9.2. De kritische functie

Of Willem nu sprak voor het Middelburgse stadsbestuur, de Egmondse Benedictijnen, de hertog van Gelre of de graaf van Holland, telkens lagen de gezagsverhoudingen tussen hem en zijn gehoor ver uiteen. Willem was immers niet van adel en een geestelijke was hij evenmin. Hij had geen hoge opleiding genoten; hij kon weliswaar lezen en schrijven, maar kende geen Latijn. Hij was welbeschouwd een `dorper' uit Hillegersberg. Indien hij geen vaste woon- of verblijfplaats (meer) had, behoorde hij uit hoofde van zijn professie juridisch tot de maatschappelijke randgroep van varende lieden, die als geheel geen goede reputatie en geen rechtsbescherming genoot. Bovendien was Willem financieel volkomen afhankelijk van zijn publiek en broodheren. A priori verschafte niets hem het gezag om zijn gehoor vermanend toe te spreken. Natuurlijk waren er grenzen aan het leveren van kritiek. Willem moest oppassen met wat hij zei en diende tot op zekere hoogte omzichtig te werk te gaan. Ondanks, of misschien nog eerder dankzij zijn voorzichtigheid, was hij in de gelegenheid substantiële kritiek te leveren. En terwijl het hem aan feitelijk gezag ontbrak, wist hij toch de schijn op te houden over de nodige autoriteit te beschikken, of sterker nog, wist hij zich de nodige autoriteit aan te meten.

We staan eerst stil bij de voorzichtigheid die Willem aan de dag moest leggen. Men kon niet zomaar straffeloos regelrechte kritiek uitoefenen, zeker niet waar het vooraanstaande personen betrof; het gevaar voor belediging en laster dreigde. In 118.Opt voersien zegt Willem:

Wat ic dichte of wat ic make,

Dat staet te straffen of te laken;

Wye die waerheit node horen,

Dien ist contrari voerden oren.

Willen dichters segghen twaer

Daer die waerheit is contraer,

Soe wert hi thants een onweert gast.

Sel een dichter staen te last, (terecht staan [fig?])

Om dat hi die waerheit seit,

Daer oerbaer ende baet an leit,

Wat ghenoecht ist dan te dichten?

Ic mocht mijn woorden liever zwichten (matigen)

Dan ic sprake dit of dat,

Daer mi die luden om worden hat. (vijandig) (118;1-14)

Diverse malen brengt Willem deze gedachte tot uitdrukking in zijn sproken.*1 Zo waarschuwt de spreker zijn publiek in 58.Vander heiligher kercken: `Ic rade dat elcman hem wel bedenc, Eer hi my straffe van mijn beduden' (vs.74-75). In 64.Van die achte salicheiden zegt Willem over de dichters:

Die nu nader waerheit meten

Mochten liever swighen stil,

Want elck wil horen sinen wil;

Daer om soe blijft die waerheit verborgen

Ende dichters hert in groter sorghen,

Want seyden sy een ygheliken twaer,

Sy worden thants hoers lijfs in vaer (64; 8-14)

In 112.Twisschen wil ende die waerheit stelt Willem: `Der heren wil is zeer tontsien'. Voor de dichter geldt derhalve: `Die dan die waerheit openbaert, Die mach wel billics sijn vervaert; Want sy en nemens niet int goede [...] Soe crighet hi toern ende wederspoet' (vs.8, 11-15). En in106.Van karitas heet het:

Hier om traecht mi den sinne zeer,

Ende oic soe bin ic zeer vervaert,

Want elc moet pensen achterwaert,

Wye dat dichtens wil hantieren,

Om die gheen die argueren (berispen) (106; 12-16)

Een kritische grens bereikte Willem kennelijk ook in 31.Van sterven: hij dreigde zich door het onderwerp naar eigen zeggen brodeloos te maken:

Die waerheit heeft altoes wedervechten

Byder clesi, byden heren;

Sy en can hoer onrecht niet ghekeren. [Sy=waerheit]

Hoe sal ic dan, arme oude,

Die gaerne die waerheit spreken soude,

Der heren gunst off hulde verwerven?

Ic wil nu dichten vanden sterven,

Dat horen die heren node vermanen

[...]

Spraec ic yemants onghevoech,

Soe waer danck ende cost verloren.

Node name ic yemants toern,

Maer elkerlijc versta mi wel,

Waer mijn materi sluten sel,

Eer hi mi straft van mijn beghin:

Groet haest is dicwil onghewin. (31; 6-13, 34-40)

Willem wilde zich koste wat het kost opwerpen als een soort onafhankelijk raadsman, maar hij moest zich bij gevoelige onderwerpen wel in acht nemen. Er waren grenzen aan de tolerantie van het publiek. Hij wendde daarom onder andere de techniek aan van, wat men zou kunnen noemen, de impliciete verontschuldiging. In deze impliciete verontschuldiging bracht hij, zoals hierboven geciteerd, tot uitdrukking dat hij gevaar liep met wat hij zei en dat hij voorzichtig moest zijn, omdat men hem z'n uitspraken kon aanrekenen en hem ervoor straffen. Willem nam op deze wijze een defensieve houding aan. Dergelijke frasen bereidden het publiek er in feite op voor dat de waarheid niet altijd even prettig was om te horen, trachtten eventuele toorn te bezweren en probeerden de toehoorders mild te stemmen. Men mocht het de dichter niet euvel duiden dat hij de waarheid ging zeggen, of reeds gezegd had. Willem bediende zich dus van retoriek, maar het feit alleen al dat hij zich regelmatig van dergelijke retoriek moest bedienen duidt erop dat zijn uitspraken wel degelijk een kern van waarheid bezaten. Het is echter moeilijk in te schatten hoe reëel het gevaar was dat de dichter liep. Het was in geval van belediging voor de maecenas natuurlijk eenvoudig om dit in de beloning te laten merken. Maar liep de dichter letterlijk gevaar of kon hij het risico lopen om terecht te moeten staan? Hildegaersberch kan hier gemakkelijk overdrijven uit effectbejag. Anderzijds is het denkbaar dat sommige toehoorders zich snel in hun eer voelden aangetast. Willem laakt regelmatig het `immorele' gedrag van bepaalde lieden aan het hof en noemt hen schalken. En het woord `schalk' blijkt in de middeleeuwen regelmatig tot één van die beledigende en lasterlijke kwalificaties gerekend te zijn, waarvoor men voor het gerecht gedaagd en veroordeeld kon worden.*2

Uit de hierboven geciteerde regels uit 118.Opt voersien zou men kunnen opmaken dat Willem voor zijn doen inderdaad z'n woorden temperde. Het is ook ditmaal niet gemakkelijk in te schatten of de dichter zich in dergelijke gedichten werkelijk inhield en zo ja, in welke mate hij dat dan deed. En het is evengoed lastig voor te stellen hoe het gedicht zou hebben geklonken als de spreker zichzelf géén beperkingen zou hebben opgelegd. De algemene indruk is dat de gedichten met dergelijke impliciete verontschuldigingen niet noemenswaard verschillen van de andere sproken, en behoedzamer noch veel kritischer van toon zijn. Waarschijnlijk hebben de onderwerpen alleen wat gevoeliger gelegen of wat meer weerstand kunnen oproepen*3, maar dit lijkt Willem er niet van te hebben weerhouden om op de gebruikelijke wijze z'n stof te behandelen. Er zijn nu twee verklaringen mogelijk: ofwel in bepaalde sproken gebruikte Willem de impliciete verontschuldiging als bliksemafleider voor eventuele boosheid bij het publiek en matigde hij zijn woorden in het vervolg feitelijk helemaal niet, zoals gewoonlijk. Ofwel reserveerde hij de impliciete verontschuldiging voor gevoelige onderwerpen, terwijl een enigszins behoedzame inkleding van zijn kritiek eigenlijk steeds symptomatisch voor zijn hele oeuvre is. De vraag is kortom: matigde Willem zijn kritiek voortdurend, of juist vrijwel nooit? De waarheid ligt waarschijnlijk enigszins in het midden: natuurlijk legde Willem zichzelf bepaalde beperkingen op, maar anderzijds verzweeg hij niet wat hij op z'n hart had. Zo liet hij zich er in bovengenoemde sproke 118.Opt voersien niet van weerhouden alsnog het memento mori-thema aan te snijden - een bij het publiek kennelijk minder favoriet onderwerp, in die zin dat men er niet graag aan herinnerd werd. Telkens als hij beweert de waarheid niet goed te durven zeggen, volgt deze daarop vrij ondubbelzinnig. Zo volgt in 97.Vander drierehande staet der werlt zijn kritiek op de drie standen, direct nadat hij in vs.247-252 heeft gezegd dat hij er niet goed aan durft beginnen. Precies zo gaat het in 7.Vanden coninc van Poertegael als hij over de `schalken' spreekt:

Wye sy sijn dat sel ic helen;

Want ic seide in mijn beghin,

Woude ic dichten om ghewin

Soe most ic lyden mitten brode; (de draagkrachtige partij kiezen)

Want die waerheit hoertmen node,

Dair die schuldighen sijn voir oghen,

Die mit ghewelt om tfordeel poghen. (7; 104-110)

Willem noemt geen namen, maar de boosdoeners zitten in de zaal. Hiermee wordt toch de indruk gewekt dat de dichter zich niet zo erg door z'n publiek van de wijs liet brengen, als wel eerder omgekeerd z'n publiek met dergelijke omtrekkende bewegingen poogde welwillend te maken. Op de waarheid werd niet wezenlijk besnoeid.

Het zal inderdaad wel eens gebeurd zijn, dat Willem zich de woede van een heer op de hals heeft gehaald met zijn (relatieve) openhartigheid. Hij besefte terdege dat bepaalde personen zich door sommige van zijn gedichten gekwetst konden voelen. Een reden te meer om zich op zekere momenten extra in te dekken op zijn geraffineerde manier, de kritiek van het publiek te omzeilen en daarmee zijn beloning en beroepsuitoefening veilig te stellen, zonder dat dit echt ten koste van de waarheid hoefde te gaan.

In 7.Vanden coninc van Poertegael lijkt Willem waarlijk een compromis aan te gaan tussen vleiende, prettige verhaaltjes en de waarheid spreken, als we vernemen:

Ic wilt al prisen datmen doet,

Soe mach ic leven wel ghemoet

Mitten luden hier ende daer.

Dichters conste is al contraer, (`aanvechtbaar')

Willen sy trechte waer ontbinden;

Men mach wel ander vonden vinden,

Die die lude gaerne horen:

Twaer en gaet hem niet in doren,

Men sel die waerheit laten rusten.

Die daer off woude te dichten lusten,

Die mocht sijns arbeits wel verdrieten.

Nu wil ic gaen ende leren schieten

Naden witte ende niet daer in, (roos)

Soe mach ic dichten nuwen sin;

Want ic wil nu smeken leren (vleien)

Ende twaer ontbinden voerden heren.

Machmen dit ghelycke deelen (7; 1-18)

Eerst zegt de dichter dat men maar beter helemaal niet over de waarheid kan dichten. Vervolgens kondigt hij aan de waarheid ten dele aan te roeren, maar ook te zullen vleien. Wie daarop kennis neemt van de inhoud van de sproke, bemerkt dat het van enige pluimstrijkerij niet komt. Willem gaat slechts kort in het defensief. De inleidende woorden blijken alleen bedoeld om het publiek gunstig te stemmen voor de in werkelijkheid vermanende strekking van de sproke: aan Willems waarschuwende bewoordingen ontbreken slechts beschuldigende woorden met het noemen van namen. Willem debiteert enkele algemene waarheden met betrekking tot de heren, zoals: rijkdom en eer horen bij de heren, maar God schenkt hen dat (vs.27-39); men moet de heren dienen en het is goed dat zij macht hebben (vs.44-46); en toen men onzag had voor de heer, was het volk deugdzaam (vs.76-77). Maar dat is nog geen vleierij. Eerder gaat het om een aantal `algemeen-aanvaarde', neutrale vaststellingen omtrent de status van de adel en het gezag. Verder bestaat de sproke uit kritische kanttekeningen en een waarschuwend exempel. Zo stelt Willem dat een hoogmoedig heer maar beter arm moet zijn, en dat een goede heer het recht dient te handhaven en de schalken in zijn onmiddellijke nabijheid niet de kans mag geven om het volk kaal te plukken. De heer dient er bovendien wel rekening mee te houden, dat het collectieve gebed van zijn volk hem kan verdoemen en bewaren. Hierop volgt het exempel: alle koningen van Portugal stierven jong, reeds voor hun dertigste. De nieuwe, jonge koning van Portugal gaat hierop te rade bij de oude en wijze koning van Spanje. Deze raadt hem aan om het recht voortaan altijd te handhaven, opdat het gebed van de dankbare onderdanen zijn leven zal verlengen. Een vroege dood is immers Gods straf voor een onrechtvaardig bewind. Dit nam de Portugese koning zich ter harte; hij werd erg oud en stierf zalig. Hildegaersberch eindigt met de waarschuwing aan het adres van zijn publiek om hier terdege rekening mee te houden en verzekert de toehoorders dat hij zelf weliswaar geen oordeel wil vellen, maar dat ieder door God naar zijn eigen maat gemeten wordt.

Vleierij is bij Willem steeds ver te zoeken. De voornaamste taak die hij zichzelf stelde was het spreken van de waarheid, en dat deed hij - in het besef dat men hem dit niet altijd in dank afnam en dat zijn broodwinning er gevaar mee kon lopen - toch telkens behoedzaam maar zeer vastbesloten. Daarbij maakte hij, naast de impliciete verontschuldiging, gebruik van diverse andere technieken, die eventuele boosheid konden bezweren. Willem bediende zich namelijk ook van de strategie van het `indekken' en het maken van `omtrekkende bewegingen'*4 en hij mat zich de nodige autoriteit aan. Beginnen we bij het indekken en de omtrekkende bewegingen: Willem zorgde er bovenal voor dat hij zijn kritiek altijd algemeen hield. Willems succesformule, waarmee hij zijn publiek tegemoet kwam, luidde: wel kritiek, maar niet te specifiek. Niet alleen bereikte hij met algemene bewoordingen een zo breed mogelijk publiek, hij trad ook nooit zo ver in details dat individuele aanwezigen zich te kijk gezet en beledigd hoefden te voelen. Willem laakte bijvoorbeeld de corruptie in de rechtspraak steeds in het algemeen en beschreef geen reële gevallen zo duidelijk dat een bepaalde baljuw of schout zich direct aangesproken kon voelen.*5 Augustijnken bediende zich overigens van dezelfde techniek. Na in Van den scepe forse kritiek te hebben geleverd op de deplorabele toestand waarin het graafschap zich bevond (waarschijnlijk t.g.v. de Hoekse en Kabeljauwse twisten) dekt hij zich aan het slot in tegen de eventuele woede van bepaalde individuen uit het publiek, die zich al te zeer aangesproken zouden kunnen voelen: `Augustiinkijn heeft dit om d'best geseyt, Ende den luden voergeleyt, Niement bisonder, maer gemeyn' (vs.586-588).*6 Willem maakte er vervolgens dan ook een gewoonte van om geen namen te noemen.*7 Slechts in 83.Hoemen voer die eere gaet schulen noemt hij beschuldigend de naam van de (waarschijnlijk niet-aanwezige) wanbetaler Dirc die Commelduer. Hoe vaak de spreker de twistende heren of de schalken ook bekritiseert, hij beschuldigt niemand persoonlijk, al zullen vele toehoorders zeker wel een idee hebben gehad op welke lieden Willem meer in het bijzonder doelde. Het is hierboven al geciteerd: `Wye sy sijn dat sel ic helen [...] Dair die schuldighen sijn voir oghen' (7; 104, 109). Kritiek hoeft bovendien niet altijd direct te worden geuit. De dichter kon ook impliciete kritiek leveren, in de vorm van moralisatie, raadgeving en vermaan. Willem heeft van deze mogelijkheden veelvuldig gebruik gemaakt. Zo wordt in de slotconclusie van 95.Vanden avontmael feitelijk geen regelrechte kritiek geuit: Willem raadt

Dat nyemant hier soe langhe en dwael

Vander langher tafel groot,

Hi en come int lest ten avontmale:

Des onne ons God, wy hebbens noot. (95; 325-328)*8

De spreker lijkt niet meer dan goede raad en moralisatie ten beste te geven. Toch blijkt uit zijn woorden en het feit alleen al dat hij de kwestie aanroert, dat het gedrag van zijn gehoor te wensen over liet: achter zijn woorden gaat kritiek schuil en bepaalde toehoorders kunnen het ook als zodanig hebben opgevat.

