8.3.2. Willems optredens aan het Hollandse hof

We vinden Willem tussen 1383 en 1408 in de Hollandse rekeningen geadministreerd voor 32 bezoldigde optredens.*1 Dertig maal was dat aan het hof te Den Haag, eenmaal in Haarlem (op het grafelijke kasteel?) en eenmaal in Middelburg (mogelijk waar Albrecht gewoonlijk vertoefde: het praemonstratenser klooster*2). De spreker trad steeds regelmatiger zo'n één à twee maal per jaar tegen vergoeding op, vaak rond de Vasten, Pasen, Pinksteren en Kerst.*3 Achter deze tijdstippen stak zeer waarschijnlijk de berekenende geest van de wervende sprookspreker. Deze momenten in het jaar waren bij uitstek geschikt voor de voordracht van religieus getinte sproken. Op de hoogtijdagen, tijden van vreugde en bezinning, zal het publiek extra in de stemming zijn geweest voor de stichtende woorden van Willem. En al zal het wellicht niet zijn voornaamste drijfveer zijn geweest om juist dan te verschijnen, de kans op een milde beloning was voor hem op deze tijden groter dan anders. Pasen, Pinksteren en vooral Kerst en nieuwjaar waren tijden van traditionele vrijgevigheid.*4 Het lagere hofpersoneel, clerken, herauten, minstreels en entertainers, armen en misdeelden ontvingen van de vorst en de hoge edelen, die zich in de directe nabijheid van hun heer bevonden, extra giften. Hiervan heeft ook Willem geprofiteerd. Voorts bevonden zich vooral met Pasen, Pinksteren en Kerst - maar natuurlijk ook bij Albrechts huwelijk met Margaretha van Kleef - extra veel gasten aan het hof.*5 Optreden voor een hof met extra veel gasten betekende voor Willem een investering in de toekomst. Een brede bekendheid bij een publiek dat in de hoogste kringen verkeerde, betekende voor de sprookspreker het aanboren van nieuw publiek en zichzelf kansen scheppen voor voordrachten in de rest van het jaar, als hij de gasten thuis opzocht.

Zoals in paragraaf 5.2. al is aangegeven zal Willem op de grote hoogtijdagen hebben gesproken in de ridderzaal van het Binnenhof. Buiten deze tijden om zal hij zijn opgetreden in de nieuwe, kleinere (eet)zaal. We mogen aannemen dat hij, soms in de middag, maar waarschijnlijk meestal in de avond, voor de tafel van de vorst heeft gesproken. Ook zal hij soms voor de graaf en zijn raad hebben gesproken, in de raadskamer, na afloop van de raadsvergadering. Voorts weten we intussen dat er regelmatig enkele dagen tussen optreden en beloning hebben gelegen: Willem kan in de tussentijd aan of nabij het hof hebben vertoefd, mogelijk op kosten van de graaf.*6

Uit de rekeningen blijkt uit Willems naamsvermelding dat hij vrij snel furore maakte. De eerste maal komt hij op 5 februari 1383 voor als `Willem van Hilgarts berghe enen spreker'. Op 28 december van dat jaar was hij reeds `meester Willem den spreker' en op 26 december 1385 heette hij `meester Willem die dichter'. Op 14 februari 1388 vinden we hem terug als `meester Willem van Hilleghaersberghe die spreker'. Vanaf 1393 was de toevoeging `dichter' of `spreker' eigenlijk niet meer van node: hij was `meester Willem van Hildegaertsberge', en men begreep wie dat was.*7 Na verloop van tijd begon Willems beloning aan het hof fors te stijgen. Tot 1393 schommelde het loon tussen één à twee gulden of schilden, dus tussen de twee tot vijf schellingen - in de Hollandse rekeningen werd ieder bedrag aan betaalde reële munten herleid tot een bedrag in ponden, schellingen en (grote) penningen. Willem onderscheidde zich tot 1393 in zijn beloning niet duidelijk van zijn collega's. Op 26 december 1393 ontving hij ineens vier nieuwe (gouden) schilden ter waarde van tezamen dertien schellingen en vier penningen. Na enkele wat lagere beloningen kreeg hij op nieuwjaarsdag van 1396 het grote bedrag van zes nieuwe schilden met een waarde van twintig schellingen. We moeten soms weliswaar rekening houden met schommelingen van de geldkoersen*8, maar ook in dit geval beurde Willem aanzienlijk meer dan zijn collega-sprekers. Als toelichting vernemen we: `gegeven enen roc mede te copen ende te drincgelde'. Het drinkgeld moet niet al te letterlijk worden opgevat: het gaat hier in feite om `zakgeld' of `teergeld'. Dat Willem ook geld kreeg om een jas te kopen, is een aardig detail*9: was de winter streng en was de spreker aan een nieuwe jas toe? Een enorme beloning ontving Willem ook op 4 april 1399: een pond. De pond was in Holland een rekeneenheid, geen reële munt. De pond vertegenwoordigde een waarde van twintig (zilveren) schellingen, oftewel 240 (zilveren) penningen. Aanzienlijk was ook het bedrag dat Willem in 1401 `te drincgelde' kreeg: acht gulden, gelijk aan 17 schellingen en 4 penningen. Vanaf dit moment bleef zijn beloning rond de 13 schellingen, met uitzondering van december 1403: toen kreeg hij tien nieuwe guldens van 17 schellingen en 6 penningen. Een jaar later lezen we nogmaals dat hem een bedrag werd overhandigd `te verdrincken'.*10 Als we er van uit mogen gaan dat de hoogte van het bedrag de waardering van de maecenas (mede) tot uitdrukking brengt, dan blijkt Willem in de loop der jaren te zijn uitgegroeid tot een `eersterangskunstenaar'.*11 Dit mag ook blijken uit de aankoop van `enen boec [...] dair in stonden veel schoonre sproken die Willem van Hillegairtsberge gemaict hadde'.*12

