Doe open Zimzim
In een ver land leefden eens twee broers. De ene was heel rijk, en de andere was heel arm. En degene die rijk was, die keek nooit om naar zijn armere broertje.
Op een dag was het Offerfeest aangebroken. Toen ging de rijke man vlees halen, dat wil zeggen: een schaap. Nadat het schaap was geslacht, riep de vader al zijn kinderen bij zich. De kinderen hadden nieuwe nette kleding aan.
De vader zei: Hier hebben jullie het schapenvlees; ga maar lekker eten.
De arme broer had zijn kinderen niets te bieden.
Toen zei hij: Weet je wat jullie moeten doen, mijn kinderen? Gaan jullie maar naar je oom toe, en vraag of jullie een stuk vlees mogen hebben.
De kinderen waren natuurlijk blij omdat ze dachten dat ze vlees zouden krijgen.
Ze liepen naar hun oom toe en ze vroegen: Oom, mogen wij wat vlees van u? Onze pa vraagt dat aan u.
De oom zei: Ja, wacht maar even.
Hij ging naar het geslachte schaap en sneed er stukken af, maar het vlees dat hij hen uiteindelijk kwam geven, bleek alleen maar uit darmen en organen van het schaap te bestaan. De kinderen waren dus heel erg teleurgesteld en liepen verdrietig naar hun vader terug. Toen de vader dat zag, werd hij heel droevig. Hij pakte het vlees aan en gooide het weg.
Toen zei hij: Weten jullie wat, mijn kinderen? Ik ga nu op pad en ik kom pas terug als ik voor jullie een schaap kan betalen waarvan het vet uit zn neus stroomt.
Dat is een Marokkaanse zegswijze en het betekent dat hij met een vetgemest schaap wil terugkeren. De vader ging dus op pad. Hij liep en hij liep en hij liep, en maakte derhalve een verre reis. Op een gegeven moment kwam hij bij een grot. En toen hij zo naar die grot keek, bekroop hem de gedachte dat dit iets bijzonders moest zijn. Hij besloot om daar te wachten. Op zeker moment zag hij daar zeven rovers aankomen.
Toen ze naar binnen wilden, riepen ze bij de grot: Iftatih ya Zimzim.
Dat betekent: Doe open Zimzim. Daarop gingen die rovers naar binnen en korte tijd later kwamen er weer zes naar buiten. De zevende bleef nog wat langer binnen.
De man lette goed op, en hij hoorde de zevende rover weer zeggen:Iftatih ya Zimzim. Doe open Zimzim.
Toen kwam de zevende ook naar buiten. De man dacht: ik blijf hier, minimaal een week om te kijken hoe het precies gaat. Zodat ik daar straks niet naar binnen ga en er vast kom te zitten.
Dus de man bleef een week toekijken, en hij wist uiteindelijk precies wanneer de rovers naar binnen gingen en wanneer ze weer naar buiten kwamen. En hij lette goed op met hoevelen ze naar binnen gingen, wat ze zeiden, en hoe ze weer naar buiten kwamen.
Op zeker moment was er een week verstreken. Toen besloot de man om vlug naar binnen te gaan.
Hij riep: Iftatih ya Zimzim.
De grot ging open en hij ging naar binnen. Toen hij binnen kwam, zag hij allemaal staven goud, goud en nog eens goud.
Hij pakte zakken vol goud, tilde ze op, liep ermee naar de uitgang, en zei: Iftatih ya Zimzim.
De deur opende en hij ging weg.
Even later kwamen de rovers terug en die merkten meteen dat er iemand binnen was geweest, want ze misten vele staven goud.
Toen zeiden ze tegen elkaar: Er is hier iemand geweest.
En vervolgens zeiden ze: Ja, maar wie?
Eerst verdachten ze elkaar nog even. Maar ja, dat kon niet, want ze waren de hele tijd bij elkaar gebleven.
Ondertussen kwam de vader thuis bij zijn kinderen, en hij trok hen mooie kleren aan, hij gaf hen volop geld, en hij bracht het vette schaap dat hij beloofd had.
Zijn rijke broer merkte dit en werd jaloers.
Hij zei tegen hem: Mijn lieve broer, vertel mij toch eens: hoe kom jij zo plotseling aan zoveel geld?
De broer zei: Jij hebt me in de steek gelaten toen ik je nodig had. Maar ik zal jou niettemin een plezier doen.
Daarop legde hij zijn broer precies uit waar hij naartoe moest gaan.
Iftatih ya Zimzim is het wachtwoord, en als je binnenkomt, pak je zoveel mogelijk goud. Het zal niet lang duren voordat de rovers terugkomen, dus je moet op tijd maken dat je wegkomt.
