10. Besluit

Willem van Hildegaersberch beheerste de techniek om een betoog of verhaal langs een `chronologische' lijn af te wikkelen, maar was vooral ook in staat om een bepaalde kwestie vanuit diverse invalshoeken te belichten, daarbij vaak variërend op een aantal vaste thema's en motieven. Het is soms verbazingwekkend te zien hoe hij in één gedicht zoveel aspecten van een onderwerp wist te behandelen. Om ook eens Willems sententie-stijl te hanteren: wie met pek omgaat, wordt ermee besmet. Immers, de bestudering van Willems omvangrijke oeuvre heeft geresulteerd in een nog veel omvangrijker monografie, waarin getracht is het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken te benaderen. Als de overlevering een enigszins betrouwbare afspiegeling is van Willems reële dichtersarbeid - wat overigens niet vaststaat -, dan overvleugelt deze studie Willems oeuvre veruit in woordental. Maar misschien is mijn sympathie voor Willems sproken wel mede gewekt omdat ik er mijn eigen stijl van schrijven en werken in herkende. In dat geval moet gelden: soort zoekt soort, en ieder krijgt het dissertatie-onderwerp dat bij hem hoort.

Vooraleer een aantal resultaten van deze studie nog eens bezien wordt, zijn enkele relativerende opmerkingen op hun plaats. Bij elke (poging tot) interpretatie van een sprokenoeuvre is enige reserve gepast. In de eerste plaats moet men namelijk vaststellen dat er gedichten zijn die zich inhoudelijk goeddeels onttrekken aan de interpretatieve lijnen die in deze studie zijn geschetst (men denke bijvoorbeeld aan Willems Mariagebed of aan de Gertrudesproke). Ook kunnen er sproken verloren zijn gegaan, die in het ergste geval een ander licht op de interpretatie zouden kunnen werpen, of die tenminste het beeld wat verder zouden kunnen completeren. Voorts moet men rekening houden met het feit dat de overgeleverde sproken tot op zekere hoogte slechts versies zijn van teksten waarop de spreker tijdens de voordracht naar believen kon variëren. Geen sproke zal telkens precies hetzelfde hebben geklonken: afhankelijk van publiek en gelegenheid bijvoorbeeld kon de spreker improviseren op zijn thema's. Tot slot moet men ervan doordrongen zijn dat de filoloog meer verbanden kan leggen dan een aanzienlijk deel van het primaire publiek kon, aangezien oorspronkelijk de sproken in de voordracht los van elkaar hebben gefunctioneerd, in tijd en plaats, en geen enkele luisteraar waarschijnlijk ooit Willems volledige werk heeft kunnen overzien - zo deze daaraan al behoefte had. Dit laatste zal pas lezers gegeven zijn.

Dit alles impliceert niet dat iedere poging tot interpretatie van het sprokenoeuvre in principe zinloos is. Willems oeuvre bevat anderzijds weer teveel constanten om iedere beeldvorming omtrent zijn wereldvisie voor vruchteloos te houden. Ook als er sproken verloren zijn gegaan, mogen we ons waarschijnlijk vleien met de gedachte dat graaf Willem VI zich met een soortgelijk oeuvre als het ons overgeleverde tevreden heeft gesteld. Als er bij de samenstelling van de codex een hofgerichte selectie heeft plaatsgevonden, dan ontbreekt ons misschien een aantal op de stad en het klooster georiënteerde sproken. Dat neemt niet weg dat in elk geval een paar gedichten met burgerlijk-stedelijke thematiek in de verzameling een plaats hebben gevonden waarop we ons oordeel kunnen baseren. Het is vervolgens de vraag of de verloren gegane sproken een opvallend ander beeld zouden opleveren. En ondanks variatie in de voordracht zal de boodschap van een sproke steeds ongeveer op hetzelfde neergekomen zijn. Men mag daarom toch wel weer veronderstellen dat ook Willems min of meer `vaste' publiek een beeld had van de thematiek die hij behandelde: als Willem acte de présence gaf, zullen er zeker verwachtingen zijn geschapen bij zijn publiek over de inhoud van de voordracht. Kortom, enige reserve bij de interpretatie van het overgeleverde oeuvre is gepast, maar aan de andere kant moet de indruk vermeden worden dat elke poging tot interpretatie op drijfzand gebouwd is.

