De onderwaterwereld

Vlak bij de molen heb je een slootje, een beetje een vies vijvertje eigenlijk. Vorige week toen zat ik daar buiten, ik had een afspraak in de molen, maar ze waren er nog niet. Dus ik zat buiten even te wachten op zo’n fietsenrekje, en ik zat zo een beetje van de zon te genieten. Toen zag ik ineens dat er een ketting door het gras heen liep. Dat vond ik wel heel erg raar. En aan de ene kant zat die ketting vastgeknoopt om een boom heen, met een hele grote knoop d’r in, en aan de andere kant verdween die ketting in het water. Dat vond ik vreemd. En ik werd er ook wel een beetje nieuwsgierig van, dus ik stond op en pakte met twee handen die ketting, en ik gaf er een heel klein rukje aan. Toen kwamen er allemaal luchtbellen omhoog. Dat vond ik reuze spannend, dus ik pakte die ketting nog een keer en gaf er een hele grote ruk aan, en toen kwamen er nog meer bellen, en uiteindelijk kwam er een man in een heel duikerspak boven water. Zo’n ouderwets duikerspak met zo’n glazen helm op z’n hoofd en allemaal van die slangen d’r aan. De man zwom naar de kant toe, klauterde omhoog, en even later stond ‘ie druipend van het water naast me. Hij begon die helm los te schroeven en die slangen los te maken, en ik stond daar met mijn mond open naar hem te kijken. Hij deed die helm af, en toen, ja, stond er een... doodgewone man naast me, heel gewoon. Een beetje grijze haren, snorretje.

Ik zeg: "Meneer, wat bent u hier aan het doen in dat gekke vijvertje hier, in dat slootje, met een duikerspak aan?"

Hij zei: "Ja, dat is een heel verhaal. Zal ik het vertellen?"

Ik zeg: "Ja, natuurlijk!"

Hij zegt: "Nou, het zit zo. Ik ben schoolmeester op de school hiernaast, de Parkschool. Vorige week ben ik begonnen met het opruimen van de kelder van de school. Want tijdens de laatste verhuizing hebben we alle zooi van de Damstraat meegenomen hier naar het park, en hebben we zo in de kelder gekiept. En dat moest nou wel eens een keertje opgeruimd worden. En d’r stonden nog allemaal kisten van vroeger met schoolspullen. Van die ouderwetse kroontjespennen met potjes uitgedroogde inkt - en daar moesten mensen dan mee schrijven. Dat was een heel gedoe en je kreeg d’r hele zwarte vingers van, vroeger op school. Ik vond schoolschriften van kinderen die honderdvijftig jaar geleden op school gezeten hadden. Met opstellen d’r in, en die heb ik allemaal door zitten lezen, de hele nacht lang. Toen kwam ik een schrift tegen van een zekere Mariët. En die had honderd jaar geleden hier op school gezeten. Die had in haar schrift een heel vreemd opstel, ja, een belevenis geschreven, van twee kinderen uit haar klas. Die twee kinderen, broer en zus, een tweeling, die konden heel goed zwemmen - dus op woensdagmiddag dan mochten ze van hun vader en moeder altijd gaan zwemmen in een klein meertje vlak buiten de stad. En dan deden ze wedstrijdjes met elkaar; wie het langst onder water kon blijven. Op een bepaald moment konden ze wel meer dan vijftig tellen onder water blijven. Dan stonden ze op de kant, haalden ze diep adem, knepen hun neuzen dicht en sprongen ze in het water. De ene keer kwam de ene eerder boven en de andere keer de andere... reuze spannend was dat. Totdat ze op een middag bovenkwamen, elkaar aankeken en tegen elkaar zeiden: ‘Heb je dat gezien daar beneden? Dat groene licht?’ ‘Ja, ik heb het ook gezien! Geheimzinnig hè?’ Ze haalden weer adem en doken weer naar beneden. En inderdaad: vanuit een soort grot onder water scheen er een groen licht. En heel voorzichtig zwommen ze een stukje in die grot. En toen ontdekten ze dat je daar onder water gewoon kon ademhalen. D’r zat een luchtbel onder water. Dat was natuurlijk super; dan hoefden ze niet meer elke keer naar boven om lucht te halen. Dus ze zwommen nog verder die grot in, net zo lang, tot ze aankwamen bij een grote houten deur. Die was helemaal groen van het mos en de waterplanten. Heel voorzichtig klopten ze aan de deur. Tot hun stomme verbazing werd er open gedaan... door een man... een soort van ‘onderwatermens’ noemden zij dat. En hij nodigde de twee kinderen uit om zijn land te komen bezoeken. En het was er nog reuze leuk ook. D’r woonde een hele familie daar onder het water: een moeder met kinderen, en die vader had een hele speeltuin gebouwd, en daar konden ze heerlijk spelen, urenlang. Onderwaterthee dronken ze. Het was zo gezellig, dat de twee kinderen helemaal de tijd vergaten. Ineens dachten ze: ojee, het is natuurlijk al etenstijd. Dus ze gingen gauw weer omhoog en trokken hun kleren aan. Het was al half donker; ze renden naar huis toe. Ze kwamen thuis. De hele familie zat al rond de tafel te eten, en de vader keek heel erg boos. Maar toen de twee kinderen vertelden dat ze in onderwaterland geweest waren, en dat het zo leuk was, dat ze de tijd waren vergeten. Ja, toen was hun vader gelijk niet meer boos. Die vond het zo’n goeie smoes, zo eentje had ‘ie nog nooit gehoord. Hij kon z’n lachen niet meer houden. Maar ja, die twee kinderen werden ontzettend boos omdat hun vader hun verhaal niet wilde geloven. Want het was helemaal geen smoes! Het was echt! Dus ‘s avonds staken ze een kaarsje aan, en toen ze in bed lagen, tekenden ze een hele kaart van hoe onderwaterland eruit zag. Die kaart namen ze mee naar school, en die gaven ze aan de juf. En de juf zei: ‘Nou, dat hebben jullie mooi getekend.’ En zij legde ‘m gewoon op haar bureau, en ze vroeg helemaal niks meer. Dus die twee kinderen werden zo boos, dat geen één van die volwassenen hun verhaal wilde geloven, dat ze besloten om van huis weg te lopen. Ze schreven een briefje: ‘Pappa, mamma, wij zijn boos, dat jullie niet geloven dat onderwaterland bestaat. Wij lopen weg.’ Ze legden het briefje thuis op de tafel, en vanaf die middag waren de twee kinderen spoorloos verdwenen. D’r werd natuurlijk wel gezocht door de politie, en door de meester, en door hun vader en moeder. Maar het enige dat ze terugvonden, dat waren hun schoenen; die stonden aan de rand van dat meertje, waar ze altijd gingen zwemmen."