De dichter dekte zich verder in door op diverse wijzen distantie te scheppen. We zagen hiervóór dat de Willem van Hildegaersberch die zich in de slotformules in de derde persoon presenteerde niet per definitie mag worden gelijkgesteld met de `ic' in de rest van het gedicht.*9 De `ic' vormde voor een deel een literaire constructie, was de `vertelinstantie'. Zogenaamde persoonlijke ontboezemingen van de `ic' kunnen veelal als topisch worden afgedaan, al lijkt het dat men hier een uitzondering moet maken voor uitspraken over de dichtpraktijk. Op het niveau van de `mentaliteit' verwoorden de sproken natuurlijk grotendeels wel Willems visie op de wereld en laat Willem de `ic' zeggen wat hij vindt. Desondanks lijkt Willem met zijn signatuur in de derde persoon regelmatig afstand te hebben willen scheppen. Vaak ook vermijdt de spreker de `ic'-vorm en neemt hij zijn toevlucht tot de `wij'-vorm. Het gevolg is dat de spreker in zijn vermaan en kritiek ook zichzelf betrekt, om zodoende een saamhorigheidsgevoel te creëren en het publiek mild te stemmen. En ook de neutrale `men'-vorm werd door Willem gehanteerd. Beide vormen vindt men bijvoorbeeld in 113.Vander bedevaert. De dichter maant in het algemeen:

Wy souden haesten tot berouwen

Ende Goede in hopen wel betrouwen,

Ende totter biecht mit conscienci,

Ende int voldoen van penitencie

Daer den wille toe reyden,

Dat mach ons best te weghe leyden. (113; 73-78)

En de dichter besluit zijn sproke op deze wijze:

Dus machmen gaerne maken schoen

Een vuyl consciencie vanden zonden,

Om tgrote loon ten lesten stonden. (113; 106-108)

In de `ghi'-vorm gesteld zouden bovenstaande verzen kritischer, want verwijtender hebben geklonken. Distantie wordt voorts geschapen als Willem z'n kritiek in een fictioneel kader inbedt. De kritiek werd dan geleverd via een vertelling, een fabel, een boerde, een historisch verhaal, een exempel, een allegorie, of een gefingeerde dialoog, en kritische woorden konden in de mond van een fictief personage gelegd worden. Op deze manier maakte Willem een omtrekkende beweging. Van Oostrom heeft op dit aspect veel nadruk gelegd en stelt vast dat in Willems poëtica hetindirecte treffen centraal staat.*10 Men moet daarbij dan veel gewicht hechten aan Willems algemeen verwoorde kritiek, maar minder aan de fictionaliseringstechniek. Fictionalisering is in Willems werk niet echt een bijzonder dominant procédé: vele sproken functioneerden als betoog waarin de (algemene) kritiek direct werd uitgesproken. Bovendien voorzag de spreker zijn fictionele passages meermalen van een navolgend commentaar waarin de kritiek dan nog eens `rechtstreeks' werd geuit. Een andere vorm van `indirect treffen' was het bestraffend toespreken van niet-aanwezig publiek, met de kennelijke bedoeling dat de kritische woorden via een omweg ook effect hadden bij het aanwezige publiek. Deze techniek, die bij Willem overigens vrij zeldzaam lijkt, treft men het duidelijkst aan in 43.Vanden rijcken vrecken: Willem oefent felle en directe kritiek uit op de met `di' en `du' aangesproken rijke vrek. Hij eindigt zijn sproke met een wending tot het publiek: `Ic hoop ten sel ons niet gheschien' (vs.79). Nog een ander wapen dat Willem, alhoewel niet vaak, hanteerde was die van de satirische omkering. In 19.Van mer looft hij de vertegenwoordigers der drie standen met de expliciete bedoeling een omgekeerd effect te bereiken: kritiek.*11

Willem kon zich ook aan beschuldigingen vanuit het publiek onttrekken door zich op anderen te beroepen. Zo beweerde Willem wel bepaalde informatie van-horen-zeggen te hebben, en beriep hij zich op - niet nader genoemde - wijze zegslieden of meesters en op (de hulp van) clerken.*12 Op deze manier hoefde de spreker niet voor alles wat hij zei verantwoordelijk te worden gesteld. Bovendien kon van genoemde wijze lieden en clerken de nodige autoriteit uitgaan - en hiermee zijn we op het onderwerp van Willems autoriteit aanbeland. Willem specificeerde zijn bronnen doorgaans niet en dat kan opzet zijn geweest, want het maakte zijn geclaimde wijsheden lastiger controleerbaar. Het is opvallend dat de spreker slechts eenmaal verwijst naar deLekenspiegel, maar verder zijn ontleningen aan Maerlant, Boendale, Livius etcetera niet expliciet meldt om zijn teksten extra gewicht te verlenen.*13 Extra gewicht trachtte Willem zijn beweringen wel te geven met behulp van spreekwoorden of gezegdes.*14 De sententies brachten, compact geformuleerd, een gefixeerde en algemeen-erkende (volks)wijsheid of waarheid tot uitdrukking; ze ondersteunden of staafden Willems uitlatingen.

De meeste autoriteit ontleende Willem zelf aan zijn beroep op de eer, de waarheid, de Schrift en de geloofsleer.*15 Met de steun van (één van) deze vier in de rug, kon hij zich de meeste kritiek veroorloven. Willem suggereerde steeds duidelijk het verschil tussen eer en schande te zien. Het wapen tegen het wangedrag der heren was hun eigen eergevoel: uitgaande van het sterk ontwikkelde aristocratische eer- en schandebesef kon de dichter de heren op hun eergevoel aanspreken, daarbij een min of meer persoonlijke invulling gevend aan het begrip eer, in de hoop gedragsverandering bij zijn publiek te kunnen bewerkstelligen. De claim die Willem op de Waarheid legt, is nog evidenter. Steeds weer wierp hij zijn retorische talenten in de strijd om de waarheid voor zich op te eisen. De achterliggende gedachte is dat wie de Waarheid in pacht heeft, ook recht van spreken heeft. De dichter moet gehoord worden, en wie de waarheid in zijn woorden onderkent, dient zijn kritiek ter harte te nemen en zijn raad op te volgen. Belangrijk aspect hierbij is de zelfverzekerde presentatie van de spreker; van twijfel aan het eigen gelijk laat de sprookspreker nagenoeg niets merken. Willems zelfpresentatie is die van de dichter-ziener. Van grote (al dan niet gespeelde) zelfverzekerdheid getuigt een slotformule als deze: `Dit raet u Willem, sonder sparen, Van Hildegaersberch, wildijt versinnen, Soe moechdi hemelrijc ghewinnen' (63; 168-170).

