9. De functie van Willems sproken

9.1. De functie

Het belang dat de sprookspreker bij literatuur, bij sprooksprekerskunst had, was tweeledig. In de eerste plaats vormde de kunst voor een spreker als Hildegaersberch zijn broodwinning. Maar tevens moet er van een zekere gedrevenheid sprake zijn geweest om iemand te doen besluiten professioneel spreker te worden. Er diende zoiets aanwezig te zijn als gevoel voor de dichtkunst, een behoefte tot optreden en zich te manifesteren, een drang tot het onderhouden en vermanen van een hooggeëerd publiek. In het beroep van sprookspreker was men niet vanzelfsprekend gegarandeerd van een behoorlijk inkomen en een zeker bestaan*1, zodat men mag aannemen dat ook bij Willem, in zijn beroepskeuze en -uitoefening, een zeker zendingsbesef moet hebben meegespeeld. Hij was een spreker met een boodschap, en die boodschap wilde hij uitdragen; hij kwam zijn publiek confronteren met de waarheid, of tenminste herinneren aan de waarheid (zoals hij die zag).

Welke functies vervult sprooksprekerskunst echter voor maecenas - hier in de zin van begunstiger - en publiek? In de eerste plaats droeg het begunstigen van sprekers en andere kunstenaars of kunstenmakers bij aan de status van de maecenas. Het verhoogde het aanzien van de heer als hij zijn maaltijden, feesten en bijeenkomsten (liefst ten overstaan van een groot publiek) kon laten opluisteren door sprekers, musici, goochelaars en dergelijke. Hetzelfde mechanisme trad in werking in geestelijke en stedelijke kringen, en imitatiezucht zal hierin zeker een rol hebben gespeeld. Zo kon de sprekerskunst zich verspreiden van de grote vorstenhoven naar de hoven der hertogen en graven, naar de (landsheerlijke) adel, het (adellijke) klooster, de stedelijke bestuurselite en het patriciaat. Al wie zich entertainment en kunst kon veroorloven, mocht zich tot de aanzienlijken (en misschien ook de kunstkenners) rekenen.*2 En de dichter liet niet na te bevestigen en te beklemtonen dat dichtkunst de eer en het aanzien van de begunstiger vergrootte. Zo ook Willem: `Waer vrou Eren vrienden hoven, Daer sietmen dichters conste loven' (83; 83-84). In de 14e eeuw raakten sproken in de toonaangevende kringen en vogue en boden ze een alternatief voor de steeds breder uitgesponnen literaire werken, die tot `roman-moeheid' aanleiding lijken te hebben gegeven.*3 Onder de literaire kunsten was het laten schrijven van nieuwe letterkunde of het laten afschrijven van teksten voor de maecenas het duurst, en de voordrachtskunst van sprekers verreweg het goedkoopst. Juist de sprekerskunst was voor steeds meer financieel draagkrachtigen betaalbaar. Men zou kunnen stellen dat de sprooksprekerskunst heeft bijgedragen tot (relatieve) `democratisering' van het literaire leven.

Maar het onderhouden van de sprooksprekerskunst kan niet alleen uit statusbehoefte zijn geschied. Een ander motief voor zowel maecenas als publiek zal een oprechte interesse in literatuur zijn geweest.*4 Een voorbeeld van de waarschijnlijk toch reële interesse in Willems sproken is de aanschaf door graaf Willem VI van een boek met schone sproken van de spreker, kort na diens overlijden. Evenals de hoge beloningen die Willem soms ontving, mag men hieruit toch wel opmaken dat de kunst van de sprookspreker de graaf niet onverschillig liet.

Literatuur kan ook beschouwd worden als nuttige en onderhoudende tijdspassering en dit zal zeker evengoed voor de voordracht van de sprookspreker hebben gegolden. En met het nuttige en onderhoudende zijn we direct aanbeland bij de andere belangrijke dubbelfunctie van literatuur. Gold voor bijvoorbeeld de hoofse romans waarschijnlijk nog dat de amusementswaarde de belerende waarde oversteeg, bij de sproke was dit regelmatig omgekeerd. Meer dan inamusement, in verstrooiing, in vermaak, grossierde in elk geval Hildegaersberch in lering of beter nog moralisatie.

