8.3.3. Een Hollands huwelijksfeest

In 1394 trouwde Albrecht van Beieren met zijn tweede vrouw Margaretha van Kleef. Het huwelijksfeest werd in Den Haag gevierd en één van de posten in de rubriek Van pipers ende herauden in de tresoriersrekeningen luidt met betrekking hiertoe:

Item V dagen in aprille XXXV piperen vander heren wapen gegeven die tot miins heren brulofte gecomen waren LX guld. Item alrehande stede pipers tsamen gegeven LVI gul. Item VI herauden tsamen XXX guld. Item III parsevant elcx IIII guld. Item enen speelre uptie quintaerne toebehorende den coninc van Beem VIII guld. Item enen vedelaer toebehorende den hertoge van Oistenrijc XX gul. Item hem drien toebehorende den hertoge van Sassen spelende upter quintaernen XV gul. Item enen orgelaer ende enen vedelair toebehorende den bisscop van Wyertsberch VIII guld. Item meester Willem van Hildegaertsberge, meester Jan van Raemsdonc ende enen spreker toebehorende den grave van Hoensten elc IIII guld. Item enen vreemden spreker sonder wapen II gul. Item joncher Otten spelende uptie quintaernen XL gr. Item Bom dez heren knecht van Zevenbergen LXXX gr. Item Wijs Neve die mit mijnre vrouwen van Hollant quam gegeven VI gul. Item Heynken mitter stelt enen gul. Item IIII sanghers elcx enen gul., facit IIC XXXIIII nye gulden stuc XXIII gr., facit XXII lb. XVIII s. VI d.g. [rek.1248, fol.26r].

Ons is geen repertoire van de genoemde entertainers bekend, behalve van Willem van Hildegaersberch. Het is misschien de moeite waard om deze post kort langs te lopen. Op 5 april 1394 kregen allerlei lieden voor hun bijdrage aan de feestvreugde uitbetaald. Onder andere 35 schalmeispelers, die diverse heren toebehoorden, zoals blijkt uit de wapenschilden die zij op hun livrei droegen; per persoon kregen ze iets minder dan 2 gulden. Daarnaast kregen ook schalmeispelers uitbetaald, die niet tot bepaalde heren behoorden, maar aan steden waren verbonden. Zes niet nader gespecificeerde herauten kregen ieder 5 gulden, terwijl drie `parsevanten', herauten-in-opleiding, ieder 4 gulden ontvingen. De gitarist van de koning van Bohemen ontving het relatief hoge bedrag van 8 gulden, maar hij was dan ook in dienst bij de schoonzoon van Albrecht van Beieren: die schoonzoon, Wenceslas IV van Bohemen, die in 1384 tevens Roomskoning was geworden, was in 1370 getrouwd met Albrechts dochter Johanna. Meer nog ontving de vedelspeler van de hertog van Oostenrijk: 20 gulden. Deze hertog van Oostenrijk was ook een schoonzoon van Albrecht: hij was sinds 1390*1 getrouwd met diens dochter Johanna Sofia. Drie gitaristen van de hertog van Saksen ontvingen dan weer ieder 5 gulden, en een speler op het portatief en een vedelspeler van de bisschop van Würzburg kregen ieder 4 gulden. In geen van beide gevallen hebben we te maken met directe familie van Albrecht, eerder met collega-vorsten uit het Duitse. De twee ongebonden meestersprekers Willem van Hildegaersberch en Jan van Raemsdonc beurden ieder 4 gulden, alsmede de spreker van de graaf van Holstein, wederom een Duitse vorst. Een op het feest niet geïdentificeerde spreker zonder wapenschild moest het met 2 gulden stellen. De gitaarspelende jonkheer Otten werd uitbetaald in zilvermunt: 40 grote penningen (=nog geen 2 gulden). Of we hier werkelijk met een entertainer van adellijken bloede te maken hebben of dat de titel `jonkheer' behoort tot zijn artiestennaam, is niet duidelijk, maar het is niet geheel uitgesloten dat we hier van doen hebben met `Otte die sotte' die als zodanig vaker in de rekeningen figureert. Het dubbele in zilvergeld ontving de knecht van de heer van Zevenbergen (een Brabants edelman) die luisterde naar de naam Bom (een artiestennaam voor een trommelaar?): 80 grote penningen (=zo'n 3½ gulden). Voorts is er sprake van Wijs Neve, mogelijk een kamerjonker of vertrouweling van genoemde vrouwe van Holland, met wie de bruid Margaretha van Kleef wordt bedoeld; hij kreeg 6 gulden. Eén gulden ontving Heynken-met-het-houten-been, wiens entertainerskwaliteiten duister blijven, tenzij we moeten begrijpen dat het hier om een steltloper gaat. Tot slot kregen vier zangers nog ieder 1 gulden. Het totaalbedrag komt dan neer op 234 gulden ter waarde van 23 grote penningen per stuk, omgezet in de traditionele Hollandse rekeneenheden: 22 ponden, 18 schellingen en 6 grote penningen.

