De
Eerste Nationale Verteldag (6 juni 2004) - The Making of...
Theo Meder
(In verkorte versie verschenen in: Levend Erfgoed 1 (2004) 1, p. 22-27)
Top Tien als gimmick
Vijf dagen voordat de eerste Nationale Verteldag van start zou gaan, werd er tijdens een persconferentie op het Meertens Instituut te Amsterdam onder andere bekend gemaakt wat het populairste volksverhaal in Nederland anno 2004 is. Voor die bekendmaking was een enthousiaste Bekende Nederlander aangetrokken in de persoon van Jan Marijnissen van de Socialistische Partij. Nog voordat het populairste verhaal bekend werd gemaakt, had Marijnissen bij wijze van grap al zijn voorspelling van de Top Drie op een papiertje geschreven. De nummers drie en twee had hij misgegokt, maar zijn voorspelling van de nummer één was midden in de roos: Roodkapje bleek het populairste volksverhaal. En Marijnissen had zijn "voeling met het volk" weer eens bewezen... Hij vertelde zelf ook nog een politiek verhaaltje over een land waarin het met de materiële rijkdom wel goed zat, maar waarin de immateriële rijkdom (zoals "empathie") uit het oog verloren dreigde te raken. Ook het immateriële erfgoed bleek Marijnissen aan het hart te gaan, want op zijn weblog van 31 mei schreef hij al: "Zonder verhalen geen historie. Zonder historie geen volk."

Pauline Seebregts en Jan Marijnissen met Roodkapje. Foto: Petra
Schoormans.
Na het tellen van de laatste stemmen op 1 juni zag de Top Tien er alsvolgt uit:
1. Roodkapje
2. Assepoester
3. Doornroosje
4. Vrouw Holle
5. Anansi
6. Nieuwe Kleren van de Keizer
7. Repelsteeltje
8. Ali Baba en de Veertig Rovers
9. Hans en Grietje
10. Meisje met de Zwavelstokjes
De Top Tien was het resultaat van een web-enquete uit naam van het Meertens Instituut, die op de website van de Nationale Verteldag is gehouden: www.nationaleverteldag.nl. Meer dan de presentatie van een belangwekkende wetenschappelijke vondst, was de Top Tien een gimmick om op de strak geregisseerde persconferentie veel media mee te ‘kietelen’, en bedoeld als opmaat naar alweer een nieuwe themadag in Nederland: de Nationale Verteldag.
Themadag en Denktank
De vieringen van Kerst, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren zijn al eeuwenoud, maar ook Moederdag, Vaderdag, Dierendag, Koninginnedag en Bevrijdingsdag bestaan al weer zo lang, dat mensen het als een traditie zijn gaan beschouwen. Bijna vergeten vieringen worden her en der opnieuw geïntroduceerd zoals Luilak en Sint Maarten, en daar komen nieuwe vieringen uit andere culturen bij als Valentijnsdag en Halloween. De vieringen nemen nog eens exponentieel toe als men ook alle themadagen (weken, maanden, jaren) gaat meerekenen. We kennen immers ook nog de Dag van de Arbeid, Secretaressedag, Boomplantdag, de Landelijke Fietsdag, de Nationale Molendag, de Autoloze Zondag, de Dag van de Rechten van de Mens, de Open Monumentendag, de Nationale Voorleesdag, het Museumweekend, de Wetenschapsweek, de (Kinder)Boekenweek, het Jaar van de Gehandicapte en ga zo maar door. Kenmerk van zo'n themadag is doorgaans het vragen van aandacht voor een 'vergeten' groep of onderwerp. In het geval van de Nationale Verteldag wordt aandacht gevraagd voor het mondeling overgeleverde verhaal en de verteller. Een themadag wordt ook altijd in het leven geroepen als een vorm van zelfpromotie, en de belangen waren in dit geval het grootst bij de twee partijen die elkaar het eerst gevonden hadden: de Stichting Vertellen en het Nederlands Centrum voor Volkscultuur.
Ik ben zelf bij de organisatie van de Nationale Verteldag betrokken geraakt, toen mij eind 2003 gevraagd werd om als volksverhaaldeskundige van het Meertens Instituut in de Denktank zitting te nemen. Op dat moment waren er al een aantal zaken beklonken. Zoals gezegd hadden de belangrijkste organiserende partijen elkaar al gevonden: het NCV en de Stichting Vertellen. Er waren al met succes substantiële subsidies geworven bij het VSB Fonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds en de Stichting K.F. Hein Fonds. Ook de datum stond al vast: zondag 6 juni 2004, de eerste zondag na Pinksteren. De Nationale Verteldag zou moeten uitgroeien tot een traditie, en we stonden met de organisatie van de eerste verteldag dus aan het begin van een loepzuivere vorm van 'invention of tradition'. De afspraak was dat het NCV de eerste (paar) keer betrokken zou zijn bij de organisatie, totdat er een goed draaiboek zou bestaan, waarmee de Stichting Vertellen zelfstandig verder zou kunnen. Ook het motto voor de Verteldag was inmiddels geformuleerd: "Iedereen heeft een verhaal" (dus iedereen is een verteller). En ook wat betreft het ideologische fundament hadden de partijen elkaar reeds gevonden: er zou worden uitgedragen dat het mondelinge vertellen van verhalen behoort tot ons culturele erfgoed en dat het een vorm van (volks)kunst betreft. Er zou verder benadrukt worden dat de mondelinge verhaaloverdracht een eeuwenoude traditie is, die welbeschouwd nog steeds bloeit. Ook voor een verhaalonderzoeker van het Meertens Instituut waren dit stuk voor stuk acceptabele uitgangspunten.
Wie behoorden er tot de direkte organisatie en tot de Denktank? De partij die de kar voor de landelijke organisatie trok was het NCV onder leiding van directeur Ineke Strouken, bijgestaan door haar persoonlijke secretaris Johan de Bruijn en freelance redactrice Susanne Wennekes. De Stichting Vertellen werd vertegenwoordigd door bestuurslid Pieter Quelle (en in het begin ook door Frans de Vette). Vanuit de Stichting kwam tevens Saskia den Broeder het team versterken om de website van de Nationale Verteldag te bouwen. (De vertellers die waren aangesloten bij de Stichting zouden een cruciale rol gaan spelen in de vormgeving van de verteldag op locaal en regionaal niveau). Zelf nam ik deel aan de Denktank als vertegenwoordiger van het wetenschappelijke Meertens Instituut. Vanuit de toeristische sector nam Frans Schouten zitting in de Denktank, lector 'visitor management' aan de Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer. En vanuit de erfgoedsector was Bas van Lingen aanwezig van het Gelders Erfgoed. In een later stadium, toen eenmaal besloten was dat de persconferentie op 1 juni zou worden geleid door verhalenvertellers, is vertelster Mirjam Mare aan de Denktank toegevoegd. Toen eenmaal besloten was dat het centrale evenement op 6 juni in het Archeon zou worden gehouden, werd de groep nog eens uitgebreid met Jack Veldman, directeur van het Archeon - en de vergaderingen verplaatsten zich vervolgens van het NCV in Utrecht naar het Archeon in Alphen aan den Rijn. Tot slot trad ook Pim van Schaik tot de Denktank toe: hij is van uitgeverij PlanPlan en zou zorgdragen voor het verschijnen van een boek met multiculturele verhalen. Het NCV wilde voor de Verteldag een boek uitbrengen over verhalen, en aan de redactie hiervan werd NCV-medewerker Olivier Rieter gezet.
