Dit overzicht maakt geen aanspraak op volledigheid en is niet meer dan een opsomming van een aantal
`verwijzingen' naar de Bijbel*1 en aanverwante teksten. Het moet tot op zekere hoogte een beeld geven van
Willems `bijbelkennis', zonder dat daarmee de suggestie mag worden gewekt dat Willem al deze stof direct aan de
Bijbel ontleende; zie par.4.3.3. Waar alhier een onderscheid wordt gemaakt tussen de vier evangeliën, is dit slechts
gedaan omwille van het onderscheid: voor het gros der leken in de 14e eeuw waren niet zozeer de verschillende
lezingen der bijbelboeken van belang, als wel het doorlopende evangelieverhaal. Het getal vóór elke opsomming
correspondeert met het nummer van het gedicht bij Bisschop en Verwijs.
4. De tien geboden uit Exodus 20 en Deuteronomium 5.*2 Verder verwijzingen naar het scheppingsverhaal uit
Genesis en Mozes in Exodus. Tenslotte ook toespelingen op de evangeliën: Judas als dief i.h.b. in Johannes 12:6 en
Maria Magdalena die de voeten van Jezus zalfde uitsluitend in Johannes 12:3 en Lucas 7:37-38. De zalving van Zijn
hoofd in Mattheüs 26:6-7 en Marcus 14:3. Vs.29 is een toespeling op Johannes 1:1. Vs.200-205 verwijzen naar
Genesis 1:31 en 2:1-3. Tevens diverse allusies op het nieuwtestamentische dubbele liefdesgebod (God en uw naaste
liefhebben) uit Mattheüs 22:37-39, Marcus 12:29-31, Lucas 10:27. Willems behandeling van het verbod op het
zweren van eden kan nog beïnvloed zijn door Jezus Sirach 23:7-14 en Mattheüs 5:33-37.
6. Vs.139-140 lijken te verwijzen naar Mattheüs 25:34 en 41.
7. Het idee dat het gebed van het volk de vorst tot voordeel, maar zeker ook tot nadeel kan strekken, is mogelijk
geïnspireerd op Jezus Sirach 4:6. De `meet'-metafoor uit vs.231-234 maakt toespeling op Mattheüs 7:2, (Marcus
4:24) en Lucas 6:38.
13. Toespelingen op schepping (Genesis) en kruisdood (evangeliën).*3
16. Wordt in vs.51-53 slechts verwezen naar de eredienst, of ook naar Lucas 2:7? Waarschijnlijk slechts naar de
eredienst. Vs.55, Jezus die van water wijn maakte, refereert aan Johannes 2:1-11.
17. `Symon' (vs.25) is Simon de tovenaar, Handelingen 8:18.
20. De zaai-metafoor in het slot kan geïnspireerd zijn op de gelijkenis van de zaaier, Mattheüs 13:1-9.
21. Bespreking van de verzen van het responsorium bij de begrafenisplechtigheid volgens het missaal. Vs.59-61 en
64 vormen een vrije weergave van het eerste vers: `Libera me, Domine, de morte aeterna, in die illa tremenda,
quando coeli movendi sunt et terra'. De twee volgende verzen van het responsorium worden door Willem niet
gegeven, alleen (zijdelings) becommentarieerd. Voorts toespelingen op de Apocalyps (opstanding, Oordeel). Zie
voor Samson Richteren 13-16, voor Darius Nehemia 12:22 en Daniël 6:1.
25. Steunt geheel op de evangeliën en ten dele op de liturgieën van Paaszaterdag en -zondag. De bewaking van het
graf door (drie) soldaten (vier ridders, vs.12) alleen in Mattheüs 27:62-66. Het bezoeken van Christus' graf door de
drie Maria's (zie vs.82) is in overeenstemming met de traditionele voorstelling van zaken: volgt een vrije weergave
van de zgn. Visitatio sepulchri met de befaamde vraag van de engel `Quem quaeritis in sepulchro, o christicolae?'
