*35 Willem zou dus goed kunnen doelen op de prediking vanuit de hoek der Devoten die mensen van het huwelijk afhoudt, of die mensen doet besluiten het huwelijk officieus te ontbinden: in dit laatste geval splitsten man en vrouw hun bezittingen op en gingen zij ieder huns weegs om een devoot en celibatair leven te leiden in de huizen der Devoti.

Op de geestelijken van de oude ordes viel kortom al het nodige aan te merken, maar deze nieuwlichterij ging Willem waarlijk te ver. Ze denken dat ze heilig zijn, zegt Willem, en hoopt dat het ook zo is. Hij voegt er echter direct aan toe: `Si prysen desen, si prysen dien, Hoer eyghen leven alre meest' (vs.94-95). Willem kan hiermee goed doelen op het individualisme en de persoonlijke, verinnerlijkte devotie van de broeders en zusters, op de `zelfheiliging door deugdoefening'.*36 Kritiek klinkt door op deze gewone (huwbare of gehuwde) burgers die zich omwille van het geloof aan het huwelijk onttrekken: `Mar wittachtich hilic ende alsulc feest, Laken si dicwijl ongheprijst' (vs.96-97).

Na deze woorden geeft Willem zich weer over aan algemene bespiegelingen over de grotere waarde van het huwelijk boven het celibaat. Hij betoogt: `Man ende wijf dat is een oerde, Die mitten godlyken woorde Was ghemaect al hier te voren' (vs.107-109). Hij bedoelt Gods instelling van het huwelijk in het aardse paradijs. Met de nieuwlichterij lijkt men de wereld op zijn kop te willen gaan zetten:

Bleven al die vrouwen maecht,

Die mannen priesters ende oec knapen,

Souden dan nonnen ende papen

Die werlt wel staende moghen houden

Onghestraft by horen scouden,

Soe woudic noch ter scolen gaen,

Entie oerden laten staen,

Die alre oerden moeder es. (77; 126-133)

Willem zou snel een geestelijke worden en het huwelijk laten voor wat het was, zo schertst hij, wanneer het gewoonte wordt dat geestelijken de wereld in stand gaan houden. Willem haast zich op te merken dat het allemaal niet zo negatief bedoeld is, maar dat hij de uitwassen wil aanpakken: `Ghi moecht mi wel gheloven des, Dat ic tarchste myen te laken, Op dat ic dbeste can gheraken' (vs.134-136). Met kritiek op de uitwassen wil de dichter het goede benadrukken. Hij blijkt bereid tot nuancering en wil de goede geestelijken niet te na spreken - en waarschijnlijk doelt Willem hier ook op de Moderne Devoten:

Optie goede en spreke ic niet,

Die doen als hem scriftuer ghebiet

Of der heiligher kercken ghebode,

Want sy veryenen hem mit Gode;

Ende wye mit Gode hem veryenen,

Die moghen hoghen loon verdienen:

Dien willic laken noch ooc straffen. (77; 137-143)

Juist op grond van de doelstelling, de vereniging met God, kan men veronderstellen dat Willem het hier (ook) over de broeders en zusters des gemenen levens heeft. Hij bestrijdt echter het idee dat men het heil via het huwelijk niet (of lastig) kan bereiken:

Mar man ende wijff, die moghen scaffen

Goeden oirbaer nae costume,

Ende nochtan pade vinden rume,

Op te gaen in hemelrijcke (77; 144-147)

Even verder vraagt Willem wat er van de wereld geworden was als vijftig jaar geleden niemand meer zou zijn getrouwd:

Want waert een vijftich jair gheleden,

Dat nyemant hilic hadde ghedaen,

Hoe sout dan inder werlt gaen?

Berecht mi des, wel arme domme,

Die heymelic wilt leyden omme

Den sulken, dat si hoer hilic laten,

Man ende wijf, dat si hem saten

Horen bant te schoren weder. (77; 170-177)

Nogmaals lijkt Willem de prediking in de geest van Geert Grootes De matrimonio aan de kaak te stellen. De dichter besluit zijn sproke vervolgens met een verdediging van het huwelijk.