Verteller des Vaderlands?
Ik wil hier geenszins het verloop van alle vergaderingen gaan schetsen, maar ik wil wel een paar grote lijnen en enkele interessante aspecten naar voren halen. Tijdens de eerste vergadering van de Denktank werd door mij geopperd om jaarlijks een Verteller des Vaderlands te kiezen, om zodoende de aandacht voor de verteller te vergroten (het idee was afkomstig van Meertens-medewerker Herman Roodenburg). De Stichting Vertellen bleek niet zo gecharmeerd van dit idee; de vertellers vreesden dat alle aandacht zich dan richtte op één verteller, en dat dat ten koste zou gaan van de anderen.
De vertellers die zich hebben verenigd in de Stichting Vertellen zijn allemaal professionals, of ten minste semi-professionals. Het vertellen van verhalen is hun broodwinning. Ze vertellen in theaters, op vertelfestivals, op scholen, in musea en de laatste tijd in toenemende mate ook in bedrijven. In dat laatste geval worden verhalen vaak gebruikt om de organisatie door te lichten en de rol van medewerkers binnen het bedrijf helder te krijgen. Verder geven de vertellers regelmatig cursussen en workshops vertellen. Ze zijn allemaal te vinden op de website van de Stichting Vertellen: www.vertellen.com.
In de loop der jaren heb ik de nodige professionele vertellers leren kennen, waarvan een enkeling nationale bekendheid geniet, maar de meesten vooral plaatselijke of regionale bekendheid: Hilli Arduin, Raymond den Boestert, Eric Borrias, Michel Damhuis, Anne van Delft, Gery Groot Zwaaftink, Marco Holmer, Mirjam Mare, Paul Middellijn, Marijke van Mil, Willem de Ridder, Winston Scholsberg, Wijnand Stomp, Harro Teeuw, Pauline Seebregts, Bram van der Wurff en Philip van der Zee. Het geldt voor de één misschien wat meer dan voor de ander, maar het zijn toch allemaal artiesten met een meer dan gemiddeld ego – (klein)kunstenaars die graag in het middelpunt van de belangstelling staan. Met uitzondering van Willem de Ridder, die veel wegheeft van een alledaagse verteller, zijn de vertellers doorgaans een soort acteurs, die het vertellen van verhalen als het ware spelen. Ze trekken een artistiek hemd of vestje aan, zetten eventueel een hoofddeksel op, hebben een attribuut in de hand en creëren zichzelf een bühne. Meestal is het de bedoeling dat de luisteraars op stoelen of banken toekijken en luisteren, in een theater-opstelling. Bij veel optredens moet ook entree worden betaald. De vertellers acteren het verhaal veelal met bewegingen, gebaren, mimiek en stemmetjes. Niet zelden hebben de vertellers er een voorkeur voor om bijzondere en exotische verhalen te vertellen, of om meer bekende traditionele verhalen te vertellen vanuit een nieuwe invalshoek (bijv. Roodkapje vanuit het perspectief van de wolf). Voor hun verhalen shoppen ze graag in de wereldwinkel: een blanke profverteller vertelt met gemak Eskimo- of Maori-verhalen. Hun vertelkunst is derhalve heel wat anders dan de alledaagse vertelkunst, waarbij men meer moet denken aan het vertellen van een sterk verhaal op een verjaardag of het vertellen van een goeie mop in de kantine, gewoon op een stoel temidden van de luisteraars. De professionals zijn doorgaans wat dominantere vertelpersoonlijkheden, en ze zijn bepaald niet afkerig van enige roem. In informele gesprekjes met vertellers vroegen sommigen zich uit eigen beweging wel af waarom ze nog niet doorgebroken zijn. Velen zijn al jaren bezig in zaaltjes en de grote naamsbekendheid wil maar niet komen. Het is dan opmerkelijk dat juist vanuit de Stichting Vertellen weerstand komt om jaarlijks een Verteller des Vaderlands te verkiezen. Daarmee wordt – zo redeneert de Stichting Vertellen - één verteller begunstigd ten koste van de anderen. De vrees om in het competitieve vertellerswereldje niet in de prijzen te vallen en in de schaduw van andermans roem te moeten staan, is kennelijk groter dan het verlangen naar eigen faam.
Het draaiboek krijgt vorm
Met de komst van de Denktank stond de datum en de ideologie van de Nationale Verteldag vast, maar de vormgeving van de dag moest nog nader worden ingevuld. Tevens moest men zich bezinnen op de activiteiten ter promotie eromheen. Wat dit laatste betreft werd in eerste instantie gedacht aan een studiedag of symposium, maar terecht werd vanuit de Denktank opgemerkt dat men daarmee vooral de eigen 'incrowd' bereikte, terwijl het nu juist de bedoeling was om de buitenwereld te bereiken. Er werd bedacht dat we het liefst veel journalisten wilden bereiken, kort voordat de Verteldag echt van start ging. Besloten werd om een persconferentie te organiseren op het Meertens Instituut op dinsdag 1 juni.
Gaandeweg groeiden de ideeën. Liever dan een Verteller des Vaderlands zag men een verkiezing van een favoriet Verhaalpersonage, en zo ontstond in feite het idee om een web-enquete naar het favoriete volksverhaal te houden. Op het Meertens Instituut werd voorts al tien jaar gewerkt aan een database met volksverhalen: het leek een goed idee om deze database geschikt te maken voor raadpleging op het internet, en de presentatie van de Nederlandse Volksverhalenbank ook op 1 juni te laten plaatsvinden.
Om te voorkomen dat journalisten hiervoor nog niet uit hun stoel zouden komen, werd het idee geopperd om dan de beoogde boeken te presenteren. In ieder geval de NCV-publicatie Spiegeltje spiegeltje aan de wand; Over sprookjes, broodje- aap en andere volksverhalen onder redactie van Olivier Rieter en Ineke Strouken, en de publicatie van Pim van Schaik en Kees Volkers getiteld In geuren en kleuren; Volksverhalen en sprookjes in kleurrijk Nederland. Vanwege de connectie tussen verhalen en journalistiek werd er nog een derde boek bij betrokken dat dan zou verschijnen: Mediahypes en moderne sagen; Sterke verhalen in het nieuws onder redactie van Peter Burger en Willem Koetsenruijter. In het kader van verhalen en journalistiek werd geprobeerd Philip Freriks te strikken voor de presentatie, maar deze poging mislukte.
Om de connectie met de Nationale Verteldag duidelijker te laten uitkomen, werd besloten om de hele bijeenkomst in verhaalvorm te gieten en te laten leiden door verhalenvertellers. Er werd door vertelster Mirjam Mare een compact scenario ontwikkeld waarin - in het bestek van een uur - verhalen werden afgewisseld door interviews en presentaties. Ze zou op de dag zelf worden bijgestaan door vertellers Eric Borrias en Pauline Seebregts.
Over de Nationale Verteldag zelf bestond aanvankelijk het idee dat het heel mooi zou zijn als er drie evenementen zouden plaatsvinden per provincie. De hoeveelheid evenementen nam gaandeweg toe: vertellers en locaties meldden zich aan en werden zoveel mogelijk gematcht door Saskia den Broeder. Voor het centrale evenement viel de keuze op het Archeon, waar zou worden begonnen met een vertelontbijt. Er werd op gespeculeerd dat de schrijvende pers vooral op de persconferentie zou afkomen, terwijl de visuele media meer interesse zouden tonen voor het vertelspektakel zelf.
