Niettegenstaande hun (juridisch gezien) rechteloze en eerloze status - indien onbehuisd - , en ondanks de kerkelijke veroordelingen vond het varende entertainersvolk in de hoge kringen doorgaans een warm onthaal.*1 Als Willem gebrek aan waardering voor zijn werk bij het publiek suggereert*2 en als hij bijvoorbeeld in zijn latere sproke 119.Vanden hofman verzucht `Ic bin vergheten tmeeste deel' (vs.51)*3, dan lijkt het aannemelijk dat Willem overdrijft. Hij wendt hier retorische middelen aan om een tegenovergesteld effect te bereiken: de bevestiging van de waardering voor zijn dichtwerk door het publiek. Diverse gegevens duiden er namelijk op dat Willem doorgaans wel degelijk hoog werd gewaardeerd door zijn publiek en dat hij niet reeds tijdens zijn leven in vergetelheid raakte.
In de eerste plaats wijzen zijn vele bezoldigde optredens aan het Hollandse hof, alsmede de optredens in Zeeland, Utrecht en Gelre erop, dat hij in zijn tijd als sprookspreker tot eenzame hoogte was gestegen. Geen van zijn collega's heeft hem in het aantal bezoldigde optredens kunnen overtreffen. In de loop van zijn carrière kreeg hij aan het Haagse hof steeds vaker de gelegenheid om op de grootste hoogtijdagen van het jaar te spreken voor een breed publiek. Als `prins der sprooksprekers' kon hij het zich zelfs veroorloven een zelfverzekerde en soms aanmatigende toon aan te slaan tegenover zijn gehoor.*4 Hij kon zich presenteren als onafhankelijk wereldlijk en geestelijk raadsman van zijn elitepubliek. Willem verwierf al snel de meestertitel, die men in de diverse rekeningen terugvindt. Naar men mag aannemen heeft hij de titel van Albrecht van Beieren ontvangen. De meestertitel dient beschouwd te worden als een uiting van erkenning en waardering door het publiek. Willem was echter niet de enige meester, blijkens de rekeningen. De meer gerenommeerde sprekers zullen op een gegeven ogenblik toestemming hebben gekregen om de titel te voeren. Mogelijk gaat het hier vooral om sprekers die voornamelijk eigengemaakt repertoire ten gehore konden brengen*5, in tegenstelling tot de sprekers die (louter) gebruik maakten van andermans en/of traditioneel repertoire.*6
De waardering door het publiek valt voorts af te lezen uit de beloningen die Willem ontving. Zoals al is aangetoond, begon Willems beloning vanaf 1393 sterk te stijgen. Een duidelijk teken van waardering is ook de teboekstelling - de vervaardiging van een codex te Utrecht - en de aanschaf van het boek met sproken van Hildegaersberch door graaf Willem VI. De rekeningpost spreekt daarbij van `veel schoonre sproken die Willem van Hillegairtsberge gemaict hadde'. Met name deze aankoop door de landsheer en de kwalificatie `schoon'*7 vormen een aanwijzing dat men de spreker althans aan het Hollandse hof allerminst vergeten was. Er spreekt een verlangen uit de sproken nog eens te horen of te lezen toen Hildegaersberch overleden was.
Vooraanstaande personen hebben Willem (naar men mag veronderstellen) waardig geacht om twee sproken in opdracht te vervaardigen. Het was namelijk de abdis van Rijnsburg die de opdracht gaf om een gedicht over de tien geboden te maken; blijkbaar achtte zij de behandeling van dit onderwerp bij Willem in goede handen. Voorts is in de vorige paragraaf voorzichtig de mogelijkheid geopperd dat Leidse notabelen Willem inhuurden om op poëtische wijze de belangen van de stad te bepleiten ten overstaan van de landsheer, en dit kennelijk in het vertrouwen dat Willems voorspraak met 81.Vanden sloetel de Leidse kwestie goed zou doen.
Ook de verspreide en ruime overlevering van Willems sproken mag als aanwijzing aangevoerd worden, dat hij in zijn tijd niet voor een onbeduidend poëet werd versleten. Tijdens zijn leven kwam zijn Mariagebed in het prestigieuze getijdenboek U en het minstens zo fraaie gebedenboek G terecht en werden drie sproken van hem in het Hulthemse handschrift genoteerd. En wanneer de Rostockse fragmenten terecht rond 1400 gedateerd mogen worden, is er tijdens Willems leven reeds een codex met sproken van hem aangelegd ten behoeve van een (onbekende) kunstbegunstiger. Kort na Willems dood werd, naar we aannemen aan de hand van de autograaf, de codex voor graaf Willem VI samengesteld. Afschriften hiervan zullen de handschriften H en B zijn, terwijl H ten dele nog terugging op een beknopte bundel X met werk van Hildegaersberch erin. In een repertoire-bundeltje van een sprookspreker kwam nog één fragment van een gedicht van Willem terecht. Later was Willems St.Gertrude-sproke nog aanleiding voor een volksdichter om er een ballade van te maken. Weliswaar kent het werk van Augustijnken ook een redelijk verspreide optekening, maar vergeleken met een overgeleverd oeuvre van 120 sproken steken zijn zeven overgeleverde gedichten schril af.
Hiermee zijn we al min of meer bij de secundaire receptie van Willems sproken aanbeland. Zijn gedichten werden kennelijk van een dusdanige waarde geacht dat ze, soms in groten getale, in handschriften zijn opgetekend. Dat de gedichten in de Rostockse codex op perkament zijn opgetekend (zou dit ook voor hs.W gegolden hebben?), zegt iets over de `eeuwigheidswaarde' die de sproken werden toegedacht. Tragisch genoeg werd echter juist deze codex eind 15e eeuw versneden. De ons overgeleverde handschriften H en B zijn beide eenvoudige doch verzorgde papieren codices.
