8.4. Adellijk, geestelijk en burgerlijk publiek

Deze paragraaf, waar ingegaan wordt op het `andere' publiek, dus afgezien van het Hollandse hofpubliek, dient niet als een rest-paragraaf waarin het `overige, minder belangrijke publiek' aan de orde komt. Al valt de centrumfunctie van het Haagse hof niet te ontkennen, en zal Willems faam aan dit hof hem een passe-partout hebben verschaft in de hogere kringen in Holland en omstreken, hij zal het publiek buiten de directe hofkring minstens zo belangrijk hebben gevonden. Over het gehele jaar genomen zal Willem langer buiten dan binnen het Hollandse gravenhof verkeerd hebben. Buiten de perioden van de Vasten, Pasen, Pinksteren, Kerst en nieuwjaar zal men hem aan andere adellijke hoven, in het klooster en de stad hebben moeten zoeken. Een beroepsspreker kon immers niet rondkomen van één à twee bezoldigde optredens per jaar voor de graaf. Hoe groter de publiekskring, des te groter de inkomsten en de kans dat zijn stichtende en vermanende woorden ergens zouden beklijven. In het navolgende zal overigens blijken dat een deel van Willems getraceerde publiek op de een of andere wijze gelieerd was met de Hollandse graaf.

Onder de edelen die Willem bezocht, zullen zich bijvoorbeeld familieleden van de graaf, zijn raadsheren en de edelen met heerlijke rechten hebben bevonden, al valt dit niet aan de hand van rekeningenmateriaal te staven. Op één uitzondering na: driemaal trad de spreker op voor hertog Willem I van Gelre en Gulik (1371-1402). Deze Willem I was een schoonzoon van Albrecht van Beieren, aangezien hij in 1379 getrouwd was met Catharina, de oudste dochter van de graaf. Geen van de optredens vond plaats op een hoogtijdag. In 1388 trad de sprookspreker in Leiden op voor de hertog en zijn raadsheren. In 1389 had het optreden eveneens plaats in Leiden: mogelijk alleen voor de hertog, maar waarschijnlijk nogmaals in aanwezigheid van zijn raad. Pas in 1392 lijkt Hildegaersberch in Gelre voor het hof te hebben gesproken, dat vanuit literair oogpunt beschouwd kan worden als een wat zwakke afspiegeling van het Hollandse hof.*1 De samenstelling van het Gelderse publiek zal niet noemenswaard hebben afgeweken van het Hollandse: de hertog en zijn familie, de raadsheren en hoge edelen, de hofclerus, het hofpersoneel en eventuele gasten. Sommigen kennen dan ondertussen `meister Willem den spreker ut Hollant'. Hij moet het er wat betreft beloning afleggen tegen de (plaatselijke?) collega Willem Guldentonge, blijkens zijn naam kennelijk een begenadigd spreker, zij het geen meester. Willem Guldentonge ontving drie gulden, meester Willem ontving er twee. Het is in geen van de gevallen duidelijk welke sproke(n) Willem voor de Gelderse adel kan hebben voorgedragen. Men kan slechts speculeren en in het licht van de partijstrijd tussen de Hekerens en de Bronkhorsten denken aan een sproke over twist: 52.Een exempel van partyen wellicht, die niet noodzakelijk (alleen) op de Hoekse en Kabeljauwse twisten hoeft te worden betrokken. Improviserende aanpassing van de tekst is bovendien denkbaar. Men zou ook kunnen denken aan een sproke als 120.Dat elc sinen meeren ontsiet in verband met de oorlog die Willem van Gelre en Gulik - een onstuimig ridder - vanaf 1386 voerde tegen Brabant, maar moest staken toen in 1388 het Franse leger zijn gebied binnentrok.*2 Maar in feite kunnen ook bijvoorbeeld de talloze religieuze gedichten voor voordracht in aanmerking zijn gekomen.

Tenminste eenmaal trad Willem op voor de Benedictijnen van het klooster Egmond, zonder dat bekend is met welke sproke. Misschien dat 70.Van ses articulen der werlt, waarin `heren' en vooral `papen', `priesters' en `clercken mitten crunen' worden aangesproken, bij uitstek geschikt was voor voordracht in het klooster. Temeer daar Willem op nogal wat Bijbelse stof zinspeelt, alsmede op de Babylonische ballingschap der pausen en het Westers Schisma. Men is niet ten onrechte geneigd de Egmondse Benedictijnen te beschouwen als een geestelijk publiek, maar men heeft tegelijkertijd te maken met een adellijk publiek; zoals Rijnsburg de abdij was voor adellijke dames, zo was Egmond dat voor de heren. De banden tussen het klooster Egmond en het Hollandse hof zijn onmiskenbaar. Sinds de stichting was de abdij een zogenaamd eigenklooster, dus privébezit van de graven van Holland. Na het concordaat van Worms in 1122 kon een klooster eigenlijk niet meer in het bezit zijn van leken. Om nu te voorkomen dat het klooster onder de jurisdictie zou komen te staan van de vijandige Utrechtse bisschop, hebben de regentes, gravin Petronilla van Lotharingen en haar zoon Dirk VI het klooster in 1140 direct onder de paus van Rome gesteld. Het gevolg was dat de feitelijke voogdij over het klooster voor het Hollandse gravenhuis behouden bleef.*3 Een soortgelijk verhaal kan verteld worden met betrekking tot het Benedictijnse vrouwenklooster te Rijnsburg, het eigenklooster dat kort na het Concordaat, in 1133, door Petronilla werd gesticht, en dat tussen 1133 en 1299 dienst deed als begraafplaats voor de graven en gravinnen van het Hollandse huis.*4 Zoals hiervóór reeds is besproken, is4.Van den X gheboeden geschreven in opdracht van de abdis van Rijnsburg, maar niet bedoeld om te functioneren in een geestelijk, doch eerder in een wereldlijk milieu.

