8.3. Het Hollandse hofpubliek

8.3.1. Literatuur aan het Hollandse hof

In het Algemeen Rijksarchief te Den Haag wordt thans het archief van de graven van Holland bewaard, onder meer bevattende de grafelijke tresoriersrekeningen, waaruit we de inkomsten en uitgaven van Albrecht van Beieren en Willem VI kunnen aflezen. Het eerste en kleinste deel van elke rekening bevat, althans vanaf 1372, de ontvangsten. Het betreft de niet-uitgebreid gespecificeerde bedragen die de graaf ontving van zijn Hollandse en Zeeuwse (en soms ook Henegouwse) rekenplichtige ambtenaren: de baljuwen, schouten, rentmeesters, tolgaarders, dijkgraven en houtvesters. Gespecificeerde rekeningen werden door deze ambtenaren zelf bijgehouden. Jaarlijks werden zij aan het hof ontboden, opdat tresorier, graaf en raad de rekeningen konden controleren en de bedragen konden innen. Verder had de graaf nog inkomsten uit de sleischat (belasting op de vrijheid van muntslag), uit boetes en verbeurdverklaringen wegens misdaden, uit verleende privileges en dergelijke.

Veel meer katernen van de rekeningen waren bestemd voor de uitgaven van het hof. De tresorier en zijn clerken hielden hier een gespecificeerde administratie van bij. Voor de huishoudelijke uitgaven waren, eveneens vanaf 1372, rubrieken als `cost van den herberg', `paneterie', `bottelrie' en `coken' gereserveerd. Aparte rubrieken waren er voor de stallen, paarden en zadels. Voorts waren er rubrieken voor zakgeld voor de graaf ('in mijns heren hant gegeven'), de gravin en andere familieleden: dit zakgeld werd bijvoorbeeld besteed aan aalmoezen, dobbelen, kaarten of cadeautjes. Voor aalmoezen bestond ook een speciale rubriek, aangeduid als `offergelde ende om Gode gegeven'. Uitgaven voor stoffen voor de grafelijke familie en het hofpersoneel, van lakense stof tot `bontwerc', werden in een viertal rubrieken geadministreerd. Allerlei opsmuk viel in de rubriek `juwelen ende gulden lakenen'. Allerhande grote en kleine uitgaven die tot de diversen gerekend moesten worden, kwamen in `grote foreine' en `cleine foreine' terecht. Een grote rubriek was telkens die voor het `bodeloon': het loon dat de boden en herauten ontvingen voor de reizen die zij op last van de graaf ondernamen. Tenslotte werden allerhande uitgaven voor artistieke verpozing-van-buiten, voor kunsten en kunstjes vastgelegd in de rubriek `van pipers ende herauden'.

Op de rubrieken `grote foreine', `cleine foreine' en `van pipers ende herauden' wordt hier wat nader ingegaan. De twee eerstgenoemde afdelingen verschaffen onder meer inzicht in de aanschaf van boeken.*1 In de periode 1361-1383 vernemen we van aankopen van `en Duytst boec' voor gravin Machteld, de vrouw van Willem V, `I scrien daer mijns heren boecke in legghen', `boeken [...] tot den coeraelkiins [koorknapen] behoef in te leren' en `II misboeken ter capelle behoef'.*2 Voorts lezen we van `I bode ghesent in den Haghe om alrehande boeken ende rollen in Henegouwen te brenghen'*3, maar hier zal het wel gaan om juridische of administratieve documenten. In dezelfde periode wordt nog een uitgave gedaan voor `III grete quaterne papiers daer die boech van de orloghe ghescreven was met I wit vilt'.*4 Tot slot betaalt graaf Albrecht een aanzienlijke som voor `een ghetijd boec dat tUtrecht was doen scriven, van virlichten, van virbinden in borders [houten platten/borden] ende van de beelden in te doen maken ende te bewerpen [schilderen*5]'*6.

In 1385 komen we een drietal posten tegen die betrekking hebben op een kostbaar getijdenboekje voor Margaretha van Beieren, de dochter van Albrecht, bedoeld als huwelijksgeschenk. We lezen dat Willem vander Haer in Den Haag betaald werd voor `I ghetide boecskijn dat hi voer mijnre joncfrouwe ghescreven hadde ende van aportijf'.*7 Even later ontving Pieter van Arnemuiden het bedrag dat hij had voorgeschoten om `mire joncfrouwen ghetide boecskijn te verlichte ende te verbinden tot Berghe in Henegouwen ende Wouter Scriveyn verbant [inbond]'. Tevens was er geld uitgegeven om de `sloten daer aen te maken [...] mits sulver daer se of sijn, van maken ende van vergulden'. Tenslotte werden nog de volgende huwelijksgeschenken aangeschaft voor Margaretha: `I paer snijtmessen, I cam ende een boec boerse voir mire joncfrouwe van Hollant die op die tijt bruyt was'. Een `boec boerse' zal verwant zijn aan de `boecsac'*8: een tasje, etui of foudraal om het kostbare getijdenboekje in op te bergen, te vervoeren en/of te beschermen. Devotionele lectuur was aan het hof bijzonder in trek, vooral bij de adellijke dames. In hetzelfde jaar worden `III ghetide rollekijns' gekocht `int hof voer die poirte voir mire vrouwen van Oestervant [=de eveneens zojuist gehuwde Margaretha van Bourgondië] daer si daghelix in lesen soude'. En ook voor Margaretha van Brieg, de vrouw van Albrecht, kocht men in 1385 `aportijf daer mijn vrouwe cleen boecskijn in liet scriven'. Waarschijnlijk gaat het hier weer om een getijdenboekje. In 1388 is dat duidelijk, wanneer er wordt betaald aan `een wijfkijn van Haerlem van II cleijn boexkijns van Onser Vrouwen ghetide, die seven salm [boetpsalmen] ende ander ghebedekins die besteet waren te scriven voir mijren vrouwe van Oestervant ende miren joncfrouwe van Henegouwen welke boexkijns seer costelic ende wel vergult waren'. Met laatstgenoemde zal Albrechts jongste dochter Johanna Sofia bedoeld zijn. Zeker is in elk geval dat in 1389 voor haar `een ghetideboec' werd gekocht. De rekening van 1389 maakt voorts melding van de aankoop van `een cleen boexkijn voer een joncfroukijn uut Beyeren dat bi mirer vrouwen van Oestervant was'. Of dit een devotioneel boekwerkje was, is niet duidelijk. In 1396 wordt een gulden uitgegeven aan `cloisterboeken [...] voir mijnre vrouwen [=Margaretha van Kleef]'. De jonkvrouw die de boeken brengt wordt kennelijk alleen maar betaald voor het bezorgen (of heeft de clerk van de rekening zich verschreven en doelde hij op `cloisterkoeken'?)

Hiervóór is reeds een voorbeeld gegeven van documenten in de juridische en administratieve sfeer. In 1389 treft men er nog één aan. Het betreft een beloning voor wat kennelijk kopieerwerk was: de aanschaf van `I boexkijn te scriven dat heren Jans vander Zijtwinde plach te wesen roerende van alrehande hantvesten die tlant van Zuuthollant roerden van die paelsceidingen [grenzen] daer des heren lude van Putte op denken ende studeren souden'. Juridisch van aard lijkt ook de volgende post met een vertaalopdracht in 1407: `Item Andries Peselssoen die clagen in Duytsche over gegeven waren in een boectgen die hi voirt in Walsch maicte roerende tgebrec dat die Hollanders anden Fransoeysen hadden, gegeven voir sinen arbeit II cr.'. In 1390 kreeg zekere Doedekijn betaald om `een boexkijn uut te scriven daer die kore van Zeelant in staet'; hij had dus opdracht gekregen voor het schrijven van een keurboek. Tot slot vernemen we in 1407 van een vergoeding voor `Bertelmees van Goch [...] van een deel sexternen te pumsen*9, te lynien ende te bereyden dairmen een recesboec [=een boek met akten en besluiten] in scriven soude'.