In de aanloop naar de Verteldag werd heel veel werk verzet door het team van het NCV, samen met Saskia den Broeder: er werden BN-ers voor het comité van aanbeveling gezocht, de website werd gebouwd, affiches en folders werden ontworpen, nieuwsbrieven gedrukt, persberichten geschreven, er werden vertellers, gemeentes en localiteiten geactiveerd... Ook op het Meertens ging de machinerie lopen: symposiumzaal en catering werden gereserveerd, Maarten van der Peet van de afdeling Ontwikkeling bouwde de webversie van de Volksverhalenbank, er werd geld gereserveerd voor de vormgeving, kunstenares Minke Priester werd aangezocht om twintig tekeningen te maken op sprookjes- en sagenthema's en er werd een eigen - en op aanraden van de Denktank transparant - webadres aangevraagd: www.verhalenbank.nl. Terwijl het NCV een folder drukte voor de perspresentatie, liet ook het Meertens nog een folder maken met reclame voor de Volksverhalenbank en een drietal symposia.
Uiteindelijk verliep de perspresentatie geheel volgens de strakke regie die Mirjam Mare had uitgewerkt, en volgens opgave van het NCV zaten er twintig journalisten in de zaal. Op de dag zelf gaf ik al interviews aan Teleac-radio, Wereldomroep radio, de Telegraaf en Trouw. Mirjam Mare en anderen werden geïnterviewd voor het Brabants Dagblad. De Volksverhalenbank trok de nodige aandacht, maar de verkiezing van Roodkapje toch het meest.
Wetenschappelijke pretentie?
Voor de verkiezing van het populairste volksverhaal had ik een lijst opgesteld van ruim honderd titels van volksverhalen, niet alleen sprookjes, maar ook sagen, legenden, moppen en Broodje Aap-verhalen. Ik had ook een aantal verhalen opgenomen van andere grote etnische groepen die in Nederland wonen, zoals bijvoorbeeld: Anansi (Suriname, Antillen), Aicha Kandisha (Marokko), Nasreddin Hodja, Keloglan en Temel (Turkije). Verder had ik wat titels in de lijst gesmokkeld die strikt genomen niet geheel aan de criteria voldoen: Pinokkio is eigenlijk een verhaal uit een boek en Hans Brinker (het jongetje met zijn vinger in de dijk) is een literair 19e-eeuws Amerikaans verzinsel dat in de tweede helft van de 20e eeuw naar Nederland is geëxporteerd. Ik was benieuwd of ook op dit soort verhalen gestemd zou worden, en inderdaad: de meeste mensen lieten zich - terecht - niet hinderen door enig wetenschappelijk genrebesef.
Begin 2004 werd de enquete op de website van de Nationale Verteldag geplaatst. Er werd aan de invullers gevraagd om op drie favoriete verhalen te stemmen (of ze desnoods zelf in te vullen bij de categorie 'Anders'). Verder werd gevraagd om geslacht, geboortejaar en provincie in te vullen. Gaandeweg bleek de website niet helemaal perfect in elkaar te steken. Mensen konden op verhalen stemmen zonder hun 'persoonlijke gegevens' in te vullen. Het bleek echter ook mogelijk om op meer dan drie verhalen te stemmen: sommigen stemden op vier, vijf of meer verhalen - omdat andere mensen slechts op één verhaal stemden, heb ik het maar zo gelaten. Maar helemaal zuiver is de peiling hiermee al niet.
Formulering en verwerking van de enquete is waarschijnlijk met opzet aan het Meertens overgelaten: dan oogt het immers onpartijdig en wetenschappelijk. Bij die wetenschappelijkheid vallen bij nader inzien nog wel wat kanttekeningen te plaatsen. In de eerste plaats is het Meertens niet voortdurend aan het peilen welke verhalen bij mensen het populairst zijn. Op het gebied van volksverhalen houden we ons momenteel liever bezig met repertoire-onderzoek en cultuurdiagnose, met de functies van verhalen en de betekenissen die mensen aan verhalen geven, met verhalen als 'markeerders van identiteiten', en met vertellen als vorm van zelfpresentatie en presentatie van 'de ander'.
Zo'n enquete heeft eigenlijk weinig wetenschappelijke pretentie, ook al omdat er zeer waarschijnlijk een verschil is tussen wat men zegt en wat men doet (gerapporteerd gedrag versus geobserveerd gedrag). Het is goed denkbaar dat er om esthetische en nostalgische redenen vooral op sprookjes is gestemd, terwijl de meeste mensen in de praktijk van alledag vooral moppen en Broodje Aap-verhalen vertellen. Vervolgens kan men zich nog afvragen hoe representatief de hele enquete is geweest. Er hebben welgeteld 348 mensen een stem uitgebracht op de website. Dat is niet weinig voor een web-enquete, maar de hoeveelheid respondenten komt niet echt uit boven het minimum dat nodig is voor een snelle opiniepeiling. De respondenten zullen ook niet een dwarsdoorsnede van de Nederlandse samenleving zijn: om te beginnen hebben er al meer vrouwen (62%) dan mannen (38%) gestemd, en stemmers uit Noord-Holland (25%), Zuid-Holland (15%) en Utrecht (17%) waren oververtegenwoordigd. Maar ik vermoed dat ook het aandeel professionele vertellers, cultuurliefhebbers, ervaren websurfers en autochtonen wat hoger dan gemiddeld gelegen heeft.
Toch was de einduitslag nauwelijks een verrassing en sloot deze goeddeels aan bij eerdere enquetes en peilingen, ook in de buurlanden. De traditionele sprookjes winnen, en de enige nieuwkomer was ditmaal de verhalenreeks over Anansi, onder invloed van de hier woonachtige Surinamers en Antillianen, maar ook onder invloed van blanke vertellers die zich het exotische vertelgoed van andere etnische groepen in onze samenleving hebben toegeëigend. De wat eigenzinniger keuzes van de verhalenvertellers (die de website van de Nationale Verteldag natuurlijk frequenteerden) leken voor langere tijd de keuze te gaan bepalen: zo stond Repelsteeltje bijvoorbeeld wekenlang op de eerste plaats. Louter op basis van de 101 stemmen die in het Pinksterweekend nog waren uitgebracht heeft Roodkapje toch gewonnen. Ik ben er niet helemaal zeker van hoe dit heeft kunnen gebeuren. Veel mensen uit het adressenbestand van het NCV hebben vlak voor Pinksteren nog een nieuwsbrief toegestuurd gekregen: mogelijk dat hier veel 'traditionele stemmers' bijzaten. Op hetzelfde moment had Jan Marijnissen op zijn weblog een link geplaatst naar de enquete: wellicht hebben ook veel socialisten gestemd en onwillekeurig de relatie gelegd tussen 'rood' en 'Roodkapje'. De laatste verklaring die ik heb kunnen bedenken voor de plotselinge ommezwaai was een gebeurtenis die Nederland voor Pinksteren in zijn greep hield. Het 13-jarige meisje Wei Wei was ontvoerd en sexueel misbruikt door een TBS-er die niet van proefverlof was teruggekeerd. Het meisje was - als het ware - in de buik van zijn auto verdwenen, maar er gelukkig weer levend uitgekomen. Zetten deze gebeurtenissen onbewust bij vele mensen een deurtje open naar het verhaal van Roodkapje, dat in essentie toch een waarschuwsprookje is voor kleine meisjes (kinderen) die moeten oppassen voor het boze in de wereld?