De (relatieve) amusementswaarde van Willems sproken kan onder meer gezocht worden in het verhalende aspect van bepaalde teksten. Boerden als 26.Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert en 85.Vanden monick, een fabel als 15.Van Reynaert ende van Aven en een standensatire als 19.Van mer hadden zeker tot doel het publiek te vermaken, ook al zijn zelfs deze teksten niet van moralistische intenties ontbloot. Maar ook primair-verhalende teksten als84.Vanden sacramente van Aemsterdam en exemplarisch-verhalende als 27.Van drien ghebroederen of 38.Vanden ghesellen die ommeseylden zullen amusementswaarde hebben bezeten. Maar er zal ook beslist vermaak gescholen hebben in het `nieuwe'*5, dat wil zeggen in die sproken waarin de dichter op `originele' wijze varieert op traditionele thema's en literaire procédé's. Men denke aan de sproke 23.Vander wankelre brugghen, waarin een bijzondere allegorie wordt uitgewerkt. Voorts kan de kunstvaardigheid die de dichter aan de dag legde bijgedragen hebben tot de amusementswaarde van de sproke: er valt te denken aan rake formuleringen, kunstvaardige rijmvormen, en de refrein-, strofen- of dialoogvorm.

De `belerende' functie overweegt bij Willem in het merendeel der sproken. Men vindt bij hem vrijwel geen betoog of verhaal zonder moraal of goede raad. De spreker claimt als moralist, raadgever en criticus de waarheid. Hij ziet het als zijn voornaamste taak zijn publiek van die waarheid omtrent `goed' en `kwaad' te doordringen, zowel met het oog op het aardse bestaan als op het hiernamaals:

Men soud den heren seggen twaer

Wat oirbaer is of zielen vaer,

Soe mochten si crighen onderscheit,

Waer die beste baet an leit.

Eer ende oirbaer leiter an,

Die den heren gheraden can,

Dat hi die waerheit gaerne hoert. (112; 21-27)

In 88.Van hoveerde heet het:

Conste elcman volghen minen leer (navolgen)

Soe souden wy minnen den hoochsten heer

Ende onsen evenkersten mede,

Soe creghen wy pays ende ewich vrede

Nader tijt ende hier int leven. (88; 1-5)

Niet voor niets combineert Willem in 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten met betrekking tot zijn werk de begrippen dichten en leren/leer: `Al mijn dichten ende leren Is gherechticheit ende eer, Die betaemt wel elken heer, Hadsi mijn leer te recht onthouden' (vs.12-15). Willems lering bestond er niet zozeer in dat hij zijn publiek verbaasd zal hebben met nieuwe feiten. Hiervóór zagen we reeds dat hij zich op het punt van de geloofsleer beperkte tot de elementaire, orthodoxe leer, waarmee ook het gros van zijn toehoorders volkomen vertrouwd zal zijn geweest. Het was Willem er niet om te doen zijn gehoor letterlijk te onderwijzen (instructio), maar veeleer te herinneren aan wat men al wist (confirmatio). De memento mori-gedachte was niet nieuw, maar moest het publiek wel telkens worden voorgehouden. Op het vlak van de `wereldse lering' zal het weinig anders zijn geweest. Dat adeldom verplichtingen met zich meebracht, zal aan zijn toehoorders genoegzaam bekend zijn geweest. Toch moest de dichter de heren er telkens weer op wijzen, omdat naar zijn mening desondanks hebzucht, corruptie, onrecht, twist, en uitbuiting hoogtij vierden. Het `nuttige' aspect van het utile dulci-principe der literatuur spitst zich in Willems sproken derhalve vooral toe op moralisatie (hoe te leven?), kritiek (de misstanden) envermaan (oproep tot gedragsverandering).