In hoofdstuk 3 is de consistentie van het corpus overgeleverde sproken aangevoerd als argument dat het hele oeuvre aan Willem mag worden toegeschreven. Willem is in het voorafgaande inmiddels naar voren gekomen als een begenadigd beroepsspreker die zijn taak hoogst serieus opvatte, als een lekedichter en autodidact die, rondreizend door het Middelnederlandse taalgebied, een gehoor in de hoogste kringen van hof, stad en klooster literair bediende. Het stond Willem vrij zijn eigen thema's te kiezen en zijn eigen accenten te leggen, en dit laatste liet hij zelfs niet na in zijn gelegenheidsteksten en opdrachtwerk. Hij drukte zich in zijn teksten doorgaans zorgvuldig en precies uit en zei, binnen de marges van het toelaatbare, waar het op stond. Behendig wist hij een middenweg te vinden tussen het zeggen van de waarheid en het voorkomen van belediging en laster. Willem voerde, ondanks zijn lage sociale positie, een blijkbaar gewaardeerde oppositie tegen de misstanden in de wereld, en sprak daar regelmatig het eerstverantwoordelijke publiek op aan.

Laat men Willems optredens in het klooster even buiten beschouwing, dan moet vastgesteld worden dat Willem in zeker opzicht toch vooral een intermediair was tussen hof en stad: juist deze publiekskringen heeft hij bediend - het hof wat meer dan de stad naar de overgeleverde sproken te oordelen. Zijn tussenpositie is ook aan zijn literaire thematiek te merken. In zijn sproken voor de stad, maar evenzeer in die voor het hof, vertolkte hij, wat men zou kunnen noemen, stedelijk-burgerlijke sentimenten. Willem benadrukte de noodzaak van geld verdienen teneinde bestaanszekerheid op te bouwen. Hij hechtte belang aan algehele welvaart, en waarschuwde ervoor dat de belastingdruk niet te zwaar mocht worden. Daarnaast diende er voor vrede en veiligheid te worden zorggedragen. Willem had weinig voeling met de ridderlijke strijdidealen, want verheerlijking van het wapengeweld hielden oorlog, twist en bloedwraak nodelooos in stand. Immers, alleen maatschappelijke en economische stabiliteit kon garant staan voor welvaart en welzijn voor iedereen. Dat is dan het algemeen belang dat de bestuurselite moest dienen. En hiertoe behoorde ook de handhaving van het recht. Zolang de corruptie geen halt werd toegeroepen, bleef de (arme) bevolking de dupe van de klassejustitie. Tenslotte beval Willem stedelijke verenigingsverbanden als geestelijke broederschappen en schutterijen de solidariteit aan, want eendacht maakt macht. Met de adellijke hoofse liefde had Willem weinig op: deze werd in hofkringen slechts gecultiveerd als vlucht uit de reële huwelijkse verhoudingen. Willem ging weliswaar niet zo ver de (overspelige) hoofse liefde te veroordelen, maar hij gaf er wel de voorkeur aan om zijn aandacht te richten op de dagelijkse praktijk van echtelijke relaties en normen - zowel wat betreft het adellijke als het burgerlijke huwelijk.

Aan de andere kant vertolkte Willem de aristocratische sentimenten, zonder dat deze strijdig waren met bovengenoemde opvattingen. Willem legitimeerde de suprematie van de aristocratie, zij het niet onvoorwaardelijk. Immers, adeldom bracht wel verplichtingen met zich mee. Regelmatig hield Willem de heren voor hoe te regeren. Soms heeft Willem het verleden aangevoerd als voorbeeld van de bloei van oude adellijke waarden, naar welk herstel hij verlangde: eer (waarop hij zijn status- en schandegevoelige publiek graag aansprak), rechtvaarigheid en barmhartigheid. Maar de trifunctionaliteit van de oude, door God gewilde, standenorde diende gerespecteerd te blijven, en daarom was Willem wars van de opportunistische burgermoraal die verrijking ten koste van anderen en het overschrijden van de standsgrenzen beoogde. De spreker verzette zich tegen de sociale mobiliteit van de nouveau riche. Hij bepleitte onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van de stedelijke elite aan het adellijke gezag. En daarmee toonde hij zich in essentie gezagsgetrouw en zodoende op de hand van een aanzienlijk deel van zijn publiek.