Vanaf 1395 had Albrechts tweede vrouw, Margaretha van Kleef, de hand in veel aankopen van boeken. In dat jaar melden de rekeningen de betaling voor `enen boeke dat mijn vrouwe hadde doen scriven'. Voor 1 januari 1396 staat vermeld: `Item by mijnrer vrouwen bevelen by broeder Willem, mijns heren biechtvader, gegeven tot mirer vrouwen boec dat mijn vrouwe hem bevolen hadde te doen maken X ny gul.'. Er lijkt sprake van een `broekzak-vestzak' betaling aan Willem de Biechtvader voor een boek dat hij voor Margaretha moest maken. Op 3 augustus van datzelfde jaar staat er: `Item bider vrouwen van Crunyngen by mirer vrouwen bevelen noch gegeven up mirer vrouwen boec te schriven broeder Willem den biechtvader IIII scil. XX gr.'. De formulering is enigszins cryptisch: het is mogelijk dat Willem de Biechtvader na acht maanden nog steeds doende was met hetzelfde boek, en hiervoor nogmaals betaald kreeg door Margaretha uit hande van de vrouwe van Kruiningen (hetgeen niet ongebruikelijk was). Maar het is ook niet volkomen uit te sluiten dat Willem de Biechtvader werd betaald voor de vervaardiging van een tweede exemplaar van Margaretha's boek ten behoeve van Elisabeth van Kruiningen. G.Warnar kiest uiteindelijk voor de eerste optie en heeft getracht aannemelijk te maken dat hier het Nuttelijc boec bedoeld kan zijn, een religieus prozawerk.*11 Uit de rekeningen valt goed af te leiden wie deze Willem de Biechtvader was. Hij was de biechtvader van Albrecht van Beieren, zijn eerste vrouw Margaretha van Brieg, zijn tweede vrouw Margaretha van Kleef en de rest van z'n familie, en hij vervulde deze functie vóór de komst van Dirc van Delft als hofkapelaan. Willem de Biechtvader verbleef gewoonlijk in het Karmelietenklooster van `Onser Vrouwen broeders' te Haarlem, waar hij de functie van `leesmeester' (lector) vervulde. In elk geval telkens met Pasen, Pinksteren en Kerst kwam hij naar het hof om de biecht te horen van `minen here ende sijn ghesinde'. De graaf en zijn familie waren blijkbaar nogal gesteld op Willem: hij kreeg steeds voor langere tijd onderdak en werd ruimhartig beloond. In februari 1386 ontving Willem drie gulden op last van Margaretha van Brieg `daer hi him mit sinen ghesellen ende zijn paerde mede uter herberghe quiten soude ende zijn cost mede onderwege doen soude want hi weder thuys wesen moste'. De biechtvader en zijn gezel stonden in dezelfde maand nog aan het sterfbed van de gravin. Eén gulden ontving `des leesmeesters gheselle van Haerlem die bi mire vrouwen waectede in hoere siecte doe si starf daer god die ziele of hebben moet'. Na Pasen 1387 kreeg Willem twaalf gulden `want hi langhe inden Haghe gheleghen hadde ende mijn here ende ghesinde vanden hove him ghebiecht hadde'. Op 30 april 1389 kreeg Willem de Biechtvader, die Albrecht in de Vasten mee naar huis was gevolgd, tien Dordrechtse guldens. Zijn gezel kreeg 5 Dordtse guldens `tot I cappe'. Hetzelfde bedrag ging naar `sijn convent tot Haerlem te hulpe tot hore tymmeringhe'. In 1390 kreeg hij vier kronen `want hi wel XIIII daghen bi minen here inden Haghe gheleghen hadde', zo meldt de rekening expliciet. En in 1396 werd er twee gulden betaald aan `dat monicxken dat mit broeder Willem mijns heren biechtvader inden Haghe gecomen was [...] te hulpe een cappe mede te copen'.

In december 1397 werden aan meester Jan van Leyden tien franken betaald voor `enen boec van medecine'. Het is onzeker of meester Jan de auteur was. Indien het hier bijvoorbeeld gaat om het zogenaamde Boec van medicinen in Dietsche van zekere Broeder Thomas uit 1300, waarvan ons vier - laat 14e, vroeg 15e eeuwse - exemplaren zijn overgeleverd, dan was Jan van Leyden hoogstens de kopiist.*12 Vijf schilden werden in 1398 gegeven aan `enen man van Utrecht die mire vrouwe een boec verlichten soude'. Om welk boek het hier gaat, is niet bekend, maar het is niet ondenkbaar dat het hier het beroemde, ons overgeleverde Latijnse getijdenboek van Margaretha van Kleef betreft.*13

De tweede maal dat expliciet boeken voor Albrecht worden gekocht*14, is in 1397: `boucen die mijn here gecoft hadde'. Het valt overigens wel op dat de boeken nogal goedkoop zijn: drie gulden. In 1401 is het zijn vrouw Margaretha weer die opdracht had gegeven tot het schrijven van een boek. Ditmaal kennen we de auteur, namelijk Dirc van Delft. Het is echter onbekend om welk boek het gaat: het kan in elk geval niet de Tafel van den kersten ghelove zijn, want dit werk voltooide hij pas in 1404. De post luidt: `meister Dyrc den monick bi mijnre vrouwen bevelen betailt, die hi uutgeleit hadde om [omwille van] een boeck voir mijnre vrouwen, dat hi hoir gemaict ende gebrocht hadde al bereit'. Dirc van Delft had dus bij het vervaardigen van zijn boek kosten gemaakt, die gewoonlijk door de maecenas betaald werden. Naast dat Dirc het geld dat hij had voorgeschoten van Margaretha ontving, kreeg hij misschien ook loon voor de verrichte arbeid. Hij ontving in elk geval het aanzienlijke bedrag van 4 ponden, 3 schellingen en 4 penningen groot.

Margaretha van Bourgondië, de vrouw van Willem VI, betaalde in 1408 vijftien kronen aan `enen man uut Vrancric die boitscap brochte ende nyen gedichte boeken ende anders'. Zou bij deze zending Franse boeken een exemplaar van Christine de Pisans Livre de la cité des damesgezeten kunnen hebben, ook al is dit een prozawerk? In elk geval roemt Christine de Pisan in dit werk een aantal adellijke dames uit haar tijd hogelijk als goede vrouwen die tot de vrouwenstad toegelaten mogen worden.*15 Pisan noemt de Franse koningin Isabella van Beieren, de hertogin van Berry, de Bourgondische hertogin Margaretha van Beieren, de hertogin van Orléans, de gravin van Clermont, de hertogin van Bourbon én gravin Margaretha van Bourgondië, echtgenote van Willem VI. Van Margaretha laat Pisan in haar boek zeggen: `En dan de vrouw, van wie jij [=Christine], te midden van alle anderen, op een bijzondere manier houdt, zowel vanwege haar goede eigenschappen, als wel vanwege het feit, dat je je, door gunsten van haar te ontvangen, die je uit barmhartigheid en genegenheid gegeven worden, met haar verbonden voelt. Ik bedoel de edele hertogin van Holland en gravin van Henegouwen, dochter van de overleden hertog Philips van Bourgondië en zuster van de huidige hertog. Moet deze vrouwe niet geplaatst worden onder de meest volmaakte vrouwen als iemand, die trouw is, wat haar gevoelens betreft, heel wijs en verstandig in haar beleid, weldadig en buitengewoon vroom jegens God; kortom, in alles een goede vrouw?' Geen dame krijgt meer lof toegezwaaid dan juist Margaretha. Nu was het nogal eens Christines gewoonte om meerdere exemplaren van haar boeken aan te bieden aan verschillende begunstigers, in de hoop op een gulle beloning. Boldingh-Goemans vermoedt dat La cité des dames werd aangeboden aan `de Franse huizen van Orléans, Bourgondië, de Berry en de Bourbon tezamen'.*16 Bovenstaand citaat uit Pisans werk in aanmerking genomen, zou het Hollands-Beierse huis aan deze hypothetische opsomming toegevoegd moeten worden. Ook als Pisans werk zich niet onder de Franse boeken bevond, dan nog is het denkbaar dat Margaretha een exemplaar van La cité des dames heeft ontvangen.

Keren we voor de laatste maal terug naar de rekeningen voor wat betreft de aanschaf van boeken. Op 12 april 1409 lezen we van de aankoop die graaf Willem VI deed: `Item bi Jan die Boelen [tUtrecht] betailt van enen boeck, dat mijn lieve here dede copen dair in stonden veel schoonre sproken die Willem van Hillegairtsberge gemaict hadde V cron., facit XVI s. VIII d.g.'.

Het moge uit het voorafgaande duidelijk zijn geworden dat het aandeel van de adellijke dames in het aankopen van boeken en het opdracht geven tot het schrijven ervan aanzienlijker is dan dat van de heren. De Hollandse rekeningen bevestigen de algemene veronderstelling dat bij de adellijke dames de literaire interesse en smaak sterker ontwikkeld waren. Zij bezaten ook meer vrije tijd om zich aan de literatuur te wijden. Van Oostrom merkt op: `Het stereotiepe rolpatroon van de belezen vrouw en haar voor cultuur te druk bezette man lijkt al in veertiende-eeuwse Haagse kringen een zekere geldigheid te hebben'.*17 Hieraan zou alvast toegevoegd kunnen worden dat voor de heren die over weinig vrije tijd beschikten de sprooksprekers op het literaire vlak uitkomst zullen hebben geboden. De kunst van de sprekers vergde slechts voor kortere tijd de aandacht en kon tussen de bedrijven door geconsumeerd worden. Een andere conclusie die uit het voorafgaande getrokken kan worden, is dat veel aangeschafte boeken van religieuze signatuur waren. Maar bovenal moet vastgesteld worden - ook het navolgende in acht genomen - dat de (literaire) boekcultuur aan het Hollandse hof vrij actief begunstigd werd.