Als we kijken naar geslacht en leeftijd in relatie tot verhalen, dan vormt de uitslag een bevestiging van reeds bekende tendensen. Iedere groep gaf te kennen een voorkeur voor sprookjes te hebben, maar vrouwen (83%) meer dan mannen (54%), en ouderen (79%) meer dan jongeren (61%). Iemand is aangemerkt als een overwegende sprookjes-stemmer als twee of meer verhalen sprookjes waren. Mannen stemden vaker op een mix (24%) van verhalen, bijvoorbeeld een sage, een mop en een sprookje. Verder hadden mannen wat vaker een voorkeur voor Broodje Aap-verhalen (15%). Ik heb de stemmers tevens globaal onderverdeeld in ouderen (vóór 1975 geboren) en jongeren (na 1975 geboren). Als de ouderen niet voor sprookjes stemden, dan ging hun voorkeur nog het meest uit naar een mix aan verhalen (12%). Bij de jongeren kwam echter het Broodje Aap-verhaal (25%) op de tweede plaats, en daarna pas de mix aan verhalen (11%). Overigens was de oudste stemmer geboren in 1918, terwijl de jongste stemmer de computer zal moeten hebben laten bedienen door de ouders, want zij was geboren in 2003. Met Assepoester, Belle en het Beest en Doornroosje heeft zij waarschijnlijk gestemd op haar favoriete Disney-video's.
De representativiteit van de enquete komt nog een keer in het geding als we even inzoomen op de jongeren. Er is namelijk een hele klas van basisschool De Achthoek in Amsterdam geweest, die aan de enquete heeft deelgenomen. Het was de klas van de dochter van Pim van Schaik, één van de leden van de Denktank van de Nationale Verteldag. De juf had de circa 12-jarigen enthousiast gemaakt door vooraf ook verhalen te vertellen. Ze vertelde nogal wat Broodje Aap-verhalen, en die bleken goed in de smaak te vallen bij de kinderen, zodat er veel stemmen op dit type verhalen zijn uitgebracht. Vooral de verhalen met heel grove onderwerpen of vieze woorden in de titel deden het goed, zoals het Hondje in de Magnetron (dat uiteindelijk ontploft), Zwanger door Badwater, en Sperma in de Knoflooksaus.
Omdat er ruim honderd verhaaltitels waren aangeboden voor de enquete, verspreidden de stemmen zich ook over veel verhalen. Uiteindelijk hebben alle verhalen wel een paar stemmen gekregen, op twee na: Lange Winter en Stenen Uilenborden hebben geen stemmen gehad. De winnaar, Roodkapje, kreeg uiteindelijk 10% van de stemmen.
De categorie 'Anders' is veelvuldig ingevuld, maar eigenlijk vooral met verhalen die geen echte volksverhalen zijn (Jules Verne, Dik Trom, Peter Pan, Pocahontas, Kees de Jongen, Alice in Wonderland, de Tovenaar van Oz) of met exotische verhalen die in Nederland niet of nauwelijks bekend zijn, zoals het Eskimo-sprookje van De Oude Vrouw die naar het Dodenrijk Ging, het Ierse volksverhaal over De Man die Eeuwig Moest Dansen, en het Japanse sprookje over Drie Sterke Vrouwen. Slechts in enkele gevallen kreeg een bepaald verhaal meerdere stemmen. Drie stemmen voor Jan Pikkedan of Jan Piekedaan waren voor mij het meest raadselachtig, temeer daar twee stemmers beweerden dat het een sprookje van Andersen was. Uiteindelijk bleek het om de Vlaamse verhaalfiguur Jan Pikkedang te gaan. Drie stemmen kreeg - volkomen terecht - ook Tijl Uilenspiegel, wiens avonturen weliswaar een aanzienlijke schriftelijke overlevering hebben gekend, maar wel degelijk ook een mondelinge traditie. Twee stemmen kreeg vervolgens nog de sage van de Bokkenrijders.

Theo Meder op de ‘verhalenbank’ met Eric Borrias. Foto: Pieter Quelle.
Media-aandacht
Zoals gezegd was de verkiezing van het populairste volksverhaal vooral een 'teaser' voor de media die werkte. Kort na afloop van de persconferentie stond op dinsdag dit als eerste bericht op Teletekst:
Roodkapje populairste
volksverhaal
AMSTERDAM - Roodkapje is het populairste volksverhaal in Nederland. Dat blijkt uit een verkiezing waarbij iedereen online zijn keuze kon maken op de site www.nationaleverteldag.nl. Die dag wordt op 6 juni voor de tweede [lees: eerste] keer gevierd.
Op 168 plaatsen in het land vertellen vierhonderd vertellers hun verhalen. Het motto is: iedereen heeft een verhaal.
Op www.verhalenbank.nl zijn maar liefst 31.000 volksverhalen verzameld. Handig voor wie zonder inspiratie zit voor het verhaaltje-voor-het-slapen-gaan. Behalve sprookjes bevat de databank ook historische en broodje-aapverhalen, verzameld door het Meertens Instituut.
Opmerkelijk is dat de journalist volksverhalen en vertellen al weer meteen associeert met het vertellen van verhaaltjes aan kinderen – een minstens zo hardnekkig misverstand als dat het vertellen van verhalen synoniem staat met voorlezen. In meerdere kranten is dit kleine berichtje ook op woensdag terecht gekomen. De Telegraaf besteedde er woensdag een pagina in het katern Vrouw aan. Een etmaal na de officiële opening van de Nederlandse Volksverhalenbank had de site zo'n 4000 hits te verwerken gekregen.
Op die woensdag stond de telefoon bij het NCV en bij het Meertens niet stil. Er kwam bij mij een fotograaf langs voor het artikel in Trouw van donderdag. RTL4 kwam langs met een camera voor een item in Editie NL. Omroep Gelderland en Studentenradio Utrecht belden voor interviews. En voor de rest van de dag stond ik dagbladjournalisten te woord: Nederlands Dagblad, Leeuwarder Courant, Haagse Courant... Pas om 16.30 uur, toen de deadline voor de journalisten was aangebroken, keerde de rust weer. En de journalistieke aandacht concentreerde zich vooral op de Top Tien, Roodkapje en de Verhalenbank - de Nationale Verteldag kwam regelmatig pas op het tweede plan - tot ongenoegen van de Stichting Vertellen. Op de dagen erna keerde het tij enigszins: Pieter Quelle en vertellers werden vervolgens meer aan het woord gelaten, en mijn eigen optreden in het AVRO-radioprogramma Opium op zaterdagavond stond veel meer in het teken van de Nationale Verteldag.
De Nationale Verteldag: Archeon en
evenementen in het land
De centrale opening van de Nationale Verteldag vond plaats op zondag 6 juni om 10.00 uur met een Vertelontbijt in de refter van het klooster van het Archeon in Alphen aan den Rijn. Ook dit evenement was weer strak geregisseerd met enkele korte sprekers (onder wie de burgemeester van Alphen aan den Rijn) en beroepsvertellers (Monty Hansen, Harro Teeuw, Philip van der Zee), en als dagopener dominee Nico ter Linden die onder andere een joods verhaal vertelde:
Het was in de dagen dat de grote
rabbi van Doubno samen met een leerling liep langs de oevers van een rivier en
ze spraken over de ingewikkelde geloofsvragen. Om de student duidelijk te maken
hoe hij over dit vraagstuk dacht, vertelde de rabbi van Doubno een verhaal.
De student stond stil en zei:
"Rabbi. Rabbi, altijd wanneer wij over een moeilijk probleem spreken, weet u altijd een passend verhaal te
vertellen. Hoe speelt u dat toch klaar?"