Tot het geestelijke (én stedelijke) publiek kunnen de commandeur van de Duitse Orde, Dirc van den Rijn, en de andere bewoners van de Leidse Commanderij gerekend worden, alsmede de gasten die bij één van Willems optredens aanwezig waren, onder wie men de Utrechtse Landscommandeur mag vermoeden. Blijkens 83.Hoemen voer die eere gaet schulen was de Landscommandeur een liefhebber van literatuur: Willem ontving een goede beloning. Bij een volgend bezoek zou Dirc voor sprekerskunst geen geld blijken over te hebben: in tegenstelling tot zijn superieur achtte hij het niet zijn morele plicht de kunst te ondersteunen, waarmee hij in feite toonde niet tot de kunstminnende elite te behoren. Ook ditmaal bestaat er een connectie met het Hollandse hof: de commandeur was dé aangewezen persoon, gezien de ligging van de commanderij, om de belangen van de Utrechtse Landscommandeur aan het grafelijke hof te behartigen. Bovendien waren de Leidse commandeurs de bedienaars in de Pieterskerk, waarvan de Hollandse graaf de patroon was. En meerdere malen moest de graaf conflicten tussen de commandeurs en de Leidse bevolking beslechten inzake wanbestuur en de weigering om vicarissen aan te stellen buiten de Duitse Orde om.*5 Welke sproken Willem zal hebben voorgedragen in het huis van de Duitse Orde lijkt niet te achterhalen.

Willem moet regelmatig in de hogere stedelijke kringen hebben gesproken; het is immers niet goed denkbaar dat iemand de sprooksprekerskunst als broodwinning kan beoefenen zonder naast adel en geestelijkheid (ook) op het patriciaat te kunnen terugvallen. Temeer daar Willems actieradius niet bijzonder groot lijkt te zijn geweest.*6 De registratie van een optreden in de stedelijke rekeningen van Middelburg en Utrecht toont aan dat Willem onder meer voor de stedelijke overheden sprak - bij een feestelijke gelegenheid, of bijvoorbeeld na afloop van een raadsvergadering. Maar het is even goed aannemelijk dat de spreker ook de notabelen thuis op zocht om een voordracht te houden, al zullen hier geen rekeningen van zijn bijgehouden.

Willems optreden te Utrecht in 1402, met twee gulden beloond `bi beuelinghe onzer ouerste', viel in een periode van zeer drukke onderhandelingen tussen Holland en Utrecht.*7 Het is mogelijk dat Willem in het gevolg van Hollandse onderhandelaars naar Utrecht is meegekomen, maar noodzakelijk is dit niet. Wederom tasten we over de inhoud van de sproke volkomen in het duister.

In de Middelburgse rekening over het jaar 1399-1400 staat Willem geboekt voor een beloning van een gulden op de Heilige Sacramentsdag. Hij komt er als dichter voor in de afdeling van de kosten voor de jaarlijkse sacramentsprocessie. Ook deze specifieke informatie levert geen aanwijzing op voor een mogelijk voorgedragen sproke. Het zal minder voor de hand liggen dat Willem in Middelburg de sproke over het `concurrerende' Amsterdamse sacramentsmirakel heeft voorgedragen (84.Vanden sacramente van Aemsterdam). De sacramentsprocessie trok altijd entertainers en ander volk aan. Voor 1366-1367 citeert Kesterloo uit de rekeningen:

Den menistreylen, die voren tsacrament ghenghen

In den eersten Roelof Stevyns ende Jan Zybaerd van Utrecht, meesters vander vedelen, elcken ghegheven 3 s.grote. Item meester Jan mitter santeken*8 ende ander van Zericzee mitter ghytaernen, elken gegheven 26 gr. Item Pieter den backere quistenaere van der ghytaernen ende Pier die bombelare van der rebecken elken gegheven 26 gr. Item Gheerkijn van Duitsche, quistenaere van zegghene, gegheven 20 gr. Item Brammekijn ende Lamekijn, pipers mitter scalmeijen, elken gegheven 20 gr. Item Joes Poppijn, trompere, Pier die scrivere, ende Arnekijn, pipers, gegheven 5 s.gr. Item Gheerkijn van Leyden ende Heynkijn van Breda, quistenaers van der ghytaernen, elken ghegheven 18 gr. Item Hannekijn ende Pouwels, der stede trompers, ghegheven elken 16 gr. Item Gillis den piper ghegheven 12 gr. Item Han Meeuwen ghegheven 14 gr. Item Joes Carbonkel 10 gr. Item Hannekijn van Ghenen, pipere, gegheven 10 gr. Item den vischdraghers om Gode gegheven tot hare carcen 8 gr. Item Lysbert van Haemsterdamme ende Margriethe van Berghen nuwelstrien elken gegheven 8 gr. Item Lein Gilliszone ende Lein Salmonszone, pipers, ghegheven elken 6 gr. Item Gheyle, die nuwelstrien ende Pauwels tromperswijf elken ghegheven 5 gr. Item Han Willemszone, Han Pierszone, Marcus Mertijnszone, Baudin, die clinkere, Wout Heynen, Claes den craygiere ende hangheman elke van hen zevenen ghegheven 4 gr.*9

