Bleek in de vorige paragraaf dat het overgeleverde dichtwerk van Hildegaersberch zich voornamelijk richtte tot de maatschappelijke elite, het rekeningenonderzoek kan niet anders dan dit bevestigen. De waarde van dit onderzoek moet evenwel meteen gerelativeerd worden. Er zijn uit de 14e eeuw voornamelijk adellijke hofrekeningen, kloosterrekeningen en stadsrekeningen overgeleverd. Dit zijn de rekeningen die in veilige archieven voor teloorgang behoed zijn gebleven. In de lagere maatschappelijke regionen hield men óf geen rekeningen bij, óf - zo men dit wel deed - weerstonden de rekeningen de tand des tijds niet. Het rekeningenonderzoek kan derhalve wel aantonen dat Willem in de hogere kringen is opgetreden, maar niet uitsluiten dat hij dit ook in lagere kringen deed. Het is (om een extreem voorbeeld te geven) niet onmogelijk dat Willem soms in een dorpstaveerne een sproke ten beste gaf, ondanks dat rekeningen dit niet kunnen staven en er geen sproke is overgeleverd die een dergelijk vermoeden met enige zekerheid zou kunnen rechtvaardigen.*1 Voorts mag men zich niet laten misleiden door de verhouding tussen adellijk publiek enerzijds en kloosterlijk en stedelijk publiek anderzijds. Dat Willem vaker voorkomt in de Hollandse hofrekeningen dan in stadsrekeningen, hoeft nog niet te betekenen dat hij vaker aan het hof dan in de stad vertoefde. Integendeel, buiten de grote hoogtijdagen om moet de dichter ook veelvuldig in de stad te vinden zijn geweest. In de stad kan hij regelmatig zijn beloond door individuele aristocraten of patriciërs, zonder dat daar iets van in de stadsrekeningen is geadministreerd. Maar ook kost en inwoning kunnen hem in de stad regelmatig als bezoldiging-in-natura ten deel zijn gevallen; hiervan leggen rekeningen evenmin getuigenis af.
Bezien wij vervolgens de rekeningen; voor de tekst van de besproken posten zie men de bijlagen 11.4. en 11.5. In de tresoriersrekeningen van de graven van Holland staan 32 bezoldigde optredens van Willem geregistreerd over de periode 1383-1408. Dertig van deze optredens hadden plaats op het Haagse Binnenhof; eenmaal sprak Willem voor de graaf in Middelburg, eenmaal in Haarlem. Het is niet ondenkbaar dat de sprookspreker nog vaker voor de Hollandse graven is opgetreden tegen een andere dan financiële vergoeding.
In de rekeningen van de hertog van Gelre treft men Willem tussen 1388 en 1392 driemaal aan. Tweemaal vond het optreden niet plaats in Gelre, maar in Leiden, waar de hertog vertoefde.*2
Van de Egmondse Benedictijnerabdij is slechts één rekening uit de 14e eeuw overgeleverd, en in die ene rekening komt Willem in 1389 voor. Van Oostrom tekende bij de rekeningpost aan dat `de formulering in de rekening doet vermoeden dat hij er een goede bekende was', en J.Hof heeft in zijn studie over het Egmondse klooster over Willem opgemerkt: `Deze minstreel [sic] was persoonlijk geen onbekende te Egmond, waar hij dikwijls met de graaf vertoefde'. Dit moet evenwel speculatie blijven.*3
In de rekening over het jaar 1399-1400 van de inmiddels verloren gegane Middelburgse stadsrekeningen treft men Willem eenmaal aan.*4 En hij keert ook nog in een andere stedelijke rekening terug, namelijk de Utrechtse kameraarsrekening van het jaar 1402.*5
Er zijn vele (uitgegeven en onuitgegeven) rekeningen waarin Willem niet terug te vinden is. Zo komt hij niet voor in de rekeningen van de graven van Blois*6, wat toch wel enigszins verwonderlijk is aangezien het Bloise hof zeker culturele allure had. Maar het is wederom niet uit te sluiten dat Willem wel voor de graaf van Blois is opgetreden, doch niet met klinkende munt werd beloond. Aan de andere kant zou men van een man als Guy van Blois (reg.1381-1397) toch wel weer minstens één geldelijke beloning verwachten, in het geval dat Willem ooit aan zijn hof zou hebben gesproken. In de rekeningen van het hertogdom Niederbayern-Straubing komt Willem evenmin voor.*7 Het betreft hier de Beierse administratie van Albrecht van Beieren en zijn gelijknamige zoon. Niets wijst er tot nu toe op dat Willem met zijn sprekerskunst door de Duitstalige landen is getrokken, terwijl toch vele Duitse sprekers zich in die tijd in Holland aandienden. Hildegaersberch heeft zelfs de gelegenheid niet aangegrepen om met Willem van Oostervant mee te reizen op diens Pruisentocht in de jaren 1386-1387, als we althans mogen afgaan op de aparte administratie die van deze reis is bijgehouden. Maar dit soort krijgstochten hadden dan ook niet zijn sympathie.