De rabbi glimlachte en zei: "Ik
zal je antwoord geven met een verhaal. Lang geleden zat de zoon van een edelman
op de militaire academie. En één van de vakken waarin hij uitblonk was
schieten. Geen van zijn medestudenten wist zo vaak als hij in de roos te
schieten. Hij had er menig gouden medaille mee gewonnen. En hij had zijn diploma
behaald. Toen reed de zoon van de edelman te paard weer naar huis, en hij kwam
door een klein dorp, waar 'ie aan de zijkant van een grote schuur wel honderd
schietschijven ontwaarde, met in iedere schietschijf een kogelgat midden in de
roos. De jonge officier was hogelijk verbaasd, hield zijn paard in en riep uit:
'Wie is deze excellente schutter? Honderdmaal in de roos schieten, dat doe
zelfs ik hem niet na!' Toen kwam daar
net een jongetje uit dat dorp langs, die keek omhoog naar die grote man op dat
grote paard, en hij zei: 'Degene die dat heeft... uh, dat heeft Malle Eppi
gedaan: de dorpsgek.' 'Nou, het kan me niet schelen wat 'ie is,' zei de
officier, 'maar iemand die in staat is honderd maal in de roos te schieten, die
moet alleen maar gouden medailles hebben gewonnen. Ik wil hem beslist
ontmoeten.' De jongen moest lachen. Hij zei: 'U begrijpt me verkeerd. Het is
niet zo dat Malle Eppi eerst die schietschijven op de schuur schildert, en dan
schiet. Nee, hij schiet eerst, en dan schildert hij de schietschijf eromheen.'
En zo doe ik het ook," zei de rabbi van Doubno: "Ik heb niet altijd
een passend verhaal paraat. Wat ik doe, is dit: ik lees veel verhalen, ik
luister naar veel verhalen. En al die verhalen sla ik in mijn geheugen op. En
als ik één van die verhalen wil vertellen, dan breng ik het gesprek op het
gewenste onderwerp, en dan vertel ik vervolgens het prachtige bijpassende
verhaal."
En daarop vervolgde de rabbi van
Doubno met de student hun wandeling.
(Bandopname Theo Meder, archief
Meertens Instituut)
Na de opening waren er verspreid over het Archeon beroepsvertellers te vinden die hun verhalen vertelden. In de Denktank hadden echter tevens stemmen geklonken om vooral ook gewone vertellers aan het woord te laten.
Zij waren in het Archeon om 12.00 uur aan de beurt bij het Open Podium. Bezoekers die zich bij de kassa hadden gemeld met de mededeling dat ze een verhaal wilden vertellen, hadden gratis toegang gekregen, en werden door een medewerkster naar het houten podium gebracht in het middeleeuwse deel van het Archeon. De zeven kinderen die zich aangemeld hadden waren allen meisjes, en daarnaast waren er nog twee volwassenen. Twee van de meisjes hadden een allochtone achtergrond: de Marokkaanse Sanae en de Turkse Kubra. De vader van Sanae vertelde me dat hij helemaal niet wist dat zijn dochter een verhaal ging vertellen, maar onderweg in de auto hoorde hij dat ze er eentje had voorbereid. Ook de Nederlandse Linde van Schaik (7 jaar) had een verhaal voorbereid, afkomstig uit het boek In geuren en kleuren van haar vader Pim. Het was een verhaal van de vader van een Ghanees klasgenootje. Tijdens het vertellen hield ze het boek vast, voor het geval ze de draad kwijt zou raken.

De Marokkaanse Sanae vertelt haar verhaal. Foto: Mereie de Jong.
Sommige kinderen leken pas ter plekke besloten te hebben om een verhaal te vertellen (al dan niet gepusht door de ouders) nadat het gerucht ging dat het Jeugdjournaal opnames zou komen maken. Zelf had ik ook opname-apparatuur en fototoestellen bij me. Daarmee werd de entourage om spontaan en alledaags te vertellen tamelijk onnatuurlijk. De kinderen moesten op een podium gaan staan, kregen van mij een microfoontje omgehangen, en vervolgens kwamen daar nog een camera en een geluidsman van het Jeugdjournaal bij. Niettemin slaagden de kinderen er nog heel behoorlijk in om hun verhaal op een natuurlijke wijze te vertellen: zonder te acteren, soms even haperend, soms met een zelfverzonnen verhaal van dicht bij huis. Esmee vertelde over een eenzaam paard dat er een vriendje bijkrijgt. Kubra over een meester die op school erg gepest wordt door een paar leerlingen. Sanae vertelde over meisjes en een jongen die op school leren volksdansen. Twee pubermeisjes vertelden gezamenlijk het sprookje van Roodkapje.

Twee meisjes vertellen het sprookje van Roodkapje. Foto: Mereie de Jong
En Roos Volkers vertelde een familieverhaaltje over haar overgrootvader:

Roos Volkers vertelt haar verhaal. Foto: Theo Meder
Toen mijn overgrootopa nog in Borneo
was, toen werkte hij voor KNIL... en dat is een soort van Koninklijke
Nederlandse uh... leger eigenlijk, en die werkte in Borneo. En hij was
sergeant. En toen liep 'ie van de ene plaats naar de andere plaats. En z'n
mannen, die kregen heel erg honger. Dus toen dacht 'ie: waar moet ik nou eten
vandaan halen? En toen kwam 'ie allemaal koppensnellers tegen. En toen dacht
'ie: daar kan ik misschien wel rijst aan vragen. Of ze iets te eten hebben.
En toen vroeg 'ie: "Mag ik
misschien wat rijst van jullie? Een zak rijst misschien?"
Toen zeiden de koppensnellers tegen
m'n overgrootvader: "Nou, misschien... nou, waarom zouden wij jou rijst
geven?"
"Nou, omdat mijn mannen heel
erg honger hebben," zei m'n overgrootvader.
En toen zeiden de koppensnellers:
"Ja, maar wij willen dat niet."
En toen werd m'n overgrootopa die
werd een beetje boos, want hij dacht: ja, ik moet ze toch eten geven.
Dus toen haalde 'ie z'n kunstgebit
eruit en begon 'ie er keihard mee te klapperen, en toen werden de
koppensnellers zo bang dat 'ie heel veel rijst kreeg.
(Bandopname Theo Meder, archief
Meertens Instituut)
Van de twee volwassen vertellers, was er één een medewerkster van het Archeon die iets vertelde over de manier waarop men vroeger vlooien ving in een pruik. Problematischer was de vertelling van een bejaarde man uit Gilze-Rijen. Omdat hij zo boeiend kon vertellen over vroeger, had zijn dochter hem aangespoord om op de Verteldag ook zijn verhaal eens te doen. Maar toen de man eenmaal moeizaam het podium beklommen had, haalde hij vijf A4-tjes tevoorschijn. Kennelijk verkeerde hij in de veronderstelling dat vertellen hetzelfde als voorlezen was, of was hij bang om bepaalde details en feiten over te slaan als hij het nu uit zijn hoofd zou doen. Ik heb de man nog redelijk lang zijn gang laten gaan, maar toen hij na ongeveer een kwartier zijn eerste A4-tje vol data, te lange schrijfzinnen en minder relevante uitweidingen had voorgelezen, vond ik het mooi geweest. De man vertelde (in het kader van de herdenking van D-Day op 6 juni) nota bene over zijn eigen ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, over hoe hij een Duitse officier hielp deserteren. Ik vroeg de man om zijn blaadjes weg te doen, en zijn eigen herinneringen uit het hoofd af te maken. De man ging enigszins knorrend akkoord, en meteen daarna werd het een levendig verhaal: korter, bondiger, persoonlijker, en de man maakte nu ook oogcontact met het weinige publiek dat er nog stond.