Ideologische steun zocht en vond Willem vaak bij de waarheid van Bijbel en kerkleer. Om de Schrift en de orthodoxe geloofsleer kon niemand heen en met de steun van deze autoriteiten in de rug kon de spreker pleiten voor de wederzijdse afhankelijkheid van de drie maatschappelijke orden, voor de christelijke naastenliefde en de gerechtigheid. En vanuit dezelfde leer wist Willem zich te verzetten tegen de wijdverbreide hebzucht, hoogmoed en afgunst, die in zijn elitaire publiekskringen en daarbuiten de onderlinge verhoudingen zo konden vertroebelen. De spreker kon, gelijk in de boetepreek, zonder veel risico dreigen met het Laatste Oordeel en Gods straf. Het memento mori klinkt veelvuldig door in de sproken. De dreiging van de hellestraf kon een normerende werking hebben en de zondaars in toom houden: van de dobbelende drinkebroers en de flemende clerici tot de corrupte rechters, de twistende heren en de machtsbeluste schalken. Men moet evenwel niet menen dat Willem het geloof louter gebruikte als stok om mee te slaan; het geloof was naast middel ook doel. De spreker was een oprecht vroom mens, die de onbedwingbare behoefte moet hebben gevoeld om van zijn christelijke levensovertuiging te getuigen, en die waarlijk begaan was met het zieleheil van zijn medemens. Op het religieuze vlak rechtvaardigde hij de maatschappelijk gezien vooraanstaande positie van de clerici als geestelijke herders, al had hij op hen evenzeer kritiek. Hij heeft zich de misstanden in de kerk soms sterk aangetrokken, maar de kerk als instituut en de geloofsleer waren boven elke verdenking verheven. Waar de clerici faalden, nam Willem in hun plaats het woord, en vestigde daarbij bovenal de aandacht op de geloofspraktijk: aan niets hechtte hij meer belang dan aan communie en (bovenal) biecht.

Men mag zich overigens afvragen in hoeverre Willems behandeling van de geloofsleer ook zijn persoonlijke geloofsbeleving weerspiegelt. In feite verschafte Willem toch de zoveelste weergave van de orthodoxe leer: hij herhaalde. Persoonlijk kan vrijwel uitsluitend de keuze genoemd worden die Willem maakte uit het voorhanden religieuze stofcomplex, en de wijze waarop hij de stof te pas bracht. Eigenlijk geldt dit ook op een hoger niveau. Alles wat Willem zei paste welbeschouwd op één of andere manier in de literaire traditie. De keuze die hij maakte uit al wat er gezegd kon worden, is maatgevend voor het persoonlijke karakter van zijn oeuvre. En Willems optiek kwam dan weer geprononceerder naar voren wanneer hij zijn primaire publiek bekritiseerde, dan wanneer hij het op zijn wenken bediende. In het laatste geval kon hij het publiek immers naar de mond praten zonder het achterste van zijn tong te laten zien. Maar dat was niet echt zijn stijl.