Willem van Hildegaersberch is blijkens de rekeningpost ook opgetreden op het bruiloftsfeest, en de sproke die bij uitstek in aanmerking komt voor die gelegenheid is 56.Van feeste van hilic, een bruiloftsgedicht dat, zoals zal blijken, van een heel ander karakter is dan het epithalamium van Jan van Machelen uit 1385. Van Oostrom heeft in zijn studie Het woord van eerWillems sproke al globaal behandeld.*2 Op deze plaats wordt er nog iets dieper op ingegaan en moet tevens aandacht worden besteed aan de problematische slotpassage. Het probleem is immers dat 56.Van feeste van hylic bijzonder geschikt lijkt om door Willem te zijn voorgedragen op het huwelijksfeest, maar dat in het slotwoord onmiskenbaar een onderscheid wordt gemaakt tussen voordrager en auteur:

Tis best dat icket mede love,

Want Willem heeftet mi gheleert

Van Hildegaersberch: wye is verheert,

Dat hi sijn striden laten moet. (56; 168-171)

Of dichter Willem aan de voordrager de hele sproke nu heeft geleerd, of slechts de `sententie' in vs.170-171 doet in dit verband weinig ter zake: feit blijft dat er een onderscheid bestaat tussen Willem als dichter en de ik-figuur als voordrager. Hoe moet dit verklaard worden? De mogelijkheden zijn legio. Is er iets toegevoegd door een kopiist? In ieder geval niet door de kopiisten H en B, want die zouden dan onafhankelijk van elkaar tot hetzelfde zijn gekomen. Door de kopiist van W dan? De reden van een dergelijke toevoeging blijft duister. Of moet de passage ironisch worden opgevat? Neemt Willem hier een loopje met zijn eigen gewoonte om zich als voordrager in de ik-persoon te presenteren en aan het slot als dichter zijn naam in de derde persoon te noemen? Het is niet ondenkbaar, maar dergelijke speelsheid lijkt Willem toch vooralsnog vreemd. Het is ook mogelijk dat Willem in bovengenoemde rekeningpost louter als auteur en niet als voordrager werd beloond. De voordrager was dan bijvoorbeeld een genoemde of ongenoemde spreker, een ongenoemde gezel (leerling van Willem) of een ongenoemde hoveling. De vraag is evenwel waarom de toch zo secure rekeningschrijver dit onvermeld zou laten. Bovendien is het toch wel erg onwaarschijnlijk dat Willem de buitenkans om zelf op Albrechts huwelijk te spreken niet zou hebben benut. Om uit deze impasse te geraken, lijkt het zinvol om drie vaststellingen vooraf te maken, vanwaaruit het probleem moet worden opgelost:

1. De sproke is hoe-dan-ook van Willem.

2. De sproke sluit door de bank genomen nauwkeurig aan bij de historische context.

3. Sproken waren over het algemeen geschikt voor hergebruik.

Het lijkt plausibel dat het slot `secundair' is. Willem heeft op het huwelijk van Albrecht 56.Van feeste van hylic voorgedragen zonder de geciteerde slotwoorden, of - gezien de rijmovergangen - met andere slotwoorden. Die geciteerde formulering heeft hij pas later in zijn sproke aangebracht, toen hij de sproke noteerde als rede voor een ander huwelijk ten behoeve van een andere voordrager: bijvoorbeeld een hoveling, een familielid van het bruidspaar of een gezel van Willem, die het vak nog moest leren. En natuurlijk heeft Willem de slotwoorden zó geformuleerd dat het niemand kon ontgaan dat hij de auteur was. Deze latere versie nu is aan ons overgeleverd. Alhoewel de sproke, zoals gezegd, vrij nauwkeurig aansluit bij de historische context van Albrechts huwelijk, kunnen de bewoordingen ook weer zo algemeen opgevat worden dat ze meermalen ter gelegenheid van andere bruiloften hebben kunnen functioneren.*3 Enige reserve is gepast: het is denkbaar dat het gedicht 56.Van feeste van hylic, voorgedragen op het bruiloftsfeest van Albrecht, niet precies zo heeft geklonken als het overgeleverd is.

