De Bremer stadsmuzikanten

Er was eens een ezel en die leefde op een boerderij, maar die ezel was zo sloom geworden dat de baas hem niet meer wou hebben. Toen was de ezel weggelopen en ging hij rondtrekken. Hij kwam in een dorpje en daar zat een hond heel hard te blaffen.

De ezel ging naar de hond en vroeg: "Wat is er met jou aan de hand?"

"Ja, mijn baas heeft een andere hond gevonden, want ik kan niet meer goed jagen. Nu wil hij me niet meer hebben."

"Nou," zei de ezel, "als je wilt mag je met mij mee, dan kunnen we samen muzikant worden in Bremen."

Dus de hond ging mee. Toen liepen ze samen door de wereld. Daarna kwamen ze een kat tegen die keihard liep te miauwen. Ze zagen iemand achter de kat aanlopen die keihard aan het gillen was. Ze vroegen aan de kat wat er aan de hand was. De kat zei dat zijn baas boos op hem was, omdat hij hem heeft gekrabd. Toen ging de kat ook met de ezel en de hond mee.

Toen kwamen ze bij een grote boerderij aan. Daar hoorden ze een haan keihard kukelen. En ze vroegen wat er met de haan aan de hand is.

De haan zei: "Ja, het is mijn laatste dag. Morgen gaan ze me slachten en opeten."

Dus de ezel vroeg of hij ook mee wilde. Met z’n vieren gingen ze verder op pad naar Bremen.

Toen kwamen ze in een bos. Ze wisten niet meer welke kant ze op moesten en ze besloten in het bos te gaan slapen. De haan klom in een boom en zag in de verte een lichtje. Daar gingen ze naar toe.

Binnen in het huisje zagen ze allemaal rovers aan tafel zitten. Toen bedachten ze een plan zodat ze het huisje in konden. Ze klommen bovenop elkaar. De ezel stond onderop, de hond ging op hem staan, daarop de kat en dan de haan. Zo stonden ze voor de deur en een van de rovers deed open. Daarop begon de haan keihard te kukelen, de hond te blaffen, de kat te miauwen en de ezel te balken. De rovers schrokken zich kapot en renden allemaal weg.

De één kreeg een schop van de ezel, de ander werd gebeten door de hond en een ander werd gekrabd door de kat. De rovers waren weggevlucht en de dieren begonnen lekker aan de maaltijd.

Toen ze lagen te slapen, kwamen de rovers terug om te kijken wat er aan de hand was. Eén van de rovers deed de deur open en werd gekrabd door de kat, geschopt door de ezel en gebeten door de hond.

Hij rende terug naar de andere rovers en zei: "Er zit daar een heks, die heeft me mishandeld." Hierop werden de rovers zo bang, dat ze nooit meer terug durfden. Toen leefden de dieren nog lang en gelukkig in het huisje in het bos.

(Dit internationaal bekende sprookje is verteld door de 14-jarige middelbare scholiere Saliha Haddad; haar ouders zijn in Marokko geboren, maar zelf is zij in Nederland geboren.)