Toen die schoolmeester, die naast mij stond, dit verhaal aan mij vertelde, ja, toen geloofde ik er natuurlijk niks van. Maar het rare was: hij kon het nog bewijzen ook. Hij had het allemaal uitgezocht. Hij was eerst in de kerk geweest. Want in de kerk schreven ze vroeger in grote boeken op, wanneer iemand geboren was, wanneer hij doodging, met wie hij getrouwd was, en hoe zijn kinderen heetten. Hij had daar in het grote boek zitten kijken, en toen had ‘ie ontdekt, dat er wel opgeschreven was wanneer die kinderen geboren waren, maar verder was er niets over ze bekend. Toen had ‘ie op school gekeken in het archief, waar precies was opgeschreven wanneer welke kinderen op school hadden gezeten, en wanneer ze van school waren gegaan. En daar stond wel wanneer die kinderen op school waren gekomen, maar verder stond d’r achter: vermist. Verdwenen! En toen was ‘ie op het gemeentehuis geweest, en had ‘ie oude landkaarten bestudeerd van Utrecht. En toen had ‘ie ontdekt, dat dat meertje waar die kinderen altijd gingen zwemmen, dat dat inmiddels helemaal ingebouwd was in de stad. De stad was natuurlijk steeds groter geworden. En dat meertje, dat was nu dat vieze slootje dat achter de molen lag. En toevallig stond de school nu, honderdvijftig jaar later, vlak naast dat meertje. En daarom was ‘ie met dat duikerspak hier aan het zoeken. Ik moet jullie eerlijk zeggen... toen ik al die bewijzen van hem hoorde, dat ik zijn verhaal eventjes geloofde. Totdat ik ontdekte dat er iets in zijn verhaal niet klopte. Hij had gezegd dat je daar onder water kon ademhalen. Terwijl ‘ie met een heel duikerspak bezig was met die slangen en die flessen om die ingang van die grot te vinden. Ik zeg: ‘Meneer, u gelooft uw eigen verhaal niet eens. Want als u daar onder water kan ademhalen, dan heeft u dat hele duikerspak niet nodig.’ En toen werd ‘ie heel erg boos. Hij kreeg een heel rood hoofd en begon tegen me te vloeken. Hij zei: ‘Als jij mij niet gelooft, dan zal ik het wel eens even bewijzen!’ En hij begon dat laatste stuk van dat duikerspak, dat ‘ie aanhad, uit te doen. Dat rubberen ding rolde die d’r af, z’n flippers deed ‘ie af. En even daarna stond ‘ie in zijn lange onderbroek op de waterkant. Hij haalde flink adem, deed zijn neus dicht, sprong in het water. Nou, en ik keek op mijn horloge. Ik dacht: nou... 34 tellen! Na 34 tellen was ‘ie nog niet boven water. Ik dacht: nou... e