Willem bezocht uit eigener beweging regelmatig het hof; meestal in Den Haag, een enkele maal elders, namelijk daar waar de graaf zich op dat moment met (een deel van) zijn hofhouding ophield. In de rekening van 1388 vernemen we dat Willem, net als meester Jan van Raemsdonc, in het gevolg van de graaf mee naar Den Haag was gereisd ter gelegenheid van de vastenavondviering*13: `meester Willem van Hilleghaertsberghe die spreker die minen here vervolcht hadde op die Vastenavont'. Willem zal in veel gevallen niet alleen hebben gereisd. Dat wil zeggen: er trok een constante stroom entertainers rond die bij gelegenheid in groten getale eenzelfde reisdoel voor ogen had. Men bezie de post waarin allerlei entertainers worden beloond voor hun bijdragen aan het bruiloftsfeest van Albrecht van Beieren in 1394: men treft er schalmeispelers, herauten, bespelers van snaarinstrumenten, sprekers, zangers en kunstenmakers aan. Ook bij Willems optreden te Middelburg in 1390 blijkt hij niet de enige te zijn geweest die een voordracht hield: `Item Willem van Hillegers berghe ende II ander sprekers mit hem tsamen IIII gulden'.*14 Mogelijk waren voorts Willem van Hildegaersberch en zijn collega Bertelmeus van Dordrecht - in dezelfde periode de meest succesvolle spreker na Willem*15 - bevriend, of ondernamen zij tenminste in elkaars gezelschap soms reizen, want we treffen hen vanaf 1389 vijfmaal in dezelfde rekeningpost aan, en nog eens tweemaal kort na elkaar (in 1399 en 1403-4).

Vervolgens moeten we ons afvragen hoe het hofpubliek was samengesteld. Het initiatief voor beloning ging steeds uit van de graaf, hetzij Albrecht, hetzij Willem VI. Zij waren telkens bij de voordracht aanwezig; zij waren de maecenassen, niet in de zin van opdrachtgevers, maar in de betekenis van kunstbegunstigers. In 1408 blijkt dat Willem `voir minen lieven heere ende vrouwen gesproken hadde'. Expliciet wordt naast Willem VI ook Margaretha van Bourgondië genoemd als toehoorder. Beheerste zij inmiddels het Middelnederlands voldoende om de sproken die Willem sprak te kunnen begrijpen?

Er werd, zoals gezegd, betaald `bi mijns heren bevele', veelal door hovelingen die uit hoofde van hun functie aan het hof namens de graaf konden betalen. Als betalers namens de graaf fungeerden edelen als de heer van Asperen, heer Pouwels van Haestrecht, heer Daniël van der Merwede, heer Jan van Zevenbergen, heer Wolfaert van Culenburch, alsmede hofpersoneel als Florens Ghijsbrechtsoen, hofmeester Willem Cuser, Willem van den Berge, meister Jan, de kamerling Jorgel, Gijskin Barbier en de clerk Boudekin.*16 In veel gevallen mag men vermoeden dat de vooraanstaande personeelsleden en de genoemde edelen, onder wie raadsheren, ook als publiek bij Willems voordracht aanwezig geweest zijn.