De preekcultuur bloeide in de 14e eeuw volop. Tijdens de mis werd men gesticht, de rondreizende prediker wees het publiek regelmatig op zijn zonden en op de noodzaak tot inkeer te komen, de geestelijke auteurs schreven aan werken waarin de mensen op hun religieuze rechten en plichten werden gewezen. En niettemin was daar een Willem van Hildegaersberch die als wereldlijk spreker ook nog z'n steentje kwam bijdragen met z'n vaak toch religieus geïnspireerde gedichten. Was de behoefte aan religieuze en morele vermaning bij het publiek dan schier onuitputtelijk? Kennelijk wel. Zeker op kerkelijke hoogtijdagen bestond er behoefte om een stichtelijk en vermanend woord te laten klinken. Na de periode van adellijke zelfgenoegzaamheid en idealisering van de strijd die de eenzame ridder leverde, brak ook het besef door dat men niet kon leven, regeren en handhaven bij het zwaard alleen, en dat er meer was tussen hemel en aarde. Van die `meerwaarde' getuigen Willems sproken. Mogelijk werden Willems gedichten verder ook om hun normerende werking gewaardeerd. En ook in een ander opzicht bevatte Willems religieuze lering een zekere meerwaarde: waar een preek nogal eens kon uitvallen als een dor tractaat, daar heeft Willem steeds gepoogd om zijn betogen kunstzinnig en literair te houden. Voorts had de adel er blijkbaar behoefte aan om te weten wat er in de samenleving leefde, en kon men onder andere door Willems vermaan en kritiek de vinger aan de pols houden. Naast de adel waren er nieuwe publieksgroepen die in hun (geloofs)opvattingen en onlustgevoelens gesterkt wilden worden. De maatschappelijke verhoudingen werden allengs gecompliceerder en men kon niet vaak genoeg in zijn eigen zekerheden en feilen bevestigd worden. Bovendien groeide het besef van vergankelijkheid. De 14e eeuw was een eeuw van oorlog en Zwarte Dood, en de verhevigde bestaansonzekerheid confronteerde de mens met de noodzaak het sterven indachtig te zijn en het zieleheil tijdig veilig te stellen. De religieuze gevoelens verdiepten zich, vooral ook bij de leek. Van de `democratisering' van het geloofsleven zijn zowel de sproken van Hildegaersberch als de bloei van de geestelijke broederschappen en de beweging van de Moderne Devotie het gevolg.

Willem was als dichter niet van engagement en sociale bewogenheid gespeend. Maar zijn betrokkenheid bij het wereldgebeuren ging niet zo ver dat hij zich actief inmengde en partij koos in de door hem aangeroerde Hoekse en Kabeljauwse twisten en het Westers Schisma. Hildegaersberch bevond zich welbeschouwd ook in de positie dat hij niet hoefde te kiezen: hij was feitelijk een aandachtig toeschouwende buitenstaander, die geen aristocratisch-familiale belangen hoefde te behartigen en evenmin strikt aan een obediëntie was gehouden. Voor hem school de oplossing van de tweedracht niet in partijkeuze, maar in verzoening en herstel van de oude orde en oude (aristocratische) waarden. Sociale bewogenheid valt de spreker evenmin te ontzeggen: meermalen gaf hij blijk van mededogen met het (arme) `volk' dat zich in alle rust moest kunnen concentreren op akkerbouw, veeteelt, nijverheid en handel. Willem verloochende daarmee wellicht zijn afkomst niet, maar gaf evenzeer te kennen de evangelische boodschap van de caritas in zijn uiterste consequenties onder ogen te willen zien. Hij was anderzijds wars van alle `aristocratische' ambities vanuit de burgerij. Willem kende wel de macht van het volk. Ooit was de adel uit het volk gerecruteerd om de rechtsorde de handhaven, maar de historie had geleerd dat incompetente heren konden worden afgezet. Bij het voortduren van onrecht en uitbuiting dreigde het gevaar van sociale onrust en zelfs oproer, en hiervoor waarschuwde de spreker een enkele maal. Willems sociale bewogenheid kende echter ook grenzen. In het geval van het oproer van de Leidse ambachters wierp hij zich geenszins op als pleitbezorger voor de handwerkslieden en voor het oprichten van vrije gildes - hiervoor zou hem zonder twijfel een proces zijn aangedaan! -, maar verwoordde hij daarentegen de standpunten van de stedelijke overheid en schaarde hij zich weer aan de zijde van het souvereine gezag, dat hij overigens wel tot clementie maande.

Willems wereldbeeld, zoals dat uit de gedichten spreekt, is een compositie van adellijke normen en waarden, burgerlijke sentimenten en geloofswaarheden. Wie mag in de veertiende eeuw eigenlijk iets anders verwachten? Telkens weer zien we Hildegaersberch kundig manoeuvreren tussen de maatschappelijke krachten, in een samenleving die gist en waarin machtsverhoudingen en moraal aan het schuiven zijn. Willems werk legt getuigenis af van het gistingsproces en de wanorde in de wereld, eigenlijk van de complexe realiteit van de wereld in beweging. En in die wereld was de integere dichter naarstig op zoek naar houvast en orde, op zoek naar een consistente, toepasbare moraal die alle mensen samenbond. Zijn hoop was dan vooral gericht op de terugkeer van de maatschappelijke stabiliteit van weleer en de hernieuwde waardering voor het oude adellijke normen- en waardensysteem en de geloofswaarheden.

