Verhalen uit de volksmond
Uit de verzamelpraktijk van Cornelis Bakker, arts te Broek in Waterland
Theo Meder
De nachtmerrie van de kraamheer
"Heden 24 juni 1911 had ik het voorrecht een partus te doen bij een primipara van 36 jaar. Die duurde van donderdagnacht één uur tot zaterdagavond zes uur. Wat kon ik beter doen, dan den uxor, een echte Zuiderwouder van 55 jaar, te interviewen?"
De arts Cornelis Bakker (1863-1933) noteerde deze woorden in een brief die hij op maandag 26 juni 1911 verstuurde aan G.J. Boekenoogen (1868-1930).[1] Voor alle duidelijkheid: Bakker is die donderdagnacht (22 juni) dus per roeiboot naar Zuiderwoude gehaald om een verlossing (partus) te doen bij een vrouw die voor de eerste keer moest gaan bevallen (primipara). Aangezien de bevalling moeizaam verloopt, neemt de dokter de gelegenheid te baat om de echtgenoot (uxor) uit te horen over volksverhalen. Gelukkig tekent Bakker ook de naam van deze verteller op: Jan Lof. Uit het bevolkingsregister leren we dat Jan Lof Dzn (= Dirkszoon) werd geboren te Zuiderwoude op 6 april 1856. Hij is de zoon van de boerenarbeider Dirk Lof en manufacturierster Neeltje Swart. Jan Lof was Nederlands Hervormd en heeft zich als boerenarbeider uiteindelijk opgewerkt tot zelfstandig veehouder. In mei 1880 trouwde Jan met zijn eerste vrouw Lijsje van Vuure uit Broek in Waterland. Het echtpaar kreeg zes kinderen, waarvan er twee jong stierven. Echtgenote Lijsje van Vuure kwam te overlijden op 2 april 1909. Kort hierop trad weduwnaar Jan voor de tweede maal in het huwelijk, nu met Aaltje Westerneng (geboren te Ransdorp op 19 maart 1876). Jan Lof is inderdaad 55 jaar als hij opnieuw vader gaat worden. Het bevolkingsregister vermeldt op zaterdag 24 juni 1911 de geboorte van zoon Jan Lof. Hierna zouden er nog twee zoons volgen: Hendrik op 18-1-1914 en Pieter op 16-12-1916. Op 5 mei 1917 wordt Jan Lof voor de tweede maal weduwnaar als Aaltje komt te overlijden.[2]
Uit het repertoire van Jan Lof heeft Cornelis Bakker in die dagen rond de bevalling twintig verhalen opgetekend. Een opmerkelijk verhaal is het volgende, waarbij Bakker nog opmerkt dat het de verteller - naar eigen zeggen - wel zeven of acht keer is overkomen:
"Hij lag te slapen en toe werd ie wakker en toe was het net of er wat op hem zat, en hij was doodsbenauwd, zoodat het zweet van hem afdroop. Duidelijk voelde nie het bij zijn bienen opkomme en op lest tot aan zijn keel toe gaan, terwijl hij al benauwder wier. Omdat hij niet bangelijk van natuur is, besloot hij toe te grijpen, zoodat hij duidelijk voelde dat ie een kat tusschen zijn vingers had. Maar raar! Het versmolt almeer en meer, zoodat ie op laatst niks meer over had. Toe voelde nie het weer na beneden gaan na zijn bienen, toe hoorde nie een sprong en toe was het over. Maar toe was ie toch wel bang! Dat hij docht: ik zel de dekens maar over me halen.
En wat zag ie? Dat zijn deken netjes aan het voetenend opgerold lag. Nou heb ik nog vergete te zeggen dat toe dat beest op zijn keel zat, het hel licht in de kamer was, alhoewel er geen lichtjes brandde.
'Ze prate wel ers van de nachtmerrie; nou geloof ik daar niet an, maar ik denk toch dat het zuk slag geweest is'."[3]
C. Bakker heeft dit verhaal in 1922 gepubliceerd in het tijdschrift De Gids, maar toen heeft hij het autentieke Waterlandse taalgebruik van de verteller weggewerkt, en de bewoordingen omgezet in Algemeen Beschaafd Nederlands - wat in die tijd ook bepaald gebruikelijk was.[4] Bakker heeft het verhaal ongetwijfeld opgetekend omdat hij het herkende als een nachtmerrie-vertelling. En daarbij moet de nachtmerrie niet begrepen worden in de hedendaagse betekenis van de 'angstige droom', maar in de traditionele betekenis van een nachtelijke confrontatie met een boze geest of heks (in metamorfose). Pas tamelijk recent heeft men ontdekt dat dit type verhalen (internationaal aangeduid als 'Old Hag' of 'Druckgeist') in tal van culturen voorkomt, en zijn oorsprong waarschijnlijk niet vindt in enig 'bijgeloof', maar in een reële slaapstoornis, die gepaard gaat met tijdelijke verlammingsverschijnselen en hallucinaties.[5] Aan Bakker danken we dus een betrekkelijk vroege optekening van dit fenomeen.

Cornelis Bakker (1863-1933)
Verzamelen op verzoek
Een vraag die zich hier laat stellen is: hoe is Cornelis Bakker ertoe gekomen om dit soort verhalen te gaan optekenen? In de jaren 1893 en 1894 plaatste de neerlandicus Gerrit Jan Boekenoogen oproepen in kranten en tijdschriften, waarin hij de lezers verzocht om rijmen en sprookjes op te tekenen en aan hem toe te zenden die uit de mondelinge overlevering stammen. Boekenoogen motiveerde zijn oproep met de toen nog heersende Germaans-mythologische theorie: die oude volksliedjes en volksverhalen dragen de restanten van de oude heidens-Germaanse cultuur nog in zich, en zijn dus dienstig voor de reconstructie en bestudering van ons voor-christelijke geestesleven. Het gevolg van de oproep was dat Boekenoogen talloze liedjes en veel verhalen uit heel het land kreeg toegezonden. De collectie staat bekend als de collectie Boekenoogen en wordt thans bewaard in het archief van het Meertens Instituut te Amsterdam.
De meest gedreven verzamelaar was wel Cornelis Bakker uit Broek in Waterland. Hij heeft zoveel volkskundig materiaal verzameld, dat we binnen de collectie Boekenoogen een collectie Bakker onderscheiden, die ongeveer eenderde van het geheel uitmaakt. Naast liedjes en ander volkskundig materiaal heeft Bakker ruim 500 volksverhalen uit de mondelinge overlevering opgetekend. Alvorens hier nader op in te gaan, wil ik eerst even kort stilstaan bij de persoon van de verzamelaar.