Mogelijk liep Willem jaren later ook in de processie mee, maar hij zal pas na afloop, voor de raad gesproken hebben. Men mag aannemen dat Hildegaersberch geen onbekende was voor de stadsraad, aangezien de Zeeuwse raad in nauwe betrekking stond tot het Haagse hof. Sommigen zullen hem van het hof gekend hebben, anderen wellicht uit 1390 toen Willem de graaf in Middelburg opzocht.

In het letterkundige leven mag het stedelijke elitepubliek van dat moment wel tot de `culturele nieuwkomers' gerekend worden.*10 Stadsrekeningen bezaten bijvoorbeeld nog geen afzonderlijke rubrieken voor entertainment. Het stedelijke cultuurleven begon zich wel breder te ontplooien: in diverse steden waren het toneelleven en vooral de muziekcultuur behoorlijk ontwikkeld.*11 De aandacht voor literatuur, waaronder sprooksprekerskunst, was nog groeiende. Peters meent: `Während Musiker seit dem 14. Jahrhundert in den Städten als Bedienstete des Rats fest verankert sind, genau fixierte Aufgaben haben und im Rahmen von Musikervereinigungen sogenannte `Schulen' abhalten, ist die Bindung der literarischen Vortragskünstler an die Städte unklar'. Men treft dan ook vrijwel geen stadssprekers, dus in dienst van de stad, aan in de rekeningen. In de Hollandse rekeningen staan slechts een stadsspreker van Gent (1395) en een spreker van de wacht van Frankfurt (1387) geregistreerd.*12 Peters vervolgt: `Autoren und Rezitatoren halten sich in der Umgebung von geistlichen und weltlichen Fürsten auf, wohnen aber auch in Städten; sie suchen regelmäßig ihr Publikum am Hof des hier oder in der Nähe residierenden Fürsten, werden aber auch im Auftrag des Stadtrats entlohnt, der bei bestimmten Gelegenheiten für einen angemessenen Empfang des Fürsten zu sorgen hat. Für ihre Tätigkeit scheinen die Präsenz und das Unterhaltungsbedürfnis des Fürsten - auch im Rahmen städtischer Aktivitäten - bestimmend gewesen zu sein. Eine spezifisch städtische Variante des Sprecherauftritts ist jedenfalls in den Rechnungen nicht dokumentiert'.*13

Inderdaad lijkt hier veel waarheid in te schuilen, maar het is niet uitgesloten dat de overgeleverde rekeningen een enigszins vertekend beeld verschaffen. Het is zeker waar dat de band tussen sprekers en steden (nog) veel minder sterk is dan tussen musici en steden. Pas de rederijkerskamers zullen hierin later verandering brengen. Toch zullen sprekers veel vaker, ook los van vorstelijke maecenassen, in de stad zijn opgetreden; niet alleen voor de stadsraad, maar ook in de huizen van de adellijke, geestelijke en burgerlijke elite, en voor gilden, geestelijke broederschappen en andere stedelijke organisaties. Weliswaar zal niet iedereen in de stad rijp zijn geweest voor de literaire kunst van de sprekers: in het geval van Willem was de Utrechtse Landscommandeur er wel rijp voor, maar Dirc van den Rijn niet. Wat garandeert ons voorts dat het optreden van Willem in Middelburg ter gelegenheid van de sacramentsprocessie géén specifiek stedelijke variant van het sprekersoptreden was? Niets wijst er bijvoorbeeld op dat graaf Albrecht bij deze processie aanwezig was.*14 Hildegaersberch kan heel goed een op de stad en het sacrament toegesneden sproke hebben voorgedragen, die ons helaas niet is overgeleverd. Iets dergelijks kan opgemerkt worden voor Willems optreden in Utrecht: er bestaan geen aanwijzingen voor dat hij er sprak in aanwezigheid van de Hollandse graaf.*15 Het valt te verwachten dat in de loop van de 14e eeuw een toenemend deel van de stedelingen - voorzover niet met het hof gelieerd of zelf maecenas - voor het eerst via de sproken der voordrachtskunstenaars uitgebreider kennis kon maken met literatuur die ook aan het hof functioneerde. Mogelijk voorzagen de rondreizende sprooksprekers, die zelf vaak ook in de stad waren geboren, voor langere tijd in een stedelijke behoefte aan literatuur, los van elke vorstelijke bemoeienis.*16

Zelfs als men nu alle betalingen voor optredens uit de Hollandse grafelijkheidsrekeningen, de Gelderse rekeningen, de Egmondse, de Utrechtse en de Middelburgse rekeningen, samen met het veronderstelde optreden voor de Leidse commandeur, tenminste één geestelijke broederschap en één schutterij (zie hierna), en eventuele betalingen voortvloeiend uit banden met de Rijnsburgse abdij en het Leidse stadsbestuur (zie hierna) bij elkaar optelt, komt men nog bij lange na niet aan een acceptabel inkomen voor een sprookspreker met een literaire loopbaan van ruim 25 jaar. Zelfs als men er van uitgaat dat Willem per optreden een gemiddeld weekloon beurde, zal hij - strikt theoretisch gesproken - zo'n 1300 maal hebben moeten optreden. Hij moet kortom veel vaker hebben gesproken dan ooit nog met rekeningenmateriaal valt te staven. Optredens voor de adel en geestelijkheid in Holland en omstreken liggen voor de hand, maar ook bij de hoogwaardigheidsbekleders der drie stedelijke standen moet hij regelmatig zijn opwachting hebben gemaakt. Het lijkt erop dat het Middelburgse en het Utrechtse optreden slechts het topje van de ijsberg vormen.