Een aantal boeken dat men in de rekeningen zou hebben kúnnen tegenkomen, is niet boven water gekomen. Men denke bijvoorbeeld aan de Tafel van den kersten ghelove (1404) van Dirc van Delft. Maar ook betalingen voor het Wapenboek Beyeren (1400-5), de Wereldkroniek (1405-9) en de Hollandse kroniek (1409) van heraut Beieren (voorheen heraut Gelre) zijn niet teruggevonden. Terwijl nota bene van de Tafel en de Hollandse kroniek dedicatie-exemplaren zijn overgeleverd.*18 De boeken van Dirc Potter, te weten Der minnen loep (ca.1411), Blome der doechden en Mellibeus, zijn tot op heden evenmin in de rekeningen traceerbaar gebleken, maar het is in dit geval aannemelijk dat de werken niet primair voor het hof bestemd waren, doch in eerste instantie voor Potters directe familie- en vriendenkring.*19 Evenmin is iets teruggevonden in de rekeningen van de Henegouwse kroniek van Jacques de Guise, de Annales Hannoniae(ca.1395)*20, maar waarschijnlijk moet men hiernaar in de Henegouwse administratie zoeken.

Tenslotte zijn er nog twee boeken die men wel met het Hollandse hof heeft willen verbinden: Reinaerts historie en het Haagse Liederenhandschrift. Voor Reinaerts historie(ca.1375?) hebben Heeroma en Van Oostrom een Hollandse herkomst geopperd, maar zowel datering als geografische situering van het werk blijven onzeker.*21 Ook de situering van hetHaagse Liederenhandschrift is problematisch. Codicologen vermoeden dat het handschrift rond 1400 in de Noordelijke Nederlanden is ontstaan*22 (al dateert De Vreese het handschrift vroeger, rond 1340*23). Tussen 1440 en 1475 is het boek in Breda terecht gekomen, want aan het eind van het handschrift staat: `Dit boech huert zo Joncher Johan, greve zo Nossou zo Vyanden, und Marien van Loen, synre huysvrauwen'. Mogelijk was het werk daarvóór in het bezit geweest van de moeder van Jan IV van Nassau, Johanna van Polanen, die gelieerd was met de Hollandse hofkring.*24 Het ons overgeleverde exemplaar kan het originele verzamelhandschrift zijn (ca.1400), maar even goed een (vermeerderd?) afschrift van het origineel, dat reeds kan zijn samengesteld tussen ca.1350 en ca.1380. Een ontstaan in of nabij het Hollandse hofmilieu behoort tot de mogelijkheden. Het is heel goed denkbaar dat het handschrift in oorsprong een verzamelhandschrift was, een soort `poëzie-album', in de loop der jaren ontstaan.*25 Nijland opperde reeds dat het handschrift samengesteld kan zijn aan de hand van repertoirebundels van sprekers.*26 Inhoudelijk is het handschrift te typeren als een bundel met sproken en minnedichten. De diversiteit van de dichtwerken wordt benadrukt door de vele taalvormen: Middelnederlands, Middelhoogduits en allerlei denkbare mengvormen hiervan, Frans (twee gedichten) en Latijn (spreuken). Het is uiterst opvallend dat het taalbeeld dat het Haagse Liederenhandschrift oplevert zeer nauw aansluit bij het taalbeeld dat de Hollandse rekeningen met betrekking tot de sprekers verschaffen.*27 In het handschrift staat voorts een viertal sproken van Augustijnken, die aan het Hollandse hof geen onbekende was: tussen 1358 en 1362 komen we hem zesmaal in de rekeningen tegen. Verspreid opgenomen zijn z'n gedichten Het sin lude die mich vragen, Lijd den tijt, Van den scepe en Dits van der vrouwen borch.*28 De sproke Van den scepe moet volgens Te Winkel begrepen worden in het perspectief van de eerste uitbarsting van de Hoekse en Kabeljauwse twisten in Holland.*29 Het gedicht Ein jammerliche clage uit het Haagse Liederenhandschrift vervolgens, een epische ererede, is toe te schrijven aan de dichter `Vrudengher' die in vs.99 zijn naam noemt.*30 Deze dichter valt te identificeren als meester Pieter Vreugdegaer den dichter van Breda, die in 1362 in de Hollandse rekeningen voorkomt en tevens tweemaal figureert in de Bloise rekeningen.*31 Het gedicht vormt een klacht op de dood van de Hollandse graaf Willem IV, die op 26 september 1345 sneuvelde tegen de Friezen. De ererede moet dus na deze datum zijn geschreven. Overigens wordt met de Friese `erfvijand' van de Hollandse graven in het handschrift de spot gedreven in het gedicht Die tso drien hellinge is geboren in de figuur van een `armen dorren vrysschen knecht' (vs.11).*32 De Fries wil zich doen kennen als een hoofs minnaar, maar valt min of meer door de mand met zijn onhandige gestuntel. Verder wijst de sproke Die ene stede bezeten heeft in de richting van een Hollands hofpubliek.*33 Nijland vergist zich naar alle waarschijnlijkheid als zij stelt dat het gedicht een eigenaardig politiek stukje is met als grondgedachte eerbied voor de Heilige Stoel. Deze interpretatie zal haar ingegeven zijn door de onmiskenbare verwijzing in het slot naar de `Babylonische ballingschap' der pausen tussen 1309 en 1376.*34 De sproke moet echter veeleer in een wereldse, politieke context bezien worden. Het gedicht behelst veeleer een rechtvaardiging voor het ruwaardschap van Albrecht van Beieren*35 en verwoordt de opvatting dat Holland gebaat is bij een wijs en rechtvaardig vorst op de grafelijke zetel, ook al is hij `uut Beyerlant geboren' (vs.5), zoals Rome voorheen gebaat was bij de deugdzame kerkvorsten op de pauselijke stoel, totdat de paus in Avignon ging wonen. Vanuit deze interpretatie kan men het gedicht tussen 1358*36 en 1376 dateren.

Andere Middelnederlandse namen van dichters in het Haagse Liederenhandschrift - zo er inderdaad sprake is van dichtersnamen - zijn niet thuis te brengen: Noydeken*37, Anehas, Tsernoyt, Erentrijch, Wanckelmoet, Vrouwelof.*38 Tevens is er een aantal Duitse dichters in hetHaagse Liederenhandschrift opgenomen: Reinmar der Alte, Walther von der Vogelweide, Walther von Mezze, Von Sachsendorf, Freidank en Frauenlob. Het gaat dus om dichters uit de periode van eind 12e tot begin 14e eeuw. Het lijkt niet onaannemelijk dat lyriek van genoemde, ten tijde van de samenstelling van het Haagse Liederenhandschrift reeds overleden dichters na verloop van tijd tot het repertoire is gaan behoren van rondreizende zangers en sprekers (Minnesänger, Spruchdichter), die vanuit Duitsland ook de Nederlanden bezochten. Op deze wijze kunnen de gedichten - vaak met sterk variante lezingen - in het Haagse Liederenhandschrift terecht zijn gekomen.

Alhoewel er enerzijds sprake is van diversiteit, heeft het Liederenhandschrift een kennelijk door de compilator (-trix?) opzettelijk aangebrachte `grootste gemene deler': zeer vele gedichten en sproken hebben betrekking op het thema minne & eer. Alhoewel hier volop het gevaar voor een cirkelredenering dreigt, lijkt toch het handschrift bij uitstek op z'n plaats in de Hollandse hofkring, met zijn fixatie op het eerbegrip.*39 We moeten de nodige reserve in acht blijven nemen, maar het zou toch weinig verbazen als het handschrift wel degelijk tussen ca.1350 en ca.1380 aan het Hollandse hof tot stand is gekomen en ten dele een afspiegeling vormt van het sprekersrepertoire van dat moment. Een post in de rekeningen hoeft men hieromtrent echter niet te verwachten. Opmerkelijk is overigens ook dat er in het Haagse Liederenhandschrift geen sproke van de toch zo gevierde spreker Willem van Hildegaersberch voorkomt. Nu had Willem weinig oog voor de (hoofse) minne - wel voor eer! - , maar desondanks zou een enkele sproke voor opname in het handschrift in aanmerking hebben kunnen komen; bijvoorbeeld 34.Vanden goeden vrouwen.*40 Maar indien het Haagse Liederenhandschrift werd voltooid rond 1380, dan is dat gebeurd voordat Willem literair actief werd.