Cornelis Bakker werd in 1863 geboren in Koog aan de Zaan als zoon van een doopsgezind middenstandersgezin: zijn ouders dreven een winkel in manufacturen en grutterswaren. Hij ging naar de HBS in Zaandam en ontving in 1879 de Jasykoff-prijs als beste eindexamen-kandidaat. Om te kunnen doorstuderen heeft hij staatsexamen gymnasium gedaan, en vervolgens is hij in Leiden medicijnen gaan studeren. In 1888 haalde hij zijn arts-examen: hij mocht zich arts noemen, maar was geen medisch doctorandus (vanwege dat staatsexamen) en hij mocht dus ook niet promoveren. In hetzelfde jaar vestigde hij zich als dokter in Goedereede op Goeree-Overflakkee, maar hij kon slecht aarden in dit streng gereformeerde milieu. Toen er een jaar later een praktijk vrijkwam in Broek in Waterland, heeft hij de mogelijkheid met beide handen aangevat om terug te keren naar de vertrouwde gewesten. Deze plattelandspraktijk was groter (Broek, Uitdam, Zuiderwoude en alle polders en boerderijen in de omtrek), en het salaris was lager, maar hier voelde Bakker zich thuis. Hij heeft zich in zijn praktijkjaren gemanifesteerd als een zeer sociaalvoelend arts: hij heeft nooit zijn tarieven verhoogd, deed een bevalling in geval van grote armoede gratis, zette een afdeling van het Witte Kruis op, zorgde voor een waterput met schoon drinkwater, liet een ijskelder bouwen enzovoort, enzovoort. In 1919 ging hij met pensioen, waarna hij aan het publiceren is geslagen. Zijn magnum opus zou worden: Volksgeneeskunde in Waterland. Een vergelijkende studie met de geneeskunde der Grieken en Romeinen, gepubliceerd in 1928. Cornelis Bakker is in 1933 te Utrecht overleden, en in Broek in Waterland begraven. In 1959 is er in Broek in Waterland een straat naar hem vernoemd: de Dokter C. Bakkerstraat.[6]
Een jaar voor de oproepen in kranten en tijdschriften, in 1892, had de student Boekenoogen al een brief naar Bakker gestuurd met het verzoek of hij folkloristisch materiaal en bovenal Zaans en Waterlands dialect voor hem wilde verzamelen. Bakker was daar toen wel mee begonnen, maar moest dit werk al spoedig staken door een grote difterie-epidemie. Pas vijf jaar later, in 1897 stuurt Bakker zijn materiaal op. Maar toen was de dialectverzameling mosterd na de maaltijd: Boekenoogen was inmiddels gepromoveerd op De Zaanse Volkstaal.[7] Vanaf dat moment, 19 jaar lang, van 1897 tot en met 1916 (het jaar van de watersnood in Waterland) heeft Bakker met de regelmaat van de klok verzamelwerk opgestuurd naar Boekenoogen: sagen, sprookjes, moppen, volksliedjes, kinderspelen, feestgebruiken, dialect, volksgeneeskunde, volksprenten en noem maar op.
Veel van de volksverhalen die Boekenoogen uit het land ontving, werden door hem in bewerkte vorm gepubliceerd in het tijdschrift Volkskunde in de beginjaren van de 20e eeuw onder de titel Nederlandsche sprookjes en vertelsels - zo ook veel van de verhalen die Bakker had ingestuurd. De meeste correspondenten van Boekenoogen stuurden vooral liedjes en verhalen op die zij zich uit hun eigen jeugd herinnerden, en die zij soms in sterk verliteratuurde vorm opschreven. Bakker putte ook wel uit zijn herinneringen, maar het bijzondere was toch dat hij juist veel 'veldwerk' heeft verricht. Hij interviewde zijn patiënten - liefst oude boeren, boerenknechten en vissers, bij wie verondersteld werd dat de mondelinge overlevering het zuiverst bewaard was gebleven. Bakker wist hun vertrouwen te winnen doordat hij in staat was hen in hun eigen taal aan te spreken. En hij was weliswaar de dokter, maar hij was niet "meneer de dokter", zo vertelde zijn nicht Sijtje Engel mij.[8] Bakker had altijd een notitieboekje op zak en werkte zijn aantekeningen liefst dezelfde dag nog uit. Hij was niet kieskeurig: alle verhalen die ook maar een enigszins oude trek in zich leken te hebben, tekende hij op.
Vertellers en hun repertoires
Helaas noteerde Bakker bij lang niet alle verzamelde verhalen van wie hij ze gehoord had. Destijds werden verhalen niet zozeer representatief geacht voor een bepaald persoonlijk repertoire, maar veeleer voor een plaats of streek. Achter nagenoeg elk verhaal noteerde Bakker dan ook de vindplaats: Broek, Zuiderwoude, Uitdam, Zaandam, Beets, Zunderdorp, Den Ilp, De Rijp, Buiksloot, Monnikendam, Koog aan de Zaan etcetera. Soms merkt hij bij een verhaal bijvoorbeeld op dat hij het heeft van "een oude Broeker" of "een Zunderdorpervrouw".[9] Afgezien van enkele verhaaltjes, die hij zich nog herinnerde van zijn vader Willem Bakker (1828-1884), en moppen die hij nog kende uit zijn eigen Leidse studententijd, noemt hij sporadisch toch ook namen van vertellers uit Broek in Waterland en omgeving: Jan Visser, Jacoba Schoemaker (de echtgenote van het hoofd der school Arend Schoemaker, Bakkers beste vriend), Jannetje Dekker-Knip, Pieter Knip, Christina Groot-Pronk (die ook veel liedjes voor Bakker heeft gezongen), Dirk Bregman, Jan Vet, Jan de Vries (allen uit Broek), Jacob Beets Dirkszoon (uit Uitdam), Dirk Knip (uit Zuiderwoude), en de broers Gerrit en Hendrik Eysker (uit Beets). Van al deze vertellers zijn steeds maar een paar verhaaltjes bekend - telkens te weinig om iets met zekerheid over de eigenheid van hun afzonderlijke repertoires te kunnen zeggen.
Een drietal vertellers springt er in de verzameling van Bakker echter uit. In de eerste plaats de hierboven al genoemde veehouder Jan Lof uit Zuiderwoude, die Bakker in 1911 bezocht. Een tweede verteller was boerenknecht Kees van de Nadort uit Broek in Waterland, die eveneens in 1911 zijn verhalen aan Bakker heeft verteld. De meest getalenteerde verteller was evenwel veehouder Dirk Schuurman uit Broek, die door Bakker in de periode 1901-1903 meermalen is bezocht om diens verhalen te kunnen optekenen. In het navolgende zal ik wat langer stilstaan bij hun repertoires.
Uit het repertoire van Jan Lof heeft Bakker in de bewuste dagen rond de bevalling twintig verhalen opgetekend. Lof blijkt vooral een sagen-verteller te zijn: hij vertelde twaalf sagen, twee sprookjes, vijf grappige sprookjes of moppen en nog een persoonlijke vertelling. Een bekend sprookje dat Bakker van Lof te horen kreeg, was dat over Ali Baba en de veertig rovers. Bakker had het sprookje al vaker van anderen te horen gekregen, en noteert nu vooral wat er afwijkt. In plaats van de bekende berg die zich opent met de formule "Sesam open u", gaat in het sprookje van Lof een luik in de grond in het bos open met de formule: "Hocus pocus pilatus open u." Het tweede sprookje dat Lof verteld heeft, is een buitengewoon curieuze en enigszins pikante vertelling over een gebochelde schoenmaker die met een lelijke prinses vrijt en uiteindelijk ook met haar mag trouwen. Voor zover bekend is dit een uniek verhaal, dat weliswaar tal van bekende sprookjes-elementen in zich draagt, maar dat niet bij enig internationaal erkende sprookjes-typering aansluiting vindt.[10]
In zijn grappige vertellingen neemt Lof graag een loopje met een tweetal 'buitenstaanders': de katholieken en de 'Poepen'. Beide categorieën personen zijn in het Broekse moppenrepertoire wel vaker onderwerp van spot geweest. De katholieken werden door de overwegend protestantse Broekers steevast bespot om hun beeldenverering, het priesterlijke celibaat en het kerklatijn. De Poepen waren de Duitse maaiers, die tot het einde van de 19e eeuw in de zomermaanden naar Holland kwamen om bij de boeren het gras te maaien en te hooien. Ze werden ook wel hannekemaaiers genoemd, of Bovenlanders, want ze kwamen voornamelijk uit Oost-Friesland en West-Falen. De naam Poep is een verbastering van het Duitse woord 'Bube' (jongen), dat in de tongval van de maaiers zelf eerder met p's dan met b's werd uitgesproken. In de moppen beschikken de Poepen steeds over een even grenzeloze als karikaturale domheid - een functie die in moppen later door de Belgen zou worden overgenomen. Een deel van de domheid van de Poepen blijkt in de moppen (en waarschijnlijk ook in de praktijk) te berusten op het taalprobleem: de Duitse knecht en de Hollandse boer begrepen elkaar soms maar half.