Zijn sterkste argumenten ontleende Willem tenslotte aan het bijbelwoord en de kerkleer. Regelmatig keerde hij terug tot de fundamenten van de religieuze waarheid, die zijn publiek moeilijk in twijfel kon trekken. Het geloof vormde dan de basis vanwaaruit hij zijn kritiek formuleerde, een kritiek die zodoende weinig tegenspraak meer duldde - hoogstens van geestelijken die Willem van ongewenste en ondeskundige inmenging zouden kunnen betichten.

Welke kritiek Willem leverde en op wie is reeds duidelijk geworden in de voorafgaande hoofdstukken. Enkele voorbeelden mogen nog even kort worden gememoreerd. Willem laakt de Hoeken en Kabeljauwen om hun twistzucht, de heren worden in het algemeen om hun hebzucht en hoogmoed bekritiseerd. De edelen laten zich niet meer leiden door de principes van eer en rechtvaardigheid. Het volk zucht onder hoge belastingen en uitbuiting. De corruptie in de rechtspraak gaat alle perken te buiten. De kerk is jammerlijk opgedeeld in twee obediënties. De geestelijkheid heeft zich evenzeer overgegeven aan hoogmoed, losbandigheid en hebzucht, de simonie tiert welig. De clerus treedt niet langer op als zieleherder en laakt het wangedrag van de edelen niet meer. Zelfzuchtige en ambitieuze patriciërs zonder oog voor het recht en het algemeen (lands)belang trachten invloed te krijgen in justitiële en bestuurskringen, en weten zich zelfs in de grafelijke raad in te dringen. Vele mensen zijn hun stervensuur niet indachtig. Willems kritiek betrof alle standen, maar toch de adel in het bijzonder.

De volgende vraag luidt: was z'n kritiek terecht? Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Soms schiet specifieke historische informatie te kort en is het bovendien een onmogelijke opgave om Willems kritiek en détail te bespreken. Duidelijk is dat waar de spreker misstanden signaleert als hij het over de Hoekse en Kabeljauwse twisten of het Westers Schisma heeft, hij zonder meer gelijk lijkt te hebben. En ook: de schatkist van de landsheer was in de loop van de 14e eeuw steeds vaker leeg en de behoefte van de vorst aan financiële middelen sluit aan bij Hildegaersberchs klacht dat geld(zucht) een steeds prominenter rol ging spelen in de politiek. De bewering dat het volk gezucht zou hebben onder te hoge belastingen en uitbuiting, lijkt niet geheel ongegrond. De krijgstochten tegen Friesland waren bijvoorbeeld een financieel fiasco, en veel van de lasten zijn op de schouders van de steden en dus de stadsbevolking terecht gekomen. De steden gingen uiteindelijk ook dwarsliggen.*16 Toch kan men zich in dit geval afvragen of Willem de situatie niet wat te zwart afschildert. Willems kritiek op de geestelijkheid vindt daarentegen serieuze steun bij de kritische stem van de moderne devoten. Zijn klachten over de corruptie in de rechtspraak kunnen niet als overdreven worden afgedaan als we de situatie in het Holland van de tweede helft der 14e eeuw bezien. Willems kritiek op de derde of vierde stand lijkt de reële ambities tot sociale mobiliteit en standsoverschrijding van het patriciaat te weerspiegelen. Zeer globaal genomen, en met de nodige reserve, kan men concluderen dat Willems kritiek goeddeels terecht was, al heeft hij soms beslist ook overdreven.

De spreker preekte met zijn vermaan en kritiek - zoals gezegd - geen revolutie, doch veeleer restauratie. Het was geenszins zijn bedoeling orde en gezag te ondermijnen, maar juist deze te herstellen. Te dien einde leverde Willem niet alleen kritiek op de heren, hij steunde hen ook. Het wereldse gezag kwam de adel rechtens toe. Men kan zich vervolgens afvragen of de veronderstelling gerechtvaardigd is dat Willem - de heren bekritiserend en steunend - vooral zijn directe aristocratische begunstigers in de kaart speelde. Deze veronderstelling blijkt slechts in een beperkt aantal gevallen geldig. De tweede, titelloze sproke behartigt, ondanks Willems pleidooi voor stedelijke welvaart en algemeen belang, beslist de belangen van de landsheer. De voordracht van zo'n gedicht aan het Haagse hof, ten overstaan van de verzamelde stadsbestuurderen, zal Willem zeker door Albrecht of Willem VI in dank zijn afgenomen. De spreker raadt in het gedicht immers alle stadsbestuurderen aan eendrachtig te zijn, want alleen daarmee verleent men zijn landsheer een goede dienst:

Willen si horen heer ontsien,

Ende binnen dragen over een,

Ende daer in bliven voert gestade,

Soe eest een stat van wisen rade. (2; 103-106)

De stadsbestuurders moeten er voorts voor zorgen dat nering en handel bloeien, want dat komt de economie van de steden ten goede. De dichter zwijgt hier weliswaar over het belang dat ook de landsheer had bij een gezonde stedelijke economie, maar de gevolgtrekking ligt voor de hand. Wel zegt hij dat `scoutheit, scepen ende raet' de welvaart niet teniet mogen doen door hun eigen hebzucht te bevredigen. Op de eerste plaats noemt Willem echter de trouw aan de landsheer als van cruciaal belang:

Int ierst: mit horen rechten heer

Soe sullen si vrienscap maken vast

Ende ummer daertoe sijn gepast

Daer in te bliven na vermogen.

Waen heeft menigen bedrogen, (schijn)

Die tegen sinen heer began te stuynen; (zich verzetten)

[...]

Mer hoers heren wedermoet (ontevredenheid)

Die sullen si wachten ende myden

Waer si mogen tallen tiden.

Al boede die heer al ombesceit (gebood iets onredelijks)

Bi logentael, die wort gespreit, (t.g.v.)

Dat salmen wiselijc vervolgen (werk van maken)

Mit sueten woerden onverbolgen,

Ende ummer smeken ende nygen,

Om hoers heren hulde te crigen. (2; 46-52 en 58-66)

De valse raadgever zal ten langen leste gestraft worden, voegt Willem hier nog aan toe. Ook het economische motief ontbreekt nu niet: `Een heer en mach daer niet af riken, Die mit sinen luden wort contraer' (vs.78-79).

De sproke 76.Vander rekeninghe speelde ook evident in de kaart van de Hollandse graaf: de verzamelde rekenplichtige ambtenaren aan het hof wordt in het gedicht voorgehouden om niet te knoeien met de rekeningen. En in 56.Van feeste van hylic wordt onder meer het gezag van de landsheer gerechtvaardigd. Welbeschouwd is er geen enkel gedicht waarin Willem de suprematie van adel of vorst principieel in twijfel trekt. In bepaalde gevallen, zo kan men concluderen, wordt het publiek - geheel conform Willems standenideologie - het gezag van de vorst voorgehouden en kunnen bepaalde sproken van Willem duidelijk ten gunste van de maecenas gefunctioneerd hebben.

Maar de landsheer, zelfs al was hij maecenas, was niet boven alle kritiek verheven. Steun, kritiek en vermaan vallen de heren en de vorst ten deel, zoals in 120.Dat elc sinen meerren ontsiet:

Wyen wy prisen, dien of desen,

Wil een man ghetrouwe wesen,

Soe sel hi sijn gherechten heer

Minnen ende bewisen eer

In woirden, in wercken, waer hi can. (120; 1-5)

Deze opmerking steunt het vorstelijk gezag, maar even verder heet het over de vorst:

Een heer sel staen in ghelijcker waerde (met gelijke maat meten)

Over sijn volc recht als een haerde,

Die sijn scaepkijns wel behoet,

Dat hem die wolf gheen schade en doet.

Wye den wolf sijn schapen bevelt,

Die en is ter wijsheit niet ghestelt. (120; 11-16)

Weer verder zegt hij over de vorst en de raadsheren:

Wil een heer by rade leven,

Ende raet hem yemant el dan goet,

Die waen ic wel dat zeer misdoet.