Overigens was het ook weer niet alleen maar kritiek en vermaan wat de klok sloeg in de sproken van Willem. In 12.Van enen cruut ende hiet selve wordt bijvoorbeeld de nadruk gelegd op de positieve kanten van geld, terwijl in 16.Van drien bloemen lovend wordt gesproken van de tarwe, de wijn en het linnen die een functie vervullen in de eucharistie. De sproke 25.Een ewangelium van Paesschen is niets anders dan een berijmd paasevangelie, en ook in 34.Vanden goeden vrouwen is van kritiek of vermaan weinig te bespeuren. Het Mariagebed 45.Een notabel is een vroom gebed om bijstand en in 49.Vanden twaelff maenden neemt men geen kritische geluiden waar. En 74.Van Sinte Gheertruden min heeft louter kunnen functioneren als vrome vertelling en als antwoord op de vraag waar het minnedrinken vandaan kwam. Ook in 48.Hoe man ende wijff sullen leven staat de moralisatie voorop en ontbreekt het aan een evident kritische of vermanende toon, maar dat hoeft in zo'n geval echter niet te beletten dat het gedicht een vermanende functie kon vervullen. Als de dagelijkse praktijk afweek van Willems leer, kon moralisatie door het publiek als (impliciete) kritiek zijn opgevat. Het is overigens opvallend dat een aantal sproken waarin kritiek en vermaan ontbreken juist in een stedelijk-burgerlijk milieu gedacht kan worden (zie par.8.4.).

In een groot deel van zijn sproken houdt Willem zijn publiek niet alleen de ware weg voor, maar spoort hij ook aan tot gedragsverandering en oefent hij kritiek uit op mens en maatschappij, waarbij hij het niet schuwt om z'n gehoor bestraffend toe te spreken. Hij stelt zijn publiek (mede)verantwoordelijk voor de maatschappelijke malaise: het gaat niet goed met de wereld. De kritiek gold vooral de bestuurselite en in het bijzonder de adel - de meer op een stedelijk-burgerlijk publiek gerichte sproken bevatten, zoals gezegd, over het algemeen minder kritiek. De kritiek op de aristocratie komt globaal genomen vanuit drie invalshoeken: de geloofsleer (zie21.Vanden doemsdaghe ende van sterven en 31.Van sterven), de moraal die het algemeen belang van land en volk voorstaat (bijv. 7.Vanden coninc van Poertegael, 101.Hoe die heren eerst quamen) en de aristocratische deugdenleer (33.Van dominus). Willems werk mag, zeker voor wat betreft zijn adellijke publiek, wel tot de desillusionerende stroming in de letterkunde gerekend worden, de stroming die de elite niet voedde met idealiserende, vleiende en zelfbevestigende teksten, maar die zich kritisch opstelde ten aanzien van het publiek en opriep tot zelfverbetering.*6 Willem preekte evenwel restauratie, geen revolutie. Hij legde de bijl niet aan de wortels van de orde en het gezag, maar wilde juist dat deze zich in hun oude en respectabele glorie herstelden. Anderzijds lijken sproken als 61.Van ghilden en 107.Vanden boghe met betrekking tot de broederschap en de schutterij wel meer een `zelfbevestigende rol' te hebben vervuld. Men moet oppassen Willem uitsluitend als boeteprediker en doemdenker te gaan beschouwen. Hij leverde - zoals gezegd - niet alleen maar kritiek en voelde zich ook niet te goed voor een aardige kwinkslag, een grappige fabel of een boertig verhaal. Bovendien stelde hij zich ook positief op door regelmatig te wijzen op het grote heil dat van een oprecht beleden geloof viel te verwachten.