Uiteraard zijn buiten-literaire inkomsten niet ondenkbaar, maar hierover valt in Willems geval niets met zekerheid te zeggen - al kunnen we hier natuurlijk ook door de rekeningen misleid worden. Waar rekeningen soms melding van maken is dat sprekers brieven overhandigen en daar extra voor beloond worden.*17 Een dergelijke bezigheid was natuurlijk goed te combineren met de spreekpraktijk. Een unieke (?) bijverdienste treft men in de Bloise rekeningen aan met betrekking tot de sprookspreker Augustijnken. In de rekening over 1362-1363 staat: `Item betaelt Lubbrecht van eenen paer laersen ende een paer sporen, die hi Augustiinken cofte, mijns heren zomer [=lastpaard] van ziinre camere mede te ryden, 2 sc. 4 d.gr. 18 miten.'. Even verder staat er: `Item Augustiinkin voers., die der camerlinge paerde halp bewaren, tenen paer cousen 1 elle wits lakens, coste 10 s.'. Nog wat verder in de rekening vernemen we van een beloning voor `Augustiinken' omdat hij `een paert reet van miins heren camere van Tricht in Pruyssen, ende van daer weder mit minen here quam te Tricht voers., daer hi bleef doe miin here te Henegouwen waert reet'. Tot slot staat in de rekening over 1366-1367: `Item des donredaghes 15 daghe in Julio Augustineken tUtrecht ghegheven voer 2 niwe zadel tot sinen 2 paerden, die hem ghegeven waren, 6 mott.'.*18 Alhoewel Augustijnken in de tussentijd ook als spreker optrad, hebben deze posten niets met optredens te maken. Kennelijk had de spreker bij graaf Jan van Blois een bijbaantje als verzorger en overbrenger van paarden, waarvoor hij werd beloond. Tevens impliceren de posten kost en inwoning voor langere perioden. Neveninkomsten zijn dus niet uit te sluiten.

Alles duidt er op dat Hildegaersberch een pure beroepsspreker was. Optredens voor hoge adel en geestelijkheid zijn evident: de rekeningen bewijzen het en de aanspreekvormen en inhoud van de sproken sluiten er nauw bij aan. Men moet zelfs rekening houden met de mogelijkheid dat de ons overgeleverde sprokenverzameling een hofgerichte selectie vormt; bepaalde, evident op de stedelijke toplaag gerichte sproken kunnen verloren zijn gegaan. Immers, veel minder sproken appelleren direct aan een eminent burgerpubliek. Maar dat hoeft ook niet altijd. Willems oeuvre bevat gedichten die, met of zonder aanpassingen, voor elk (aanzienlijk) publiek geschikt waren. Een sproke als 83.Hoemen voer die eere gaet schulen over maecenaat en de Leidse commandeur Dirc van den Rijn kan (naast aan het hof) ook bij een Leids patriciërsmilieu in goede aarde zijn gevallen. Zoals bekend boterde het niet bijzonder tussen de Leidse parochianen en de (inhalige) beheerders van de Pieterskerk.*19 De sproke 74.Van Sinte Gheertruden min was volgens de spreker bestemd voor adellijke heren en knapen, voor papen, clerken en `ander luden' (zie vs.15-17). De andere lieden vallen blijkbaar niet onder de eerste twee categorieën van adel en geestelijkheid: de burgerij mocht eveneens van Willems heiligenlegende genieten. Willems boerden 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert en 85.Vanden monick zullen het zowel in het hofmilieu als in het stedelijke milieu goed gedaan hebben. Ook sproken als de standensatire19.Van mer, het Mariagebed 45.Een notabel, 67.Een notabel, 79.Vanden zekeren hope, 108.Hoe die joecht overgaet en 110.Hoemen houden sel vrienscap kunnen voor allerlei publieksgroepen gesproken zijn.

Aan een aantal sproken kan zelfs meer direct Willems bemoeienis met de stad gedemonstreerd worden. De sproke over het besturen van steden moge dan misschien bestemd zijn geweest om aan het hof, ten overstaan van de verzamelde stadsbestuurders, te worden voorgedragen, en moge dan wellicht tot op zekere hoogte de belangen van de landsheer behartigen, toch spreekt er uit het gedicht interesse voor de stedelijke welvaart omwille van de stad zelf. Het bestuur moet de handel bevorderen en de welvaart dienen tot nut van het algemeen, zo blijkt onder meer*20: `Als elc man waesdom heeft voer tsijn, Soe blijft die ghemeint in goeden scijn' (vs.159-160). Ieder in de stad moet zich `pinen [...] Om neringe' (vs.115-117). En de koopman moet men niet hinderen*21:

Den vreemden coepman menigerhande,

Wan si comen uut enigen lande,

Die salmen doecht ende eer bewisen,

Daer mach hoer neringe oec bi risen;

Want deen die brenct, dander haelt.