27. De moraal m.b.t. het verzamelen van rijkdommen in het hiernamaals (vs.217-226, 257-264) zal berusten op
Mattheüs 6:19-21.
32. Zie Genesis (Noach en de ark, vs.144 e.v.).
35. Genesis (Adam, Eva, paradijs, Kaïn, Noach).
39. Voor de val van Lucifer zie o.a. Jesaja 14:12-15, Ezechiël 28:12-19, Lucas 10:18, Judas vs.6 en Apocalyps 12:7-12.
40. Zondeval, Genesis. Jezus als Verlosser, evangeliën, maar ook Romeinen 3:21-30 en 5:12-21. Het dubbele
liefdesgebod (zie ged.4).
47. Boek der Wijsheid 6:1-5, waarnaar ook verwezen wordt in vs.133-141. Zie voor de zonden van David (vs.26;
gedoeld wordt op het overspel met Batseba, de `moord' op haar man Uria en het zich vervolgens toeëigenen van
Batseba) II Samuël 11 en 12:1-25.
50. Commentaar bij Genesis 1:27, overgenomen van Boendale.
53. Vs.68, Adam en Eva, Genesis, en vs.29, de leer van Salomo i.h.a., Spreuken, Boek der Wijsheid. In vs.35-39
wordt kennelijk verwezen naar Mattheüs 5:8 en 22:37. Een duidelijke referentie aan Hebreeën 4:12-13 treft men aan
in vs.46-49. Naar het dubbele liefdesgebod (zie ged.4) wordt verwezen in vs.34-39 en 56-61.
56. Genesis (Adam en Eva, paradijs, zondeval).
57. Het zwaard uit vs.8 verwijst naar Hebreeën 4:12-13.
58. De wolf- en schapenmetafoor (vs.180) is gebaseerd op Mattheüs 7:15 (ook bij Maerlant). Vs.96-97 vormen een
toespeling op Mattheüs 16:18.
59. Gelijkenis van de verloren zoon (vs.132-152): Lucas 15:11-32.
61. De samenkomst bij Jezus' geboorte, mogelijk doelend op Mattheüs 2 en i.h.b. Lucas 2:8-20. Stefanus als eerste
martelaar: Handelingen 7:54 t/m 8:3. Willem dateert op andermans gezag (traditionele voorstelling van zaken)
Adams dood en hellevaart op 5200 v.C.
62. Val van Lucifer, zie ged.39.
64. Genesis (Adam en Eva, zondeval) en de zaligsprekingen der bergrede, Mattheüs 5. Vs.81 berust op Johannes 20:21.
68. Maken vs.86-91 toespeling op Jacobus 1:22-24?
69. Evangeliën, over de opstanding m.n. Mattheüs 28:1-10, Marcus 16:1-8, Lucas 24:1-12 en Johannes 20:1-8.
70. Genesis (Adam, Kaïn, Noach, Abraham), Exodus (Mozes), II Samuël (David), Handelingen 8:18 (Simon).
Voorts de evangeliën. Maar i.h.b. de Apocalyps over het Laatste Oordeel, Apocalyps 6 (de zes tijdperken) en
Apocalyps 20:12 (het oordelen o.g.v. ieders werken). Ook I Johannes 2:18-27 en 4:3 alsmede II Johannes vs.7 over
de antichrist (vs.90-91). Vs.124-125 over voortekenen voor het einde der tijden o.a. Mattheüs 24:1-31. Voor
vs.156-159 zie Johannes 21:15-17 en Mattheüs 16:19.
75. Exodus 17:9 (Jozua), II Samuël (David) en I Makkabeeën 2:66 en 3 t/m 9 alsmede II Makkabeeën 8 t/m 15
(Judas Makkabeüs). In vs.48-68 treft men een uitgebreide meet-metafoor aan (zie ged.7).
77. Genesis 2:24, het huwelijk van Godswege ingesteld. Willem dateert dit (naar traditionele maatstaven niet
onjuist) in vs.111 in het jaar 5000 voor Christus. Vs.153-154 parafraseren Johannes 14:2.