Toen zich geen kandidaten meer aandienden voor het Open Podium had ik gelegenheid om optredens van de beroepsvertellers bij te wonen. Een groot deel van de Denktank en de genodigden van die ochtend trok ’s middags het land in om andere evenementen bij te wonen.

Wieltje (Willem A. Hassoldt). Foto: Theo Meder
Eén van de professionals trad op onder de artiestennaam Wieltje – in werkelijkheid Willem A. Hassoldt uit Alphen aan den Rijn, die niet aangesloten is bij de Stichting Vertellen, en die zich heeft gespecialiseerd in clownerie. Zijn vertelling stond aangekondigd als het verhaal van De Belachelijke Kei, maar dit kwam slechts zijdelings in zijn performance aan de orde. Hij presenteerde zich vooral als een gek, die zich inbeeldde dat hij de dolle graaf Willem V (1333-1389) was, die het linker- en het rechterwiel had uitgevonden. Zijn optreden kenmerkte zich vooral door komische interactie met het publiek. Toen hij aan het slot vroeg of er nog vragen waren, informeerden twee mensen in het publiek of het verhaal van De Belachelijke Kei nog kwam. Waarop Wieltje vrolijk opnieuw begon aan zijn verhaal over Willem V, aan het eind van wiens levenspad de Belachelijke Kei ligt...

Philip van der Zee vertelt Karel ende Elequast. Foto: Theo Meder
Beroepsverteller Philip van der Zee (ook wel optredend onder de naam Donderelf - Philip is overigens zo’n type verteller, die niet alleen sjamanen-verhalen vertelt, maar zich ook sjamaan voelt) vertelde in de loop van de middag meerdere verhalen, gekleed in middeleeuwse kostuums. Een korte, traditionele vertelling ging aldus:
Er was een grote sterke man, maar die man was niet bijzonder slim. Hij werd 's nachts wakker en had een enorme dorst. Hij ging naar buiten, naar de waterput. En hij zag: het was volle maan. De man, hij ging naar de waterput, keek in de waterput, en oh, hij zag tot zijn verbazing de maan in de put. De maan was in de put gevallen! Hij ging op zoek naar een haak, vond een haak, bond hem vast aan het touw, liet de haak zakken in de put... De haak bleef onderin de put steken. De man, hij trok met al zijn kracht aan het touw. Het was een grote sterke man. Het touw brak, de man viel achterover en zag de maan weer aan de hemel staan. Die nacht droomde hij de zoete dromen van een held.
(Bandopname Theo Meder, archief
Meertens Instituut)
Daarnaast vertelde hij een uitgebreid Iers sprookje over Cormac MacArt onder de titel Reis naar het Toverrijk. Zijn vrouw Theresia begeleidde hem tijdens het vertellen op de harp. Philip vertelde me na afloop, dat hij zijn vertelling had samengesteld uit drie verschillende versies van het verhaal. Later die middag vertelde hij nog een langer verhaal, een licht komische variatie op de Middelnederlandse vertelling Karel ende Elegast, nu onder de titel Karel ende Elequast.
Afgezien van het Jeugdjournaal kwamen er geen nationale cameraploegen op de Verteldag af – het nieuws van die avond werd gedomineerd door de 60-jarige herdenking van D-Day en door de dood van Ronald Reagan. De radio was beter vertegenwoordigd. ’s Ochtends stond mijn gepensioneerde collega Ton Dekker het programma OVT van de VPRO telefonisch te woord over de verteldag in het Archeon en over de geschiedenis van Roodkapje. De NCRV-radio maakte een opname van het verhaal van dominee Ter Linden, en ook Teleac en de Wereldomroep maakten opnames.
Ondertussen waren er in het hele land vertel-evenementen. Op de Bataviawerf in Lelystad was een vertelontbijt. In het Vondelpark in Amsterdam was ’s middags een vertelpicknick. In de sterrenwacht van Bergum vertelde Douwe Kootstra Friese verhalen uit de verzameling van Dam Jaarsma. In filmtheater Luxor in Zutphen werd een groot vertelfestival georganiseerd. Door de provincie Overijssel trok een ‘Karavaan der Vertellers’. In Den Bosch werd onder meer een vertelwandeling georganiseerd. In het kleine Museum Simon van Gijn vertelde de jonge Dordtse verhalenverzamelaar Ruben Koman, die me op 7 juni mailde:
Ja, was hartstikke
leuk!! De eerste keer had ik 13 bezoekers (12u) en de tweede keer (14u)
23. Er konden er bij het tweede bezoek niet meer in, en er moesten zelfs mensen
naar huis worden gestuurd. Het is nl. een klein museum. Het verliep heel soepel
en ik kreeg veel leuke reacties. TV en krant er wederom bij.
Dat waren dan de stads-tv en de locale krant De Dordtenaar. En dit is dan natuurlijk maar een kleine greep uit de gebeurtenissen en de berichtgeving. Over het algemeen waren de reacties van de vertellers naderhand (zeer) positief. Dat neemt niet weg dat er ook wrijvingen zijn geweest.
Wrijvingen
Voor zover ik er getuige van ben geweest, speelden de wrijvingen zich voornamelijk af tussen de twee belangrijkste organiserende partijen: het NCV en de Stichting Vertellen (of individuele vertellers uit dit kamp). De grieven kwamen er steeds op neer dat de representatie van de stichting, de vertellers of de vertelkunst niet juist of niet prominent genoeg was.
Het begon er al mee dat de Stichting Vertellen naar haar smaak niet of niet opvallend genoeg in brieven, folders en op posters genoemd werd - hoe dit precies zat, lopen achteraf de meningen uiteen.
Sommige vertellers stoorden zich aan de twee grootste posters die waren gedrukt. Hierop zat een skelet op een grafsteen een (griezel?)verhaal te vertellen aan drie (generaties) luisteraars. De symboliek van griezelverhalen en van erfgoed dat wordt doorgegeven over de generaties heen ontging de meeste vertellers. Zij zagen de verteller vooral gerepresenteerd als een eng skelet, en op de e-mail-discussielijst Erwaseens... van de Stichting Vertellen werden al suggesties gedaan hoe je het skelet kon afplakken met een printje van je eigen programma. Ik heb gezien dat in elk geval de vertellersgroep uit Lelystad dit ook daadwerkelijk gedaan heeft.
Zeker in de aanloop naar de Nationale Verteldag toe, vond de Stichting Vertellen dat zij en de vertellers te weinig aandacht kregen in de media. Inderdaad kan men stellen dat de ‘gimmicks’ die bedacht waren om de aandacht van de media te trekken, met name Roodkapje, de Top Tien en de Volksverhalenbank, beter werkten dan verwacht. De aandacht die het Meertens Instituut en het NCV kreeg, ging ten koste van de Stichting Vertellen. Zelfs de inbreng van de vertellers op de perspresentatie, en de aandacht die zij toch vestigden op de Verteldag, raakten enigszins ondergesneeuwd. Maar ook op de Verteldag zelf in het Archeon merkte Pieter Quelle dat alle persaandacht naar Ineke Strouken trok en niet naar hem. Het Jeugdjournaal filmde de kinderen, verteller Harro Teeuw en Ineke Strouken, maar niet Pieter Quelle.