Alsmen den coepman wel betaelt

Ende altoes gelijc ende reden doet,

Soe brenget menich man sijn goet,

Daer die lude hem aen generen (2; 139-147)

In zijn slotwoord maant Willem de heren stadsbestuurders:

Weest eendrachtich, en laet des niet,

Soe moechdi in goeden rusten leven,

Ende dan salmen den wil geven

Om die neringe te setten voert

In orbaer, als ghi hebt gehoert.

Om hoeschen waesdom suldi dienen (heuse, ware)

Ende ummer den besten orbaer meynen (2; 210-215)

Het is goed denkbaar dat de sproke evenmin zijn doel miste bij voordracht voor bestuurders van afzonderlijke steden. En deze redenering zou ook opgeld kunnen doen voor 62.Van rechtighen rechters, 86.Van rechters en 72.Een notabel, waarin rechters worden aangesproken: de vermanende woorden behoeven niet aan kracht in te boeten als ze gericht waren tot de baljuw, schout en schepenen van een specifieke stad.

Duidelijker nog op een stedelijk gehoor toegesneden is het gedicht 107.Vanden boghe, waarin de dichter betoogt dat de kruisboog een bijzondere uitvinding is die echter alleen functioneert als alle onderdelen eendrachtig samenwerken. Zonder eendracht zou de pijl zijn doel missen. Een gezelschap als het door Willem aangesprokene moet ook eendrachtig samenwerken en geen schalken binnen de gelederen toelaten. Intern verraad sterkt de vijand.

Oeck denckent mi die beste muren,

Die enighe stede mach beghinnen,

Dat si eendrachtich sijn van binnen

Ende malc anders borde draghen. (last) (107; 42-45)

De beste muren voor een stad worden gevormd door eendrachtigheid. Het is kennelijk Willems opzet geweest om op de begrippen kruisboog en eendracht een gedicht te vervaardigen. Op het eerste gezicht lijkt er geen relevant verband te bestaan tussen de twee begrippen. Maar de sproke wint aanzienlijk aan betekenis als deze bedoeld was om voorgedragen te worden voor een schutterij. Wanneer men aanneemt dat de sproke inderdaad bestemd was voor een stedelijke schutterij*22, dan ligt de combinatie van kruisboog en eendracht plots erg voor de hand, en valt de sproke pregnant te interpreteren. Zoals alle onderdelen van de boog der schutters goed moeten functioneren, zo is een stad er voor zijn verdediging bij gebaat dat de schutterij eensgezind pal staat. Willems woorden uit de proloog komen nu in het juiste perspectief te staan: `Nu willic mijn herte zaten Te dichten vanden boghe reen, Ende op tgheselscap al ghemeen, Die den boghe willen draghen' (vs.6-9).

