De wolf en de zeven geitjes

Er was eens een moeder met zeven geitjes. De moeder ging naar de stad om even boodschappen te doen.

Toen zei ze: "Als de grote boze wolf komt, mogen jullie de deur niet open doen, hoor geitjes."

Maar toen kwam toch de grote boze wolf en die begon op de deur te kloppen. Maar ze hoorden aan zijn stem dat het de grote boze wolf was.

Toen zeiden de geitjes: "Jij bent onze moeder niet en we mogen van onze moeder niet opendoen voor vreemden."

Toen ging de wolf naar de bakker en toen at hij krijt op, zodat zijn stem niet meer zo hard was. Hij ging weer naar de geitjes.

Die zeiden: "Nee, jij bent de boze grote wolf, want jij hebt zwarte poten."

Daarop is hij weer naar de bakker gegaan en maakte hij zijn poten wit met meel.

Toen hebben de geitjes hem binnen gelaten, want ze zagen niet meer dat het de wolf was. Daarop heeft hij ze allemaal opgegeten, behalve eentje, die had zich in de klok verstopt.

Nadat hij gegeten had, ging hij ergens slapen bij een boom.

Even later kwam de moeder thuis. Het slimme geitje vertelde aan zijn moeder wat er gebeurd was. Toen gingen ze naar de wolf en maakten ze de buik open. De geitjes werden er levend uitgehaald en daarna deden ze stenen in zijn buik.

Later werd de wolf wakker. Hij had dorst en wilde uit een put drinken. Door het gewicht van de stenen is hij in de put gevallen en toen is hij verdronken.

(Dit internationaal bekende diersprookje is verteld door de Nederlandse middelbare scholiere Desirée Mulder)