Hildegaersberch was in zijn tijd de meest gevierde sprookspreker. In diverse opzichten is zijn oeuvre bijzonder. In de eerste plaats om het tijdsbeeld dat hij in zijn gedichten opriep. Verder krijgt men dankzij zijn werk enig zicht op de visie, de bekommernis en de kennis van de laat-middeleeuwse onderlegde leek. Willem schonk als eerste dichter meer dan terloopse aandacht aan de Hoekse en Kabeljauwse twisten en het Westers Schisma. Hem komt ook de verdienste toe reeds vrij vroeg het verhaal van het Amsterdamse hostiewonder te hebben berijmd. Bij Willem treft men verder de eerste bewerking aan van het Franse Douze mois figurés in de Europese letterkunde: het genre waarin de maanden van het jaar en de seizoenen gerelateerd worden aan de menselijke levensstadia zou nadien nog aan populariteit winnen. Voorts danken we aan Willem de introductie van een nieuwe variant van de St.Gertrude-legende. Mogelijk was zijn versie van enige invloed op de fresco's in Oldenburg; en waarschijnlijk waren de latere ballades schatplichtig aan zijn sproke. Tenslotte is het opvallend hoezeer Willem zich in z'n gedichten rekenschap gaf van z'n poëticale intenties, terwijl juist hij een dichter was die het aan een clerikaal-poëticale opleiding heeft ontbroken. Men kan dit interpreteren als een zucht tot (over)compensatie van een tekort. Maar evengoed valt vol te houden dat Willem zich opzettelijk bewust wilde tonen van zijn dichterlijke aspiraties, en dat hij in dezen serieus wenste te worden genomen.

Het hierboven genoemde tijdsbeeld dat Willem opriep is anderzijds weer beperkter en oppervlakkiger dan het beeld dat men bijvoorbeeld bij een auteur als Maerlant krijgt. Te Winkel heeft in zijn dissertatie Maerlants werken beschouwd als spiegel van de 13e eeuw. Beziet men Te Winkels inhoudsopgave dan ziet men in welke opzichten Willems werk tekort zou schieten als spiegel van de 14e eeuw. Op het punt van de kerkleer, het godsdienstig leven en de geestelijkheid zou in het geheel geen beeld geschetst kunnen worden van de ketterij, de scholastiek, de mystiek, de kruistochten en het kloosterleven. En hoofdstukken als `Willem en de wetenschap' en `Willem en de geschiedschrijving' kunnen aan de hand van de sproken niet of nauwelijks geschreven worden. Maar het is eigenlijk niet billijk om Maerlant en Hildegaersberch met elkaar te willen vergelijken. Maerlant was nu eenmaal de geleerde clerk, die op een gedegen studie kon bogen en over boeken kon beschikken. Willem was de laagopgeleide leek, een ander slag dichter ook die moest woekeren met het talent en de (relatief) schaarse kennis die hij bezat; hij moest menigmaal `op de tast' dichten, zoals hij het zelf zegt. Daarbij leende het sprokengenre zich niet voor brede betogen en diepzinnige uiteenzettingen: het genre moest het hebben van kortheid, puntigheid en elementaire leerstelligheid. Het mag op zichzelf toch al bijzonder heten dat Willem bijvoorbeeld over zoveel retorische vaardigheden beschikte, terwijl het hem aan een klassiek retorische opleiding ontbroken zal hebben. Anderzijds kan men niet ontkennen dat Willems werk de tijdgeest van de 14e eeuw weerspiegelt als hij getuigt van twist, kerkscheuring, corruptie in de rechtspraak, de Moderne Devotie, het groeiende sterfelijkheidsbesef en de `democratisering' in religieuze en politieke kwesties. En ook zijn aarzelende literaire vormexperimenten en zijn poging tot een synthese te komen van de aristocratische moraal en de nieuwe burgerlijke ethiek, zijn onmiskenbaar 14e eeuws.