Maar zoals gezegd was Jan Lof vooral een sagen-verteller. Hij verhaalde onder meer van toverij, de nachtmerrie, voortekenen, spokerij, duivelskunsten, dwaalgeesten en hekserij. Het is opmerkelijk dat de verteller meermalen tegenover verzamelaar Bakker benadrukt dat hij niet bijgelovig is. En natuurlijk hoeft de verteller ook niet elk verhaal te geloven dat hij vertelt; hij vertelt de verhalen immers deels omdat de verzamelaar er naar vraagt. Anderzijds benadrukt Jan Lof te geloven in het bestaan van dwaalgeesten, sluit hij niet uit dat er zoiets als een nachtmerrie bestaat, en vermoedt hij dat het bij het huis van Klaas Lodder spookt omdat er geld uit de Franse Tijd begraven is. Verder bekent Jan Lof persoonlijk korte tijd in de ban te zijn geweest van de (zwarte) magie. Bakker heeft het aldus opgetekend:
"In de Haarlemmermeer was iemand, die de zwarte kunst verstond. Als een paard en rijtuig hem vooruit was, kon hij het laten stilstaan. Was hij weer een eind vooruit, dan kon hij het weer laten komen.
Ik vond dat zoo aardig, aldus de kraamheer, dat ik het wel wou leeren. Die persoon was er niet ongenegen toe. Maar toe was er gelukkig een maat, die me waarschuwde.
Die zei: "Hij wil er wel graag of, en dat ken hij alleen, as ie iemand vindt, die het hebben wil, want ze hebben er erge last van. Ze hebben een boekie en daar kenne ze niet of, al verbrande ze het. Ze kenne het ook niet wegmake, want het komt telkens weerom. Alleen kennen ze het kwijt, als iemand het hebben wil."
Ik bedankte er dus voor, maar toe zei die vent: "As je 't ken, dan ken je an zooveul geld komme as je maar wille."
Toe wier ik toch nieuwsgierig en vroeg: "Hoe dan?"
Nou, dan most ik een kat met huid en haar murf koken, en dan 's nachts om twaalf uur voor den spiegel gaan zitten, en naar een beentje zoeken op de tast af.
Zoodra ik het bewuste beentje tusschen me vingers had, zou er een stem komen, die zegge zou: "Dat is het."
En dan was me fortuin gemaakt.
Toe begreep ik dat het duivelswerk was, en moest ik er niks van hebben." [11]
In andere vertellingen laat Lof weer blijken een overtuigd christen te zijn, met een behoorlijke bijbelkennis en een weerzin voor de duivel. Feitelijk constateren we in zijn verhalen een geloof in een bovennatuur die een mengeling is van een christelijke geloofsovertuiging en een toen nog breed gedragen volksgeloof. In dit perspectief moeten we Jan Lofs opmerking dat hij niet bijgelovig is interpreteren: het geloof in het bovennatuurlijke en de christelijke geloofsleer vloeien in elkaar over, en past op een natuurlijke wijze in de waarheidsperceptie van de verteller. Heksen, duivels, tovenaars en spoken maken een onvervreemdbaar onderdeel uit van (de mysteries van) het dagelijkse leven - en beslist niet alleen bij deze Broekse verteller.

Jan Lof (1856-1939)
In het wereldbeeld van sagen-verteller Kees van de Nadort was het dagelijkse bestaan nog veel duidelijker beslist niet onttoverd. C. Bakker introduceert Van de Nadort bij Boekenoogen niet zonder reden als een "ouden bijgeloovigen Broeker".[12] In zijn sagen legt Van de Nadort tegenover zijn huisarts getuigenis af van zijn geloof in heksen, zwarte kunst, waarzeggerij en nachtmerries. Het is maar zeer de vraag of de verteller zijn verhalen als 'vertellingen' ervoer en niet eerder als op waarheid berustende informatie. In bepaalde verhalen benadrukt Van de Nadort zijn persoonlijke betrokkenheid bij de bovennatuurlijke gebeurtenissen.
Over Cornelis (Kees) van de Nadort is bekend dat hij op 29 augustus 1841 werd geboren te Broek in Waterland. Zijn vader, Jacob van de Nadort (1797-1863), kwam oorspronkelijk van Terschelling en was schipper van beroep. Zijn moeder Grietje Bierdrager (1803-1877) stamde oorspronkelijk uit Broek in Waterland. Het gezin was Nederlands Hervormd van gezindte en bevatte naast Kees nog vijf andere kinderen: Gerrit (1832), Teunis (1835), Jan (1839), Jacob (1844) en Mijntje (1837). Als beroepen van C. van de Nadort staan in het bevolkingsregister achtereenvolgens geregistreerd: boerenknecht, melkboer en arbeider. Tijdens zijn leven heeft Kees het dorp Broek soms verlaten om te werken in Ilpendam of te wonen in Nieuwendam. In april 1868 trad Kees in het huwelijk met Elisabeth Breek (geboren 22 nov. 1840 te Broek in Waterland; Nederlands Hervormd). Hun huwelijk zou kinderloos blijven. Nadat Kees zich in januari 1866 weer in Broek gevestigd had, verhuist hij voortdurend. Hij heeft onder andere een tijdje in het achterhuis gewoond van mevrouw D. Schuurman aan het Roomeinde nr.17. Het is verder bekend dat hij toen boerenarbeider was bij boer Willem Klaver. Hij vertrok soms al om 2 uur 's nachts naar zijn baas, die melkvee hield. Er moest zeer vroeg gemolken worden, waarna de melkboeren (staffersboeren, stadvaartboeren) in hun jolletjes met de melk naar de melkboot roeiden. Met deze melkboot vertrokken ze dan al om 6 uur 's ochtends naar Amsterdam. De melkboot van Siep de Best, de Antonette geheten, meerde dan af aan de melkmarkt op de Prins Hendrikkade, bij de Sint Nicolaaskerk. Daar stonden de karren van de boeren klaar waarmee ze de melk in hun wijk gingen uitventen.[13] Kees van de Nadort is overleden op 17 augustus 1923. Na zijn dood belandt de armlastige Elisabeth Breek in het Diaconiehuis, waar zij sterft op 18 april 1934.[14]
In 1911 kreeg Bakker van Kees van de Nadort 14 sagen te horen, waarvan hij er in 1922 vier publiceerde in De Gids.[15] In het artikel voegt Bakker nog een nieuwe sage van Van de Nadort toe, die hij via zijn opvolger dokter P.T.J. Parree had vernomen. De in die jaren zieke Kees weigerde zijn medicijnen nog langer in te nemen. Na enig aandringen vertelde Kees s nachts op bed door de nachtmerrie te zijn bezocht. Na een aanval van benauwdheid hoorde Kees dan duidelijk zeggen: gebruik geen medicijnen meer, want tegen je kwaal helpen ze toch niet. De medicus Bakker doet het hele geval af als "auto-suggestie met gehoors-hallucinatie"[16], maar uit het verhaalrepertoire van Kees van de Nadort blijkt duidelijk dat zulke bovennatuurlijke verschijnselen integraal tot zijn belevingswereld behoren.