Een heer die moet sijn rade ghetruwen,

Mar den rade mach wel gruwen

Te raden, waren sijs wel voersint,

Daer een oerloghe of beghint. (120; 30-36)

Willem waarschuwt veelvuldig voor de schalken*17, zowel de corrupte rechters in dienst van de landsheer, als de valse raadgevers aan het hof die uit eigenbelang de vorst vaak tot verkeerde beslissingen trachtten te verleiden. Het gedrag van de schalken was hoogst laakbaar en daarom vormden zij een smet op het blazoen van de vorst. Want het was vooral een schande dat de schalken in den lande en aan het hof van de heren en de vorst nota bene de gelegenheid kregen om hun praktijken ten uitvoer te brengen. Dit `gelegenheid geven' verwijt Willem de edele machthebbers, onder wie zich toch ook z'n broodheren bevonden. Men zie de volgende strofe uit73.Dit is vander ghiericheit:

Waer die scalken boven rysen,

Daer mach die goede wel off grisen,

Want sy sijn ghierich ende wreet;

Wye wel doet, den hebben sy leit,

Dat doet, hoer wesen is contraer.

Mochtmen tsien int openbaer

Off bekennen wye sy waren,

Die den heren dus beswaren,

Dat sy der eren naem verliesen,

Men soudse nyet te rade kyesen,

Die nu den goeden sijn dus wreet. (73; 25-35)

De `dienres' die Willem in 7.Vanden coninc van Poertegael laakt omdat zij `mit ghewelt om tfordeel poghen' (vs.110), vormen eveneens een smet op het blazoen van de heer. Immers: `Dat mindert zere der heren naem, Dat sy den schalken trecht bevelen' (vs. 102-103). De vorst zou erop moeten toezien dat in zijn land geen onrecht door hen gedaan wordt, stelt de dichter in deze sproke. Een dergelijke raadgeving - een impliciet verwijt - mocht natuurlijk ook bijvoorbeeld de Hollandse graaf ter harte nemen. En men kan tevens vermoeden dat een vorstelijke maecenas zich mocht aantrekken wat zijn heren en ridders aan wandaden verrichtten. Dit wordt door Willem belicht in 11.Dit is van beschermen. In 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven houdt de spreker zijn gehoor van heren en vrouwen voor dat zij door God naar hun eigen maatstaven geoordeeld zullen worden. Hij voegt eraan toe:

Hebdi enen schalken knecht,

Diet volc mit onrecht zeer bescheert,

Ende ghi dan mede der baten gheert,

Ende laet hem daer om dienre bliven,

Tonrecht sal an u becliven (21; 138-142)

Met deze kritische uitspraak zal Willem zeker geen uitzondering hebben gemaakt voor z'n broodheren: al wie de schoen past, trekke hem aan. Voorts kon iedere adellijke broodheer de moralisatie uit 33.Van dominus ter harte nemen. Willem maant onder andere aan tot gehoorzaamheid aan God en de clerus, tot rechtvaardigheid en `Ontfarmicheit' over het `arme diet' (vs.119-120). En hij meent:

Een heer sel kennen onderscheit

Wye tot sinen rade coomt:

Het raedt die menighe om dat hem vroemt.

Waende hire by comen in schade,

Hi en quame niet tot sinen rade. (33; 52-56)

Moralisatie en vermaan hebben hier weer een kritische ondertoon: met de deugdzaamheid der heren was het nog lang niet ideaal gesteld. De nodige kritiek oefent Willem ook uit in 36.Van Affricanus, waarin hij onder meer verzucht:

Ic wilde elck heer hem wel bedochte

Off sine raden, ende deded vraghen

Wye den oirbair gheerne saghen,

Ende setten die in horen dienst (36; 126-129)

De heren moeten ook rechtvaardige rechters aanstellen en hen controleren: `Die verre sitten vanden heer, Daer soudmen somwijls trecken by Ende oversien hoet mit hem si' (vs.190-192). Zoals hiervóór reeds is opgemerkt, zou dit als kritiek aan het adres van Albrecht van Beieren kunnen worden aangemerkt: de graaf verkoos meer en meer zijn vaste residentie in Den Haag boven het rondreizen in zijn graafschappen. In 39.Vanden meerblade levert Willem niet alleen kritiek op de vleier die zich aan het hof een plaats heeft verworven, hij verwijt de heren ook dat zij de vleier toelaten. Bovendien stoort het Willem dat niemand de heren meer op zoiets durft aan te spreken: `Nu en isser nyemant alsoe coen Die den heren dar castien' (vs.44-45). Men zou eraan toe kunnen voegen: behalve Willem. Indien we voor dit gedicht een vorstelijke maecenas mogen veronderstellen, dan lijkt hem het nodige te verwijten in deze sproke. In 96.Vanden droem wordt middels een (distantie scheppend) droomvisioen met Natureingang en allegorische figuren waarschijnlijk kritiek uitgeoefend op de toestand in het land (Holland?). Volgens het gedicht is de schalk aan de macht gekomen, vieren afgunst en hebzucht hoogtij, en zijn eer, trouw en gerechtigheid verdwenen. Heren en vorst zijn ooit aangesteld om het recht te handhaven, zo stelt Willem in 101.Hoe die heren eerst quamen. De dichter houdt de vorst echter dreigend het verleden voor ogen:

Ende waer dat hi gheen recht en dede,

Soe en soude hem myede noch bede

Helpen, hi en soude tlijf verliesen

Ende sonder beyden een ander kiesen:

Aldus most emmer recht gheschien. (101; 105-109)

Met deze woorden betoont Willem zich eerder kritisch ten opzichte van het landsheerlijke gezag dan onvoorwaardelijk solidair. De boodschap in Willems sproken was veelvuldig dat het niet goed ging met de maatschappij, en zoiets mocht de vorst als hoogste gezagsdrager en eerstverantwoordelijke toch ook aangerekend worden - alhoewel Willem dat voorzichtigheidshalve nooit met zoveel woorden heeft gezegd. Niets wijst erop dat Willem met zijn kritiek op de heren in het algemeen een uitzondering maakte voor vorst of broodheer. Ook de landsheer mocht zich aangesproken voelen wanneer de sprookspreker de hebzuchtige heren vermaande, de corruptie in de rechtspraak bekritiseerde, de heren bestraffend toesprak over het kaalplukken van de bevolking, over te hoge belastingen en twist, of eenieder waarschuwde voor het plegen van overspel. Willems religieuze vermaan zal eveneens óók aan het adres van de maecenas zijn gericht.

De conclusie moet derhalve luiden: de sproken van Willem van Hildegaersberch haddengrosso modo een (sterk) moraliserende, vermanende en bekritiserende functie voor alle leden van zijn publiek. En alhoewel zijn vermaan en kritiek verschillende malen functioneerden ten gunste van vorst en maecenas, was de gezagsdrager veelal niet boven alle kritiek verheven. Natuurlijk waren graven als Albrecht en Willem VI niet de enige broodheren van de spreker. Zoals we reeds zagen moeten we Willems begunstigers niet alleen aan het hof zoeken, maar ook in stad en klooster. Zoals hiervóór is geconstateerd, is een aantal sproken dat in een stedelijk-burgerlijk milieu zal hebben gefunctioneerd minder kritisch en veeleer instructief of `zelfbevestigend' van karakter. In deze gevallen lijkt Willem publiek en begunstigers wat meer in moraal tegemoet te komen - men denke aan motieven als solidariteit, rechtvaardigheid en arbeidsmoraal. Anderzijds mag men vermoeden dat waar de landsheer zich al bepaalde kritiek mocht aantrekken, de andere broodheren daar zeker niet van verschoond bleven, of het nu om een patriciër of een abt ging. Dememento mori-thematiek ging bijvoorbeeld eenieder aan. De koopman-bankier kon zich wellicht de kritiek op de woekeraar aantrekken*18, terwijl Willem de geestelijke bijvoorbeeld kon confronteren met de misstanden binnen de kerk*19 en het dubbele pausschap als teken aan de wand.*20 Het is derhalve volkomen onverdiend dat Knuvelder onze sprookspreker degradeert tot ogendienaar.*21 Ondanks financiële afhankelijkheid en zijn geringe sociale positie, voelde Willem zich allerminst geroepen tot het vervaardigen van vleiende lofdichten en liet hij zich niet weerhouden van het uitoefenen van wezenlijke kritiek.