Vooraleer de sproke aan een analyse wordt onderworpen, wordt hier eerst kort een deel van de historische context geschetst. In 1386 kwam Albrechts eerste echtgenote, Margaretha van Brieg, te overlijden. Het lag kennelijk niet in Albrechts bedoeling direct te hertrouwen. Onder de minnaressen die hij er op nahield*4, vatte hij bijzondere genegenheid op voor jonkvrouwe Aleida van Poelgeest, die hij overlaadde met attenties en kostbare geschenken. Albrecht was zo gecharmeerd van de Kabeljauws-gezinde Aleida, dat een aantal Hoekse edelen kennelijk hiervan nadelige gevolgen vreesde. Deze Hoekse edelen smeedden hierop een complot, waarbij ook Albrechts zoon Willem betrokken zou zijn geweest. In de nanacht van 22 september*5 1392 werd Aleida samen met de haar begeleidende hofmeester Willem Cuser op het Haagse Binnenhof vermoord. Willem van Oostervant trachtte het tegenover zijn vader nog voor de Hoekse edelen op te nemen, maar zag zich vervolgens genoodzaakt te vluchten en zich te verschansen in slot Altena. De Hoekse en Kabeljauwse twisten laaiden in alle hevigheid op. In 1393 werden er 32 Hoeken schuldig bevonden en verbannen; hun bezit werd onteigend en hun huizen werden met de grond gelijk gemaakt.*6 Ook slot Altena werd belegerd, maar Willem van Oostervant wist voor de inname naar Frankrijk te vluchten.*7 Eind mei 1393 was hij al bij verstek ontzet uit zijn gouverneurschap over Henegouwen, een erfrechtelijk deel waarop hij reeds sinds 1389 aanspraak mocht maken.*8 Tot in 1394 bleef het land in beroering.

Niet lang na de ontzetting van zoon Willem uit zijn erfelijke rechten moet Albrecht hebben besloten om te hertrouwen, waarschijnlijk onder meer met de bedoeling de verhitte gemoederen tot bedaren te brengen en de stabiliteit in het land te herstellen. De omstandigheden rond het huwelijk ademen de geest van een nogal haastig arrangement (en van een zekere onverschilligheid van Albrechts zijde?). In vergelijking met Albrecht, die toen 58 jaar oud was, was de bruid jeugdig, namelijk 19 lentes jong. Nu kan het Albrechts bedoeling zijn geweest een vrouw te huwen die hem een zoon kon baren (zie hierna). Men mag zich echter afvragen of een huwelijk met een Kleefse bruid als partij nu de allure had die een vorst als Albrecht paste. Zeker in vergelijking met de huwelijken die Albrecht voor zijn kinderen had gearrangeerd, lijkt hij zelf beneden zijn stand te trouwen, schoonvader zijnde van groten der aarde als koning Wenceslas IV, hertog Willem van Gelre en Gulik, hertog Jan zonder Vrees van Bourgondië, hertogin Margaretha van Bourgondië, en hertog Albrecht IV van Oostenrijk. Het lijkt erop dat de Hollandse graaf zelf onder de tijdsdruk met minder genoegen nam. Met schoonvader Adolf van Kleef was zelfs overeengekomen dat Albrecht geen bruidsschat zou eisen en dat Margaretha als oudste dochter afstand zou doen van haar aanspraken op Kleef.*9 Wat ook duidt op een overhaast huwelijk, is dat het bruiloftsfeest in de Vasten moest worden gevierd. Welke vorst zou - indien mogelijk - niet trachten te vermijden om een dergelijk feest te vieren in zo'n tijd van bezinning en onthouding?

Uiteindelijk verliep de huwelijksplechtigheid ook niet geheel als gepland. Er zou halverwege Kleef en Den Haag getrouwd worden in Heusden.*10 Op 25 maart liet Albrecht echter berichten dat hij verhinderd was en niet naar Heusden kon komen. Albrecht trouwde in Den Haag en Margaretha in Heusden met de handschoen. Mogelijk `gaven' zij elkaar het jawoord, zonder elkaar ooit gezien te hebben, zelfs niet voor het altaar. De exacte datum van de huwelijksplechtigheid is niet bekend, maar zal tussen 27 en 31 maart hebben gelegen. Vervolgens arriveerde Margaretha op 3 april in Den Haag, alwaar het bruiloftsfeest gevierd en de bruid `beslapen' werd, zoals het in de rekening van de rentmeester van Noordholland wordt uitgedrukt.*11 Het mag tot slot niet onvermeld blijven dat Albrechts zoon Willem van Oostervant natuurlijk niet op het huwelijk aanwezig was: vader en zoon leefden nog immer in onmin. Tot zover de historische context in het kort.

