De Turkendisco, de Spiegelheks en Vrouw Holle
Grappige en griezelige verhalen van leerlingen
Theo Meder
(Verschenen in de schoolkrant van het
Utrechtse De Bruijne Lyceum: Brown Magazine (schooljaar 1999-2000) nr.3,
p.13-16)
Misschien herinneren jullie
je de enquete nog die eind vorig jaar hier op school is gehouden. Er werden
toen onder meer vragen gesteld over het spreken van straattaal, het vieren van
feesten, het uithangen van de vlag, het vertellen van verhalen en het zingen
van liedjes. Aan de statistische verwerking van de door jullie ingevulde gegevens
wordt nog steeds gewerkt.
Omdat ik de
verhaal-onderzoeker ben, heb ik al eens wat nader zitten kijken welke
antwoorden jullie hebben ingevuld bij het vertellen van verhalen. Ik heb zo de
indruk gekregen dat jongens wat vaker moppen vertellen dan meisjes. Zo op het
eerste oog zie ik geen verschillen tussen etnische groepen: voor het vertellen
van moppen maakt het weinig uit of je bijvoorbeeld een Turk, een Marokkaan, een
Bosniër of een Nederlander bent. De één vertelt veel moppen, de ander weinig.
In de enquete had ik ook
vragen gesteld naar verhalen over bepaalde onderwerpen, zoals heksen, geesten,
toverij en vliegende schotels. Veel van jullie hebben daar wel van gehoord,
maar het is natuurlijk nog maar de vraag of iedereen er ook echt verhalen over
zou kunnen vertellen. Eén verhaal-onderwerp, dat ik er natuurlijk met opzet
tussen had gestopt, springt er duidelijk uit qua (on)bekendheid: het boze oog.
Nederlandse leerlingen hebben daar in meerderheid nooit van gehoord,
Marokkaanse, Turkse en Surinaamse leerlingen kennen er doorgaans genoeg
verhalen over.
Nu hebben we de enquete niet
alleen gehouden om achter zulke, soms toch wel ‘oppervlakkige’, feitjes te
komen. We hoopten ook dat leerlingen zich zouden opgeven voor
vervolg-onderzoek. Dat is inderdaad gebeurd, en we zijn nu bezig om leerlingen
te interviewen over wat ze hebben ingevuld. We zijn begonnen met leerlingen die
wonen in Lombok, Transvaal en omstreken.
Meestal begin ik - na een
korte uitleg over het project en het interview - met een vraag over moppen
vertellen. Als iemand veel moppen vertelt, wat voor soort moppen vertelt hij of
zij dan het liefst? Niet zelden beginnen de geïnterviewden dan met wat
onschuldige mopjes, zoals deze:
Wat
is het verschil tussen een recht en een krom croissantje?
De
rechte heeft geen gevoel voor humor en de kromme ligt slap van het lachen.
Nu is dit overigens een
grappig raadsel, maar ook dit genre wordt door de meeste vertellers tot de mop
gerekend. Een volgende vraag die ik vaak stel is of er ook wel eens moppen
worden verteld over andere etnische groepen. En natuurlijk gebeurt dat. Over
Marokkanen bijvoorbeeld:
Wat
is een Marokkaan in een bushokje?
Een
schiettent.
En over Turken:
Wat
is een kliko onder een stoplicht?
Een
Turkendisco.
Met name aan Marokkaanse en
Turkse leerlingen vraag ik of er ook dergelijke moppen bestaan over
Nederlanders. Het antwoord is meestal bevestigend, maar als ik om voorbeelden
vraag, blijft het regelmatig stil. Of er komen moppen in de trant van "Er
waren een Turk, een Marokkaan en een Nederlander..." waarin bijvoorbeeld
de Turk aan het einde wint, en de Marokkaan en de Nederlander de verliezers zijn.
Maar zo’n mop is toch duidelijk minder agressief dan de twee bovenstaande.
Zulke agressieve moppen blijken eigenlijk niet of nauwelijks over Nederlanders
gemaakt te worden. Ja, de Nederlanders worden wel eens uitgemaakt voor
kaaskoppen, maar daar blijft het dan toch wel bij.