Harro Teeuw in het Archeon. Foto: A.L. Boelhouwer.
Pieter Quelle was ook niet gecharmeerd van de gang van zaken bij het Open Podium in het Archeon. Naar zijn indruk wilden de kinderen alleen vertellen omdat het Jeugdjournaal stond te filmen, werden ze desnoods gepusht door hun ouders, acterend stonden ze voor de camera onsamenhangende verhaaltjes op te dreunen, maakte dochter Van Schaik vooral reclame voor het boek van haar vader, en stonden er nauwelijks mensen te luisteren naar de verhalen die de kinderen vertelden, zelfs de eigen ouders niet.
Maar de grootste grief van Pieter Quelle was wel, dat verschillende vertellers op het vertelontbijt het bestonden om hun verhaal van papier voor te lezen. Niet alleen de burgemeester van Alphen en de ‘abt’ van het Archeon-klooster lazen hun verhaal voor, ook Nico ter Linden las zijn teksten op. Zeker de dominee had toch geïnstrueerd moeten worden dat het niet de Nationale Voorleesdag was, maar de Nationale Verteldag.

Nico ter Linden leest zijn verhaal, de NCRV maakt een opname. Foto:
Theo Meder
Al deze punten van wrijving tonen hoe gevoelig het ligt met de beroeps-eer van de verteller, en hoe eenvoudig inmenging van buiten of afwijking van het gewenste ideaal kunnen worden opgevat als aantasting van de identiteit van de verteller en het imago van de vertelkunst. De voorlezers zijn zich waarschijnlijk van geen kwaad bewust geweest: in deze geletterde wereld wordt verhalen vertellen gemakkelijk geassocieerd met verhalen voorlezen. Sommigen is gewoon de essentie ontgaan, dat het uiteindelijk niet ging om het verhaal an sich, maar om de vertel-performance: de mondelinge overdracht, uit het blote hoofd. In de geletterde wereld is het vertellen – als het ware – de jazz: je doet het uit je hoofd en je improviseert op de vaste motieven en verhaallijnen.
Het is opvallend hoezeer Pieter Quelle vanuit zijn specifieke optiek het vertellen van de kinderen op het podium ervoer als geacteerd en onnatuurlijk, terwijl hij de professionele vertellers prees om hun natuurlijke manier van vertellen. In mijn beleving was het juist andersom. Alhoewel de situatie bij het podium verre van natuurlijk was, konden de kinderen niet veel anders dan vertellen zoals ze anders ook altijd deden. Het zijn juist de beroepsvertellers die aan de andere eind van het vertelspectrum staan en die het vertellen van verhalen acteren. Sommige critici vinden de vertelkunst van de profs zelfs te gekunsteld, overdreven, aanstellerig, of in elk geval teveel een podiumkunst.
Hoe dan ook zijn er wel wat verbeterpunten denkbaar. Duidelijker maken dat vertellen niet synoniem is met voorlezen, lijkt me een goede aanbeveling. Verder is het de vraag of zondag wel zo’n gelukkige dag is geweest om te kiezen. Bepaalde groepen werden hiermee (ongewild) uitgesloten. Niet alleen waren bibliotheken en scholen dicht, ook plaatsen waar men de zondagsheiliging respecteerde konden niet meedoen. Gewone, alledaagse vertellers (en daarmee bedoel ik vrij letterlijk de gewone man en vrouw in de straat) moeten voorts meer bij de verteldag betrokken worden, zodat niet de indruk wordt gewekt dat vertellen een podiumkunst is waarin alleen de (semi-)beroepsvertellers excelleren. Maar als er open podia worden aangeboden, is het wel van belang dat de gewone vertellers meer begeleiding krijgen van ervaren sprekers, en in een natuurlijker en ‘veiliger’ entourage op hun gemak hun verhaal kunnen doen voor een welwillend luisterend publiek.
Wie had welk belang?
Zoals ik hierboven al opmerkte, wordt een themadag steeds in het leven geroepen om aandacht te vragen voor een ‘vergeten’ groep of onderwerp. Maar wie of wat is dat dan precies bij de Nationale Verteldag? Het lijkt een contradictie om ‘het (volks)verhaal’ aan te merken als een ondergewaardeerd genre, als het motto van de dag is dat iedereen een verhaal heeft. In de nieuwsbrieven en persberichten werd ook vastgesteld dat er nog altijd en bij voortduring verhalen worden verteld in onze cultuur: moppen op het schoolplein, sterke verhalen in de kantine en familiegeschiedenissen op verjaardagen. De belangstelling voor volksverhalen, ook de traditionele genres als sprookjes en sagen, zit in de lift, al is het maar via boeken en films als Harry Potter en Lord of the Rings. Kortom: het volksverhaal is niet de pandabeer van de Nederlandse cultuur.
Het zijn veeleer de beroepsvertellers die de erkenning en de status missen die andere kunstenaars wel hebben, zoals de gearriveerde schrijvers, acteurs en cabaretiers. Zeker omdat op de verteldag de beroepsvertellers zich het duidelijkst gemanifesteerd hebben, lijkt het gerechtvaardigd om vast te stellen dat de themadag vooral bedoeld is voor de ‘vergeten’ groep van profs, en daarmee natuurlijk ook voor hun specifieke vertelkunst. De Stichting Vertellen is een - volkomen legitieme - belangenvereniging voor de (semi-)professionals die hun brood proberen te verdienen met vertellen (al zitten er ook 'amateurs' bij de stichting). De stichting en de vertellers hebben baat bij meer erkenning, maar laten we niet vergeten dat er ook een stuk idealisme meespeelt: alle leden koesteren immers een oprechte passie voor het mondelinge vertellen.
Passie leeft er ook op het NCV, maar dan voor de volkscultuur. In haar briefhoofd valt te lezen waar het NCV voor staat: "Dagelijks Leven, Tradities en Rituelen". Net als het Meertens Instituut houdt zij zich bezig met de cultuur van het dagelijks leven en met de Nederlandse folklore. De taakverdeling is daarbij duidelijk: het Meertens verzorgt de wetenschappelijke kant, en het NCV de praktische kant. Het NCV profileert zich steeds meer in de richting van wat in het Engels thans public folklore heet. Daarbij hoort ook het zelf organiseren van volkskundige evenementen en het (her)introduceren van tradities. Het NCV profileert zich bovendien als "Landelijk Instituut voor het Immateriële Erfgoed". In volkskundige kringen is het ondubbelzinnig dat met deze titulatuur een voorschot werd genomen op de Unesco-plannen met betrekking tot behoud van het immateriële erfgoed. Na behoud van het materiële erfgoed, is de Unesco begonnen met een deltaplan voor de bescherming en bevordering van immaterieel erfgoed als zang, dans, vertelkunst en feesten. In rijke westerse landen zijn weliswaar geen Unesco-subsidies te verkrijgen, maar een instituut dat zich nadrukkelijk richt naar het Unesco-profiel zal nationaal allicht gemakkelijker aanzien en subsidie verwerven bij het initiëren en organiseren van volkskundige evenementen. De Unesco verlangt echter wel veel: de ‘bedreigde’ vormen van volkscultuur dienen niet alleen gedocumenteerd en bestudeerd te worden, maar ook beschermd en gestimuleerd. Die laatste twee aspecten zijn de reden dat het Meertens Instituut wel een adviserende rol wil vervullen, maar geen uitvoerende functie ambieert: het past een wetenschappelijk instituut niet om verschijnselen die zij bestudeert ook actief te bevorderen, want daarmee wordt de onderzoeker de regisseur van zijn eigen studie-object. De wetenschapper kan moeilijk gaan rapporteren dat Sinterklaas enorm in de lift zit, nadat hij de viering eerst zelf gestimuleerd heeft. Ook om een andere reden begeeft de wetenschapper zich in een wespennest: de Unesco kan Sinterklaas als een te stimuleren feest erkennen, maar tegelijkertijd verlangen dat Zwarte Piet niet meedoet, omdat dit een politiek incorrect element in de viering zou zijn. Het NCV vindt dat het Meertens op dit punt teveel spoken ziet. Het NCV wil, vanuit haar publieke taakopvatting, de volkscultuur wel stimuleren. Het Meertens wil dat niet, maar wil weer wel bestuderen hoe anderen dat doen. Zou het vertellen van Roodkapje gestimuleerd gaan worden (maar die is toch al populair?) of juist de verhalen van Lange Winter en de Stenen Uilenborden? De laatste dreigen misschien wel uit te sterven, maar als dat zo is: zit er dan wel iemand te wachten op hun reanimatie? Er verdwijnen al eeuwen verhalen en dat blijkt geen culturele ramp te zijn; er komen gewoon weer andere verhalen voor in de plaats.