De rekeningen melden verder in 1401 dat Willem `voir mynen heere ende den rade gesproken hadde', en dat hij in 1407 betaald werd `bi mijns heren ende tsraits bevelen'. Men mag veronderstellen dat in deze gevallen de voltallige raad bij de voordracht aanwezig was. Het is aannemelijk dat Willem zijn gedicht(en) voordroeg na een raadsvergadering, bij het nuttigen van spijs en drank in de raadskamer.*17 In de (overigens wisselende) samenstelling van Albrechts grafelijke raad treffen we zijn zoon Willem van Oostervant aan, alsmede heren uit de voorname geslachten van IJsselstein, Brederode, Egmond, Wassenaar, Teilingen, Heemstede, Gommengies, Arkel, Zevenbergen, Haestrecht, Kruiningen, Borselen en Reimerswaal*18, en vanaf zeker moment ook de kanunniken van het hofkapittel van Albrechts hofkapel in Den Haag.*19 Tot de leden van de raad van Willem VI mogen gerekend worden: voor Holland de heer van Egmond, de heer van Wassenaar, de jonkheer van Brederode, heer Heynric van der Leck en heer Jan van Cronenburch. Voor Zeeland heer Hughe van Heenvliet, heer Florens van Borsselen, heer Jan van Heenvliet, heer Clais Kerving van Reymerswale en de abt van Middelburg. Later werden hieraan nog toegevoegd de heer van Vyanen, heer Johan die bastairt van Bloys, Foyken Foykenzoon, jonkheer Jan van Nassau, Jan van Heemstede en Philips van Borselen.*20 Dat er nu ook andere adellijke geslachten in de raad zitting hadden, komt doordat er een machtswisseling had plaatsgevonden: vele Kabeljauwen moesten onder Willem VI plaats maken voor Hoekse edelen.

Maar ook als er niet expliciet melding van wordt gemaakt, dan kunnen we er in veel gevallen van uitgaan dat bijvoorbeeld de gravin en individuele leden van de grafelijke raad tot het gehoor hebben behoord. Willems hofpubliek zal globaal genomen aldus zijn samengesteld: de graaf, zijn echtgenote, zijn familie, leden van de grafelijke raad, adel met heerlijke rechten, ridders en knapen, het hogere hofpersoneel, diverse hofgeestelijken en allerhande adellijke, geestelijke en burgerlijke gasten. Bijzondere vermelding verdienen dan nog de rekenplichtige ambtenaren die in de periode dat de rekeningen moesten worden afgehoord - vaak in december - in groten getale aan het hof verkeerden: de baljuwen, schouten, rentmeesters en tolgaarders. Voor hen was bij uitstek een sproke als 76.Vander rekeninghe bedoeld. Ook andere sproken, gericht aan het adres van rechters en stadsbestuurders, kunnen voor deze gelegenheden bestemd zijn geweest.

Dan resteert er nog één vraag: welke sproken die ons zijn overgeleverd, kan Willem aan het Hollandse hof hebben voorgedragen? De vraag valt niet eenvoudig te beantwoorden, want eigenlijk is niets zeker. De rekeningen geven geen enkele expliciete aanwijzing over de aard van de sproken. Bovendien moet men uiterst voorzichtig zijn met het opperen van gedichten: sommige zijn weliswaar goed denkbaar in de context van het Hollandse hof, maar kunnen desondanks bestemd zijn geweest voor bijvoorbeeld andere adellijke kringen. We stellen de vraag opnieuw, maar nu nog voorzichtiger: welke sproken zouden, als we vrijelijk mogen speculeren, eventueel in aanmerking komen voor voordracht aan het Hollandse hof? Het blijkt - onder voorbehoud - dan om vrij veel gedichten te gaan: mag dit ons sterken in het vermoeden dat Willems overgeleverde oeuvre een hofgerichte selectie bevat?

Zoals hierna nog zal worden betoogd, zullen in elk geval 56.Van feeste van hylic en81.Vanden sloetel speciaal voor voordracht voor de Hollandse graaf bestemd zijn geweest.*21 Voorts zal zoals gezegd 76.Vander rekeninghe bij uitstek op het Binnenhof hebben gefunctioneerd wanneer de rekenplichtige ambtenaren zich er verzameld hadden.*22 Op grond van de aanspreekvormen, de inhoud en/of de gelegenheid is voordracht aan het hof van de volgende sproken tot op zekere hoogte voorstelbaar:

- 2.Zonder titel (over het regeren van steden; voorstelbaar aan het hof ten overstaan van de verzamelde stadsbestuurders; men zie tevens de aanspreekvormen; voor dit laatste par.8.1. en bijl.11.6.).

- 4.Van den X gheboeden (zie par.7.2.5.).