Als Willem hier waarlijk doelt op de Moderne Devoten - en daar valt het nodige voor te zeggen*37 -, dan blijkt hij nogal ambivalent te staan tegenover de beweging. Het gedicht is in elk geval bepaald geen loftuiting op of zelfs maar een verdediging van de Moderne Devotie. Hij wil dan wel geen kwaad spreken van de vrome lieden die kerkleer en Bijbel gehoorzamen en zich met God willen verenigen, maar het is zeer de vraag of Willem met de beweging als zodanig zoveel ophad. Zijn kritiek op uitwassen (in zijn ogen) getuigt op z'n zachtst gezegd van gemengde gevoelens.

In zeker opzicht sluiten Willems werk, denkbeelden en beroep helemaal niet zo goed aan bij de beweging van de Moderne Devotie. Zoals we zagen verdedigde Willem de huwelijkse staat, en was hij beslist geen voorstander van celibataire kuisheid voor de (vrome) leek. Intensieve en specifieke aandacht voor het verval in de kloosters, waarmee de devoten zich hebben beziggehouden, zullen we bij Willem tevergeefs zoeken. Alhoewel de spreker de nederigheid zeker predikt, moet men verder de individueel-devote, innige, ietwat sentimentele en piëtistische toon bij Willem bijvoorbeeld geheel ontberen. Versterving lijkt hem volkomen vreemd. Hildegaersberch was geen man van ascese, zelfvernedering en zelfopgelegde soberheid, en staat een dergelijke levenshouding in zijn gedichten ook niet voor. Op bescheiden schaal joeg hij zelf het geld na, en tegen het (met mate) beleven van aardse genoegens had hij geen enkel bezwaar. Hij toonde bepaald geen afkeer voor de wereld, had niet de behoefte het wereldse leven te ontvluchten. Integendeel, hij stond midden in het leven, en de wereld kon op zijn volle, zij het kritische aandacht rekenen. Voorts moet vastgesteld worden dat Willems oeuvre nu ook weer niet gekenmerkt wordt door systematische meditaties op het leven en lijden van Christus. Willem was een vrome, gelovige leek en bepaalde van zijn opvattingen vertonen overeenkomst met die der Devoten. Toch was hij - hoe vreemd dat wellicht ook moge klinken - te wereldsgezind om voor een vurig sympathisant, laat staan een Moderne Devoot te kunnen doorgaan. De broeders hadden in hun kring geen rondreizende sprooksprekers en dichters, maar veeleer immobiele asceten, kopiïsten, prozaschrijvers, geleerden.

Kortom, Willem was geen adept van de Moderne Devotie, lijkt zelfs zijn bedenkingen bij de beweging te hebben gehad, en toch zocht ook hij het persoonlijke geloofsleven nieuwe impulsen te geven en vertonen bepaalde denkbeelden en kritiek overeenkomst met die der devoten. Alberts meent dat er vele mensen waren, `die zonder zich in de gemeenschappen der Moderne Devotie te begeven toch een ingetogen en naar de innerlijke mens gekeerd leven gingen leiden en daarbij zich lieten leiden door de vroomheid van de Devoten. Men trof deze mensen aan bij de eenvoudigen van geest en bij ontwikkelde lieden, bij aanzienlijken [...] en voorname stedelijke bestuurders en bij de mensen uit het gewone volk'.*38 Maar dan nog kan men zich afvragen of dit nu werkelijk van toepassing is op Willem.

Zowel de gedichten van de sprookspreker met de daarin verwoorde opvattingen, als de ideeën van de Moderne Devotie zijn eigenlijk produkten van dezelfde tijdgeest.*39 De tijdgeest vormde een inspirerende voedingsbodem voor zowel Hildegaersberch als Geert Groote. Daar hoeft geen ontlening aan te pas te komen. Beide mannen leefden in een tijd die, na een periode van religieuze matheid, rijp was voor een religieus réveil.*40 Geert Groote was de man van het nieuwe experiment. Willem is in diezelfde tijd niet blind geweest voor de toestand in de wereld en van het geloof, en hij is niet doof geweest voor kritiek en nieuwe denkbeelden. Hij heeft de signalen van zijn tijd opgevangen. Zonder nu meteen van een directe invloed te willen spreken, is het volgende onmiskenbaar waar: in Willems sproken vinden we tekenen dat de tijd rijp was voor de Moderne Devotie.