De eensgezindheid, de solidariteit wordt door Willem ook gethematiseerd voor een andere publieksgroep, eveneens een vereniging, en wel in 61.Van ghilden. Het gaat in deze tekst niet om ambachtsgildes: deze waren in Holland over het algemeen nog nauwelijks ontwikkeld, en de vrije vorming ervan was ten tijde van Albrecht van Beieren zelfs verboden.*23 Het gaat in de tekst om de geestelijke broederschap. Willem verklaart het ontstaan van die broederschappen aldus: bij de geboorte van Christus kwamen mensen tezamen die bij elkaar bleven voor de viering van dit feit. Zij stichtten naast kerken ook broederschappen en zo kwamen de geestelijke broederschappen in de wereld. Dit lijkt een wat gratuite verklaring, maar feit is, dat bijvoorbeeld de leden van de Broederschap van Onze Lieve Vrouwe van 's-Hertogenbosch meenden de directe opvolgers te zijn van de drie wijzen Balthasar, Melchior en Kaspar.*24 De bloei van de talrijke geestelijke broederschappen in de Nederlanden was een typisch stedelijke ontwikkeling. De leden waren zowel geestelijken als leken, mannen als vrouwen, armen als rijken. Belangrijkste aspect in elke broederschap was het bidden voor het zieleheil van de overleden leden door de levende leden, zeker naarmate de leer van het vagevuur veld won. `Broederschappen werden georganiseerd binnen het parochiaal kader en huldigden het principe van solidariteit'.*25 Dit is dan ook precies wat Willem de gildes toewenst: `eendrachticheit'. Elke broederschap had een patroon waarnaar het gilde genoemd werd. Willem noemt onder de broederschappen die van Onze Lieve Vrouwe, St. Stefanus, St.Petrus, St.Johannes, St.Nicolaas en St.Eligius. Verder bestonden er bijvoorbeeld nog Kalandbroederschappen, Jacobusbroederschappen, met pelgrims die naar Santiago de Compostella, en Jeruzalembroederschappen, met pelgrims die naar het Heilige Land waren geweest of binnenkort zouden gaan. Het is beslist niet onaannemelijk dat Willem zijn sproke ook voor één of meer broederschappen heeft bestemd en voorgedragen. Het is evenwel niet uit te maken voor welke broederschap hij z'n sproke (in eerste instantie) bedoeld zou kunnen hebben. Willem noemt wel de Onze Lieve Vrouwe-broederschap als eerste en besteedt hieraan meer versregels dan aan de andere. Men zou dus kunnen denken aan bijvoorbeeld de Onze Lieve Vrouwe-broederschap te Den Haag, die tenminste reeds in 1373 bestond. Maar er was ook een St.Nicolaas-broederschap in Den Haag*26 en, zoals gezegd, het valt uit de sproke niet op te maken voor welke broederschap de tekst primair bedoeld was. Nu kan men tegenwerpen dat het weinig zinvol was om een publiek in te lichten over zaken die het allang wist: de oorsprong van de broederschap, de soorten, het kiezen van de drie oudermannen en het solidariteitsbeginsel. Maar anderzijds: voor welk publiek was deze informatie dan wel zo zinvol? Was het niet een belangrijke taak van de dichter om te bevestigen wat men al wist (confirmatio), om het publiek te sterken in zijn eigen standpunten, verworvenheden, normen en waarden? In dit licht bezien kan Willems gedicht heel goed voor (een) broederschap(pen) bestemd zijn geweest. Zoals 62.Van rechtighen rechters, 86.Van rechters en 72.Een notabel (beginnend met `Ghi rechters') ook daadwerkelijk voor de rechters bestemd zullen zijn geweest, zo zal 61.Van ghilden bestemd zijn geweest voor één of, gezien de algemene bewoordingen, meer geestelijke broederschappen. En wellicht verklaart dit meteen de ietwat curieuze inleiding van dit gedicht, waarin Willem nu eens niet zelfverzekerd de waarheid claimt, maar juist zijn beperkingen als dichter blootlegt. Hij presenteert zich er als een leek, die moet toegeven dat met name zijn bijbel- en (wetenschappelijke) boekenkennis soms enigszins tekortschiet: `Want die cleergie is soe subtijl' (vs.25).*27 Misschien was dit voor een deel effectbejag; wellicht schiep Willem hier opzettelijk een kloof tussen de ongeleerde leek en de geletterde clerk om in het vervolg van zijn gedicht des te deskundiger naar voren te komen.*28 Maar als men aanneemt dat zijn geïmpliceerde en werkelijke publiek hier bestond uit leden van een geestelijke broederschap, waaronder zich geleerde clerken bevonden, dan zou men de inleiding van het gedicht ook kunnen begrijpen als een apologie. Mogelijkerwijs hield Willem het voor verstandig, althans in zijn inleiding, ten overstaan van de geestelijke broederschap - een door hem wellicht bewonderde en hooggeschatte instelling*29 - een zekerehumilitas te betrachten.

Ook de sproke 49.Vanden twaelff maenden kan goed in een burgerlijk milieu gefunctioneerd hebben. Willem bepleit met het oog op de naderende ouderdom namelijk de noodzaak tot kapitaalverwerving: vóór de ouderdom, vanaf het 48e jaar, moet de mens zien de schaapjes op het droge te hebben.

Ist dat hi dan te wensch

Ghewonnen heeft ende is hi rijc,

Soe mach hi leven blydelijck

[...]

Die niet en wint dan, hi is dol,

Die wijl dat hijs heeft die macht.

[...]

Dat elck mensche dan sal poghen

Goet te winnen ende daer om pinen

Ende legghent op, so dat hem schinen (sparen; tot voordeel strekken)

Mach in sijn oude daer naer.

[...]

Heeft hi hem selven dan soe bestiert,

Dat hi rijc van goede sy,

Daer hi mach wel leven bi

Entie oude wederstaen (49; 114-116, 118-119, 132-135, 148-151)

In tegenstelling tot kloosterkringen en het kapitaalskrachtige adelmilieu, was juist voor de patricische kooplieden en ook de burgerlijke handwerkslieden de vermogensopbouw uit ondernemerschap en arbeid van belang.*30 Eenzelfde redenering zouden we kunnen volgen voor de sproke 12.Van enen cruut ende hiet selve, waarin Willem aan een knaap in positieve zin het nut uitlegt van `selve', wat zowel salie als geld betekent. Geld zorgt voor eten en drinken, kleding, kousen en schoenen. Wie geld heeft is geliefd bij familie en vrienden, en bij de vrouwen:

Selve maect hulde mit scone vrouwen,

Dat sy ons eren ende nyghen,

Op dat si wanen Selve te crighen (12; 118-120)

Willem zal hier wel niet op de vermogende adellijke dames doelen. Met geld, legt hij uit, kan men (in de vorm van aalmoezen) zelfs `die ziele spisen' (vs.108). Ter nadere adstructie van zijn betoog vertelt de spreker aan de knaap wat hem overkomen is: toen hij veel geld was kwijtgeraakt, ging hij elders z'n geluk beproeven, maar door een schipbreuk raakte hij helemaal diep in de schulden. Dankzij een familielid dat voor hem borg wilde staan, kwam hij uit de problemen. Toen hij er financieel weer bovenop was, kon hij z'n schulden afbetalen, en was het leed geleden. De knaap vraagt hoe men aan geld/salie moet komen. Willem zegt:

Ghi sult gaen huren een hoff

Ende telen Selve, soe crijchdi loff,

Ende daer in eren ende zayen: (ploegen)

Wye Selve wat teelt, dat mach hi mayen (12; 267-270)

Men moet zijn kapitaal dus met persoonlijke inspanning, met eigen arbeid opkweken. Deze burgerlijke arbeidsmoraal klinkt ook door in het slotwoord. Het gedicht is bedoeld

Tenen exempel sulken luden,

Die in horen jonghen daghen

Selve mit sotheit van hem jaghen;

Want wye te rechte wil verzinnen:

In doude is Selve quaet te winnen.