- 7.Vanden coninc van Poertegael (o.g.v. inhoud en aanspreekvormen).

- 8.Dit is van ere (idem).

- 10.Dit is van drien coeren (verwijzing naar graaf Willem III).

- 11.Dit is van beschermen (ridderlijk publiek?).

- 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven (o.g.v. aanspreekvormen).

- 22.Vanden goeden ridder (idem).

- 25.Dat ewangelium van Paeschen (Paasgedicht; aangezien Willem meerdere malen met Pasen aan het hof is opgetreden, is het denkbaar dat hij de sproke ooit voor die gelegenheid bestemd had).

- 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert (Paasgedicht).

- 31.Van sterven (o.g.v. de inhoud).

- 33.Van dominus (idem).

- 34.Vanden goeden vrouwen (o.g.v. hoofse minne-motieven?; par.6.2.).

- 35.Vander wrake Goeds (o.g.v. de inhoud; par.4.3.4. en 7.2.9.).

- 36.Van Affricanus (idem).

- 39.Vanden meerblade (o.g.v. de inhoud).

- 40.Vander gheboorten Christi (Kerstgedicht; Willem heeft vaak met Kerst gesproken aan het hof).

- 47.Van drierehande staet van heren (o.g.v. aanspreekvormen en inhoud; in vs.107 e.v. wordt verwezen naar de praktijk van het afhoren van de rekeningen).

- 51.Van tregiment van goeden heren (o.g.v. de inhoud, m.n. de verwijzing naar de graven Willem III en Willem V).

- 52.Een exempel van partyen (waarschijnlijk over de Hoekse en Kabeljauwse twisten; par.6.1.).

- 53.Van gheduricheit (o.g.v. aanspreekvormen).

- 54.Vander liever tijt (idem).

- 56.Van feeste van hylic (huwelijk Albrecht).

- 57.Vanden corencopers (o.g.v. aanspreekvormen).

- 62.Van rechtighen rechters (idem).

- 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen (over het Hollandse gravenhuis en de Hoekse en Kabeljauwse twisten; par.6.1.; ook o.g.v. aanspreekvormen).

- 64.Van die achte salicheiden (o.g.v. aanspreekvormen).

- 65.Een notabel van twee wynden (o.g.v. de inhoud; par.6.1.).

- 66.Van drierehande lyden (o.g.v. aanspreekvormen en aanroeren van de thema's liefde en ridderfaam).

- 68.Vanden spieghel (o.g.v. aanspreekvormen).

- 69.Vander verrisenis (Paasgedicht; ook o.g.v. aanspreekvormen en inhoud).

- 70.Van ses articulen der werlt (o.g.v. aanspreekvormen).

- 71.Van helen (o.g.v. inhoud - over raadsbesluiten en liefde - en aanspreekvormen).

- 72.Een notabel (o.g.v. inhoud en aanspreekvormen; gericht tot de rechters).

- 73.Dit is vander ghiericheit (vnl. o.g.v. inhoud).

- 75.Een exempel van heren (o.g.v. aanspreekvormen en inhoud).

- 76.Vander rekeninghe (over de Hollandse rekeningen).

- 78.Vanden ghedencke (o.g.v. aanspreekvormen).

- 81.Vanden sloetel (pleitrede voor Leiden voor de graaf).

- 82.Van ruste (o.g.v. inhoud en aanspreekvormen).

- 83.Hoemen voer die eere gaet schulen (sproke over maecenaat, verwijzing naar Dirc van den Rijn, aan het hof welbekend; par.4.1. en 8.4.).

- 84.Vanden sacramente van Aemsterdam (Hier is een korte motivering op z'n plaats. Tijdens de regering van Albrecht van Beieren stonden de Heilige Stede en het Haagse hof in een bijzondere verhouding tot elkaar. Tot 1372 viel de Heilige Stede namelijk direct onder de verantwoordelijkheid van de graaf. En tussen 1372 en 1415 ressorteerde de H.Stede onder Albrechts kapittelkanunniken van het kapittel van de H.Maria te Den Haag.*23 Vanaf 1374 maakten de twaalf leden en de deken van dit kapittel bovendien deel uit van Albrechts grafelijke raad.*24 Persoonlijke interesse van Albrecht in de H.Stede blijkt uit het request dat hij in 1378 bij paus Clemens indiende, waarin hij verzocht om `aflaten voor bezoekers van de Hofkapel en de kapel van het mirakel te Amsterdam'.*25 Die interesse was bij zijn zoon Willem VI in maart 1405 blijkbaar nog niet verflauwd, gezien de volgende schenking: `Item Jan die Boel betailt die hi minen heer gaf tot Aemsterdam den heyligen sacrament te offeren aldair I Vransche crone'. Dit geschiedde `ter gelegenheid van de inhuldiging des Graven te Amsterdam'.*26 Dit alles maakt het gedicht nog niet automatisch tot een `hofdicht', maar het zou niet verwonderen als de tekst in elk geval óók door Willem aan het hof is voorgedragen; voor de inhoud ervan zal hij zeker een geïnteresseerd publiek hebben gevonden.).