Daarmee zijn de boeken aan het Hollandse hof besproken - voor het toneelleven aan het hof en in Den Haag zij men verwezen naar de studies van Peters en Van Oostrom, alsmede naar de bijlagen van dit boek.*41 De grote teksten werden veelal geschreven door gezeten auteurs zoals Potter, Van Delft en Willem de Biechtvader; zij stonden in zekere betrekking tot het Hollandse hof. De veel vluchtiger, korte muzikale en literair-verbale verpozing werd verzorgd door de rondreizende musici, zangers en sprekers. Het vertier dat van buiten het hof moest komen, werd verzorgd door de grote groep reizende entertainers, die deel uitmaakte van de voortdurend mobiele maatschappelijke randgroep van varende luiden. Deze entertainers die het Hollandse hof, ook al vóór Albrechts komst, aandeden en voor hun kunsten betaald kregen, zijn terug te vinden in de rubriek `van pipers ende herauden'.*42

Er zijn in deze rubriek vier groepen te onderscheiden*43:

1. De kunstenmakers: acrobaten ('tumelairs'), narren, `gokelaers', dierentemmers en dergelijke. Onder de narren zien we regelmatig Otte die sotte, en de zot van Jan van Beieren te Luik die naar de naam Kyrymyry luisterde, terugkeren. Eveneens een bekende was `Haniken den sot'. Op 5 juni 1394 werden `enen spreker ende eenre joffrouwe die cokelen conde' beloond, alsmede `enen die met enen honde speelde'. Op 13 mei 1395 verneemt men van een betaling aan `enen man die een meister wezen woude vandes menschen phizonomie aen te sien'. De man trachtte derhalve aan de hand van de gelaatstrekken het karakter van mensen uit het publiek te beschrijven. Geheel ongebruikelijk was deze vorm van vermaak niet: de Gelderse rekeningen maken melding van ene Johannes van Gennep, `enen spreker die physolomie kent' (in 1388 en 1396) en ene `meester Jan [...] van den Phiselmey' (1458).*44 Ook maken de rekeningen gewag van wonderlijk vermaak als van `den twie speluden die mitten glazen upten naze speelden', `enen man die opter lute speelde ende een zwairt al spelende voir sijn voirhooft sette' en van een knecht met de naam Brabander die zich `up sijn hoeft liet slaen hoe seere men woude'.*45 En in 1390 wordt een `gokelaer' van de heer van Mantua betaald die `sinen knecht die kele ontsneet ende him weder nas'.*46 Per jaar traden er gemiddeld iets minder van deze kunstenmakers op dan sprekers.

2. De tweede groep wordt gevormd door de musici, de `sanghers', de `minstreels', `speelres' of `speellude' op snaar- en blaasinstrumenten, trommels en orgeltjes. In de beginjaren van de rekeningen kon de naam minstreel ook gebruikt worden voor een spreker. De rekening over 1358-1359 getuigt enkele malen van `eenen mynistreel [...] die vor miins heren tafel sprac'.*47 Vanaf 1371 waren minstreels telkens musici en na verloop van tijd raakte de benaming geheel in onbruik. In de rekeningen is de groep van de musici telkens het grootst: er staat in vergelijking met de sprekers altijd minstens het dubbele aantal musici in verantwoord. De meeste musici stonden in een zeker dienstverband met een stad of een heer. Zo maken de rekeningen bijvoorbeeld gewag van `des heren IIII pipers ende II trompeners van Ghelre', `des heren pipers van Arkel', `den IIII pipers vanden stede van Middelburch', `enen vedelaer toebehorende den bisscop van Mets', `II vedelaers toebehorende den hertoge van Bruynswijc', `der stede pipers van Dordrecht', `den pipers vander Hage', `enen speelre uptie quintaerne toebehorende den coninc van Beem', `enen vedelair toebehorende den hertoge van Oistenrijc', `enen orgelaer ende enen vedelair toebehorende den bisscop van Wyertsberch', `IIII speelres des coninx van Vrancrijk' en `enen trompenaer des bisscops van Straesburch'. Soms verneemt men dat musici in dienst van familie van de graaf - dit gold ook voor sprekers - meer ontvingen dan het gemiddelde. Een treffend voorbeeld is te vinden in 1401 als een musicus van Albrechts dochter Johanna Sofia, gehuwd met hertog Albrecht IV van Oostenrijk, wordt beloond: `Item [...] enen speelre toebehoerende mijns liefs hern dochter des hertogynnen van Oisterrijck die bi mynen heere oic gecomen was gegeven te huesschede VIII ny gl. Item den selven na gegeven bi mijns hern bevelen want mijn heere dochte dat hi te luttel hadde noch VIII ny gl.'.

Albrecht van Beieren had zelf ook musici in dienst, waaronder drie schalmeispelers die - zoals vaker - aldus beloond worden: `Item upten Jairsdach bi mijns heren bevelen sinen piperen tot horen nyen jair gegeven XX ny gul.'. Een bijzondere post treffen we aan in 1400: `Item III dagen in meye by Wynant Tammelair mijns liefs heren pipers gegeven te virdrinken upt nye liet vander meye dat mijn heere gemaict hadde II dor. gul.'. Albrecht had dus zelf een meilied geschreven dat bij de vertolking ervan (door hemzelf?) door z'n `pipers' werd begeleid. Overigens was degene die het geld overhandigde namens de graaf zelf ook een musicus in dienst van Albrecht: Wynant was de `bonghenaer' of `tammelair', de trommelspeler. Naast één trommelaar had de graaf dus telkens drie pipers in vaste dienst: eerst waren dat Jackel, Crael en Heyn, later Sprincop, Hodengroet en Drocker, welke laatste weer werd vervangen door Jan Pertaut.*48 Voorts had Albrecht telkens een koppel `trompenaers' in dienst, achtereenvolgens meester Pieter Crayenbliec en Tomben, Lypen en Ard, Philips en Willem, Jan en Staes, en Bertelmeeuws van 's-Gravenzande en Casijn. Als `vedelaer' had ene Jackel vast emplooi bij de graaf. Al deze hofmusici vervulden een ceremoniële functie, speelden op feesten en tijdens de maaltijden. Zij bevonden zich evenwel niet voortdurend in de nabijheid van de graaf, maar reisden ook op eigen initiatief rond. Voorts had Albrecht in Lambout een organist voor het orgel in de hofkapel. Onder de vaste, volwassen koorzangers had hij Pieter en Arnoldus in dienst, en tenslotte had hij nog drie beroepszangers: meester Martinus Fabri, die tevens componist was, heer Jan van Roost en heer Hughe.

Zoals gezegd bezochten zeer vele musici de graaf: in de periode 1370-1404 werden alleen al zo'n 350 muzikanten in dienst van wereldlijke vorsten uit de Nederlanden, het Duitse Rijk, Frankrijk en Engeland beloond. Vooral het aantal musici dat uit het Duitse Rijk kwam was groot, net als bij de sprekers. Maar ook van verder weg arriveerden minstreels: van de koning van Aragon en de hertog van Milaan bijvoorbeeld. Sprekers uit die omstreken zijn uit de rekeningen niet bekend: muziek was niet aan taal gebonden, sprooksprekerskunst wel. Uitwisseling van repertoire ligt bij musici, net als bij sprekers, voor de hand. A.Janse meent: `Wanneer vreemde musici een hof bezochten, was er niet alleen sprake van een (eenmalige) `culturele consumptie' door het hofgezelschap. Er was namelijk veelal tevens contact met de musici, die de gastheer zelf in dienst had [...]. Dergelijke persoonlijke contacten zijn van muziek-historische betekenis geweest, daar ze een gelegenheid boden voor uitwisseling van repertoire'.*49 Evenals sprekers werden musici wel ingezet voor het overbrengen van brieven en mondelinge boodschappen. De rekeningen zwijgen in het geval van de sprekers volledig van enige geïnstitutionaliseerde opleiding, terwijl er voor musici `minstreelscholen' bestonden: `Sommige reizen, die minstreels zelfstandig maakten, hadden een artistiek doel. Een groot aantal musici bezocht jaarlijks de zogenaamde `minstreelscholen' in de zuidelijke Nederlanden'.*50

Tot de musici worden hier voor het gemak ook de zangers gerekend, alhoewel hun kunst duidelijk op het snijpunt van muziek en literatuur lag. De grens is ook vaag. In 1394 komen we bijvoorbeeld `enen knecht [...] geheiten die Wilde Vos' tegen `die sanc ende dichte voir minen here'. In de rekeningen treft men allerlei zangers, zangeressen en zanggezelschappen aan. Bijvoorbeeld in 1387 als er twee gulden wordt betaald aan `Meeu, sijn gheselle ende hoer ghesellinnen die mit him pleghen te singhen [...]. Item den selven noch ghegheven opten Jaersdach want si dat nuwe jaer songhen inder salen voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden II gulden, facit IIII gulden' (fol.93r). Precies omschrijft de clerk een optreden in 1389: `Item des sonnendaghes na Aghate doe mijn here, mijn here van Oestervant, mijn vrouwe van Oestervant ende mijn joncvrouwe tot sproefst huys aten twie sanghers die daer voir minen here songhen II guld.'. En in 1398 volgde er een beloning van twintig penningen voor `enen knecht van Cleve die voir mynen here ende voir mijner vrouwe sanc' (fol.55v). De Bloise rekeningen verschaffen enig inzicht in wat er gezongen kon worden. Twee zangers werden beloond in 1362 `die een dicht zonghen van mervrouwen doet van Hollant'. Het ging dus om een gezongen, zeer actuele, dodenklacht op de dood van Machteld van Lancaster, de vrouw van graaf Willem V. Veel raadselachtiger is de post van drie knechten die in 1370 `songhen tliet van Vermof Merdas': was dit de naam van een dichter of de titel/beginregel van een Duits lied ('Wer muß mir das')?*51

3. De derde groep wordt gevormd door de arriverende en vertrekkende herauten, eveneens uit binnen- en buitenland. Het aantal ligt doorgaans iets hoger dan de sprekers en lager dan dat van de musici. Over de taak van de herauten zegt Peters: `Die Herolde nehmen [...] spezifische Zeremonialaufgaben auf dem militärischen und gesellig-repräsentativen Sektor wahr: sie laden zu den Hoftagen ein und verkünden Ort wie Termin von Turnierfesten, sie treten als Ausrufer hervor und begleiten den Fürsten auf seinen Preußenfahrten und anderen Heerzügen, betätigen sich hier als eine Art Quartiermeister, sorgen für die adäquate Präsentation der gräflichen Wappen und werden - wie auch die Musiker - relativ häufig als Übermittler von Botschaften eingesetzt'.*52 Herauten stonden doorgaans in een vast dienstverband bij een adellijke heer. Dat de herauten meer dan boden waren blijkt uit het feit dat ze naast in de rubriek `bodeloon' ook regelmatig voorkomen in `van pipers ende herauden', een rubriek die dus primair genoemd was naar musici en herauten.