Zojuist is Willem gekarakteriseerd als intermediair tussen hof en stad omdat zijn publiek in beide cultuurcentra te vinden was en omdat aristocratische en stedelijke thematiek zich in zijn werk verenigen. Dit kan niet alleen literair en maatschappelijk, maar ook in een breder verband cultuurhistorisch een teken aan de wand zijn. De enige echt strikt-stedelijke literaire activiteit die zich in de 14e eeuw in de stad lijkt te ontwikkelen, is de toneelkunst. Niet alleen stedelijke rekeningen, ook de abele spelen en de sotternieën getuigen hiervan. Voor de poëzie lijkt de stad echter nog veelal aangewezen te zijn geweest op dichters die geen specifieke binding hadden met een bepaalde stad. Juist de rondreizende sprooksprekers kwamen hiervoor bij uitstek in aanmerking. De toename van het aantal voordrachtskunstenaars in de 14e eeuw behoeft niet alleen afgehangen te hebben van de groeiende behoefte aan kort dichtwerk bij het traditionele aristocratische publiek, maar kan tevens het gevolg zijn van een toenemende behoefte aan literatuur bij een opkomend, nieuw stedelijk publiek. Aanvankelijk kenmerkten de optredens van de sprekers in de stad zich door losse engagementen. Hildegaersberch mocht niet alleen na afloop van de raadsvergadering aan het Hollandse hof het woord nemen, hij werd ook in de arm genomen om voor de Utrechtse en Middelburgse raad te spreken. Voorts beschikte Willem over teksten die hij in andere stedelijke kringen kon voordragen, zodat hij ook bij de geestelijke broederschappen en de schutterijen een willig oor zal hebben gevonden. Kortom, had men in stedelijke milieus behoefte aan literair verpozen, dan kon men (goedkoop) een sprookspreker engageren. Mag het daarom verwonderlijk heten dat een (oorspronkelijk Leuvense, later Brusselse?) verzameling literaire teksten als het handschrift-Van Hulthem vrijwel uitsluitend bestaat uit abele spelen, sotternieën en sproken? Er tekenen zich in de 14e eeuw echter al wel voorzichtig vaste engagementen af. Frankfurt had een stadsspreker, alhoewel deze in het dagelijkse leven nog stadswacht was. Maar ook Gent had een stadsspreker - misschien toch Boudewijn van der Lore? Als een spreker in vaste dienst bij de adel statusverhogend werkte, dan gold dat ook voor de stad. Het is goed denkbaar dat in de loop van de tijd bij feestelijke stedelijke gelegenheden vaste stadsdichters hun werk gingen voordragen, mogelijk binnen de gelederen van bijvoorbeeld de broederschap, het gilde of de schutterij. Uit deze kringen vermoedt men wel dat de vaste dichters zich in de loop van de 15e eeuw afscheidden om hun werk zelfstandig voort te zetten in de rederijkerskamers. Daar werd dan bij uitstek de literatuur beoefend die zich in de 14e eeuw in de stad had ontwikkeld, de toneelkunst, alsmede de korte rijmkunst die de sprooksprekers toen van het hof naar de stad hadden gebracht. Een geliefde rederijkersdichtvorm was daarbij het refrein, een vorm die Willem van Hildegaersberch al heeft getracht te beoefenen. Men zou zelfs geneigd zijn te denken dat de aarzelende vormexperimenten met strofische vormen en rijmschema's waaraan de sprooksprekers zich waagden door de rederijkers zijn geannexeerd en geperfectioneerd - al kan beïnvloeding door de Franse Chambres de rhétorique niet geloochend worden. Wat meer is: naast vormelijke overeenkomsten zijn er ook inhoudelijke overeenkomsten te constateren tussen sprokenliteratuur en de dichtkunst van de rederijkers. Op de overeenkomsten met de Elckerlijc is al gewezen. Maar er zijn ook inhoudelijke overeenkomsten aan te wijzen tussen Willems werk en dat van Anthonis de Roovere (ca.1430-1482), zeker als men de gedichten van de rederijker in ogenschouw neemt die J.J.Mak tot de `Ethisch-didactische gedichten', de `Vanitas-gedichten' en de `Hekeldichten' rekent.*1 In het bijzonder mag hier gewezen worden op het gedicht Twaelf ouderdommen oft tijden der menschen / ghecompareert teghens die tweelf maenden vanden jare waarin net als in 49.Vanden twaelff maenden een vergelijking wordt getrokken tussen de maanden van het jaar en de levensfasen van de mens. De Rooveres Testament van een goede vrouwe bevat motief-overeenkomsten met Willems 114.Wat een reyn wijff waerdich is. En in de standensatire met als refreinregel `Liech ick, dat wil my Godt vergheuen' maakt De Roovere van eenzelfde omkeringstechniek gebruik als Willem in 19.Van mer.*2 Hiermee wil echter geenszins gezegd zijn dat er van enigerlei beïnvloeding sprake is geweest. Voorts moge over de ontwikkelingsgang van sprekers naar rederijkers ook zoveel duidelijk zijn: het betreft hier slechts een theorie die zich baseert op intuïtie en een beperkte hoeveelheid gegevens. De hypothese van een dergelijk verregaande intermediaire rol van de sprookspreker tussen hof en stad behoeft beslist nadere toetsing en voortgezet onderzoek, alvorens de waarde ervan kan worden bewezen.