Willems sproke 56.Van feeste van hylic wordt, zoals veel van zijn sproken, gekenmerkt door een aaneenrijging van gedachten en invallen die allen bijeen veelzijdig, genuanceerd en zakelijk het fenomeen huwelijk en de actuele situatie becommentariëren. De sproke opent met de algemene vaststelling dat in feestvreugde op z'n tijd geen kwaad schuilt, maar dat men de zonde moet zien te vermijden. Zoals hierna duidelijker zal worden, valt Willem hier op deze specifieke gelegenheid nogal met de deur in huis: hij alludeert aan de ruzieachtige sfeer die aan het hof heerst ten gevolge van de Hoekse en Kabeljauwse tegenstellingen.

Willem herinnert er vervolgens aan dat God het `feest van hoghen prise' maakte, toen hij Eva aan Adam gaf in het paradijs: God stelde met andere woorden het huwelijk als sacrament in. `Ende hadden si buten sonden ghebleven, Wy mochten sonder sterven leven. Dat God Adam den wille gaff, Daer quam ons allen sterven aff': Willem houdt zijn publiek voor dat zonder zondeval ieder het eeuwige leven op aarde zou hebben beërfd. Maar God had Adam de vrije wil geschonken om te kiezen tussen goed en kwaad. Adams (en niet Eva's!) verkeerde keuze leidde tot zondeval en sterfelijkheid. Sindsdien moet ieder voor het sterven `loon verdienen', dat wil zeggen Gods genade. Hierop werkt Willem een interessante gedachte uit: ware de mens zonder mogelijkheid tot zondigen geschapen, dan zou ons een hogere beloning of genade ten deel zijn gevallen. Maar de mens is wél geschapen met de mogelijkheid tot zondigen, omdat God hem de vrije wil schonk. Nu is de vrije wil iets moois: het is immers veel lofwaardiger om uit eigen vrije wil voor het goede en deugdzame te kiezen, dan domweg `door bedwanck', dat is onwillekeurig, dwangmatig, `van nature' niet anders te kunnen. Willem rechtvaardigt hier Gods besluit om de mens een vrije wil te schenken: het kúnnen kiezen voor de deugdzaamheid is des te lofwaardiger, omdat men er Gods genade mee kan winnen, zodat men uiteindelijk terecht kan komen `In feeste, die niet en mach vergaen', namelijk het eeuwige hemelse feest.

De aardse feesten zijn vergankelijk en daarom moet men bij het feestvieren zonden zien te vermijden, ter ere van God en tot nut van de wereld. Zij die naar een bruiloftsfeest komen moeten het hof `in sijnre waerde' laten `Sonder nijt of hoveerde';

Hoveerde, nijt ende ghierichede

Daer wort een hoff onzuver mede;

Daer by machmense mit goeden reden (daarom)

Te hove laten onghebeden. (onuitgenodigd)

Want hoghe bruloften off edel feste,

Wat soude daer nijt of tempeeste? (beroering)

Vruechde, blyscap, melody, (harmonie)

Die wil God selve datter sy.

Hier zet Willem al duidelijker de toon met betrekking tot de ruzieachtige sfeer aan het hof: de juist voor de Hoekse en Kabeljauwse twisten zo typerende hoofdzonden hoogmoed, afgunst en hebzucht*12 moeten als personificaties onuitgenodigd blijven. Een goed verstaander had in deze situatie aan een half woord genoeg: de tegenstellingen moeten, althans voor de duur van het feest, opzij gezet worden, en de ergste raddraaiers moeten ongenood blijven. Feit is dat de Hoekse samenzweerders en Albrechts zoon Willem van Oostervant inderdaad het feest niet hebben bijgewoond.

Dan gaat Willem in op het huwelijk als instituut. Hij herhaalt dat het door God is ingesteld en dat trouw de hoeksteen van het huwelijk is. Over de eed van trouw zegt hij in sententievorm: `Thouden dat is al die zake, Die lofte gheschiet in corter sprake'. Oftewel: de gelofte van trouw is gemakkelijk afgelegd, maar het zich eraan houden is de kunst. Mogelijk was dit op dat moment vooral gericht aan het adres van Albrecht, van wie bekend is dat hij de liefde metterdaad buiten het huwelijk heeft gezocht: hij heeft er naast twee echtgenotes talloze minnaressen op nagehouden, en heeft bij hen minstens zeven bastaards verwekt.*13 En de Hoekse en Kabeljauwse twisten waren opgelaaid met de moord op één van zijn minnaressen. Het huwelijk moest kennelijk de gemoederen tot bedaren brengen. De sprookspreker komt vervolgens met een metafoor waarin hij het H.Sacrament van het huwelijk vergelijkt met het enten van twee bomen: twee bomen worden één. Hierop doorgaand legt hij de symbolische functie uit van een van de rituelen uit de huwelijksdienst: als man en vrouw elkaar de rechterhand geven*14, brengt de priester de verbintenis tot stand `Mitten stoel'. Hij wikkelt de stola om de handen van man en vrouw:

Dat bediet eendrachtichede,

Dat sy altoes op ene stede

Mit gonsten sellen bliven vast, (genegenheid)

Ende elck sel anderen sinen last

Helpen draghen totter doot,

Entat om weelde noch om noot (gebrek)

Nymmermeer te staen ave, (te staken)

Voer dat sy comen totten grave.

In deze aanmaning elkander in voor- en tegenspoed, tot in de dood, bij te staan, herkent men gemakkelijk nog het kerkelijke huwelijksformulier. Hierop benadrukt Willem dat het huwelijk `een salicheit' is, in de zin van een sacraal verbond, een sacrament. Men moet er wat van zien te maken, meent hij.

Dan komt Willem bij het eerste grote voordeel dat het huwelijk heeft voor `Hoghe heren ende edel vrouwen'. Door een huwelijk verbinden twee adellijke families en twee landen zich met elkaar en onstaat er een nieuw bondgenootschap. `Hoer vyande worder mede versaecht', dat wil zeggen: een nieuw bondgenootschap vormt een machtsblok tegen vijandelijke mogendheden, die vrees wordt aangejaagd.*15 Immers, zo sluit Willem dit stukje met een sententie af: `Groet ontsich [=vrees] van felre wrake Dat doet verhoeden menighe zake.' Maar Willem heeft niet alleen oog voor buitenlandse zaken. Een bondgenootschap vergroot ook de binnenlandse macht van de vorst, en dat is vaak wel nodig.

Een wel ghesinnet machtich here (verstandig)

Hout veel lants in groter ere, (moet houden)

Daer twee ghelike te gader kiven, (gelijke partijen)

Die willen beyde an tscoenste bliven: (het beste deel)

Daer by ist onghelike guet,

Wanttet wel verdraghen doet.

De toespeling op de Hoekse en Kabeljauwse twisten is ditmaal onmiskenbaar: niets raakt meer de kern van de twisten dan de voorstelling van twee twistende partijen die beide om de riantste baantjes vechten.*16 De sententie in de laatste twee verzen drukt het volgende uit: het is terecht dat er ongelijkheid heerst, dus dat de vorst in macht boven de twee partijen uitsteekt, zodat hij de partijtwisten in de hand kan houden. Of in de woorden van Van Oostrom: een machtig heer boezemt ontzag in, hetgeen de onderdanen ervan weerhoudt om overdreven aspiraties te gaan koesteren; het goede van ongelijkheid is, dat het gehoorzaam maakt.*17

Willem bereidt vervolgens de tweede belangrijke factor bij het adellijke huwelijk voor en maakt tevens een toespeling die door eenieder aan het Haagse hof direct begrepen moet zijn:

Als sonder gheboorte die heren sterven, (opvolger)

Hoer lant comter bi in node;

Die menighe lyen mitten brode (kiezen partij voor de heer met het geld)

Die wijl den heer sijn leven duert,

Dat zwairlijck na sijn lant besuyrt.

Want als een heer partyen heelt, (onder zich heeft)

Oeck hoe ghelike dat hi deelt, (zijn gunsten verdeelt)

Si moeten beyde sijn bedwonghen; (in bedwang gehouden)

Want wort een heer te tijt ondronghen (weggeroepen)

Sonder gheboorten, soe staet in vresen,

Sy en sellent onghelike tesen (naar willekeur plunderen)

Ende zwairlic in partyen scheiden.

Dit kan voor de welingelichte Hollandse hofkringen naar niets anders terugverwijzen dan de dynastieke problemen in 1345, toen graaf Willem IV kinderloos stierf en de Hoekse en Kabeljauwse twisten voor het eerst oplaaiden. Er was in 1345 geen zoon of dochter die Willem IV kon opvolgen. Het eerst in aanmerking kwam zijn zuster Margaretha van Avesnes, die gehuwd was met Roomskoning Lodewijk de Beier. Zij nam inderdaad de regeringsverantwoordelijkheid voor Holland, Zeeland en Henegouwen op zich, waarmee de graafschappen overgingen van het huis van Avesnes naar het Wittelsbacher-Beierse huis. Het ging Holland op dat moment niet voor de wind en haar zoontje Willem V werd naar voren geschoven als de nieuwe graaf. Aanvankelijk ging Margaretha daarmee akkoord, doch in 1350 hernam ze haar rechten omdat de economische recessie doorzette. Hierop zocht Willem V steun bij de `oppositionele' edelen en steden, de Kabeljauwen, die al snel op voet van oorlog verkeerden met Margaretha en haar Hoekse aanhang van `gezeten' adel (o.a. in de raad). In 1351 won Willem V een beslissende zeeslag bij Zwartewaal en vielen in 1352 de laatste Hoekse burchten. Met de vrede tussen Willem V (Albrechts broer) en Margaretha (Albrechts moeder) in 1354 was er een einde gekomen aan de eerste fase van de twisten.*18 De dichter waarschuwt hier voor een herhaling: zonder erfopvolger zullen dynastieke problemen weer kunnen leiden tot ernstige ongeregeldheden.