Op de vraag of zulke moppen
nu eigenlijk kwaadaardig bedoeld zijn, wordt meestal ontkennend geantwoord. Het
is maar voor de gein, en niemand vindt echt dat er maar op Marokkanen moet
worden geschoten, of dat Turken bij het vuilnis thuishoren (netzomin als iemand
ècht gelooft dat Belgen oerdom zijn). Sterker nog: allochtone jongeren
vertellen die etnische moppen zelf ook, om elkaar te plagen of uit zelfspot.
Toch is er wel sprake van een opvallende tendens: er worden gemakkelijker grappen
gemaakt over 'minderheidsgroepen' in de Nederlandse samenleving, dan over de
dominante Nederlandse groep. Niet omdat Nederlanders er nu zo’n superieure
cultuur op nahouden, maar misschien toch wel omdat de allochtone jongens en
meisjes zich deels ook Nederlands voelen. Of ze dat nu willen of niet: uit onze
enquetes en onderzoek blijkt dat allochtone jongeren (die in Nederland zijn
geboren) veel meer Nederlandse eigenschappen hebben overgenomen dan hun ouders
(en grootouders) hier.
Uit onze interviews blijkt
verder dat Nederlanders vaak geen idee hebben wat het boze oog is. Maar
bijvoorbeeld Turkse en Marokkaanse leerlingen komen al snel met allerlei
verhalen aanzetten. Iemand die kwaad wil, die afgunstig is of die (uit
jaloezie) juist veel complimentjes geeft, kan het boze oog hebben. Door zijn of
haar blik kan hij of zij ziektes of ongelukken veroorzaken. Turkse vertellers
zeggen dat het vaak om mensen gaat met blauwe ogen. Bij Marokkaanse vertellers
doet de kleur van de ogen er niet toe. Een middel om het boze oog te
bestrijden, is het dragen van een amulet. Turken dragen wel een blauw
kraal-oogje aan een kettinkje, Marokkanen hebben wel een handje van Fatima
(dochter van de profeet Mohammed) aan een ketting. In het handje is soms weer
een oog te zien. Maar sommige vertellers bestempelen het dragen van een amulet
als bijgeloof. Een vers uit de Koran zou bijvoorbeeld een betere bescherming
bieden tegen het boze oog. En lang niet alle jonge vertellers zijn even
overtuigd van het bestaan van het boze oog, al voegen ze daar soms wel aan toe:
"Maar mijn tante is toch wel eens zoiets overkomen..."
Het zijn vooral Marokkanen
die veel verhalen kunnen vertellen over geesten: de djinns en djinnis
(mannelijke en vrouwelijke geesten). Ze wonen vaak in een bepaald huis, of
vertoeven ergens in water. Sommige geesten zijn je goedgezind, maar andere
kunnen je kwaad doen, als je ze niet goed behandelt. Het geloof in geesten kan
niet zomaar worden afgedaan als ‘bijgeloof’. Liever spreken we wat minder
neerbuigend over ‘volksgeloof’. Feit is dat het bestaan van geesten wordt
bevestigd door de Koran.
Het is natuurlijk
buitengewoon interessant om te zien welke verhalen mensen op hun repertoire
hebben. Hun verhalen zeggen veel over hun persoonlijkheid en over hun cultuur.
Maar het is nog mooier als je kunt vaststellen dat er onderling tussen mensen
met verschillende achtergrond sprake is van uitwisseling van verhalen. Want dat
betekent dat de verschillende etnische groepen met elkaar communiceren. Zo
vertelde een Nederlands meisje mij onlangs het volgende Marokkaanse verhaal:
Ik
hoor die Marokkaanse meisjes wel vertellen: ja, als je in Marokko bent, dan zie
je bij wijze van spreken de geesten over straat vliegen. Dat soort dingen hoor
je dan vertellen. Ik heb zelf ook zo’n Marokkaans verhaal gehoord en onthouden.