79. Hier worden uitgebreid `Twaelf punten' (vs.65) behandeld, tezamen de twaalf geloofsartikelen of het credo. Dit
credo wordt behandeld zonder de diverse geloofsartikelen expliciet te nummeren (zie vs.87-405). Een duidelijke
zinspeling vindt men in vs.239: `Ic ghelove an God', de vertaling van `Credo in Deum'. De behandeling van het
credo wordt gelardeerd met bijbelstof. I.h.b. de evangeliën. De besnijdenis in de tempel (vs.116-117) bij Lucas 2:21.
Vs.184 `Ghi selt comen ende ghi selt gaen' verwijst naar de voorstelling van het oordeel volgens Mattheüs 25:34 en
41. In vs.46-49 beroept Willem zich voor een uitspraak op `scrifturen'. Mogelijk zinspeelt hij met de zaligheid van
de hoop op Romeinen 8:24: `Want wij zijn in hope zalig geworden' (Vulgaat, 1975: `spe enim salvi facti sumus').
Het hele achtste hoofdstuk gaat over de hoop (net als de sproke) en over de Geest. Vs.66-77 en 421-429 over
geloof en werken kunnen verband houden met Jacobus 1:22 en 2:14. In vs.116-122 geeft Willem aan dat wat voor
de Joden de oudtestamentische besnijdenis is, voor de christenen het doopsel van het nieuwe verbond is, door Jezus
ingesteld. Zie o.m. de evangeliën, Mattheüs 3:13-17. Het is niet geheel uitgesloten dat Willem tevens (indirect?) een
allusie maakt op Romeinen 2:25-29, waarin Paulus betoogt dat de ware besnijdenis bestaat uit het naleven van Gods
geboden, een geestelijke besnijdenis van zonden. Voor de veertig dagen lange omgang van Jezus met de apostelen
en de nederdaling der H.Geest zie Handelingen 1:1-8 en 2:1-4. Over de zeven bazuinen (vs.341) zie Apocalyps 8, 9
en 11:15-19. Over de opstanding der doden, het Laatste Oordeel en de tweede dood in de hel voor de
onrechtvaardigen zie Apocalyps 20: 11-15.
80. Voor de bijbelse visie op de woeker zie men: Exodus 22:25, Deuteronomium 23:19-20, Leviticus 25:35-37,
Psalm 15 en Lucas 6:34-35.
81. Verwijzingen naar Adam, Eva, Lucifer, Maria etc.: zie hierboven. Voor Petrus' ontsnapping uit de kerker met
behulp van een engel zie Handelingen 12:1-10. Petrus als sleutelbewaarder Mattheüs 16:18-19. Vs.199 over het
naken van het Laatste Oordeel; zie naast de Apocalyps over de Dag des Heren ook Jesaja 24, Amos 5:18-20,
Zacharia 12 en 14, Mattheüs 25:31-46 en Marcus 13:1-27.
83. In vs.203 verwijst Willem naar de rijke man en de arme Lazarus uit Lucas 16:19-31. Wederom verwijzing naar
de Jongste Dag.
84. Schepping, Adam, Maria, Jezus, Judas, Jezus' hellebraak.*4 Voor het Avondmaal: Mattheüs 26:26-29, Marcus
14:22-25, Lucas 22:14-20.
86. Vs.18 en 20 vormen een toespeling op I Samuël 8:3. Vgl. `Si namen gave [...] Ende om die gave keerden trecht'
met `Maar de zonen [van Samuël] bewandelden niet de wegen van hun vader; zij waren op eigen voordeel uit,
namen geschenken aan en verkrachtten het recht'.*5 Verder evangeliën (Judas) en Apocalyps (Jongste Dag).
88. Voor de val van de hovaardige Lucifer, zie ged.39. In vs.2-5 treft men een toespeling aan op het dubbele
liefdesgebod (zie ged.4). In vs.62-63 en 70-71 vindt men allusies op het rekenschap afleggen van verrichte werken
en op het tweesnijdende zwaard der gerechtigheid Gods uit Hebreeën 4:12-13.