Met de Nationale Verteldag lijkt het NCV voor een andere strategie te kiezen. Centraal komt het vertellen te staan (al is dit geen bedreigde bezigheid) en de verteller. Door de alliantie met de Stichting Vertellen komt de nadruk wel te liggen op het even getalenteerde als onalledaagse vertellen van de professionele verteller. Het vertellen komt daarmee ook in onalledaagse plaatsen terecht zoals verteltheaters en musea – en zodoende worden processen van folklorisering, festivalisering en musealisering in werking gezet. Men loopt daarmee het risico dat verhalen vertellen uiteindelijk in de sfeer van de oude ambachten en de dode vitrine-objecten terechtkomt, en dan heeft de hele cultuur-impuls contraproductief gewerkt.
Ik geef toe dat ik nu een soort doem-scenario schets, maar ik denk wel dat de verteldag naast ervaren vertellers veel meer alledaagse vertellers behoeft, en dat men op de verteldag meer moet vieren dat het vertellen bloeit en geen museum behoeft.
Het is altijd wat moeilijker om de eigen rol binnen het geheel te kunnen analyseren, maar het mag duidelijk zijn dat ik namens het Meertens Instituut ook niet geheel belangeloos heb meegedaan. Het nobele motief luidt natuurlijk dat als er een landelijk vertel-evenement georganiseerd gaat worden, er een Meertens-onderzoeker aanwezig moet zijn om zowel de organisatie als het fenomeen te documenteren en bestuderen. Het bijwonen van de voorbereiding en de verteldag kan gezien worden als een vorm van participerende observatie – een etnologisch onderzoek naar themadagen en orale cultuur, om na te gaan hoe een verteldag strak georkestreerd en letterlijk als een (toekomstige) traditie ‘in de markt gezet’ wordt en welke rituelen worden aangewend om zichzelf te presenteren en de aandacht van de media te trekken.
Maar zo goed als dat voor de andere deelnemers gold, groeide ook voor het Meertens het belang van de zelfpresentatie. Het idee van de persconferentie op het Meertens kwam weliswaar van het NCV, maar het was voor de afdeling etnologie een welkome manier om zich weer eens te profileren. Enige tijd daarvoor had de afdeling van de Wetenschapscommissie te horen gekregen dat de etnologen misschien wel erg actief waren, maar dat de buitenwacht daar momenteel weinig van merkte, zeker nadat het eigen tijdschrift Volkskundig Bulletin ter ziele was gegaan en een opvolger te lang op zich liet wachten. Er kwam derhalve alle ruimte om de sinds 1994 opgebouwde databank met volksverhalen om te vormen tot een Verhalenbank op internet. Het NCV drukte voor de persconferentie een folder, maar de afdeling etnologie liet om de eigen zichtbaarheid te vergroten ook nog eens een eigen kunstzinnige folder maken met reclame voor de Verhalenbank en een drietal symposia, speciaal voor de eigen achterban. De Meertens-folder was puur een kwestie van zelfpresentatie, want hij was niet bedoeld als uitnodiging: voor de persconferentie en de meeste symposia was de symposiumzaal al vol.
Elke participerende organisatie heeft dus een zeker eigenbelang. Maar ze hebben ook belang bij de participatie van de ander. De Stichting Vertellen had het NCV nodig omdat het over de kennis, het talent en het netwerk beschikt om zo’n landelijk evenement te organiseren. Het NCV had de Stichting Vertellen nodig omdat het anders niet aan voldoende getalenteerde vertellers had kunnen komen. In principe hadden de twee partijen het met elkaar afgekund – deelname van het Meertens Instituut was niet noodzakelijk. En toch was er wel een zeker belang bij de participatie van het Meertens, omdat het bijvoorbeeld een wetenschappelijke legitimatie en daarmee erkenning kan geven aan verhalen als cultureel erfgoed en als volkskunst – verhalen die het waard zijn om vast te leggen en te bestuderen.
Een partij die zich wellicht buitengesloten heeft gevoeld, is het bibliotheekwezen. Ik kreeg althans een mailtje van Louise Mertens, een bibliothecaresse uit Roermond, die verbaasd was dat de verteldag zonder de bibliotheekbranche was georganiseerd, en bovendien niet begreep waarom er geen aansluiting was gezocht bij de Nationale Voorleesdagen. Ik mailde haar het volgende terug:
Een misverstand over de Nationale Verteldag is, dat teksten of verhalen centraal staan, en dat het om voorlezen of boeken zou gaan. Wat werkelijk centraal staat, zijn het vertellen en de vertellers: mondelinge overdracht dus. De invalshoek is derhalve niet vanuit de letteren maar vanuit de orale cultuur. Het gaat om uit het blote hoofd vertellen, zonder tekst op papier. Ik kan mij goed voorstellen dat in de toekomst scholen en bibliotheken ook bij de Nationale Verteldag betrokken worden, en dat deze het evenement thematisch kunnen aankleden met boeken en lessen en ruimte voor vertellers, maar er zal zeker het beding worden gesteld dat het vertellen zelf mondeling en uit het hoofd geschiedt. Een combinatie met de Voorleesdagen zal er om die reden niet snel inzitten.
Na deze uitleg begreep zij het verschil, maar zij vroeg zich wel af of de bibliotheekorganisatie Biblion hiervan niet op de hoogte moest worden gebracht – het misverstand zou wel eens breder kunnen leven.
Er zijn vooralsnog geen grote commerciële belangen gemoeid geweest met de Nationale Verteldag. Themapark Archeon heeft wat media-aandacht gehad, maar het is de vraag of dit opwoog tegen de kosten van de vrijkaartjes, het vertelontbijt en de extra vertellers die geëngageerd waren. Wellicht dat het Unesco-profiel profijtelijk zal zijn voor status en subsidiewaardigheid van het NCV. En misschien dat op het Meertens het verhaalonderzoek in aanzien stijgt. De beroepsvertellers hebben aan de Verteldag in elk geval niet dik verdiend. Vooralsnog kan geen verteller in luxe leven van zijn vak. De Verteldag heeft hoogstens voor wat meer erkenning en wat meer opdrachten gezorgd. En al is hun performance regelmatig wat gekunsteld, het moet gezegd worden: de beroepsvertellers kunnen als geen ander de prachtigste verhalen vertellen!

Roodkapje op de site van de Nationale Verteldag.