Al het voorafgaande in aanmerking genomen, lijkt het niet overdreven te veronderstellen dat Willem van Hildegaersberch door zijn contemporaine publiek (hoog) gewaardeerd werd. Dat brengt ons automatisch tot de even intrigerende als nauwelijks met enige zekerheid te beantwoorden vraag waarin Willem zich dan zo positief onderscheidde van zijn collega-sprekers. Welke speciale verdiensten rechtvaardigden Willems succes?
Men kan hierover slechts speculeren. Waarschijnlijk zal er een combinatie van factoren in het spel zijn geweest, die bepalend was voor Willems gevierdheid. Eén van de factoren kan zijn geweest, dat Hildegaersberch zich oprecht en integer toonde en zich niet liet verleiden tot schaamteloze vleierij uit opportunistische overwegingen. Hij kwam rond voor zijn standpunten uit, zonder echter in belediging, smaad of laster te vervallen. Zijn sproken getuigen van visie, en waren inhoudelijk en vormelijk steeds van niveau. Van trivialiteit hield hij zich verre. Zijn boodschap diende steeds een hoger doel, hetzij op het wereldlijke, hetzij op het religieuze vlak, of op beide. Waar zijn sproken vertellend van aard waren, wist hij op onderhoudende wijze een hogere waarheid tot uitdrukking te brengen. Maar wellicht werd Willem ook juist bewonderd om zijn regelrecht betogende sproken met hun vaak vermanende inslag; hier legde de spreker een waarheid bloot die door het publiek als zodanig onderkend móest worden. Hildegaersberch wist daarbij het midden te vinden tussen kritiek en steun: aan de ene kant leverde hij gezonde, broodnodige kritiek, waar diep in z'n hart niemand omheen kon. Met Willems sproken werd een elitepubliek de mogelijkheid geboden om de vinger aan de pols te houden. Aan de andere kant toonde hij zich gezagsgetrouw en legde een verbondenheid met de elitaire standpunten en met de adellijk-geestelijke suprematie aan de dag. Zijn inzet voor de waarheid en de `goede zaak' kan bij het publiek in de smaak zijn gevallen. In stedelijke publiekskringen kan men de spreker gewaardeerd hebben om de wijze waarop hij van de nieuwe burgermentaliteit wist te getuigen. Waardering kan er voorts geweest zijn voor het feit dat de sprookspreker zich regelmatig op het juiste moment met de juiste sproke zal hebben aangediend, direct aansluitend bij de gelegenheid of bij de actuele toestand in de wereld. Willem ging ook publieksgericht te werk: onderwerp en moraal waren regelmatig toegesneden op het publiek en de situatie. Hildegaersberch was in staat om als `collectief geweten' op te treden voor wisselende publieksgroepen; hij vervulde op diverse niveaus een `gewaardeerde horzelfunctie'.*8 Mogelijk speelde ook zijn productiviteit een rol en was hij in staat om niet alleen op zeer korte termijn gedichten te maken, maar ook altijd voldoende sproken in voorraad te hebben om nooit in herhalingen te hoeven vervallen of altijd op verzoeken uit het publiek te kunnen ingaan. Voorts zou men Willems gevierdheid kunnen duiden als gevolg van dichterlijke vaardigheden. Dan moet wellicht in het bijzonder gedacht worden aan zijn gave om allerhande gedachten als het ware aaneen te rijgen. Wat thans doorgaans niet tot de stijldeugden wordt gerekend, kan door het contemporaine publiek hogelijk zijn gewaardeerd: het aaneenschakelen van (op het oog ongelijksoortige) gedachten en invallen, het ogenschijnlijk van de hak op de tak springen, de soms schijnbaar associatieve gang van het gedicht, kortom het vermogen om alles met alles in verband te brengen. Literatuur-historici hebben Willems sproken wel getypeerd als saai en langdradig. Het is verleidelijk te veronderstellen dat z'n gedichten in de 14e en 15e eeuw misschien wel geroemd werden om hun zakelijkheid, volledigheid, veelzijdigheid en genuanceerdheid, om het - naar middeleeuwse maatstaven - creatieve combinatievermogen dat ze aan de dag legden. En tenslotte moet men terdege rekening houden met Willems bijzondere sprekerstalenten. Dat Willem een gedreven dichter was, valt uit de sproken wel op te maken. Wie voor het beroep van vrij sprookspreker koos, zal ook meestal een behoefte hebben gevoeld om zich nadrukkelijk te manifesteren, terwijl een zeker zendingsbesef hem evenmin vreemd zal zijn geweest. Het valt aan te nemen dat Willems voordrachten imponerend konden zijn en dat zijn publiek zich regelmatig geconfronteerd zag met een charismatisch spreker. Om kort te gaan: de toehoorders zullen Willem om zijn algehele inzet hebben gewaardeerd - Willems uiteindelijke `probleem' zal niet zijn geweest dat men niet welwillend naar hem luisterde of hem om zijn werk niet wist te waarderen, maar veeleer dat zijn vermanende en wijze woorden weinig of geen effect sorteerden. En hierover heeft Willem dan ook regelmatig geklaagd.
Bezaten andere sprooksprekers de hierboven beschreven kwaliteiten dan niet? Waarschijnlijk wel, tot op zekere hoogte. Willem van Hildegaersberch zal evenwel in meerdere opzichten, althans naar de smaak van zijn publiek, zijn vak beter hebben verstaan dan zijn collega's.