Nergens in de correspondentie geeft Bakker zo duidelijk weer hoe hij het vraaggesprek met een verteller inkleedde als met Van de Nadort. Bakker toont oprechte belangstelling en verbazing. Hij is niet neerbuigend, maar spreekt de taal van zijn zegsman. Steeds tracht Bakker met zijn reacties en het terloops ter sprake brengen van nieuwe onderwerpen de verteller uit zijn tent te lokken:
"Zeg Nadort, heb je wel eens gehoord dat bij kollen een muis uit den mond vliegt?"
"Nee, dat heb ik nooit gehoord, maar wel was er bij ons een oude vrouw, die kon kollen. [...]"
Ik: "Ja, die kollen moeten raren dingen zijn."
Nadort: "Of het, mijnheer. Ik en mijn vrouw bennen ook ers bekold geweest. [...]"
Ik: "Toch aardig met zukke kollen: dan ben het vliegen, en dan ben het muizen. Je zoudt zeggen: hoe ken het?"
Nadort: "Zeg dat wel, mijnheer, maar soms ben het vogels [...]"
Ik: "Ja, ja, er is zoo nogal wat: kollen, zwarte kunst, nachtmerrie."
"Maar met uwes welnemen: nachtmerrie is een man. [...]"
Ik: "Bizonder, man, bizonder. Maar je zoudt zoo zeggen: hoe kommen die lui an zukke rarigheid, want dat heb je toch, dunkt me, niet van jezelf?"
Nadort: "Wat zou het, mijnheer. Ik ken toch niet in uwes plaas staan en de menschen genezen? Nou, zoo moete zullie dat ook leeren."
Ik: "Hoe? Kan dat ook al geleerd worden?"
Nadort: "Zeker kan dat, maar hoe nou precies [...]"
Als Van de Nadort vertelt dat hij en zijn vrouw Elisabeth Breek behekst zijn geweest[17], dan is dat in de perceptie van de verteller echt gebeurd. Het begint ermee dat het echtpaar ziek wordt. Op zoek naar de (magische) oorzaak van de ziekte, snijden zij een veren kussen open, waarin zij een zogenaamde heksenkrans aantreffen. Dit is voor hen het overtuigende bewijs dat ze behekst zijn. Nu kunnen zij de traditionele maatregelen nemen ter afweer van het kwaad. Om middernacht worden in een droge pan de veren en een zwarte kip gekookt. In het magische analogie-denken moet er nu met de heks hetzelfde gebeuren als met de veren en de kip. De heks zal het huis van haar slachtoffers komen bezoeken om om genade te smeken en om de hekserij op te heffen. Dat er geen heks komt, verklaart Van de Nadort uit het feit dat hij de deur gesloten had gehouden. Maar kennelijk had het afweermiddel toch geholpen, zo concludeert Van de Nadort, want het echtpaar is toch weer spoedig beter geworden.
Een ander voorbeeld van de belevingswereld van Kees van de Nadort is welhaast een aaneenschakeling van bovennatuurlijke gebeurtenissen, waarvan de causaliteit niet zo eenvoudig te reconstrueren valt. Het lijkt ermee te beginnen dat Kees van de Nadort een ongeluk krijgt: hij valt van de "strontkar bij Klaver" (zijn werkgever) en moet door de arts behandeld worden voor een gekwetste heup.[18] Een vermoeden van een magische oorzaak doet het echtpaar terugkijken op de voorafgaande dagen. Er wordt een verband gelegd met een kikker die al enkele dagen bij hen onder de vloer had zitten kwaken. Op de ochtend van het ongeluk, als het licht nog niet ontstoken is, verschijnt er dan een vogel in huis. Echtgenote Elisabeth jaagt de vogel met veel moeite het huis weer uit met de beddenplank. Het echtpaar veronderstelt vervolgens, dat de kikker de vogel heeft voortgebracht (of eventueel: dat de kikker in de vogel is veranderd). Zwarte kunst lijkt de tegenspoed te kunnen verklaren. Het paar heeft echter geen idee wie het op hen gemunt heeft. En om daar toch achter te komen, gaan ze naar een waarzegster in Amsterdam. De waarzegster stelt al spoedig de vraag of er een vogel bij hen in huis is geweest, maar ze kan geen naam geven van de persoon die het op het echtpaar voorzien heeft. Kees van de Nadort interpreteert dit als onwil van de zijde van de waarzegster: ze weet het wel, maar wil het niet zeggen in het bijzijn van meerdere personen.
Juist de persoonlijk getinte sagen van Van de Nadort tonen hoezeer de verteller in gevallen van ziekte en ongeluk overtuigd was van bovennatuurlijke oorzaken. Magie en hekserij waren in zijn belevingswereld concrete verklaringen voor 'ongrijpbare' voorvallen. En juist het geloof in het bovennatuurlijke heeft hem in zijn onzekerheid en angst waarschijnlijk geholpen om greep te krijgen op de werkelijkheid.
De getemde feeks
Bakkers beste verteller was zonder enige twijfel Dirk Schuurman, wiens repertoire niet alleen het grootst, maar ook het meest veelzijdig was. Bakker toonde zich in zijn brief van 24 november 1901 aan Boekenoogen opgetogen over de gevonden verteller. Eindelijk had hij iemand gevonden die ook sprookjes kon vertellen: "Hij beweert telkens wel dat hij uitgeput is, maar er komt telkens toch wel weer iets los." Bakker tekent alles bij elkaar 93 verhalen op uit de mond van Schuurman: 16 sagen, 32 grappige sprookjes of moppen en maar liefst 45 (eigenlijke) sprookjes. Schuurman bezit een natuurlijke aanleg om een verhaal boeiend en beeldend te vertellen, en Bakker heeft ook extra zijn best gedaan zijn vertellingen natuurgetrouw op te tekenen,[19] wat voor die tijd nog betrekkelijk zeldzaam was. Niet alleen heeft Bakker getracht zoveel mogelijk zijn Waterlandse dialect op schrift te bewaren, maar hij heeft ook geprobeerd om Schuurmans vertelstijl vast te leggen.