In de Hollandse rekeningen komt men herauten tegen als `Sander den coninc*53 vanden herauden uut Enghelant', `Barbantson den coninc vanden hyrauden uut Henegouwen', `Gommengijs den heraude', `Apcoude den yeraude', `des heren hyeraude van Arkel', `Herman dien hyraude van Ghelre', `Cleve den hyraude', `Gulich die hyraude', `des heren heraut vander Veer', `Campsoer den heraut', `Vrieslant den haraut' en `Ghelre den hyraude' die later `Beyer den heraut' zou worden. De meeste herauten droegen de naam van het gebied dat zij vertegenwoordigden en/of van de heer bij wie zij in dienst waren.

Soms verneemt men expliciet waarvoor de herauten beloond worden in de rubriek `van pipers ende herauden'. Op 12 maart 1385 ontving `des hertogen hyraude van Gulich' twee gulden omdat hij `een boerte ende een tafelronde beriep daer die een of wesen zoude te Luttenburch ende dander te Dueren ende die een zoude wesen XIIII dage na Paeschen ende dander tsonnendages voir Pynxter'. In datzelfde jaar staat een betaling geadministreerd van twee gulden aan `Crabbendijc ende Keyser twen yerauden die een boerte daer [te Hoesden] beriepen die wesen zoude te Bruesel des zonnendaghes na Pynxter'. En in de rekening over 1407-1408 staat: `Item Beyeren den heraut die mijn lieve heere sende vanden huse tot Gorinchem inder nacht tot Woudrinchem om den joncheere van Nassou om hem te bootscappen dat hi niet trecken en soude voir die tijt dat hi minen here gesproken hadde, gegeven I Gelresc. gulden'. Het betreft hier een missie van heraut Beieren ten behoeve van zijn heer, graaf Willem VI. De heraut moest contact opnemen met Jan IV van Nassau-Dillenburg - de latere eigenaar van het Haagse Liederenhandschrift - inzake de te volgen tactiek in de Arkelse oorlog.

Herauten konden zich met literatuur bezighouden. Peters stelt dat we hen tegenkomen als `Autoren von Chroniken und Lebensdarstellungen, historischen Schlacht- und Turnierschilderungen, besonders aber der verschiedensten Typen panegyrisch-heraldischer Gedichte'. Niettemin, zo meent Peters, `zeichnet sich vom 12. bis 14. Jh. kein nennenswerter Einfluß der Herolde als Literaturproduzenten ab'.*54

De scheiding tussen sprekers en herauten lijkt soms vloeiend.*55 Men komt in de rekeningen en elders soms sprekers tegen die (ook) als heraut lijken te hebben gefunctioneerd, en omgekeerd zijn er herauten geweest die (ook) spraken als sprekers. Een duidelijk voorbeeld is Godekijn van Tricht die in de rekeningen voorkomt als spreker (1383), als koning van de herauten (1384) en als heraut (1388 en 1391). Opvallend is ook de post uit 1390 waarin melding wordt gemaakt van `des graven persewant van Scoenburch uut Zwaven die spreken conste'. Uit de formulering valt af te leiden dat het niet uiterst gebruikelijk was. Jan Vrouwentroost, die tweemaal in de Hollandse rekeningen voorkomt, wordt eenmaal getypeerd als `yraut'. Opvallend genoeg keert hij in de Bloise rekeningen terug als `eenen fleuter, die mit eenre hantfleute, gheheyten Vrouwen-Troest'.*56 In 1362 komt in de Hollandse rekening meester Pieter Vreugdegaer den dichter van Breda voor. Van hem kennen we het gedicht Ein jammerliche clage(zie hiervóór), een epische ererede, een genre dat bij uitstek beoefend werd door herauten.*57 Toch komt de dichter noch in de Hollandse, noch in de Bloise rekeningen voor als heraut. In 1358 leren we Jan Dille kennen als `Jan Dyllen den yraut', maar in 1361 en 1394 wordt niet vermeld dat hij een heraut was: in het laatste geval wordt gesproken van `meister Jan van Dille', en in de Bloise rekeningen heet hij `meister Jan den Dilden' zonder meer. Een meestertitel werd in de regel door sprooksprekers gevoerd, en (strikt genomen) niet door herauten. Jans naam levert nog een probleem op: moet de naam Dille opgevat worden als handelsmerk voor de sprookspreker, omdat `dillen' zoveel betekent als `kletsen' of `praten'?*58 Of was hij afkomstig uit Nassau (Dillenburg)? Van Jan Dille is voorts een gewone sproke overgeleverd, een deugdenklacht, getiteld Venus boem met VII coninghinnen.*59 Het gedicht sluit aldus af:

Nu biddic hem diet al heeft onder,

dat ie ghewas of wesen mach,

dat hi ons, op den lesten dach,

gheve gans ghelove met goeden wille,

sonder twivel, bidt Jan Dille,

in ons herte al moet sinden

dat wi sine eweghe bliscap vinden.

Jan Dilles collega Jan Visier treft men in de Hollandse rekeningen samen met hem in 1361 aan, en in 1372 als `meester Jan de Visiere' die betaald wordt om `in Prusen mede te riden'. Viermaal komt Jan Visier voor in de Bloise rekeningen; in 1362 wordt hij getypeerd als `seggher'. In 1365 werd hij (mede) beloond voor het brengen `van eenen brieve van Hertogen Otten huwelike van Beijeren'. In de andere twee posten wordt hij noch als spreker, noch als heraut getypeerd.*60 De naam Visier zal Jans handelsmerk geweest zijn, aangezien `visier' zoveel kan betekenen als `vondst', en `viseren' opgevat kan worden als `bedenken, uitdenken, verdichten' en als `zeggen, mededelen'.*61 Er is slechts een kleine, spreukachtige sproke van hem overgeleverd, die luidt:*62

Dit bispel dat gi hoort hier,

Dicht een Eerhalt, hiet Jan Visier,

Hen allen diet horen te bate,

Ende zeecht, dat na rechte state

Kerstenheit es sere ghevreest

Bi desen III zake alre meest:

Jonge kinder ombedwonghen

Ende trecht uter wit ghespronghen,

Ende brachters zachter dan si souden, (regenten)

Doet al kerstenheit in quaetheit houden.

In de tekst wordt hij dus als heraut aangemerkt. Uit de Bloise rekeningen weten we vervolgens dat de als spreker bekend staande Jan Bot een (soort) ererede gemaakt en voorgedragen moet hebben ter ere van de overleden Jan van Beaumont: `Janne Bot den segger, want hi ene sproke gemaect hadde ende in ghescrifte over gaf, van minen here van Byamont, des God ghedenke'.*63 Dat een voorgedragen gedicht vervolgens op schrift aan de maecenas werd overhandigd, gebeurde wel vaker. Verder maken de Hollandse rekeningen nog melding van `Hollanderkijn den yraude' (1383) en `een cleen hyeraudekijn gheheten meester Jan die Hollander' (1387). Waarschijnlijk gaat het hier om dezelfde persoon. Het is mogelijk dat deze heraut dezelfde is als Jan van Hollant, de dichter van de sproke Van den verwenden keyser.*64 De sproke gaat over een hoogmoedige keizer die te horen krijgt dat hij niet meer waard is dan 29 penningen, aangezien Christus voor dertig zilverlingen werd verkocht door Judas. Het gedicht eindigt alsvolgt:

Hier omme seit Jan Van Hollant

Dat men wijsheit gheen en vint

Beter, dan dat men Gode mint.

Dits tere leren ghedicht hem allen,

Die bi hoverden in sonden vallen.

En misschien is deze Jan van Hollant weer dezelfde als de heraut Johann Hollandt, geboren in Beieren, polyglot, en dichter van het toernooigedicht dat aldus opent*65:

Ich, Johann Hollandt,

bin ehrnhold weit im lanndt, (heraut)

von sechs sprachen, die ich kann:

latein, teutsch unnd pollan,

frantzosisch unnd engellisch,

darneben gutt ungerisch.