In 1984 zei Van Oostrom over Hildegaersberch: `De dichter kan, al netzomin als de officiële maatschappelijke leiders, oriëntatie bieden op inspirerende voorbeelden uit het verleden of op een samenhangend wereldbeeld'.*7 Toch lijkt hierop wel wat af te dingen. Willem gebruikt inderdaad niet uitgebreid ideale (roman)figuren als Artur, Alexander, Aeneas of Franciscus als `inspirerende identificatiemodellen'.*8 Toch leeft bij de spreker de notie dat tegenover de wanorde van het heden een voorbeeldig verleden stond: vroeger was alles beter.*9 Vroeger lieten de heren zich leiden door het principe van de eer en streefden zij rechtvaardigheid na. De dichters werden gerespecteerd om hun kunst en goede raad. Geestelijkheid en volk waren zich van hun taak bewust en handelden dienovereenkomstig. Niet de hebzucht vierde hoogtij, maar deugdzaamheid. Niet altijd wordt duidelijk op welk verleden Willem precies doelt. Maar enkele malen geeft hij voorbeelden van lichtpunten uit de geschiedenis. Zo wijst hij het publiek op: de harmonieuze samenleving van Noach (ged.101), de tijd van koning David en de - door Willem bewonderde - wijze koning Salomo toen de vorsten volop vertrouwd waren met de Schrift (ged.47), de Romeinse tijd waarin eer en rechtvaardigheid hoog in het vaandel stonden geschreven (ged.8 en 36), de tijd dat Constantinus en Karel de Grote zich voor de kerk inzetten (ged.58), en de regeerperiode van de rechtvaardige graaf Willem III (ged.10, 51 en 63). De voorbeelden worden alleen nogal te hooi en te gras gegeven in tegenstelling tot de grote epische werken, maar dat is nu eenmaal inherent aan het genre. Ook Willems wereldbeeld is daardoor meer versnipperd. Zijn beeld van hoe de wereld in elkaar steekt, wat er mis was en hoe het anders zou moeten, legt weliswaar getuigenis af van de verwarring der tijden, maar samenhang vertoont het bij nader toezien wel*10 en aan idealen ontbrak het de dichter evenmin: allesbeheersende factoren zijn de normen van Schrift, geloofsleer en standenorde, van eer, rechtvaardigheid en landsbelang. Het idealisme van de spreker was slechts op een andere (meer reëel-maatschappelijk betrokken) leest geschoeid dan het idealisme van de hoofse roman.

Willems kritische en soms sombere toon, en zelfs zijn werk als geheel, kunnen niet losgezien worden van de 14e eeuw, een tijd waarin na een bloeiperiode de crisis inzette, en waarin de stemming in de literatuur omsloeg. De eeuw werd gekenmerkt door twisten, oorlogen, opstanden, kerkscheuring, pestepidemieën, misoogsten*11, hongersnoden en - derhalve - de dominantie van de doodsgedachte.*12 Recessie en desintegratie kunnen gemakkelijk voeding hebben gegeven aan het idee dat vroeger alles beter was. Voorts valt in de 14e eeuw een actievere rol van de leek in geloofsleven en geloofsbeleving te constateren, alsmede een democratisering van het politiek bewustzijn; Hildegaersberch zou hier zelf gemakkelijk tot voorbeeld kunnen dienen. Er kwam meer aandacht voor het menselijk falen en de vergankelijkheid. Men bespeurt een ethisch en religieus réveil. Het geloof lijkt meer dan ooit uitkomst te hebben geboden, zeker nu in de tijden van chaos het Laatste Oordeel meer dan ooit nabij leek. Oude idealen en zekerheden raakten aan twijfel onderhevig. Er brak een tijd aan van herbezinning op de normen en waarden, niet in de laatste plaats omdat de nieuwe burgerlijke belangen met de oude adellijke gingen interfereren. Het oude (hoofse) idealisme was in bepaalde opzichten niet langer bestand tegen de grimmige realiteit van de intriges van het hofleven, de (belasting)geldverslindende oorlogen, de corruptie bij de rechterlijke macht en zo meer. Het was niet eenvoudig om greep te krijgen op de werkelijkheid. De literatuur legde vaker getuigenis af van de verwarring in de tijd van recessie en crisis, evenals van de toegenomen complexiteit van het aardse bestaan. De letterkunde toonde welbeschouwd meer zin voor realiteit, niet in de laatste plaats omdat de realiteit zich zo nadrukkelijk aan de mens opdrong.*13