Hier om pijnt u in uwer joecht,

Dat ghise teelt al dat ghi moecht (12; 300-306)

De les is dus dat men tijdig moet werken en sparen als voorziening voor de oude dag. Het burgerlijk credo is: zuinigheid met vlijt. Wellicht dat met `selve' ook nog (globaal) gedoeld wordt op `zelf', `ego', het `eigen-ik' of `persoonlijke inzet': de burgermoraal leert immers dat ieder voor zichzelf moet kunnen zorgen.*31 Misschien mag de preoccupatie met geld in 5.Van commer van ghelde ook in verband worden gebracht met een stedelijk publiek. De dichter houdt er (veer?)lieden voor dat armoede alleen een straf van God is voor hebzuchtigen. De eerlijke armen moeten vertrouwen stellen in God, want Hij zal wel voor hen zorgen. De dichter heeft dit nog niet gezegd of de (veer)lieden ontvangen een enorme som geld voor het overzetten van een rijke man die door zijn vijanden achtervolgd wordt.

Het portret van de meedogenloos winst-makende koopman die niet van zins is om anderen in zijn rijkdom te laten delen, wordt door Willem in 27.Van drien ghebroederen geschetst. De moraal van de sproke - de noodzaak van caritas en vrijgevigheid - behoeft niet noodzakelijk op een burgerlijk publiek te zijn toegesneden, maar de spreker toont zich in elk geval wel scherp bewust van de soms rigide zucht tot marchanderen die in het patriciaat opgeld deed.*32 Voorts komt een gedicht als 114.Wat een reyn wijff waerdich is eerder in aanmerking om in de patriciërswoning dan in hofkringen te worden voorgedragen. Hiervóór is al uiteengezet dat deze sproke met praktische wenken voor de goede `huisvrouw' burgerlijke trekken vertoont*33: er wordt onder meer betoogd dat de vrouw de lieve vrede in huis moet zien te bewaren, op haar woorden moet letten in de kerk en op straat, iedereen vriendelijk moet groeten en niemand te lang aan de praat mag houden. Verder is de goede vrouw gastvrij en houdt zij haar buren te vriend. Men mag zich verder afvragen of 48.Hoe man ende wijff sullen leven (over het burgerlijk huwelijk?), 24.Vanden serpent (aanklacht op de rechtspraktijk), 9.Dit is van Reyer die vos (over de praktijk van de bedevaarten) en 77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden (over de Moderne Devotie en het huwelijk) wellicht bestemd waren geweest voor een burgerlijk publiek.

Het hekeldicht met boertige trekken 17.Vanden waghen kan op twee manieren gefunctioneerd hebben. Het gedicht, zonder distinctieve aanspreekvormen, verhaalt van een timmerman en een slager die voor de rechtbank verschijnen vanwege een geschil omtrent de erfenis van een stuk land. Eerst koopt de timmerman de rechter om door diens vrouw een mooie wagen te schenken. De slager bemerkt dat hij tijdens het proces ineens door de rechter wordt benadeeld. Als hij over de wagen hoort, schenkt hij de vrouw van de rechter vier ossen om de wagen te trekken. Op de derde dag van het proces is de rechter dan duidelijk op de hand van de slager. Met bedekte toespelingen tracht de timmerman de rechter te herinneren aan de wagen als geschenk. De rechter houdt zich doof en de timmerman verliest het proces: de schepenen vonnissen in het voordeel van de slager. In even bedekte termen (`de wagen kan niet gekeerd worden omdat de ossen slechts rechtdoor willen lopen') maakt de rechter aan de timmerman duidelijk dat het vonnis niet meer gewijzigd kon worden. De sproke kan natuurlijk aan het hof zijn voorgedragen om de heren erop te wijzen dat er een einde moet komen aan de wijdverbreide corruptie in de rechtspraak. Maar het gedicht geeft welbeschouwd lucht aan `burgerlijke' ongenoegens met betrekking tot de justitiële praktijk van alledag in den lande.*34 De sproke kan dus in de hiervoor verantwoordelijke kringen zijn voorgedragen, maar evengoed in die kringen waarin men min of meer machteloos moest toezien. In dat laatste geval kan het gedicht gefunctioneerd hebben als bevestiging van de onvrede met de situatie. Toch moet men zich realiseren dat dit nogal speculatief is. Bovendien rijst de vraag voor welk deel van de stedelijke bevolking zo'n gedicht dan bestemd kan zijn geweest: patriciërs, gezeten burgerij, of ambachtslieden als de timmerman en de slager? Men moet er in elk geval ten zeerste voor waken Willem als een soort `volksdichter' te gaan beschouwen; `volks' repertoire treft men in zijn oeuvre niet aan. Sociale bewogenheid was hem evenwel niet vreemd, zoals ook blijkt uit 29.Een notabel:

Mochtwy malcander hier verdriven

Mit macht ende dan ten hemel cliven, (klimmen)

Als onse tijt ten eynde naect,

Soe hadt God onghelijc ghemaect.