Geboren auß Bayren von Egkenfelden

ich hab mein tag gevastet selden;

ein knap der wappen, des adels kinndt,

eins truwen firsten hoffgesinndt.

Het is opvallend dat, afgezien van `gevallen' als Augustijnken en Willem van Hildegaersberch, diverse sproken en aanverwante gedichten die ons niet-anoniem zijn overgeleverd, afkomstig zijn van dichters met heraldische bemoeienissen. Was de kans op niet-anonieme registratie van teksten bij hen doorgaans groter?

Een goed voorbeeld van een spreker én heraut is de Oostenrijkse Peter Suchenwirt. Hij was ook in Holland geen onbekende, en misschien werd hij in 1382 bedoeld toen de clerk in de rekening een beloning administreerde voor `enen spreker ghegeven die vanden hertoghe van Oesterrijc quam'. D.E.H.de Boer merkt op dat uit Albrechts rekening over 1368-1371 van het hertogdom Neder-Beieren-Straubing blijkt dat `Suchenwirt werd ingehuurd om in 1370 in Hongarije een `abentewer' te verkondigen, ter gelegenheid van het huwelijk tussen Albrechts dochter Johanna en de Boheemse kroonprins Wenzel'*66. En in zijn Von dem Phenning*67 zegt Suchenwirt:

Wol auf, mit wir gen Holant

Tzu herzog Albrecht, wie der lebt,

Dez mut nach grozzen eren strebt,

Worhaft und milt pey mannez mut.

De meest illustere heraut in Hollandse dienst was heraut Beieren, in dienst van graaf Willem VI, vóór 1403 als heraut Gelre in dienst van hertog Willem I van Gelre en Gulik. Zijn werkelijke naam was Claes Heynenzoon (1340/1345-1414). We kennen hem als de maker van wapenboeken, twee prozakronieken, gedichten en ereredes. Het Wapenboek Gelre droeg hij op aan Willem I van Gelre; hierin staan ook de gedichten en de ereredes. Het Wapenboek Beyeren (1400-1405), deWereldkroniek (1405-1409) en de Hollandse kroniek (1409) schreef hij in Hollandse dienst, en de laatste twee zijn aan Willem VI en de Utrechtse bisschop Frederik van Blankenheim opgedragen.*68 Als auteur stond heraut Beieren in zekere zin tussen de gezeten clerk-auteurs en de rondreizende voordrachtskunstenaars in. Hij had enerzijds de mogelijkheid aanzienlijke boeken te vervaardigen, maar aan de andere kant was hij uit hoofde van z'n beroep ook een reizend spreker; in die laatste hoedanigheid zal hij z'n ereredes hebben voorgedragen. Gaan we over tot de laatste groep uit `van pipers ende herauden':

4. De (sprook)sprekers, segghers, dichters en sprekende minstreels. Er bestaat binnen deze groep een tweedeling: de sprekers met één of ander dienstverband - de grotere groep - en de vrije sprekers. Men zou zelfs van een driedeling kunnen spreken: een niet onaanzienlijk aantal sprekers wordt in de rekeningen niet nader gespecificeerd: geen naam, heer of herkomst. Het zal hier doorgaans om de minder gerenommeerde sprekers zijn gegaan.

Vele sprekers met een dienstverband stonden in relatie tot een wereldlijk (soms een geestelijk) heer, van landsheerlijke edelman tot koning. Zo komt men in de Hollandse rekeningen sprekers tegen in dienst van de heer van Wassenaar, de heer van Limburg, de burggraaf van Neurenberg, de markgraaf van Meissen, de graaf van Kleef, de bisschop van Trier, de hertog van Oostenrijk, de koning van Frankrijk en Roomskoning Wenceslas, koning van Bohemen.*69 Het behoorde kennelijk tot de status van deze aanzienlijke heren om er één of meer sprekers op na te houden. Dat zal niet betekend hebben dat de sprekers steeds aan het hof van hun heer hebben vertoefd, of in hun gevolg zijn meegereisd. Net als de musici zullen ze ook op eigen initiatief hebben rondgereisd. Fischer gelooft wat deze sprekers betreft in een los-vast-dienstverband.*70 De sprekers waren weliswaar in dienst van een heer, naar wie zij ook genoemd werden, maar het dienstverband eiste niet dat ze voortdurend in de omgeving van hun heer vertoefden. Ze bevonden zich slechts voor een deel van de tijd aan het hof, waarschijnlijk voornamelijk op feestdagen, en gingen verder als varenden door het leven. Het is daarbij tevens denkbaar dat deze sprekers na verloop van tijd van broodheer veranderden. Dit kan als consequentie hebben dat waar we een spreker eerst vinden in een betrekking bij de ene heer, hij later bij een andere heer voor een zekere periode emplooi kan hebben gevonden. Van Oostrom oppert dan ook de mogelijkheid van de tijdelijke `heraut/spreker'. De spreker zou voor korte of lange tijd een vast dienstverband aangaan met een heer, `voor wie hij missiven naar relaties bracht, dikwijls onder begeleiding van een lofdicht dat de banden hielp verstevigen'.*71 Verder bestaat de mogelijkheid dat niet alle sprekers in dienst van een heer ook moesten leven van hun woordkunst. In het geval van sprekers van allerlei dienstadel, zoals de heren van Zevenbergen, Wassenaar, Kortgene en Gistel, is het beslist niet ondenkbaar dat woordkunst een neventaak was, terwijl zij een anderssoortig beroep uitoefenden. Het is immers opvallend dat sprekers in dienst van dergelijke heren zelden vaker dan eenmaal in de rekeningen voorkomen. Of moet verondersteld worden dat ze vaker met kost en inwoning werden beloond? Hier laat zich lastig een reden voor denken. Evenmin lijkt het aannemelijk dat zij een grotere actieradius hadden dan de vrije sprekers en hun brood in een omvangrijker gebied verdienden.*72 En hogere beloningen kregen ze doorgaans ook niet.

De sprekers met een dienstverband konden regelmatig als zodanig herkend worden, bijvoorbeeld door het wapen van hun heer op de kleding te dragen. Dit blijkt als in de rekeningen wordt vermeld dat dit soms niet het geval is. In de rekening voor Albrechts tweede huwelijk wordt melding gemaakt van `enen vreemden spreker sonder wapen'.*73 In de Bloise rekeningen komen we `eenen ouden seggher mit eenre britsen [borstplaat?]' tegen en een spreker `die de sulveren borch an sijn hals droech' en die `den hertoghe van Zassen toebehoerde'.*74 Waren deze tekens ook bedoeld ter identificatie? Voorts is het niet ondenkbaar dat dergelijke sprekers in sommige gevallen aanbevelingsbrieven van hun heer bij zich droegen.*75 Maar in andere gevallen zal zo'n spreker gewoon gemeld hebben bij welke heer hij in dienst stond. In de Bloise rekeningen treffen we bijvoorbeeld `eenen seggher uut Zeelant' aan `die seide dat hi heren Vranken knecht van Borssel was'.*76 De sprekers met een dienstverband hadden althans voor een deel van het jaar, als zij bij hun heer vertoefden, een zekerder sociale positie dan hun rondreizende collega's.*77 Zodra zij echter ook gingen rondzwerven was hun positie niet wezenlijk verschillend meer van die der vrije sprekers. Deze vrije sprekers, ondanks hun onzekerder bestaan, genoten kennelijk toch meer (cultureel?) aanzien, als we mogen afgaan op hun doorgaans talrijker optredens en hogere beloningen. De sprekers-in-dienst ontvingen alleen hogere beloningen als zij optraden bij familie van hun heer, of als zij brieven met zich meebrachten.

In de Hollandse rekeningen zelf wijst niets erop dat Albrecht van Beieren een spreker in vaste dienst had. Toch wordt eenmaal in 1392 in de Gelderse rekeningen melding gemaakt van de spreker van de graaf van Holland: hij ontving er één oude schild.*78 Een spreker in dienst van familie kon door de graaf extra beloond worden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de betaling in 1390 van twee gulden aan `enen spreker uut Polanen [...]. Item den selven ghegeven want mijn here seyde want hi mire vrouwen vader toe behoerden VII gulden, facit tsamen IX gulden'.

Eenmaal wordt er een spreker in de rekeningen genoemd, die niet in een dienstbetrekking tot een heer, maar tot een stad stond. Het betreft `der stat spreker van Gent', die volgens Te Winkel de dichter Bouden van der Lore geweest zou kunnen zijn, auteur van onder meer de sproke De maghed van Ghend.*79 In dienst van een stedelijk bestuurder stond de in 1387 genoemde `spreker des voochts vander stede van Vranckevoerd'.