Voorts treft men de spreker niet aan in de uitgegeven stadsrekeningen van Leiden, Doesburg, Deventer, Arnhem, Dordrecht, Nijmegen, Zutphen en Zwolle. Evenmin staat Willem in de uitgegeven rekeningen van het bisdom Utrecht geadministreerd. En ook de rekeningen van de Hollandse gerechtelijke ambtenaren, te weten een aantal baljuwen en drossaards, en de rekeningen van de rentmeesters van een aantal grafelijke domeinen laten niets los over Willem. Hetzelfde geldt voor de rekeningen van de domeinen van Putten.*8
Twee `connecties' moeten ter completering van het beeld nog genoemd worden. In de eerste plaats lijkt er een connectie te bestaan met het nonnenklooster te Rijnsburg, gezien de opdracht van de abdis van Rijnsburg voor het schrijven van 4.Van den X gheboeden. Een relatie op grond van literaire verdiensten met de (direct aan het Hollandse hof gelieerde) Rijnsburgse abdij is beslist niet ondenkbaar*9, maar bewijzen hiervoor zijn in de uitgegeven kloosterrekeningen helaas niet te vinden.*10
In de tweede plaats is er de `Leidse connectie'. Niet alleen was het in Leiden dat Willem tweemaal optrad voor de Gelderse hertog. Het was ook in Leiden dat Willem zich aandiende bij Dirc van den Rijn en zijn commanderij van de Duitse Orde. En tenslotte wijst 81.Vanden sloetelop een bijzondere band met Leiden.*11 Misschien is het ook niet zonder betekenis dat handschrift H van Willems gedichten in het begin van de vorige eeuw in Leiden opdook, als erfstuk van de Leidse familie Van Alphen. In 1717 had Mr.Daniel van Alphen, raad en burgemeester van Leiden, het handschrift ontdekt. En in 1721 ontving hij het van de Leidse `Heren Meesteren van de Catharinae ende Caeciliae gasthuisen' ten geschenke. Op het schutblad van het handschrift wordt `meyster Michiel' als eigenaar genoemd, anno 1565. Was deze meester Michiel al een meester van het gasthuis? In dat geval bevond het handschrift zich zo'n 85 jaar na vervaardiging al in Leiden.*12
Combineert men de gegevens uit deze en de vorige paragraaf, dan blijkt Willem - ook als de nodige voorzichtigheid in acht wordt genomen - globaal gesproken toch een publiek uit de hogere kringen literair te hebben bediend: Haagse hofkringen, Gelderse edelen, het adellijke kloostermilieu, stadsmagistratuur en stedelijke geestelijkheid. Het is daarbij opvallend dat een deel van het genoemde publiek op de een of andere wijze met het Hollandse gravenhof was gelieerd. Hierop zal in paragraaf 8.4. nog iets nader worden ingegaan. Het rekeningenonderzoek zegt tot slot iets over Willems actieradius: hij bestreek in elk geval Holland, Zeeland en Utrecht, en waarschijnlijk Gelre (indien de rekeningpost uit 1392 begrepen mag worden als een optreden in Gelre).