Waer op souden dan die ghene hopen,

Die hier ter armoede sijn gheschopen?

Als laatste gedicht waarin evident stedelijke belangen worden behartigd, zij het met de landsheer en zijn raad als publiek, moet hier het pleitdicht voor Leiden genoemd worden:81.Vanden sloetel. Nadat het aanzien van Leiden was geschonden door de oploop van textielwerkers voor vrije gildes, heeft Willem met Vanden sloetel bij Albrecht van Beieren de loyaliteit van de stad onderstreept en gepleit voor rehabilitatie voor Leiden en de Leidenaars. Het zou niet verwonderlijk zijn als de opdracht tot het maken van het gedicht is uitgegaan van het Leidse stadsbestuur.

Bovendien duiken op het oog burgerlijk-stedelijke belangen regelmatig op als terugkerende motieven in diverse sproken; ook in `hofgerichte sproken'. Hiervóór is er al op gewezen dat Willem pleit voor vrede, rust en maatschappelijke stabiliteit. Hij heeft weinig op met oorlog en twist, die het maatschappelijke leven slechts ontwrichten: dit sluit welbeschouwd aan bij de stedelijke behoefte tot pacificatie.*35 Voorts eist de spreker een eerlijke rechtspraak zonder klassejustitie. En de verantwoordelijke heren krijgen regelmatig van Willem te horen dat ze het algemeen belang moeten dienen en de welvaart bevorderen. De dichter pleit dan ook voor economische stabiliteit en waarschuwt voor het opleggen van te hoge belastingen (zie hoofdstuk 6). De bevolking moet de ruimte krijgen om zijn nering te drijven en geld te verdienen, om zodoende een zeker bestaan op te bouwen. De spreker brengt hier bij uitstek burgerlijk-stedelijke idealen en verlangens onder woorden, al impliceert dat nog geenszins dat Willem hiertoe opdracht had gekregen door belanghebbenden. Eerder lijkt hij zich vanuit persoonlijke overtuiging een deel van de nieuwe stedelijke ethiek te hebben eigen gemaakt. Niet voor niets moest hiervóór al vastgesteld worden dat Willem als dichter voor (onder meer) de adellijke elite wel `hofs' was, maar niet zozeer `hoofs': bepaalde aristocratische concepties heeft Willem overgenomen, andere nadrukkelijk níet, terwijl bepaalde concepties weer juist bij de derde stand leefden, en hierin kan zich (mede) Willems eigen `burgerlijke' afkomst openbaren.

Het sprokenmateriaal bevat vele op de (hoge) adel gerichte teksten, waarin soms stedelijk-burgerlijke sentimenten naar voren werden gebracht, maar ook gedichten die kennelijk veeleer voor een burgerlijk publiek bestemd waren. Het is daarbij misschien opvallend dat de `hofteksten' nogal eens kritisch van toon zijn, terwijl de `burgerlijke' sproken vaker informatief of instructief van karakter zijn.

Dit besluit het onderzoek naar het publiek van Willem van Hildegaersberch. Zowel de aanspreekvormen in de sproken, de inhoud en strekking van de gedichten, als de rekeningen wijzen ondubbelzinnig op een elitair publiek, dat in het maatschappelijke leven - hetzij wereldlijk, hetzij geestelijk - grotendeels de touwtjes in handen had. Groot concentratiepunt van literaire activiteit was het Hollandse gravenhof, waar Willem vaker dan welke collega-spreker ook beloond werd voor zijn voordrachten. Hij trof er op hoogtijdagen als Pasen, Pinksteren en Kerst een groot gehoor met veel gasten aan die hij later in het jaar met een bezoek kon vereren.*36

Men moet er rekening mee houden dat Willems overgeleverde oeuvre een op het hof gerichte selectie kan vormen, dat rekeningenonderzoek alléén niet zaligmakend is en dat veel ook nooit geadministreerd is. Men mag met name vermoeden dat Willem veel regelmatiger in stedelijke kringen zijn opwachting heeft gemaakt dan het aantal gevonden rekeningposten suggereert. De verhouding van optredens aan het hof en in de stad kan anders liggen dan op grond van de rekeningboeken gerechtvaardigd lijkt.

Willems werkterrein besloeg een deel van het Middelnederlandse taalgebied: Holland, Zeeland, Utrecht en (waarschijnlijk) Gelre. Het is weinig waarschijnlijk dat Willem voor het overbruggen van de afstanden soms over een paard beschikte.*37 Het ligt meer voor de hand dat een spreker voornamelijk te voet rondtrok en zich de luxe van een paard niet kon veroorloven.*38 Augustijnken vormde hierop om een speciale reden een uitzondering. Wel staat vast dat Willem soms per schip reisde (optredens in Middelburg), een uiterst geschikt vervoermiddel in onze waterrijke streken. Het is mogelijk dat als Willem in het gevolg van een heer meereisde, hij soms een paard kreeg toegewezen, of op een wagen kon meereizen. Maar over het algemeen zullen sprekers te voet door het land zijn getrokken en konden zij dus soms dagenlang onderweg zijn vooraleer ze het publiek bereikten waarnaar zij onderweg waren.