Begrepen.
De broer reisde naar de grot en ging naar binnen. Daar pakte hij zoveel mogelijk goud. Maar de grote rijkdom dreef hem tot waanzin, zodat hij het wachtwoord vergat.
Hij dacht: Hoe kom ik nou buiten? Hoe kom ik buiten?
Hij moest daar blijven, hij kon niet naar buiten. Op zeker ogenblik kwamen de rovers terug. Hij besloot zich te verstoppen, maar de rovers merkten meteen dat er iemand binnen was.
Ze zeiden: Er hangt hier een vreemd geurtje; het is een vreemde mensengeur.
Toen gingen ze allemaal ruiken, liepen achter de geur aan, en op zeker moment hadden ze de broer te pakken.
Ze zeiden tegen hem: Vertel ons wie hier allemaal binnen is geweest! Pas op, want we zullen je onthoofden.
Angstig vertelde hij het hele verhaal van zijn broer. Dat zijn broer daar naartoe was gekomen, dat hij goud heeft gestolen, enzovoort enzovoort.
Na deze bekentenis werd hij door de rovers alsnog onthoofd en zijn hoofd werd in de grot opgehangen.
De kinderen van de man begonnen zich na verloop van tijd zorgen te maken.
Ze gingen naar hun oom toe en zeiden: Weet je, oom, je moet ons helpen.
De oom zei: Maar waarom?
Ze zeiden: Onze vader is een hele tijd geleden weggegaan, maar hij is nog steeds niet terug.
De oom zei tegen de kinderen: Nog even geduld. Binnenkort is de buit die ik uit de grot heb op, en dan ga ik kijken wat er met jullie vader aan de hand is.
Hierop gingen de kinderen weg, in de hoop dat oom zo snel mogelijk zou vertrekken.
Die nacht kon de oom van de neefjes niet slapen. Hij maakte zich buitengewoon veel zorgen om het lot van zijn broer. Zijn gevoel vertelde hem dat er iets aan de hand was, en hij besloot om de volgende ochtend te vertrekken.
De volgende dag ging hij inderdaad op pad. Hij kwam aan bij de grot. Hij wist inmiddels al wanneer de rovers zouden komen.
Hij sprak: Doe de deur open Zimzim.
De deur ging open. Hij ging naar binnen en hij zag dat zijn broer onthoofd was. Hij vroeg zich af wat hij moest doen. Uiteindelijk besloot hij om het hoofd mee te nemen als bewijs voor zijn neefjes dat hun vader dood is. Hij nam het hoofd onder zijn arm mee, maar dat hoofd bloedde nog. Dus overal waar hij langs liep, vielen er druppeltjes bloed op de grond.
Toen de rovers in de grot kwamen, snoven ze weer een vreemde geur op: Snuf snuf snuf. Er is hier een mens geweest.
Vervolgens zeiden ze: Moet je daar eens op de grond zien: allemaal druppeltjes bloed!
Toen besloten ze om die bloeddruppels te volgen.
De broer die nog leefde, was inmiddels buitengewoon rijk geworden.
Toen de rovers het spoor van de bloeddruppels volgden, kwamen ze bij het huis van de arme broer die rijk geworden was.
De rovers zeiden tegen elkaar: Die rijke meneer, die jat steeds ons geld.
Vervolgens zeiden de rovers: Weet je wat? We vermommen ons en doen alsof we zakenlui zijn. Dan gaan we naar binnen bij hem. En als hij binnenkomt, dan vermoorden we hem.
Maar de man die had er allang op gerekend dat de rovers hem zouden komen zoeken. Dus hij had een aparte kamer gemaakt los van het huis, bedekt met hout.
Toen de vermomde rovers aankwamen, zeiden ze: Ja, we zijn zakenmensen en we willen even met u praten.
De man zei: Natuurlijk. Gaat u maar naar binnen.
Hij bracht ze naar het huisje dat hij had gemaakt, en dat losstond van het huis. En toen ze eenmaal zaten, bracht hij hen allemaal schoteltjes vlees.
Hij zei tegen de rovers: Eten jullie maar even lekker. En als jullie uitgerust zijn, dan kom ik terug om met jullie te onderhandelen.
De rovers dachten: we zullen deze man dubbel te grazen nemen. Want eerst eten we zijn voedsel op dat hij met het gestolen geld heeft gekocht. Daarna vermoorden we hem en beroven hem van de rest.
Maar de man was slim. Hij had het huisje helemaal bedekt met hout en daar had hij benzine overheen gegooid.
Hij ging nog eenmaal naar binnen in de kamer en zei toen: Jullie wilden mij