Uit zijn verhalen komen we overigens bitter weinig te weten over het leven van Schuurman zelf. Daarvoor zijn we aangewezen op archiefmateriaal, waar we leren dat Dirk Schuurman ook wel wordt aangeduid als D. Schuurman Rzn; zijn vader heette immers Reindert. Dirk Schuurman werd op 26 november 1839 geboren te Broek in Waterland, als de zoon van Reindert Schuurman (geboren 1812) en Maretje Stroo (geboren 1813). Vader Reindert is boer ("landman") van beroep. Zoon Dirk groeit op in een gezin met zeven broers (Hendrik, Reindert, Willem, Jan, Simon, Cornelis en David) en vier zussen (Grietje, Trijntje, Catharina en Maretje). Het gezin is Nederlands Hervormd. In de periode 1861-1876 verhuist het gezin tijdelijk naar Sloten, om vervolgens weer naar Broek in Waterland terug te keren. Dirk Schuurman is dan nog steeds ongehuwd en gaat bij zijn broer Hendrik (geb. 14 dec. 1832) en zijn schoonzus Guurtje Tump inwonen. Inmiddels is hij net als zijn vader "landman" van beroep, later gespecificeerd als "veehouder". Hij verhuist pas als hij in april 1880 in het huwelijk treedt met Sibregt Smit (geboren 21 sept. 1842 te Broek in Waterland; Nederlands Hervormd; zonder beroep). Hij betrekt een boerderij aan de Laan nr.16.[20] Het huwelijk van Sibregt en Dirk blijft kinderloos. Dirk Schuurman overlijdt op 6 juli 1908.[21] Uit een brief van Bakker aan Boekenoogen (d.d. 24 mei 1904) mogen we waarschijnlijk opmaken dat Dirk Schuurman kon lezen. Bakker vraagt althans op verzoek van Schuurman of Boekenoogen nog overdrukjes kan missen van de afleveringen van Volkskunde, waarin Schuurmans sprookjes staan gepubliceerd.[22]
Bakker heeft zijn patiënt Schuurman in de periode 1901-1903 herhaaldelijk geïnterviewd. De verteller was toen voorin de zestig, en hij laat de verzamelaar op een gegeven moment weten dat hij zijn verhalen gehoord heeft van zijn vader Reindert Schuurman, "maar dan waren ze veel mooier en langer".[23] In zes brieven doet Bakker verslag van de vertelsessies.[24] Daarbij kunnen we soms een glimp opvangen van de gretigheid waarmee Bakker zijn verteller trachtte uit te melken.[25] Op zeker moment zegt Dirk Schuurman:
"Ja, jij houdt maar vol. Weet je niks? Weet je er nog gien íentje? Ja, ik weet er nog wel ien, maar die was me eigelijk te kinderachtig om hem je de vorige keer te vertelle, maar ze zegge dat het waar ebeurd is, maar ik loof het niet."[26]
Dirk Schuurman heeft wel wat sagen verteld over toverij, hekserij en voortekenen. Maar in het genre van de sagen blijkt hij vooral gesteld op (quasi-historische) roversgeschiedenissen, zoals over de legendarische rovers Platte Thijs en de Achtkante Boer, en over de vrijbuiter Govert 't Hoen van Westzaan.[27] En ook waar het de sprookjes betreft legt Schuurman een zekere voorkeur aan de dag voor rover-verhalen. Er zit altijd een zekere suspense of tenminste een gruwelijk detail in deze vertellingen. Schuurman toont nooit sympathie met de misdaden van de rovers: aan het einde van het verhaal krijgen ze dan ook doorgaans hun verdiende straf. Maar Schuurman laat wel doorschemeren dat hij zekere bewondering en ontzag kan opbrengen voor de sterke staaltjes die de rovers kunnen uithalen.
Op het terrein van de grappige verhalen legt Schuurman een voorkeur aan de dag voor geschiedenissen over slimme mannen, en regelmatig zien we Schuurmans sociale engagement in de vertellingen doorschemeren. De verteller blijkt goed ingevoerd in de traditionele verhalen, waarin hij slechts op detailniveau af en toe wijzigingen lijkt aan te brengen. Een voorbeeld is het traditionele grappige sprookje over de boerenknecht die 's ochtends alle maaltijden opeet, en dat internationaal bekend staat als AT 1561 The Lazy Boy Eats Breakfast, Dinner, and Supper One after the Other without Working:[28]
Er was ers een boer die zijn knechts bijna geen rust gunde.
Op een goeje keer had zijn vrouw al vroeg het ete over het vuur, en toen ze 's morgens erlui broodje op hadde, zei de boer: "Nou moste we meteen maar middagéten éten, dan hoeve we niet uit het land vandaan te komme."
"Wel ja," zei de knecht, "das goed."
Dus zollie an het middagmale.
Toe het op was, zei de knecht: "Nou moste we meteen het half zessie ook maar op ete, dan konde we heelemaal weg blijve."
"Da's goed," zei de baas, dus zullie ate weer een broodje.
"Nou was het wel aardig as we de brei ook opate," zei de knecht, "dan hebbe we alles maar ehad."
"Mijn goed," zei de baas, dus ieder kreeg een bord brei.
"En nou naar het land," zei de boer toe het op was.
"Nee," zei de knecht, "dat lap ik hem niet. Ik ben gewend as ik mijn avondbrij op heb, dat ik te bed gaan, dus nou gaan ik ook meteen te schiebes. Nacht baas, nacht vrouw, wel te rusten."[29]
De afwijking van de traditie schuilt in een klein, maar wel betekenisvol detail. Volgens de traditie is de knecht liever lui dan moe: hij wil wel veel eten, maar niet werken. Bij Schuurman ligt het perspectief omgekeerd en berust - zoals vaker - zijn sympathie bij de underdog. Niet de knecht is lui, maar de boer heeft de gewoonte om zijn knecht op te jagen en geen rust te gunnen. De boer hoopt dat hij de knecht die werkdag maximaal en zonder pauze kan uitbuiten als hij toestaat s ochtends alle maaltijden te eten. Uiteindelijk trekt de uitbuiter echter aan het kortste eind.
Bezien we de (eigenlijke) sprookjes uit het repertoire van Dirk Schuurman, dan valt op dat hij bijster weinig wondersprookjes, diersprookjes en kindersprookjes heeft verteld. Mogelijk vond hij die verhalen te onrealistisch of te kinderachtig. Schuurman legt een onmiskenbare voorkeur voor zogenaamde 'novellesprookjes' aan de dag. In zulk soort sprookjes komen doorgaans geen sprekende dieren, toverij, wonderen of bovenmenselijke heroïek voor. Novellesprookjes zijn bovenal spannende en realistische avonturenverhalen als uit het leven gegrepen. Deze voorkeur deelt Schuurman overigens met vele vertellers in de Noordelijke Nederlanden.[30] De voornaamste thema's in zijn relatief realistische sprookjes zijn armoede en rijkdom, liefde, recht en onrecht, en ook (weer) misdaad. En wederom ontbreekt Schuurmans sociale commentaar in de sprookjes niet: onrecht wordt doorgaans bestraft en de deugdzame arme wordt beloond met rijkdom.
Het is in dit bestek onmogelijk om het hele panorama aan sprookjes van Schuurman te schetsen. Ter illustratie van Schuurmans nuchtere thematiek, verteltrant en taalgebruik, drukken we hier zijn sprookje over de Getemde Feeks af, in het internationale volksverhaal-onderzoek beter bekend als AT 901 The Taming of the Shrew. Dit sprookje heeft in zoverre iets met de beroemde komedie van Shakespeare uit te staan, dat ook de befaamde Engelse schrijver destijds zijn inspiratie moet hebben opgedaan in de volksverhaaltraditie.[31] De optekening van het volkssprookje uit de mond van Schuurman is uniek. Dit is namelijk de enige Nederlandse optekening uit de mondelinge traditie die er tot op heden gevonden is:
Deer was er es een boer en die was etrouwd. Nou, hai had een best waif, maar het was een groote boazin. Zai daan er werk tois, maar er man most den ok, weer of gien weer, het land in. Nou was het op een goeje keer, loat in de herfst, in het hoagelde, in het sneuwde, in waaie van belang, maar hai most toch nee het land dat meer as een half uur van zen hois lag.