Een aanzienlijk deel van de sprekers met een dienstverband kwam van verder weg, veelal uit het (Duitstalige) oosten: Würtemberg, Neurenberg, Meissen, Zwaben, Kleef, Trier, Heidelberg, Beieren, Brunswijk, Berg, en zelfs uit Oostenrijk en Bohemen. Maar ook een aantal vrije sprekers zal `Duits' hebben gesproken, gezien hun herkomst uit Straatsburg, Keulen, Bohemen, Westfalen, Beieren, Polen en Holstein. De rekeningen leveren niet veel Franstalige sprekers op. Cudelier, de spreker van de koning van Frankrijk, Karel V, en de in 1394 en 1398 genoemde sprekers van Karel VI (onder wie Cudelier?) zullen zeker Frans hebben gesproken, evenals de spreker van de hertog van Bourgondië. Van de blinde dichter en de spreker uit Bergen-Henegouwen mogen we dit ook verwachten. Sprekers uit Brabant kunnen zowel Frans als Diets hebben gesproken: dat bijvoorbeeld Jan van Machelen (Jean de Malines) een Frans lofdicht op het Bourgondische dubbelhuwelijk voor het Hollandse hofpubliek heeft voorgedragen, behoort zeker tot de mogelijkheden, zoals hierna nog zal blijken. Maar hiervóór zagen we dat van Pieter Vreugdegaer uit Breda een Middelnederlands gedicht overgeleverd is.

De kleinere groep bestond uit - naar het zich laat aanzien - vrije (beroeps)sprekers: er bevonden zich meer Middelnederlandse, met name Hollandse, sprekers onder, meer dichters met meestertitels en er zijn over het algemeen meer bezoldigde optredens van hen in de rekeningen vastgelegd. Over de periode 1358-1409 bezien zijn de `belangrijksten' onder hen achtereenvolgens meester Willem van Hildegaersberch, Bertelmees van Dordrecht, meester Pieter vander Minnen, Augustijnken, meester Jan van Machelen, Monickedam den spreker en meester Jan van Raemsdonc. Van drie van hen zijn slechts sproken overgeleverd, voorzover valt na te gaan. Hildegaersberch spant de kroon met 120 sproken. Van Augustijnken zijn slechts zeven sproken overgeleverd, en (waarschijnlijk) de hoofse novelle Hertog van Brunswijk*80, waarin verhaald wordt hoe de jonge hertog van Brunswijk de oude Spaanse koning van zijn heidense belagers verlost, om vervolgens in liefde te ontvlammen voor de jonge echtgenote van de koning. Maar ook van Dyrc Mathijssoen, een spreker die slechts eenmaal in de Hollandse rekeningen figureert, hebben we een lofdicht op Haarlem*81 overgeleverd gekregen, in de trant van de ererede.

Bij Jan van Machelen wordt hier iets langer stilgestaan. Op gezag van A.Pinchart is aan de Brabantse sprookspreker Jean de Malines een Frans Épithalame toegeschreven op het befaamde Bourgondisch-Beierse dubbelhuwelijk te Kamerijk op 12 april 1385. De toeschrijving van het gedicht aan meester Jan van Machelen ligt ook wel enigszins voor de hand. Enerzijds is er het (ongesigneerde) gedicht over het dubbelhuwelijk en hebben de rekeningen van Brabant, Limburg, Vlaanderen, Henegouwen en Bourgondië geen betaling daarvoor geregistreerd, anderzijds is er de rekeningpost in de Hollandse rekeningen, alwaar `meester Jan van Machelen den spreker' op `des sonnendages na beloken Paeschen tot Camericken' drie gulden ontving omdat hij `ghecomen was ter brulofte van minen jonchere Willem ende van des hertoghen dochter van Borgongen ende van des hertoghen soen van Borgongen ende mijnre joncvrouwen'.*82

Jean de Malines was in zijn tijd zeker geen onbekende spreker. Hij wordt voor het eerst genoemd in de rekeningen van graaf Jan van Blois in 1366; in totaal komt hij driemaal in de Bloise rekeningen voor, het laatst in 1371. In de Brabantse rekeningen vinden we hem tweemaal: eenmaal in 1380 en eenmaal in 1385. Interessant is de rekeningpost van 16 juli 1380 (te Brussel), waar te lezen staat: `Solvit Petrus Braeu Johanni van Woluwe, illuminatori, de una ymagine virginis Marie quam fecit in uno rotulo quem Johannes de Machlinea dictaverat super Ave Maria, et dedicaverat domine ducisse: I peter. [...] XVI julii, de mandato domine ducisse Johanni de Machlinea: III flor.'*83 Hier wordt aldus een pieterman betaald aan de illuminator Jan van Woluwe, die op een perkamentrol een afbeelding van de maagd Maria had aangebracht, waarop een gedicht op het Ave Maria stond. Dit gedicht, opgedragen aan de hertogin, was gemaakt door Jan van Machelen. Hij had het gedicht voor de hertogin ten gehore gebracht en de rotulus aan haar overhandigd. Op last van de hertogin kreeg Jan van Machelen drie florijnen uitbetaald. Dit is (nogmaals) een fraai voorbeeld van een afzonderlijk repertoirestuk op een los vel, in dit geval een rol perkament, waarvanaf is voorgedragen en dat na overhandiging een eigen schriftelijk leven kon gaan leiden.

Tenslotte komt Jan van Machelen tussen 1385 en 1388 zesmaal voor in de Hollandse rekeningen. Uit de rekeningpost van 14-1-1386 valt op te maken dat hij geruime tijd aan het hof te Den Haag had vertoefd: `Item optie selve tijt meester Jan van Machelen den dichter ghegeven bi mijns heren bevelen want hi niet tot sinen Kersavont noch tot sinen nuwen jaer en hadde II gulden'. Deze mededeling is alleen zinvol indien Jan van Machelen als dichter reeds rond Kerst 1385 aan het hof aanwezig is geweest, als hij kortom voor drie weken in de buurt van de Hollandse graaf verbleef, hoogstwaarschijnlijk kost en inwoning genietend. Het was immers niet gebruikelijk dat afwezigen, die niet tot de vaste staf van de graaf behoorden, toch een Kerst- of nieuwjaarsgratificatie ontvingen. Mogelijk heeft Jan vervolgens in de Hollandse contreien rondgezworven om op 8 februari van dat jaar wederom het Haagse hof aan te doen. Er staat namelijk: `Item des donresdaghes na Onser Vrouwendach purificatio inden Haghe ghegeven bi mijns heren bevelen ende bi Aernt Foriers hant, diere die boetscippe of dede meester Jan van Machelen daer hi mede thuys trecken mochte VI gulden'. Na een krappe twee maanden in een Hollandse omgeving te hebben gewerkt, aanvaardde Jan tenslotte dus de terugreis naar Brabant. Uit de diverse rekeningen kan geconcludeerd worden dat Jan van Machelen als sprookspreker tussen 1366 en 1388 actief is geweest en dat het sticht Kamerijk, het hertogdom Brabant en de graafschappen Blois en Holland tenminste tot zijn werkterrein moeten hebben behoord.

De enige tekst die we van Jean de Malines over hebben, is het aan hem toegeschreven Franse epithalamium. Pinchart spreekt zich niet uit over de literaire waarde van het gedicht of over de persoon van de dichter, doch na hem beoordeelde Vaughan de dichter als `a very inferior Brabantine poet'*84 en eerder schreef Doutrepont reeds: `C'est l'épithalame que Jean de Malines, un rimeur de mince renom dans l'histoire littéraire française, a composé en l'honneur de deux mariages de la famille bourguignonne, l'un entre Jean comte de Nevers et Marguerite de Bavière, l'autre entre Guillaume d'Ostrevant et Marguerite de Bourgogne (12 avril 1385). Son oeuvre n'est qu'une sèche énumération des différents numéros qui formaient le programme des fètes organisées à cette ocassion dans la ville de Cambrai, avec, de-ci de-là, un cri de ravissement et de naïf aveu de son inaptitude à rapporter congrûment semblables merveilles. Nous n'aurons pas la cruauté d'insister sur le prosaïsme désarmant de sa poésie'.*85