Hoe kon Hildegaersberch de graaf nu voorhouden om voor een erfopvolger te zorgen, als hij uit zijn eerste huwelijk al een troonpretendent had? Er zij hier aan herinnerd dat Willem van Oostervant op dat moment in ballingschap in Frankrijk verkeerde en uit zijn erfelijke rechten was ontzet. Albrechts dochters kwamen niet in aanmerking voor opvolging en waren bovendien reeds getrouwd met andere vorsten. Zoon Albrecht junior was inmiddels hertog van Straubing geworden. En Albrechts derde zoon Jan was sinds 1389 elect van Luik.*19 Nu behoeven deze feiten niet noodzakelijk een erfopvolging in de weg te staan, het lijkt er niettemin op dat het (mede) in Albrechts bedoeling lag via dit tweede - overhaaste - huwelijk met de jonge Margaretha van Kleef een nieuwe erfopvolger te verwekken. Dit is er uiteindelijk nooit van gekomen: het huwelijk bleef kinderloos en in de loop van datzelfde jaar 1394 nog verzoende Albrecht zich met zoon Willem.

Hildegaersberch haalt vervolgens Aristoteles als autoriteit aan: Aristoteles was weliswaar een heiden, hij toonde wel aan dat er een Heer (een Schepper) moet zijn die alles heeft `ghefundeert' en dat er - naar analogie - in elk land ook een vorst diende te zijn, die over het land regeert. Terloops toont Willem zich hier bekend met de middeleeuwse visie op Aristoteles als proto-Christen. De spreker zegt het vervolgens ronduit: `Hier om sullen hoghe heren Te hilic meest hem selven keren, Want als sy kinder afterlaten, Tcomt den lande te meerre baten Dan off die mate kinder winnen'. De tweede belangrijke functie van het adellijke huwelijk is, naast het vormen van machtsblokken, het verwekken van kinderen, in het bijzonder van een erfopvolger. Het is belangrijker dat de vorst zich vermenigvuldigt, dan dat het gewone volk zich voortplant (of doelt Willem met `mate' op de partijgangers?).

De spreker heeft wat kinderen betreft nog een spreukachtige wijsheid met het publiek te delen: `Doch sel elck die sine minnen, Dat doet, het is ghemeen accoert', dat wil zeggen: het is een algemene natuurwet dat ieder van zijn eigen kinderen houdt. En er volgt nog een compacte wijsheid, die hij vaker naar voren brengt als hij het over het huwelijk heeft: `By hylic quam die werlt voert, By hilic machse staende bliven, Doet ons God sijn hulp beclyven'. De kerngedachte is dat het huwelijk de maatschappij in stand houdt.*20

Wie een gedegen huwelijk wenst, zegt Willem, die moet bijtijds te rade gaan en een goede partner kiezen. Dat gebeurt niet altijd. Men moet de partner enigszins in de nabijheid kiezen - Kleef! - en niet te ver weg, want verre vrienden (begrijp: bondgenoten) kunnen wel eens te laat te hulp schieten als het land te lijden krijgt onder vijandelijke aanvallen. Maar men kan, zoals de sententie uitwijst, anderzijds beter hebben `Verre vrienden in goeden staden, Dan naerre by ende omberaden'. Men kan beter verre hulpvaardige vrienden hebben, dan besluiteloze vrienden nabij. Verre vrienden had Albrecht immers ook, gezien de dynastieke banden die hij had weten aan te knopen met de huizen van Bohemen, Bourgondië en Oostenrijk. Het kan met een huwelijk nog wel eens anders uitvallen dan men denkt, stelt Willem. En hij meent: `By hilic wordt die mate rijck Entie rijcke maet van goede'. Waarschijnlijk moet dit aansluiten bij het voorafgaande. Mogelijk wordt erop gedoeld dat een goed gearrangeerd huwelijk alleen maar voordeel oplevert, maar dat er bij een slecht arrangement verliezen geleden kunnen worden. De arme kan er bij winnen, zo goed als de rijke bij een huwelijk kan inschieten. Wellicht zinspeelt Willem erop dat Albrecht noch in financieel noch in territoriaal opzicht van de verbintenis zou kunnen profiteren - maar was een dergelijke suggestie nog wel gepast?