Na deze studie resteren er nog wel meer desiderata, ook dichter bij huis. Voortgezet rekeningenonderzoek is gewenst om nog meer klaarheid te krijgen in het fenomeen en de positie van sprooksprekers, alsmede in omvang en aard van het literaire maecenaat in de Nederlanden. Het onderzoek naar Willems (literaire) bronnen kan evenzeer worden voortgezet. Verder is er behoefte aan een comparatieve aanpak van het sprokenmateriaal. Hoe verhouden zich Willems sproken tot die van andere Middelnederlandse sprekers? In hoeverre is er sprake van wederzijdse beïnvloeding? Maar ook: wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen het werk van Hildegaersberch en dat van buitenlandse sprekers, wier namen al eens gevallen zijn in verband met Willem, zoals Jean de Condé, Der Teichner, Der Stricker en Peter Suchenwirt? Zodra er meer zicht is op Willems plaats in de grote sprooksprekerstraditie kan ook beter beoordeeld worden in hoeverre zijn dichtersarbeid representatief is voor het genre en in hoeverre het werk juist zijn unieke kanten heeft. Wellicht kan dan ook zijn gevierdheid beter verklaard worden. Bepaalde aspecten en motieven uit Willems werk verdienen nog wat uitgebreider aandacht: aan de rol van de vrouw, de geestelijkheid en het volk is in deze studie meer bij gelegenheid dan systematisch aandacht besteed, in die zin dat er geen aparte paragrafen aan zijn gewijd. Naast de oppositie tussen jeugd en ouderdom zou ook die tussen wijsheid en dwaasheid bezien kunnen worden. Heel terloops zijn humor, spot, ironie en de hantering van de omkeringstechniek aan de orde gekomen. Willem maakt vooral de indruk een serieus en ernstig dichter te zijn geweest. Als hij het wapen van de humor wilde hanteren, lijkt hij het er vooral dik bovenop te hebben willen leggen, alsof er toch vooral geen misverstand over mocht bestaan dat hij schertste. Maar bij nader toezien blijkt dat hij ook subtiele en fijnzinnige grapjes kon maken. De filoloog zou Willems gebruik van humor aan een onderzoek kunnen onderwerpen. Misschien heeft Willem zich vaker van ironie bediend dan wij vermoeden, of heeft hij gespeeld met (genre)conventies waarop wij thans nog geen zicht hebben. Dit zou consequenties kunnen hebben voor de interpretatie van bepaalde sproken(passages). Helaas zal ironie zich soms echter onmogelijk laten traceren, namelijk wanneer deze tot uiting werd gebracht in de voordracht door middel van gebaren en intonatie, zonder dat dit aan de tekst zelf valt af te lezen. Voorts kan de relatie tussen Willem van Hildegaersberch, de Moderne Devotie en de theologica practica nader uitgediept worden. En na Willem zou ook Augustijnken een teksteditie en monografie verdienen.

Deze studie heeft mede als intentie gehad het Hildegaersberch-beeld (voorzover dat bestond) te herzien en Willem als dichter en sprookspreker te rehabiliteren. Moge uit deze monografie gebleken zijn dat bedoelde spreker over bijzondere kwaliteiten beschikte en in de voordrachtskunst van zijn tijd terecht een vooraanstaande plaats heeft ingenomen.