Een andere intrigerende vraag is wiens belangen Willem van Hildegaersberch met zijn werk en kritiek nu eigenlijk behartigde. Het meest voor de hand liggende en niet onware antwoord luidt: de belangen van hemzelf en zijn beurs. Spreken was zijn broodwinning en voor (correct ingeklede) kritiek bleek wel zeker een `markt' te zijn. Dit is echter maar een deel van het antwoord. Willem behartigde tevens de belangen van adel en maecenas. Hij rechtvaardigde enerzijds hun suprematie, maar vervulde ook als criticus een gewaardeerde functie. Kennelijk voorzag zijn kritiek in een behoefte en was men bereid Hildegaersberch de gelegenheid te geven om te spreken en hem voor zijn rol van collectief geweten te belonen. Blijkbaar beschikte het publiek over het nodige relativerings- en incasseringsvermogen.*22 Verder behartigde hij de belangen van het volk, in die zin dat hij regelmatig de bevolking tegen de heren in bescherming nam. Hier onderkennen we meer stedelijk-burgerlijke belangen. Hij pleitte voor rust en vrede, voor gerechtigheid en redelijke belastingen, voor maatschappelijke en economische stabiliteit die de nering en handel van de bevolking slechts ten goede konden komen - en dit was vervolgens ook in het belang van (de schatkist van) de adel, zo legt Willem uit. Maar de sprookspreker heeft zich ook opgeworpen als verdediger van kerk en geloof. In het bijzonder de geloofswaarheden waren boven alle kritiek verheven: zij vormden steeds weer de rode draad door zijn moralisatie, vermaan en kritiek. Op het meest abstracte niveau, zo moet men concluderen, behartigde Willem in zijn gedichten de belangen van de wereld, de mens en God. Dat klinkt pretentieus, maar Willems werk was bepaald niet van (grote) pretenties vrij. De wereld moest beter worden, de wereldorde hersteld. Met het lot van de mens was hij evenzeer begaan. De mens moest respect en liefde voor zijn medemens worden bijgebracht, en hij diende tevens te worden doordrongen van de heilsleer. De mens had vaak te weinig oog voor het feit dat hij zich binnen afzienbare tijd tegenover God moest verantwoorden. Slechts de smetteloze ziel die zich kon beroepen op goede werken kon de hemel en het eeuwige leven beërven. Willem zet uiteindelijk Gods (heils)plan met de wereld en de mens uiteen: de drie standen waren van God gegeven en ieder mens kreeg zijn specifieke taak toegemeten. Wie naar behoren zijn opdracht op aarde vervulde en leefde naar Gods geboden, keerde conform de Goddelijke wil terug tot zijn Schepper. Willems werk diende derhalve diverse belangen, niet om evenzovele broodheren naar de mond te praten, maar omdat hij persoonlijk in alle oprechtheid gemeend heeft dat deze belangen gediend moesten worden.

Keren we nogmaals terug tot Willems kritiek met de vraag of zijn kritiek enig effect heeft gehad. Aan de ene kant blijkt dat de spreker om zijn gedichten werd gewaardeerd*23, óók om zijn oppositie. Willem fungeerde als collectief geweten, vervulde een gewaardeerde horzelfunctie*24, en werd hiervoor beloond. Waardering betekent evenwel nog niet dat Willems vermaan en kritiek ook echt effect hadden. Als men de spreker in zijn gedichten mag geloven dan was het effect niet al te groot, immers, uit verschillende sproken klinkt de klacht over het soms geringe effect dat zijn `lering' had. De verzuchting over de `selectieve, chronische hardhorendheid' van z'n publiek getuigt van een zekere (oprechte) frustratie. Maar met een dergelijke klacht lijkt de dichter tevens de aandacht van het publiek te willen trekken om het belang van zijn boodschap te benadrukken. Bedoelde klachten waren kortom deels retoriek. Het was Willems opzet dat z'n publiek niet louter vrijblijvend kennis nam van de moraal van z'n sproken, maar dat de toehoorders ook wezenlijk doordrongen raakten van het gewicht van zijn moraliserende en vermanende woorden, en zich richtten naar zijn uitgedragen leer. Mistroostig doch niet verslagen klinkt het, breed geformuleerd, in 109.Vanden vier cussen:

Wat ic dichte of beghin,

Tfolc is so hart van syn,

Datter luttel na gheschiet;

Doch ist beter wat dan niet. (109; 1-4)

Ook in 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten beklaagt Willem zich, omdat zijn gedichten in de loop der jaren niet het gewenste effect hebben gesorteerd. Het publiek heeft zich van zijn vermanende woorden weinig aangetrokken, getuige de persoonlijk-gekleurde, bespiegelende openingsverzen:

Ic bin al moede, ic wil gaen rusten,

Van des mi wilen plach te lusten

Des wordic sat, en weet niet hoe.

Oft al om niet is dat ic doe,

Wat sel dan arbeit onderstaen?

Veel te yaghen sonder vaen

Dat maect int leste ongheneucht. (onvoldaan)

Werck ic salicheit nochte duecht, (bewerk)

Soe ist al arbeit teghen spoet.

Schone exempelen ende goet

Heb ic ghesproken voerden heren:

Al mijn dichten ende leren

Is gherechticheit ende eer, (behelst)

Die betaemt wel elken heer,

Hadsi mijn leer te recht onthouden,

Als si alle billics souden. (111; 1-16)

Indien de schijn niet bedriegt en achter deze woorden niet louter topiek en effectbejag schuilgaan, dan klinkt hier toch ook de teleurgestelde stem van de gedreven wereldverbeteraar, die goeddeels tevergeefs zijn ziel en zaligheid gaf om zijn onwillige publiek op het rechte pad te krijgen. In hetzelfde gedicht verzucht hij dan ook: `Dus clop ic veel an doofmans doer, Al roep ic lude, en mach niet in' (vs.72-73). In 73.Dit is vander ghiericheit is het: `Want ic strijc op dove snaren' (vs.241), in 7.Vanden coninc van Poertegael zegt hij: `Twaer en gaet hem niet in doren, Men sel die waerheit laten rusten' (vs.8-9) en in 119.Vanden hofman provoceert Willem zijn publiek met de ontgoochelde uitspraak `Ic bin vergheten tmeeste deel' (vs.51). Hij klaagt in 31.Van sterven`Al sla ic zeer, en rake nyeman' (vs.118) en hoopt met zo'n uitspraak mogelijk het omgekeerde effect af te dwingen. Hij buit het motief kortom wel ten eigen bate uit. Immers, met de klacht over het geringe effect van zijn leer benadrukt de dichter impliciet zijn wens dat het omgekeerde het geval zou zijn: men zou zijn behartigenswaardige woorden niet in de wind moeten slaan. Dit impliceert dat hij zich rekent tot de ware dichters met een boodschap, die met hun teksten iets essentieels te zeggen hebben.

Willem beseft dat zijn publiek niet altijd een open oor had voor zijn waerheit; hij beseft soms ook zelfs tegen de haren van het publiek in te strijken, zodat de `waarheid' niet beklijft. Naar zijn zeggen lag de voorkeur van het publiek meermalen bij andere zaken dan zijn leer.*25 In82.Van ruste getuigt hij:

Die dichters heten nu ten tyden,

Hoe moghen si in dichten hem verbliden!