Om enigszins de gedachten te kunnen bepalen volgt hier een parafrase van het bedoelde gedicht.*86 De inleiding (vs.1-4) bestaat uit een bede. Vervolgens wordt in de kern (vs.5-201) een beschrijving gegeven van de samenkomst te Kamerijk van het zeer luisterrijke gezelschap van vorsten, vorstinnen en andere edele lieden, ten behoeve van het dubbelhuwelijk dat in die stad op woensdag [12 april 1385] om 12 uur in de kerk van Notre Dame voltrokken werd. De samenkomst was schitterend om te zien. Er volgt een opsomming van wie er aanwezig waren, zonder dat de personen uitdrukkelijk bij naam genoemd worden - wat erop wijst dat het gedicht bestemd was voor ingewijden. Daar waren (zo blijkt uit de omschrijvingen) de Franse koning Karel VI met zijn nicht Margaretha van Bourgondië (de ene bruid), haar vader hertog Philips de Stoute van Bourgondië, hertog Albrecht van Beieren met zijn dochter Margaretha van Beieren (de andere bruid), de moeders van de bruiden, respectievelijk Margaretha van Vlaanderen en Margaretha van Brieg, en de bruidegoms Jan van Nevers en Willem van Oostervant (vs.5-52). Vervolgens wordt een beschrijving gegeven van het bruiloftsmaal na de huwelijksplechtigheid, aangeboden door koning Karel VI, alwaar Margaretha van Brieg de voornaamste plaats aan tafel innam en waar verder onder andere hertogin Johanna van Brabant, Margaretha van Beieren, hertog Albrecht, koning Karel VI, Margaretha van Bourgondië en Margaretha van Vlaanderen aanzaten. Het diner werd omlijst met muziek. Tussen de gangen door was men getuige van een mechanisch `entremez' (vs.91) van een kasteel met vier torens, bewaakt door vier dieren (een beer, een leeuw, een griffioen en een eenhoorn) en met twee toeschouwende maagden.*87 Er verscheen een wit hert ten tonele en wilde en Moorse ridders vielen het kasteel tevergeefs aan (vs.53-132). Dan beschrijft de dichter het toernooi dat vervolgens onder de edelen gehouden werd. Karel VI versloeg er de heer van `Espinoit' (vs.155). De ridders van Albrecht van Beieren onderscheidden zich in dapperheid uit liefde voor hun heer. En Albrecht zelf joeg een olifant op de vlucht (vs.133-194). Nog twee dagen daarna zou de wijn zonder ophouden vloeien, waarna een ieder weer (op 14 april) naar z'n landen terugkeerde (vs.195-201). Het gedicht besluit eveneens met een bede (vs.202-212).

Het moge duidelijk zijn, dat dit gedicht een retrospectief karakter heeft: het gedicht kan niet ter gelegenheid van het huwelijk geschreven zijn, aangezien het dan zaken zou beschrijven die nog stonden te gebeuren. De tekst moet gemaakt zijn (kort) na het huwelijk. Het is inderdaad goed denkbaar dat Jan van Machelen `des sonnendages na beloken Paeschen tot Camericken', dat is op 16 april betaald wordt voor het huwelijksgedicht dat hij in de tussentijd gemaakt en (op 14 of 15 april?) voorgedragen had. Het gedicht kan overigens tevens bij latere optredens in Holland gefunctioneerd hebben. Tot zover Jan van Machelen.

Er zijn ons weliswaar vele sproken overgeleverd*88, doch het merendeel is anoniem. Het is denkbaar dat hieronder repertoire zit van sprekers als meester Pieter vander Minnen, meester Jan de Bot, meester Jan van Raemsdonc, Hopezomer of Clais van Monickedam, maar enige zekerheid bestaat hieromtrent niet. Zelfs als in de Hollandse rekeningen van een drietal sprekers wordt vermeld waar hun gedichten over gingen, kunnen ze nog niet worden geïdentificeerd. In 1387 trad `des marcgraven spreker van Misen' op `die van Onser Vrouwen sprac'. Het Mariagedicht viel kennelijk goed in de smaak, want de spreker beurde tien guldens. De twee andere sproken uit 1399 staan ondubbelzinnig in verband met de krijgstochten tegen Friesland (1396-1399). Het was `den spreker van Monickedam die mynen here een sproke vanden Vriezen over gaf'. Er is hier dus wederom sprake van een op een blad uitgeschreven gedicht dat aan de graaf overhandigd werd. In hetzelfde jaar vernemen we uit een afzonderlijke rekening van Willem van Oostervant, de feitelijke aanvoerder in de strijd: `Item inden Hage omtrent Vastelavont enen spreker die voir minen heere een sproke sprac vander vriescher reyse gegeven bi den burchgrave I oude Heneg. crone'.

We hebben enerzijds vele sproken en anderzijds kennen we veel namen, maar het samenbrengen van sproke en naam is meestal niet mogelijk. Daarbij moet bedacht worden dat nogmaals vele sproken nooit aan het papier of perkament zullen zijn toevertrouwd. Zo zullen de blinde dichters uit Keulen en Bergen-Henegouwen geen autograaf hebben bezeten van hun repertoire. Hun werk kan alleen voor de vergetelheid zijn behoed, indien men het uit hun monden heeft opgetekend. Maar hieromtrent is niets zeker. Er zullen zeker meer sprekers analfabeet zijn geweest, die louter uit het hoofd spraken. En de naam van `Snelryem den spreker'*89 doet vermoeden dat hij z'n gedichten op allerlei aangebrachte onderwerpen direct à l'improviste ten gehore bracht. Zijn sproken, in de bewoordingen van het moment, vervluchtigden waarschijnlijk definitief na het uitspreken van het laatste vers.

Wat verder opvalt is dat de professie van spreker kennelijk een mannenberoep was: slechts in 1358 komt men een spreekster tegen, geheten `Truden van Nymaghen'.*90 Van sprekersgezellen is ook weinig terug te vinden in de rekeningen, terwijl het toch aannemelijk is dat aankomende sprekers bij gerenommeerde sprekers een soort stageperiode doorliepen. Alleen in 1385 wordt vermeld dat `Goeswijn van Ghelre den dichter' een gezel bij zich had. Had deze gezel hem geassisteerd bij de voordracht?*91

In totaal komen we voor de periode 1358-1409 (verminderd met de periode 1363-1371) uit op zo'n 234 bezoldigd optredende sprekers. Dat betekent dat in 43 jaar gemiddeld ruim 5 sprekers per jaar tegen een financiële vergoeding optraden. Daarbij moet men nog een onbekend aantal optredens optellen waarvoor sprekers op enigerlei wijze in natura zijn beloond.

Tot slot moet nog even stilgestaan worden bij de soms `sprekende namen' van bepaalde sprekers. Zoals hiervóór reeds aangegeven, droeg meester Jan Visier met z'n naam uit dat hij creatief was in het bedenken en/of vaardig in het spreken van gedichten. Jan Dille kan met z'n naam op z'n sprekerskwaliteiten hebben willen wijzen (`dillen'=praten), maar ook dat hij uit Nassau afkomstig was. Peter Suchenwirt wilde met zijn naam duidelijk maken dat hij altijd op zoek was naar een gastheer. Het is voorts niet volledig uitgesloten dat Augustijnken niet de doopnaam was van de spreker in kwestie: misschien was hij wel een (gewezen) Augustijner monnik. De naam van meester Pieter vander Minnen, ook wel `den jonchere vander Minnen' geheten, was wellicht een artiestennaam. Hij kan bijvoorbeeld gespecialiseerd geweest zijn in hoofse minnelyriek, maar het is ook mogelijk dat hij afkomstig was uit Minden in het vorstendom Minden in Neder-Saksen.*92 In 1386 wordt zijn naam namelijk als `Pieter van Minden' weergegeven, in 1387 als `meester Pieter vander Mijnde' en in 1400 als `meister Pieter uter Mynne'. Jan de Bot etaleerde met zijn naam onomwonden dat het hem in zijn werk om het geld te doen was. Immers, `bot' of `botdrager' was de naam van een muntstuk. Het verkleinwoord was `botkijn' of `butkijn', wat erop lijkt te duiden dat `meester Jan de Bot' en `Butkijn den spreker' één en dezelfde persoon zijn. En Snelryem den spreker beheerste, zoals gezegd, de kunst van het sneldichten.*93 Jan Vrouwentroost was wellicht een charmeur en misschien een dichter van hoofse (minne)lyriek. De spreker Wilde Vos was een rondreizend clerk; het predicaat Vos heeft mogelijk betrekking op zijn sluwheid of schalksheid.*94 De `jonghen spreker van Holsten [=Holstein] geheten Hopezomer' droeg zijn voorliefde voor het zomerseizoen uit. Van `meester Rutentuut' staat niet vast dat hij een spreker was. Van Oostrom meent dat hij een kunstfluiter geweest zal zijn.*95 Naar z'n naam te oordelen kan hij ook een kabaalmakende hoornblazer geweest zijn.*96 Maar als hij een spreker was, dan kan hij een schreeuwlelijk of bulderbas zijn geweest.*97 Tenslotte is er de spreker wiens naam Jonckbloet las als Ghetuose*98, maar die ook gelezen kan worden als Ghecnose. Laatstgenoemde lezing typeert de man als zotte spreker.

Uit deze paragraaf mag wel gebleken zijn dat ten tijde van Albrecht van Beieren en Willem VI een rijk hofmaecenaat bloeide. Talrijke boeken werden vervaardigd, met name ten behoeve van de adellijke dames. Veel varend entertainersvolk heeft in Den Haag een goed onthaal gekregen. Vanuit het Dietse en Duitse taalgebied kwamen de sprekers de graaf opzoeken: uit Holland, Zeeland, Gelre, Gulik, Utrecht, Friesland, Brabant, Limburg, Vlaanderen, Kleef, Meissen, Swaben, Holstein, Beieren, Berg en Oostenrijk. Een enkele spreker kwam uit Engeland (sprak hij Frans?), uit Frankrijk, Bourgondië, Henegouwen, en zelfs Polen en Bohemen.

In de komende paragraaf zal vervolgens worden stilgestaan bij de relatief vele optredens van Willem aan het Hollandse hof.