Gien mens zag je den ook op stroat as ja een paardekoopman, die van armoed wel het pad op emoeten had. Hai ree met een paord en waoge, maor op lestent kon zen poard hoast niet meer, dat hai bleef effekes stoan. Deer hoort ie zugte.
Wet ken dat weeze? denk ie. Wie zou er nou nag boite wéze? Maor jawel, deer wier alweer ezucht, dus hai gong er es kaike. In jha, deer agter het hek zag ie ons boertje koud in verkleumd stoan.
"Wat mot jai deer doen?" zait ie.
"Och," zait de boer, "ik hew een best waif, maar ze ken niet heuwe dat ik tois bin."
"Nou," zait de paardekoopman, "dèn mot het nouw tog moar. Stap maar op, den zel ik je tois brenge."
Dat gong an. Nou, ze kwamme goed en wel an en toe most de voerman effetjes opsteke. Ze raakte an de proat in de koopman bleef éte en op lest logeere, want het bleef al maar slecht weer. Nou had de boer een dochter: een weergaas aordige maid en het gong de koopman wel an om van der te scheie, moar hij most tog weg. Moar omdat het hum toch goed bevalle was, kwam ie later nag ers, en nag er es, in hij raakte zóóver dat hie een bietje anslag met er maakte, en op lest dan toch ook maar zou trouwe. Toe ie goed en wel de broigom was en de broid an der eigen was te kleeje, hoorde nie er met er moeder praote.
"Kind," zai ze, "zorg vooral dat je de boas in hois blaive, want dat ben ik ook."
De dochter beloofde dat.
Dat ziet er mooi oit, docht de koopman, moar hai trouwde den tog mit er. Toe ze een poosie etrouwd wazze, ginge ze nee de ouwe lui.
Moeder riep er weer apart in zai: "Nou, ben je de baas?"
"Ja," zait zai, "dat gaat wel, maar nog niet heelemaal."
"Nou, pas op," zai moeder: "denk er om, dat ik ook altijd het hoofd eweest ben."
Meer hoorde nie niet, maar toe nie tois kwam, bespeurde nie wel dat zen vrouw al boaziger en boaziger wier.
Toen ie docht dat het op lest mooi genog was, zai die: "We moste nou nog ers nee je moeder gaan. Het is nouw mooi weer en we benne er in zoo lang niet eweest."
Zai wou dat wel. Dus hai spant in. Hai ment de ouste knol die die had en neemt ook zijn stokouwe hond mee. Nou mogt die hond oud wéze, hai liep altijd tog nog harder den het paord. Dus hai roept: "Achter blijven."
De hond loopt deur.
"Achterblaive," roept ie weer: "Hoor je me niet, pot hier en gunter? As ik het nag er es zeg en je doent het niet, steek ik je gelaik hardstikke dood."
"Achterblaive, zeg ik."
Maar de hond liep deur.
"Vrouw, hou de laisels vast."
Hai er oit en de hond an zun mes erége. Een endje verder stroikelt zen peerd.
"Staan vast," zeit ie.
Weer verder stroffelt het paord alweer.
"Staan vast, zeg ik" zeit ie voor de tweede maal: "As ik het nag er es mot zegge, raig ik je ook an het mes."
Nou, die knol stroikelde weer en hij stak hem zoo dood as een pier. Deer stong de wage.
"We motte tog verder," zai die, "Alla vrouw, jai het haam over je schouwer in het hoofstel om."
"Dat doen ik niet," zai ze.
"Bai sie en la," zait ie: "Nou zeg ik het voor de tweede keer, maar pas op as ik het voor de derde keer mot zegge."
Trillend gehoorzaamde ze en zullie op heur moeder of: hai in de wage met de zwaap in zen hande. Nou, ze hadde natuurlijk veul bekaiks, in de boerin zag ze ook al in de verte ankomme. Dat was natuurlijk een plaizier van heb ik jou deer.
"Wie zouwe dat tog weeze?"
"Het is die."
"Nei," zei een aar, "het is die."
"Main dochter is het vast niet," zai de boerin, "want die is de baas."
Moar jah, toen ze dichter bai kwamme, was het er dochter toch.
"Hoe hew ik het nou met je?" zeit ze.
"O moeder," zai ze, "hou je stil. Hai heb de hond en het paard ook dood estoke, en as ik nag ien keer niet doen wat ie zeit, mot ik er ook an."
Nee die tait hebbe ze een best léve ehad.[32]
Het zal duidelijk zijn dat de moraal van het sprookje - zoals in zoveel volksverhalen - uiteindelijk tamelijk traditioneel is: de man hoort de baas in huis te zijn.
Dirk Schuurman was een verteller die in staat was zijn verhalen een duidelijke couleur locale mee te geven. Het merendeel van zijn verhalen spelen zich als het ware af in zijn eigen leefomgeving: het Noord-Hollandse platteland van rond de eeuwwisseling. En veel van zijn vertellingen spelen zich af in zijn eigen boerenmilieu. Dirk Schuurman komt bij de (inter)nationaal bekende volksverhalen naar voren als een traditiegetrouw verteller. Zijn creativiteit met verhaalstof lijkt zich voornamelijk tot details te beperken.

C. Bakker circa 1930
Achtergebleven gebied?
De rijkdom aan verhalen die door Bakker rond 1900 in Broek in Waterland en omgeving is aangetroffen, suggereert een ongekende locale bloei van de mondelinge vertelcultuur. Volksverhalen zijn eeuwenlang de literatuur van de gewone man en vrouw geweest. En onder de gewone mensen van Broek - de boeren, de knechten en de vissers - waren deze verhalen rond 1900 nog volop te vinden. Het aloude beeld van het 'geïsoleerde relictgebied' lijkt zich op te dringen. In een In Memoriam schrijft Van Andel dat Bakkers publicaties duidelijk hebben gemaakt "hoe primitief volksgeloof zich zelfs onder den rook der groote stad kan handhaven" - en dit was dan "voor velen een openbaring".[33] Het idee is dat over Waterland eeuwenlang als het ware een stolp heeft gestaan: de eeuwenoude plattelandscultuur zou daar in zijn tamelijk oorspronkelijke en dus 'primitieve' vorm bewaard zijn gebleven. Door het isolement is Waterland nauwelijks in aanraking gekomen met invloeden van buiten. Gedrukte bronnen en scholing hebben kennelijk geen vat gehad op de eenvoudige bevolking, en daardoor is ook een zekere 'achterlijkheid' in dat gebied langer blijven bestaan dan elders.
We kunnen er veilig van uitgaan dat in de plattelandsgemeenschap van toen - zelfs de radio moest nog uitgevonden worden - het vertellen van verhalen een aangename tijdspassering was, net als spelletjes doen, kaarten, zingen en muziek maken. En het vertellen van verhalen - met name sagen - zal ook gefungeerd hebben als een vorm van informatie-overdracht. Niet voor niets is C. Bakker erin geslaagd zoveel verhalen op te tekenen. Maar na deze vaststelling dringen zich toch allerlei vragen op. Om te beginnen: is de plattelandscultuur van Broek in Waterland wel eeuwenoud te noemen? Hoe geïsoleerd was Broek eigenlijk? Waren er werkelijk geen invloeden van buiten? De verhalen die men rond 1900 in Broek vertelde, kwam men die in de stad echt niet meer tegen? Was 'bijgeloof' buiten Waterland zeldzaam geworden? Werd er elders minder verteld? Zou C. Bakker elders minder verhalen hebben kunnen verzamelen? Was Waterland circa 1900 een laatste bastion van 'ouderwetse vertelcultuur', of heeft men ook nadien nog gebieden aangetroffen met een hoge concentratie aan volksverhalen? Al deze kritische vragen duiden al aan dat de notie van het 'geïsoleerde relictgebied', die de bloei van de 'primitieve vertelcultuur' in Waterland zou kunnen verklaren, aan twijfel onderhevig is.