Men doet der consten luttic eer:

Onnutte dinghen prijstmen zeer,

Die dichters schuldich sijn te laken. (82; 1-5)

Men mag dit niet afdoen als louter stemmingmakerij, noch menen dat Willem alleen ernstige concurrentie ondervond vanuit de hoek van de amusementskunsten: er dient ook nog met iets anders rekening te worden houden, waarop Green gewezen heeft.*26 De voorkeur van de hofadel ging eerder uit naar andere vormen van vermaak dan naar de dichtkunst. De jacht en het toernooi overtroffen de poëzie verre in populariteit. Verder waren er allerlei spelletjes - men denke aan schaak, dobbelspel, kaartspel, gokken, kegelen - die de tijd op aangename wijze kortten. Ook dansen en musiceren waren geliefde bezigheden. En het is een misvatting dat aan het hof voortdurend de hoofse voornaamheid en de goede smaak de boventoon voerden. Men schiep evenveel behagen in allerlei triviaal vermaak. Een aardig voorbeeld hiervan treffen we aan in de Hollandse rekeningen: in 1345 staat een betaling geadministreerd voor `I knecht, hiet Brabander, om dat hi hem up sijn hoeft liet slaen hoe seere men woude, I scilt'.*27 Het aandeel van (en het belang van) literatuur, aldus Green, mag in het gewone hofleven niet overschat worden. Buiten de hofkringen zal dat naar alle waarschijnlijkheid niet anders zijn geweest. Als Willem klaagt over gebrek aan interesse in en effect van zijn teksten zal dat zeker niet alleen op inbeelding zijnerzijds berust hebben.

Ondanks dit alles heeft Hildegaersberch zich niet uit het veld laten slaan en geen noemenswaardige concessies aan de (triviale) smaak van zijn publiek gedaan. Hij heeft zijn werk niet louter afgestemd op de wensen van zijn gehoor*28:

Die die quaetheit willen laken

Entie waerheit openbaren,

Die striken wel op dove snaren.

Doch men sel den dommen leren

Waer te spreken voerden heren.

[...]

Hierop willic wesen coen

Ende spreken twair na mijn vermogen. (24; 18-27)

Willem gaf het niet op, ook al botsten de wensen van het publiek en de waarheid, zo blijkt ook uit112.Twisschen wil ende die waerheit: `En weet wat seggen, noed swijch ic stil' (vs.1).

Hoe scherp Willems kritiek soms ook was, het publiek had altijd een aantal ontsnappingsmogelijkheden. Men kon zich er altijd van af maken met de gedachte dat het maar om dichtkunst ging. Bovendien kon een sprookspreker geen reële bedreiging vormen. Maar ook gold voor Willems algemeen gestelde kritiek: wie de schoen past, trekke hem aan. Het stond iedere toehoorder vrij te menen dat de schoen hem niet paste, en dat Willems kritiek niet hemzelf, maar zijn `buurman' betrof.

Over het werkelijke effect van Willems kritiek valt uiteindelijk ook weinig te zeggen. Trachtte Albrecht van Beieren zich boven de Hoekse en Kabeljauwse partijen te plaatsen (mede) omdat Willem daar op aandrong? Stelde Albrecht zich neutraal op in het Schisma dankzij de spreker? Ging de graaf de corruptie in de rechtspraak te lijf op aanraden van Willem? We weten het niet. Kon een spreker zoveel invloed uitoefenen? Wat dit aangaat moet hier tot slot nog aandacht worden gevraagd voor 81.Vanden sloetel, ook al omdat Willems behandeling van de stof exemplarisch is voor wat in deze paragraaf is besproken.

De sproke 81.Vanden sloetel zal bedoeld zijn geweest om Albrecht van Beieren, zijn vrouw Margaretha en de grafelijke raad gunstig te stemmen ten aanzien van Leiden en zijn poorters, en te overtuigen van de loyaliteit van de stad. Het gedicht moet namelijk begrepen worden in de context van het Pinksteroproer van Leidse textielarbeiders in 1393 ten behoeve van vrije gildes. Het was in de 14e eeuw in Holland verboden om vrije gildes te vormen. De gildes die in Leiden waren toegestaan, stonden onder volledige controle van het stadsbestuur en hadden geen enkele macht. In 1393 zetten de textielarbeiders het stadsbestuur zodanig onder druk, dat de geïntimideerde regenten een keur uitvaardigden vóór vrije vorming van ambachtsgildes en vrije keuze van hoofdmannen. Albrecht van Beieren, hierdoor gealarmeerd, stuurde met Pinksteren zijn grafelijke raad naar Leiden voor een vergadering met het stadsbestuur. Het kwam niet tot een nietigverklaring van de ordonnantie omdat de Leidse bevolking zich onder leiding van opstandige vollers op de bewuste 25e mei 1393 bij de komst van de raad gewapenderhand verzette. Tussen 26 en 29 mei maakte Albrecht zich in ijltempo op voor een belegering van Leiden, maar de graaf bleek bij machte de stad zonder strijd tot overgave te dwingen. De harde kern van de opstandelingen, een twaalftal Leidenaars, werd levenslang verbannen en kreeg een bedevaart naar de St.Pieter in Rome opgelegd. Nog eens vele tientallen oproerige Leidenaars werden tot nader order verbannen. En de stad moest een boete opbrengen van vijfduizend Hollandse schilden. Op 16 juni 1401 verklaarde Albrecht van Beieren in een brief zich te hebben verzoend met de meeste ballingen `dair wy van onsen vrienden wail of onderwyst syn, ende verstaen hebben, dat sy dier brueken [...] onsculdich syn, ende waren, ende dat sy jegens ons niet anders toe ten tiden en deden, noch sint gedaen en hebben, dan goide luden horen rechten Lantsheere sculdich waren ende syn te doen' en dat bedoelde ballingen zich `mit ons weder gezoent hebben'.*29 Genoemde personen behoorden niet tot de harde kern der oproerigen, maar werden in 1393 al tot de `meelopers' gerekend.*30

Dat de hele Leidse kwestie tussen 1393 en 1401 gevoelig zal hebben gelegen in Haagse hofkringen, moge duidelijk zijn. Het behoeft derhalve niet te bevreemden dat Willem in81.Vanden sloetel de nodige omzichtigheid moest betrachten. De sproke opent met een Natureingang, meteen al een indicatie dat er iets literairs, iets fictiefs gaat volgen. De dichter geeft openlijk aan dat hij moet oppassen, en hanteert de impliciete verontschuldiging:

Want een dichter moet hem hoeden

Voerden ghenen diet sullen horen,

Dat sijs in nide noch in toorn

Niet en nemen dat hi maect;

Doch wert menich man ghelaect

Onverdient ende buten schouden. (81; 26-31)

Er volgt een uitgebreide insinuatio, een in de retorica toegepaste indirecte openening, waarbij het gevoelige onderwerp niet genoemd wordt. Willem varieert op het thema `sleutel en slot'. Zo zet hij uiteen dat de hemel gesloten werd na Lucifers val en de zondeval. God is slot en sleutel. Met Christus kwam de Verlossing en werd de hemel weer ontsloten. Jezus verleende St.Petrus de sleutelmacht (zie Matth.16:18-19). Dankzij Jezus bleef Petrus ook standvastig toen hij uit gevangenschap ontsnapte en uit Rome wilde vluchten. Jezus deed Petrus namelijk op z'n schreden terugkeren, toen deze Hem met het kruis op Zijn rug zag lopen om Zich in Rome opnieuw te laten kruisigen. Hierop zag Petrus zijn misstap in en keerde terug naar Rome, waar hij stierf (St.Petruslegende*31). Willem gaat dan over tot meer wereldse lering: het is lang voorspeld dat er tijden aanbreken waarin niets meer veilig is, zegt hij. Nu is het zover en alles moet achter slot en grendel. Niet alleen moet men z'n goederen veilig stellen, men moet er ook voor zorgen dat het leven van de landsheer in veiligheid is.