Nuchter typeert Willem het (ook dit) huwelijk als een koop:

Te hilic hoort wel grote hoede;

Al is die coop al thants ghedaen,

Die dach die moet al langher staen, (duren)

Ende wye misraect op sinen dach, (ongelukkig wordt)

Ic waent hem langhe dencken mach. (heugen)

Achter deze constateringen zou men meer kunnen vermoeden, al is dat misschien niet de intentie van de dichter geweest. Bij het aangaan van een huwelijk moet men voorzichtig zijn: bedoelt Willem dat men geen overhaaste keuze moet maken, zoals Albrecht, naar het zich laat aanzien, deed? Of doelt de spreker eerder op de keuze van een goede partner, in de zin van bijvoorbeeld gezond van lijf en leden, maagdelijk, zonder erfelijke ziekten of onvruchtbaarheid in de familie? Het is niet zeker. Wel zeker is dat de huwelijksplechtigheid op het moment van de voordracht reeds achter de rug was: de koop was gesloten. Maar de dag moet nog langer duren! Men kan dit overdrachtelijk begrijpen: het huwelijk moet nog de nodige jaren mee. Maar men kan het ook letterlijk en dus dubbelzinnig nemen: de werkelijke huwelijksvoltrekking vindt plaats in de echtelijke sponde.*21 De dag duurt langer en de graaf moet zijn bruid nog beslapen: wie ongelukkig wordt op zijn huwelijksdag, of beter -nacht, die zal dat nog lang heugen.

Willem begint in de afsluiting zijn poëticale opvattingen uiteen te zetten. Hij opent met een brevitasformule: `Van hilic mochtmen dichten vele: Soud ic tende vanden spele Dichten, tworde ons te lanc'. In het licht van het voorafgaande zou men `spele' nog dubbelzinnig kunnen opvatten. Natuurlijk kan Willem bedoelen dat hij niet te lang over het feest of het onderwerp moet doordichten (wat op zich al dubbelzinnig bedoeld kan zijn), hij kan met `spele' echter ook op het minnespel of de coïtus doelen. In dit geval eindigt deze erg serieuze rede toch nog met een enkele kwinkslag. Maar dan breekt Willem zijn dubbelzinnige toespelingen af voordat het al te scabreus wordt, om bij zijn poëtica terecht te komen. Een spreker moet het kort houden, want anders wordt het een `arbeit sonder danck', een werk dat men hem niet in dank zal afnemen, ofwel een werk zonder passende beloning. Even later spreekt Willem zijn publiek aan: `Ghi heren, peynst om Goods ghebot, Ende laet u niet verlanghen zeer, Als ghi wat hoert van goeder leer'. De adellijke heren mogen niet te snel een verveelde houding aannemen als hen leerzame woorden worden toegevoegd. Wellicht spreekt de dichter hier uit ervaring. Men kan zich in elk geval voorstellen dat Willem met een dergelijke ernstige sproke de feeststemming enigszins kwam bederven. Vandaar dat Willem zijn credo van de kortheid nog maar eens herhaalt: een beknopt en leerzaam woord, daaruit komt dikwijls wijsheid voort.

De spreker vervolgt:

Doch hoert tot allen dinghen maet.

Een dichter, die hem wel verstaet (vakkundig is)

Ende overdenct wat hem mach deren,

Dien dicht niet al sijns selfs begheren,

Want goet ghedicht ende niet te langhe,

Een schoen vertreck van nyewen sanghe, (vertoog)

Dat heeftmen gaern ter heren hove.

Een vakkundig dichter dicht niet alleen wat hij zelf wil, maar houdt ook rekening met zijn publiek. Dit is een nogal curieuze uitspraak voor een dichter die niet bepaald met een feestrede aan komt zetten, maar met een serieuze sproke - waarin het niet ontbreekt aan allusies op de troebelen in het land en Albrechts privéleven. Toch tekent deze uitspraak, meer dan men zou vermoeden, de retorische gave van de spreker: hij weet zijn publiek nota bene voor te spiegelen dat hij is gekomen met de sproke waarop allen hadden zitten wachten.