Welbeschouwd laat de geschiedenis van Broek in Waterland niet toe om de verhalenrijkdom rond 1900 simpelweg te verklaren uit het feit dat het een achtergebleven en geïsoleerd gebied zou zijn - want dat was het niet.[34] Waar haalt men relicten van de oeroude plattelandscultuur vandaan, als een economie - om zo te zeggen - in de 17e en 18e eeuw heeft gedraaid op koopvaardij, beurshandel en assurantiën? Broek heeft in de 18e eeuw wel een periode van agrarische nijverheid gekend, maar het typisch agrarische karakter van Broek zoals Bakker dat heeft meegemaakt, komt pas in de tweede helft van de 19e eeuw echt tot ontwikkeling. En ondanks het vele water waardoor Broek is omgeven, heeft dit feit nooit aanleiding gegeven tot werkelijk isolement. Zo'n drie eeuwen lang hebben de Broeker schepen de wereldzeeën bevaren, en kwam men in contact met allerhande culturen. Basisvoorwaarde voor de handel is een voortdurende communicatie met de buitenwereld. En als de Broekers in bepaalde perioden hun erf al niet verlieten, dan kwamen omgekeerd de toeristen hun erf wel bezoeken - al hoeft dit niet te betekenen dat dit leidde tot communicatie en de uitwisseling van verhalen. Maar ook in de periode dat Broek het van de agrarische nijverheid moest hebben, blijkt van isolement geen sprake te kunnen zijn. Dagelijks trokken de melkventers de wijken van Amsterdam in, wekelijks vertoefden de boeren op de veemarkten in Purmerend of Amsterdam. En als een boer het zich kon veroorloven om eens uit te gaan, dan ging hij ook naar Amsterdam. Als iets voor een rijkdom aan verhalen heeft gezorgd, dan lijkt dat niet voort te komen uit isolement, wereldvreemdheid en 'achterlijkheid', maar eerder uit mobiliteit, communicatie met de buitenwereld en 'alfabetisme'. Wat dit laatste betreft: zo goed als in het rijke Broek de armenzorg was geregeld, zo goed was ook het lager onderwijs.[35] Voor het succesvol handeldrijven is het kunnen lezen, schrijven en rekenen een haast noodzakelijke voorwaarde. Zelfs toen de verarming van Broek doorzette, is het onderwijs niet verwaarloosd, en uit meerdere getuigenissen van zegslieden van C. Bakker kunnen we opmaken, dat zij hebben kunnen lezen. En dus hebben zij ook almanakken, kluchtboeken, centsprenten en dergelijke kunnen lezen (en weer doorvertellen). Mondelinge en schriftelijke communicatie zijn de beste aanjagers voor een bloeiende vertelcultuur. Uit het moderne verhaalonderzoek is inmiddels ook wel gebleken dat overal verhalen te vinden zijn - als er maar een gedreven verzamelaar naar vraagt.[36] Dan maakt het niet uit of de vertellers jong of oud zijn, man of vrouw, hoog of laag opgeleid, woonachtig op het platteland of in de grote stad... Kortom, de bloeiende verhaalcultuur van Broek rond 1900 heeft weinig uit te staan met isolement of cultuurrelicten. Naar alle waarschijnlijkheid zou verzamelaar Bakker met even groot succes verhalen hebben verzameld in Amsterdam, Leiden, Utrecht, Koog aan de Zaan of Goedereede.
Het is een vooroordeel om te denken dat er in de steden rond 1900 geen traditionele volksverhalen meer verteld werden onder de (eenvoudige) bevolking. G.J. Boekenoogen krijgt rond die tijd ook spontaan vertellingen toegestuurd uit Alkmaar, Amsterdam, Antwerpen, Arnhem, Assen, Enschede, Groningen, Den Haag, Den Helder, Kampen, Maastricht, Rotterdam, Sneek, Tilburg en Zwolle. Ook de sagen over spokerij en hekserij ontbreken in die verzameling van Boekenoogen niet - wat niet wil zeggen dat alle vertellers er ook heilig in geloofden, maar dat gold evenmin voor de vertellers uit Waterland.
Na de Tweede Wereldoorlog bestond er in Nederland een zekere consensus onder volksverhaalonderzoekers, dat de traditionele volksverhalen - in het bijzonder de sprookjes - te zamen met hun vertellers zo'n beetje waren uitgestorven.[37] Niets bleek minder waar toen bijvoorbeeld gedreven verzamelaars als Dam Jaarsma en Ype Poortinga in de jaren zestig en zeventig van deze eeuw veldwerk gingen verrichten. Zij vonden in Friesland, en met name in de Friese Wouden, nog honderden traditionele vertellers, en ze slaagden erin om vele tienduizenden verhalen uit hun mond op te tekenen - ook weer de verhalen over tovenaars en heksen.[38] De Collectie Jaarsma die thans op het Meertens Instituut berust, omvat zo'n 16.000 volksverhalen. Broek in Waterland was dus zeker niet het laatste bastion van vertelcultuur, en men kan zich afvragen of ook de Friese Wouden dat wel waren. Ook de Wouden kenmerken zich door een zekere landelijkheid en afgeslotenheid, maar opvallend is dat juist de meest getalenteerde vertellers mensen van de wereld waren. Sommigen hadden het nodige van de wereld gezien, en beschikten ook nog eens over een behoorlijke belezenheid. Het brede panorama van Friese volksverhalen danken we, niet in de laatste plaats met een zeker regionaal chauvinisme als motor, goeddeels aan de gedrevenheid van enkele uitmuntende verzamelaars.[39] Kortom: overal waar mensen zijn, zijn verhalen, maar er is een goede verzamelaar voor nodig om ze te horen te krijgen. En Cornelis Bakker was zo'n goede verzamelaar.
Noten
[1] Brief 26-6-1911 (archief Meertens Instituut).
[2] Gegevens gebaseerd op het bevolkingsregister Broek in Waterland (Streekarchief Waterland, Purmerend).
[3] Brief 26-6-1911 (archief Meertens Instituut).
[4] Zie C. Bakker: 'Geesten- en heksengeloof in Noord-Holland boven het IJ', in: De Gids 1922, p.280.
[5] Hierover D.J. Hufford: The terror that comes in the night. An experience-centered study of supernatural assault traditions. Philadelphia 1982.