De insinuatio eindigt met vs.269 en heeft vooral het religieuze en thematische fundament gelegd voor de rest van de sproke. Willem schept een religieus kader, waardoor de Leidse kwestie even later zijn plaats in de hele heilsgeschiedenis zal blijken te hebben: door de hoogmoed der Leidenaars kwam het immers ook voor hen tot een `zondeval' en heeft de landsheer hen zijn genade onthouden. Toch heeft Leiden altijd een sleutelrol gespeeld in het beveiligen en beschermen tegen het kwaad. En zoals Jezus Petrus tot sleuteldrager maakte, zo maakte de vorst Leiden ooit tot betrouwbaar sleuteldrager. Beiden begingen ooit een misstap, doch maakten dit ook weer goed. De parallel die Willem trekt tussen Petrus en Leiden is niet willekeurig. Petrus was de belangrijkste patroonheilige van de oudste kerk te Leiden en de beschermheilige van de stad. De officiële zegels van de stad Leiden uit de 13e en 14e eeuw beelden veelvuldig St.Petrus af met een sleutel in de hand. En het 14e eeuwse wapenschild van de stad, de twee gekruiste sleutels, is een opvolger van de afbeelding met een enkele sleutel en het embleem van St.Petrus.*32 Men zij er verder aan herinnerd dat de grootste raddraaiers in het Leidse oproer een bedevaart naar de St.Pieter in Rome moesten maken.

De sproke vervolgt met een literair droomvisioen, wederom een indicatie voor fictie. In een kamp van legertenten komt de ik-figuur te spreken met een knaap. Dat Willem hiermee een fictief personage sprekend opvoert, is weer een retorische kunstgreep (fictio persona). De knaap legt uit dat het de Leidenaars zijn die 's nachts de tent van de landsheer bewaken (een gebruik dat inderdaad door Floris V werd ingesteld*33). De Leidenaars hebben dit voorrecht verdiend, zo zegt de knaap, omdat zij in het verleden de grens zo trouw hebben bewaakt op de legendarische Brittenburg (bij Katwijk).*34 Voor hun verdiensten aldaar hebben zij de sleutel ontvangen, waarvan Leiden er twee voert in het wapenschild. De Leidenaars, voegt de knaap toe, hebben hun heer altijd dapper, trouw en eervol bijgestaan in de strijd. De goede verstandhouding is nu weliswaar verstoord, maar: `Si sijn soe vroet, Mijn heer [=Albrecht], mijn vrou [=Margaretha van Kleef]' en de grafelijke raad, dat ze de sleutelstad niet zullen vergeten. (vs.392-393). `God bewaer die stede van Leyden' (vs.404), roept de knaap en maakt vervolgens toespelingen op het Pinksteroproer. Hij distantieert zich van de opstand tegen het gezag en memoreert de maatregelen die de vorst nam. Ook benadrukt de knaap dat de Leidse elite, het stadsbestuur, nooit het vertrouwen van de vorst heeft willen beschamen. De vorst zou op zijn beurt alle trouwe daden van Leiden in het verleden moeten gedenken en zich niet langer beklagen over de stad en z'n poorters. Hiermee einigt het droomvisioen. Met geen woord wordt gerept van het ware motief voor het oproer, het vormen van vrije gildes. Er wordt slechts gezinspeeld op een kortstondig moment van `feodale' ontrouw van een klein groepje opstandigen, en verder wordt vooral de feitelijke loyaliteit van Leiden in verleden en heden onderstreept.

Willem sluit af met een aantal bescheidenheidsformules. En hij concludeert: `Lozen waen heeft zere bedroghen Den ghenen, die selve gheen archeit en myenen' (vs.494-495); de bedrieglijke schijn heeft sommige Leidenaars een rad voor ogen gedraaid, terwijl ze niets kwaads in de zin hadden. Dit lijkt betrekking te hebben op de veroordeelde `meelopers' die verbannen waren, en die zich door de harde kern der opstandigen hadden laten verleiden. In het slotwoord wordt onderscheid gemaakt tussen dichter Willem en de `ic'-voordrager. Aangezien de sproke Leidse belangen behartigt, lijkt het niet onaannemelijk dat Willem deze (versie van de) tekst heeft gemaakt in opdracht van het Leidse stadsbestuur (of andere belanghebbenden in de Leidse kwestie). Het is voorstelbaar, dat Willem met een Leidse delegatie van bijvoorbeeld stadsbestuurders is meegereisd naar de graaf toe, alwaar een lid van die afvaardiging als (mede)voordrager van de sproke is opgetreden. De sproke kan dan gefunctioneerd hebben binnen een algemeen verzoek om clementie of herziening van het vonnis, of ten behoeve van een afvaardiging met de bedoeling de loyaliteit van Leiden te benadrukken.

Het moge duidelijk zijn geworden hoe omzichtig Willem hier te werk is gegaan en hoe hij zichzelf telkens indekt (de Natureingang, de insinuatio als omtrekkende beweging, een bijbelse basis, het droomvisioen, de fictio persona, het vermijden van iedere toespeling op gildevorming, het scheppen van distantie en de bescheidenheidsformules). Dat de sproke als pleitdicht voor Leiden tussen 1393 en 1401 heeft gefunctioneerd, lijkt evident.*35 Uit de sproke blijkt nogmaals dat de vorst niet onfeilbaar was (zie wat hiervóór besproken is). Ook al blijft het impliciet en wordt de graaf zelfs `vroet' genoemd, toch worden in het gedicht vraagtekens geplaatst bij Albrechts verbolgenheid en zijn volharding in de beslissing tot verbanning van opstandige Leidse ambachtslieden. Willem betoont zich weliswaar allerwegen gezagsgetrouw, hij schaart zich niet aan de zijde van zijn grafelijke begunstiger maar aan de zijde van het Leidse stadsbestuur (zijn opdrachtgevers?). Daarmee keren we terug tot de vraag of Willems gedicht enige invloed kan hebben uitgeoefend op de besluitvorming van Albrecht van Beieren. Blok meent dat het gedicht `dienen moest om hertog Albrecht in 1393 gunstig te stemmen voor de onrustige stad'.*36 Men zou kunnen denken aan het optreden op 24-6-1393 te Haarlem, nog geen drie weken nadat Albrecht zijn strafmaatregelen had bekend gemaakt.*37 Met zo'n vroege datering zal het gedicht geen invloed hebben gehad op de gratieverlening in 1401. Indien in de `oorspronkelijke' versie van het gedicht gesproken wordt over `mijn vrou' (vs.393) en hiermee Margaretha van Kleef bedoeld wordt, dan kan de tekst echter niet vóór april 1394 zijn uitgesproken. De Hollandse rekeningen maken ook melding van een optreden van Willem voor de graaf en zijn voltallige raad op 4-4-1401, ruim twee maanden voordat Albrecht zijn vonnis herzag. Jonckbloet voelde, zonder de rekeningpost te kennen, veel voor het jaar 1401, onder andere vanwege de formulering in Albrechts brief: `dair wy van onsen vrienden wail of onderwijst sijn, ende verstaen hebben dat sy dier brueken [...] onsculdich sijn ende waren'. Jonckbloet vermoedde dat Willem één van die vrienden was en `groot aandeel' had gehad in die verzoening, sterker nog, hij geloofde niet `dat er getwijfeld zal worden aan den samenhang van het gedicht en het feit der amnestie van 1401'.*38 Maar Te Winkel toont zich wellicht terecht gereserveerd over deze veronderstelling.*39 Als de sproke al enige invloed heeft gehad op Albrechts beslissing, zo mag men vermoeden, dan zal dat niet louter en alleen Willems verdienste zijn geweest.

Er hoeft welbeschouwd overigens geen betaling voor Willem in de Hollandse rekeningen te zijn geboekt: misschien droeg een Leidenaar 81.Vanden sloetel voor, misschien zelfs in Leiden, toen de graaf er met zijn gevolg vertoefde. En wellicht was het een Leidse stadsbestuurder die Willem heeft beloond voor zijn sproke.