89. Menswording, kruisdood, vergeving der zonden, nederdaling ter helle, leer. De kernverzen 34-36 verwijzen naar
Mattheüs 23:12.
90. De mens geschapen naar Gods beeld, Genesis 1:27.
91. Evangeliën (Maria Magdalena). Vs.164-168 verwijzen waarschijnlijk naar I Johannes 1:9 (en/of Psalm 31:5
en/of Lucas 7:47-48?).
92. De leer van Salomo. Vs.1-5 verwijzen naar Spreuken 8:10-11 (of Spreuken 3:14-15). Willems verwijzing naar
woorden van Salomo levert geen doorslaggevende bijbelpassage op: wordt er gezinspeeld op Prediker 2:10, 8:15 of
9:7-10? Of op Spreuken 12:20, 21:15, 28:12 of 29:6? Of op Boek der Wijsheid 6:21 of 8:16? (Zie ook ged.103).
93. Geïnspireerd op Mattheüs 5:37: `Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen [...]'.
95. Verwijzing naar de gelijkenis van de verontschuldigingen Lucas 14: 15-24 in vs.297-304. In het perspectief van
het werven om beloning wil Willem waarschijnlijk ook de woorden uit Lucas 14:12-14, over wie men moet nodigen,
bij het publiek in herinnering roepen.
97. De vier evangeliën (zie vs.132-133). Voor Mattheüs (Levi, vs.281) en het tollenaarsberoep zie Mattheüs 9:9-13
en Lucas 5:27-32.
98. Voor Jezus' verzoeking in de woestijn Lucas 4:1-13 en voor de veertigdaagse vasten i.h.b. Lucas 4:1-2.
99. Wordt in vs.148 Jezus `dat godlijcke woort', ontvangen door Maria, genoemd naar Johannes 1:1 en i.h.b. 1:14?
101. Genesis (Adam, Kaïn, Noach en zijn drie zonen, de ark, de zondvloed). Zie voor de `meet'-metafoor (ook bij
Boendale) ged.7.
103. Salomo's leer: nogmaals over blijdschap en weldoen (zie ged.92).
106. Voortdurende verwijzingen naar Mattheüs 22:34-40 en/of Marcus 12:29-31. In vs.66-69 een min of meer
letterlijk citaat uit Mattheüs 19:24 of Marcus 10:25. Ook verwijzing naar de boom der kennis van goed en kwaad,
Genesis 2:17. Verwijzingen naar de Christelijke naastenliefde zoals in Mattheüs 22:39 en Leviticus 19:17-18, en
wellicht ook verwijzingen naar Romeinen 12:10 en 13:8-10. Tenslotte over het Laatste Oordeel Apocalyps.
109. Over de vier soorten kussen die Jezus kreeg. Van moeder Maria neemt Willem het zonder meer aan. Simeon
vindt men alleen in Lucas 2:25-35 (geen kus). Magdalena kust Jezus alleen in Lucas 7:36-38. Judas kust Jezus in
Mattheüs 26:47-49, Marcus 14:43-45 en Lucas 22:47-48. Voor het Onze Vader zie Mattheüs 6:9-13, hier m.n.
6:12, alsmede Lucas 11:4.
112. In vs.31-34 citeert Willem uit Johannes 14:6 (en zinspeelt hij mogelijk nog op Johannes 8:12).
113. Vs.49 is een variant op het `zoekt en gij zult vinden' uit Mattheüs 7:7-8 en Lucas 11:9-10.
114. Mogelijk maakt Willem in vs.18-19 toespelingen op Mattheüs 7:24-27 en/of Lucas 6:48-49, terwijl vs.17 kan
verwijzen naar Lucas 16:15 en Romeinen 8:27.
116. Jezus' angst voor de dood: Mattheüs 27:46 en Marcus 15:34.
119. Ontleend aan Mattheüs 20:1-16, de arbeiders in de wijngaard.