Ook Willems werk getuigt van het menselijk tekort, de verwarrende tijden, het toegenomen sterfelijkheidsbesef, de herbezinning op normen en waarden, de hernieuwde religieuze bevlogenheid en de bereidheid de realiteit onder ogen te zien. Onderwerpen als de gruwel van oorlog, onderdrukking en armoede worden niet langer geschuwd. Willem zoekt in de werkelijkheid ook naar de nuance: vroeger leek alles eenvoudig en duidelijk, maar thans was alles even ingewikkeld geworden en had elke kwestie een keerzijde. Men behoeft, blijkens 100.Van ghenoechten, de wereldse genoegens geenszins te schuwen, zolang men maar rekening blijft houden met Gods geboden en het eigen zieleheil. Geld is een groot goed, stelt Willem elders, maar anderzijds tiert de menselijke zonde van de hebzucht welig. Enigszins ambivalent lijkt de houding van de spreker tegenover het volk en de koopman: aan de ene kant neemt hij het volk in bescherming tegen de uitbuitende heren, maar aan de andere kant moest de derde stand zich steeds schikken en vooral niet trachten zich uit z'n nederige positie te verheffen. Enerzijds betoogt Willem dat men de koopman niet te veel in de weg mag leggen aangezien zijn handel bijdraagt aan de bloei van de economie. Anderzijds portretteert hij bepaalde kooplieden als volkomen op persoonlijk gewin gefixeerde zondaars. Willem kan zich in principe loyaal opstellen ten opzichte van de kerkelijke gezagsdragers, zijn publiek op het hart drukken te biechten en ter communie te gaan, de kerk te erkennen als moeder, spiegel en roer, terwijl hij het gedrag van de clerus aan de kaak stelt en bespot, en zich moedeloos toont over het schisma. Dit alles wordt begrijpelijk in het licht van de tijdgeest. In dit licht bezien, hoeft men zich er evenmin over te verbazen dat in Willems kritiek soms de stem van de Moderne Devotie lijkt door te klinken, terwijl hij, naar het zich laat aanzien, met gemengde gevoelens van de beweging zelf heeft kennisgenomen. Voor de dichter zijn de misdeelden, de kreupelen en blinden er weliswaar nog steeds opdat de rijken de caritas kunnen beoefenen zoals God het wil, maar Willem waagt het in 87.Vander avontuer ook vraagtekens te plaatsen bij hun onfortuinlijke lot op aarde, al stelt hij dat zij weldra een vorstelijke plaats zullen innemen in het hiernamaals. Bij Willem geen coherente, eenduidige en dus gesimplificeerde wereldbeschrijving, maar een genuanceerde spiegeling van de werkelijkheid in facetten, in delen en tegendelen. Maar al is Willems wereldbeschrijving niet eenduidig, zijn wereldbeeld en `levensovertuiging' vormen wel een coherent geheel. De spreker heeft zich wel degelijk een visie eigen gemaakt waarbinnen voor elk probleem steeds gelijkaardige oplossingen voorhanden waren. Dat impliceert dat hij niet afwisselend de adel en het patriciaat naar de mond praatte net zoals het hem of zijn publiek van pas kwam. In Willems visie op de wereld heeft ieder zijn plaats, met zijn eigen, vastomlijnde rechten en plichten. Willem is er met andere woorden in geslaagd een `persoonlijke' ethiek - een samenstel van wat al voorhanden was - te ontwikkelen waarmee hij in principe alle standen consequent kon bedienen. Tegenstellingen zijn schijnbare tegenstellingen.

De schijnbare ambivalentie treedt welbeschouwd ook aan de oppervlakte in Willems houding ten opzichte van zijn publiek: als wervend dichter bekritiseerde hij toehoorders van wie hij financieel afhankelijk was en met wie hij toch het beste voorhad. Kennelijk kon het publiek tegen een stootje.

De kritische functie van Willems sproken behoeft nog wat meer aandacht. Ten eerste moet men zich afvragen waar een dichter van zo'n nederige positie de autoriteit vandaan haalde om zijn elitepubliek te bekritiseren. En van welke technieken bediende hij zich daarbij? Andere vragen zijn: waartoe diende de kritiek nu feitelijk, welke functie had deze en wiens belangen behartigde Willem eigenlijk met zijn kritische woorden? Was zijn kritiek terecht? En tenslotte kan men zich afvragen of z'n kritiek enig effect zal hebben gehad. Over dit alles gaat de volgende paragraaf.