- 86.Van rechters (o.g.v. aanspreekvormen).

- 92.Van feeste van heren (o.g.v. aanspreekvormen en inhoud).

- 96.Vanden droem (o.g.v. aanspreekvormen en inhoud).

- 97.Vander drierehande staet der werlt (behoudende standenideologie met legitimatie van adellijke voorrechten; par.6.6.; tevens nieuwjaarsgedicht).

- 98.Vanden XL daghen (gedicht voor na de vasten ter voorbereiding op Pasen en de verplichte Paasbiecht).

- 99.Vanden doern ende vander linde (o.g.v. aanspreekvormen en inhoud; over de taak van landsheer en -vrouwe).

- 101.Hoe die heren eerst quamen (o.g.v. aanspreekvormen en inhoud).

- 105.Een notabel van heren (idem).

- 106.Van karitas (o.g.v. aanspreekvormen).

- 109.Vanden vier cussen (Paasgedicht).

- 112.Twisschen wil ende die waerheit (o.g.v. de inhoud).

- 118.Opt voersien (o.g.v. aanspreekvormen).

- 120.Dat elc sinen meerren ontsiet (o.g.v. de inhoud; over oorlog).

Dit is reeds een brede opsomming van sproken waarvan het voorstelbaar is dat ze aan het Hollandse hof zijn voorgedragen. Men zou de opsomming nog kunnen uitbreiden met sproken die appelleren aan een bredere literaire kennis (zie par.4.3.2.), maar daarmee wordt het terrein der speculaties nog verder betreden.

In het voorafgaande zijn we reeds uitgekomen op 52 potentiële hofgedichten, tegenover 32 geregistreerde optredens voor de graaf. Er zijn diverse verklaringen voor het verschil denkbaar. In de eerste plaats is het mogelijk dat hierboven te ruim geselecteerd is uit het oeuvre van Willem: een aantal gedichten kan ook louter aan bijvoorbeeld andere adellijke hoven gefunctioneerd hebben, en sproken waarin rechters en stadsbestuurders vermanend worden toegesproken, hebben misschien toch vooral in stedelijke kringen gefunctioneerd. Voorts is het mogelijk dat Willem vaker in Den Haag is opgetreden; de keren dat hij niet in klinkende munt werd beloond, staan niet in de rekeningen geadministreerd. De rekeningen leggen immers geen verantwoording af van elk optreden, alleen van elk bezoldigd optreden. Vandaar dat men in de rekening over 1408-1409 `enen blinden dichter van Cuelen' kan tegenkomen van wie gezegd wordt dat hij `jairlix te hove plech te comen', terwijl hij in voorafgaande rekeningboeken niet is terug te vinden.*27 Tot slot kan men nog als verklaring voor het verschil tussen het aantal potentiële hofgedichten en het aantal optredens aanvoeren, dat Willem soms meerdere sproken per keer of meerdere dagen achtereen sprak. Overigens wordt er in deze bespiegelingen dan nog van uitgegaan dat Willems oeuvre min of meer compleet is overgeleverd, wat niet het geval hoeft te zijn.

Het afzetgebied voor Middelnederlandse letterkunde was betrekkelijk klein omdat het Dietse taalgebied niet bijzonder groot was. Daarbinnen vindt men slechts weinig centra met een intensief literair leven.*28 Willems actieradius was - naar het zich laat aanzien - nog wat kleiner. Voor de Gelderse hertog is hij wel opgetreden, maar in de Bloise rekeningen is hij niet terug te vinden. Het Haagse hof vormde het grootste centrum van literaire activiteit*29, en op dit centrum heeft Willem zich gericht. Via het Hollandse hof kon hij veel publiek bereiken: aan andere hoven, in het klooster, in de stad. Ook al was de beloning die Willem van Albrecht en Willem VI ontving veelal niet gering, het was bij lange na niet toereikend om als beroepsspreker van te kunnen bestaan.*30 In paragraaf 8.4. zal de blik gericht worden op het andere publiek van Hildegaersberch. Maar eerst wordt nog stilgestaan bij het bruiloftsgedicht 56.Van feeste van hylicin de specifieke context van Albrechts huwelijk in 1394.