Dat moet in Marokko een heel erg bekend verhaal zijn. ‘t Ging over een flat
waarin een heel arm gezin woonde. In de buurt van de wc hoorden ze telkens een
stem roepen: ‘Help mij. Help mij.’ Iedereen die die stem hoorde, werd bang, en
veel families zijn daardoor uit angst al op de vlucht geslagen. Toen was er op
een keer zo’n gezin, dat was ook heel arm; dat was met een man en een vrouw en
vier kinderen. En ze waren echt heel arm. Nou, die gingen dus in dat huis
wonen. Op zeker moment zei die man: ‘Ja, wat heb ik te verliezen? Ik moet
kijken wat het is. Misschien is het wel echt iemand die in nood zit ofzo.’ Dus
die man ging op onderzoek uit en toen zag ‘ie daar een geest zitten van een man
in een hele witte jurk. Die geest zat met twee emmers goud in zijn handen. En
toen zei die geest: ‘Help mij. Die emmers zijn zo zwaar. Verlos me van deze
emmers, dan zal ik zorgen dat je niet meer in armoede leeft.’ Toen heeft die
man de emmers gepakt. Dankzij die emmers werd die man plots heel rijk. En hij
is ook rijk gebleven, want elke keer als hij wat van het goud uitgaf, werd het
vanzelf weer bijgevuld. Wat eraf ging, kwam er ook gelijk weer bij. Dat schijnt
een heel bekend verhaal te zijn in Marokko. Ik heb het horen vertellen door een
Marokkaans meisje uit groep acht van de basisschool.
Dit alles betekent niet dat
Nederlandse vertellers alle volksgeloof hebben afgezworen. Ik had gehoopt om
allerlei verhalen te horen over onderwerpen als hekserij, toverij en spokerij.
Maar dat viel tegen. De Nederlanders weten wel waar ik het over heb, maar komen
zelden spontaan met allerlei vertellingen. Maar dankzij de interviews ben ik
toch op ‘bovennatuurlijke’ onderwerpen terecht gekomen, die onder jongeren nog
blijken te leven. Het betreft verhalen over - wat ik voor het gemak maar noem -
‘glaasje draaien’ en over de ‘spiegelheks’. In beide gevallen zouden
bovennatuurlijke wezens opgeroepen worden.
Glaasje draaien doet men in
gezelschap. Cijfers en de letters van het alfabet worden in het rond op tafel
neergelegd, en iedereen legt een vinger op een omgekeerd glas in het midden.
Vervolgens roept men een geest op, die men vragen kan stellen. Het glas schuift
op onverklaarbare wijze langs de letters en cijfers en geeft zodoende
antwoorden op de vragen. Hetzelfde kan men ook doen met een speciaal bord (een
zgn. ouija-bord) of met een pendel. De vertellers benadrukken nogal eens dat ‘glaasje
draaien’ een gevaarlijke bezigheid is, en dat men het maar beter niet kan doen.
Datzelfde geldt voor het
oproepen van de ‘spiegelheks’. Je moet dan voor een spiegel gaan staan met je
ogen dicht en bijvoorbeeld dertien keer ‘Bloody Mary’ zeggen. Als je dan je
ogen opent, zie je een beeld uit je toekomst, of zie je de gestalte van de
opgeroepen spiegelheks, en dan mag je niet lachen of gillen. Een ander
spiegelwezen dat om middernacht opgeroepen zou kunnen worden is de ‘Candyman’,
wiens naam je twaalf maal moet uitspreken. Alle vertellers tot nu toe blijken
dit verhaal alleen van-horen-zeggen te kennen. Niemand blijkt het te hebben
aangedurfd om het ritueel uit te voeren: te gevaarlijk!
Verhalen kunnen ons via een
omweg veel leren over wat we denken, vrezen en geloven. In verhalen kun je soms
denkbeelden en ideeën kwijt, die je rechtstreeks niet altijd kunt zeggen.
Verhalen kunnen getuigenis afleggen van allerlei culturele waarden en normen,
(voor)oordelen, (geloofs)overtuigingen en wensdromen. Blijkens de interviews
worden moppen en sterke verhalen nog het gemakkelijkst verteld. Maar ook
favoriete sprookjes kunnen de onderzoekers zicht geven op de verlangens van
vertellers. Bijvoorbeeld het verlangen van de onaanzienlijke naar erkenning en
beloning. Dat bleek toen een leerlinge ging uitleggen waarom Assepoester en
Vrouw Holle tot haar favoriete sprookjes behoren...