Vs.168-171 zijn hiervóór al besproken. Willem heeft er in de herschreven versie zorg voor gedragen dat de recitator zou vermelden dat Hildegaersberch de dichter (en repetitor?) van de sproke was. Voor een sprookspreker was het van belang dat hij reclame voor zichzelf maakte, zeker in het geval dat een ander zijn gedicht voordroeg. Het is niet geheel duidelijk wàt de voordrager van Willem heeft geleerd: de hele sproke uit zijn hoofd reciteren, of de wijze spreuk die volgt, namelijk `wye is verheert, Dat hi sijn striden laten moet'. Ook de betekenis van de spreuk is niet geheel duidelijk. Waarschijnlijk grijpen deze woorden terug naar de hiervóór gesignaleerde partijtegenstellingen en bedoelt Willem: wie aan een (lands)heer onderhorig is, moet afzien van twist. In de slotverzen staat: `Smeken, lyden is die boet, Daermen wreden mede verwint: Hi is wijs diet wel voersint'. Kennelijk was dit aan het adres van de landsheer gericht: met gunstig stemmen en geduld oefenen overwint men de twistenden.

De structuur van de sproke is redelijk doorzichtig. Het gedicht opent met een woord over feestvreugde en het vermijden van twist, en plaatst daarop het huwelijk(sfeest) direct in Goddelijk perspectief: het huwelijk als een door God ingesteld sacrament. Daarna onderscheidt men ruwweg de volgende informatie-eenheden: Het huwelijk vereist eenheid en trouw. De aristocratische huwelijksband zorgt voor een bondgenootschap, alsmede voor de noodzakelijke erfopvolger en zodoende voor politieke stabiliteit. Dat is kort gezegd waar het om draait in dit gedicht.

Deze sproke 56.Van feeste van hylic is bepaald van een ander karakter dan het epithalamium van Jan van Machelen. Laatstgenoemd gedicht functioneerde als een `poëtische rapportage achteraf' ter herinnering aan het Bourgondische dubbelhuwelijk, en ter meerdere eer en glorie van de aanwezigen. Willems sproke heeft op het huwelijksfeest zelf gefunctioneerd en is ook heel anders van toon. Willem schuwt ieder romantisch idealisme, waaraan Jan zich in de beschrijving van de luister van het bruiloftsmaal en de grandeur van het toernooi niet weet te onttrekken. Willem is ernstig, zelfs enigszins somber en - tussen de regels door - kritisch, en het pleit wellicht voor het kaliber van de spreker dat hij zich dit op een bruiloftsfeest kon permiteren.

Willems zakelijkheid met betrekking tot dit middeleeuwse huwelijk staat welbeschouwd te prijzen. Hij rept met geen woord over liefde, laat staan over hoofse liefde. Dat zou immers maar versluierend hebben gewerkt. Willem schetst hier de nuchtere middeleeuwse aristocratische huwelijkspraktijk, hij beschrijft de realiteit van het verstandshuwelijk, het huwelijk uit berekening, dat lijnrecht tegenover allerlei hoofse liefdesidealen stond. Het aristocratische huwelijk was eenmariage de raison, zelden of nooit een mariage d'amour. Een functie van zo'n huwelijk was families en landen met elkaar te verbinden en op deze wijze machtsblokken te vormen. Een andere functie van het huwelijk was om kinderen te verwekken en te zorgen voor een erfopvolger. En tenslotte kon een huwelijk ook gesloten worden uit financiële overwegingen. Als het meezat, dan leerden de echtelieden elkaar in de loop van het huwelijk respecteren en waarderen en mogelijk zelfs liefhebben.*22 Maar voor de liefde moest men in de regel elders zijn; de liefde zocht men bij een minnaar of een minnares. De hoofse hofetiquette voorzag - oogluikend of openlijk - in deze mogelijkheid, mits geheimgehouden. En dit was wat met name de hoofse lyriek, maar ook een aantal hoofse romans, cultiveerde: het hoofse `overspel', van kus tot copulatie. Het compromis dat een aantal clerk-auteurs, gezien hun religieuze achtergrond, aandroeg, namelijk het mariage d'amour, heeft in de hoofse romans wel gebloeid, maar in de realiteit nauwelijks.*23 De realiteit van het aristocratische huwelijk is die welke Willem schetst.

Ter afsluiting van deze paragraaf zij nog het volgende opgemerkt: dat 56.Van feeste van hylic in het boek voor graaf Willem VI is opgenomen, pleit ervoor dat er bij de samenstelling van handschrift W - zo er al sprake is geweest van een actieve `samenstelling' - niet al te rigoureus is geselecteerd, aangezien juist dit gedicht bij de graaf minder aangename herinneringen kan hebben opgeroepen.