[6] Voor informatie over C. Bakkers leven en werken zie men: M.A. van Andel: 'Varia [overlijdensbericht C. Bakker]', in: Mensch en Maatschappij 9 (1933), p.627; T. Dekker: Op zoek naar de verteller van volksverhalen, in: Amsterdams sociologisch tijdschrift 19 (1992) 2, p.60-84; T. Dekker, J. van der Kooi & T. Meder: Van Aladdin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling, variaties. Nijmegen 1997; T. Dekker: 'Zonder verzamelaars geen sprookjes', in: T. Dekker & T. Meder (red.): Van mondeling verhaal tot themapark: de waardering en receptie van sprookjes. Themanummer Volkskundig Bulletin 24 (1998) 2, p.214-237; Encyclopedie van de Zaanstreek. Eindredactie J.P. Woudt en K. Woudt. Twee delen. Wormerveer-Zaanstad 1991, deel 1, p.54; J.W. Niemeijer en N.C. Rümke-Bakker: 'Een dokterspraktijk te Broek omstreeks 1900', in: Broeker Bijdragen 10 (1976), p.52-56; Chr.L. Rümke: 'Een waarneming in Broek in Waterland in 1919', in: Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 129 (1985) 51, p.2469-2471; N.C. Rümke-Bakker: Mijn jeugd in Broek in Waterland 1890-1916. Alphen aan den Rijn 1991; J.D. Vis: De Zaanstreek. Een beschrijving van het Zaanse volksleven in zijn historische ontwikkeling. Leiden 1948, p.122-123; P.A. de Wilde: 'In memoriam Cornelis Bakker', in: Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 77 (1933), 34, p.3915-3917. Informatie uit de literatuur over C. Bakker heb ik kunnen aanvullen middels interviews met en hulp van prof. dr. Chr.L. Rümke te Amstelveen (kleinzoon van Bakker), Chr. Rümke te Amsterdam (achterkleinzoon van Bakker), en mevrouw S.J. Smit-Engel en de heer W.A. Engel te Oosterbeek (resp. nicht en neef van Bakker).
[7] Voor de opnieuw uitgegeven editie zie men G.J. Boekenoogen: De Zaanse volkstaal. Bijdrage tot de kennis van de woordenschat in Noord-Holland. Met aanvullingen door G.J. Boekenoogen en K. Woudt en een voorwoord door Jo Daan. Zaandijk 1971. Twee delen.
[8] Interview mevrouw S.J. Smit-Engel en de heer W.A. Engel (Oosterbeek 30-9-1996; bandopname archief Meertens Instituut).
[9] In brieven van 12 april 1905 en 23 februari 1906, en in Bakker 1922 (zie noot 4), p.102-103.
[10] Voor een internationale catalogus van sprookjestypen zie men A. Aarne & S. Thompson: The types of the folktale. A classification and bibliography. Second revision. Helsinki 1964. De vertelling van Jan Lof bevat elementen van de volgende sprookjestypen uit deze catalogus: AT 151 The Man Teaches Bears to Play the Fiddle, AT 156 Thorn Removed from Lions Paw (Androcles and the Lion), AT 38 Claw in Split Tree en AT 1159 The Ogre Wants to Learn to Play.
[11] Brief 26 juni 1911 (archief Meertens Instituut).
[12] Brief juni 1911 (archief Meertens Instituut).
[13] Zie hierover Rümke-Bakker 1991 (noot 6), p.7 en 9; A.P. Bruigom: Wandeling door Broek in het begin van de twintigste eeuw. Alphen aan den Rijn 1973, p.98.
[14] Gegevens ontleend aan het bevolkingsregister Broek in Waterland (Streekarchief Waterland, Purmerend).
[15] Bakker 1922 (noot 4), p.90, 100, 273 en 279-280.
[16] Idem, p.281.
[17] Brief juni 1911 (archief MI).
[18] Zie brief juni 1911 (archief MI) en vgl. Bakker 1922 (noot 4), p.279-280.
[19] Hierover in een brief van 24 november 1901 aan Boekenoogen.
[20] Later wordt deze boerderij overgenomen door Jacob van de Nadort. A.P. Bruigom: Broek in Waterland in oude prentbriefkaarten. Alphen aan den Rijn 1980, afb. 15 en 48.
[21] Gegevens op basis van het bevolkingsregister Broek in Waterland (Streekarchief Waterland, Purmerend).
[22] In Volkskunde 15 (1903), p.232-236 had Boekenoogen twee sprookjes van Schuurman afgedrukt onder de titels: Van den man die uitging om domme menschen te zoeken, en Van den man die dacht dat hij gestorven was. Veel meer sprookjes van Schuurman werden echter afgedrukt in drie afleveringen van Volkskunde 16 (1904), p.51-54, 94-103, 138-142. Boekenoogen gaf ze de volgende titels mee: Van den boerenjongen die den heer te slim was, Van den os die burgemeester werd, De dankbare doode, Van de gehoorzame vrouw, Vijf in één klap, Van drie matrozen, Van een gebochelden prins, en Van den boer die kon waarzeggen. Aangenomen mag worden dat Schuurman van de in 1903 en begin 1904 gepubliceerde sprookjes een overdruk wilde hebben.
[23] Brief november 1901 (archief MI).
[24] Zie de brieven van 2 oktober 1901, november 1901, 22 december 1901, 25 april 1902, 2 april 1903 en 1 mei 1903 (archief MI).
[25] Hierover ook Dekker 1992 (noot 6), p.68.
[26] In brief november 1901 (archief MI).
[27] Zie hierover ook J.R.W. Sinninghe: Platte Tijs, in: De Speelwagen 2 (1947a), p.7-8; J. van der Kooi: 'Schinderhannes en de achtkante boer, in: Driemaandelijkse bladen 33 (1981) 3, p.81-99 en 34 (1982) 2, p.43-58; G. van Zeggelaar: Blikken in het verleden van Waterland. Amsterdam 1902, p.142-144; Jacob Honig Jsz. Jr.: Geschiedenis der Zaanlanden. Zaandijk 1849, deel 1, p.116-118 en 125.
[28] Op basis van Aarne & Thompson 1964 (noot 10).
[29] Verteld op 6 januari 1902, genoteerd in een brief van 25 april 1902 (archief MI).
[30] Zie hierover J. van der Kooi: Das Zaubermärchen im Niederländischen (einschliesslich Flämischen) und Westfriesischen Sprachbereich, in: D. Roth & W. Kahn: Märchen und Märchenforschung in Europa. Frankfurt a.M. 1993, p.161-162.
[31] Hierover J.H. Brunvand: The folktale of The Taming of the Shrew, in: Shakespeare Quarterly 1966, p.345-359, en J.H. Brunvand: The taming of the shrew. A comparative study of oral and literary versions. New York [etc.] 1991.
[32] Brief 7 november 1901 (archief MI).
[33] Van Andel 1933 (noot 6), p.627.
[34] Over (aspecten van) de geschiedenis van Waterland zie men o.a. het tijdschrift Broeker Bijdragen; Bruigom 1973 (noot 13); Encyclopedie van de Zaanstreek. Eindredactie J.P. Woudt en K. Woudt. Twee delen. Wormerveer-Zaanstad 1991; W. van Engelenburg: Geschiedenis van Broek in Waterland (van de 16e tot het begin der 19e eeuw). Haarlem 1907; Honig 1849 (noot 27); W. Meijer: Waterland en Zaanstreek. Een beschrijving van het gebied tussen Crommenye en IJselmeer. Tweede druk. Assen 1952; Rümke-Bakker 1991 (noot 6); Van Zeggelaar 1902 (noot 27).
[35] Zie i.h.b. nog R.S. van Eekelen: 'Scholenbouw in Broek in Waterland 1600 - 1975', in: Broeker Bijdragen 40 (1997).
[36] Hierover bijvoorbeeld Dekker 1998 (noot 6).
[37] Jan de Vries: Het sprookje. Zutphen 1929, p.7; Maartje Draak: Het verloop van het Nederlandse sprookje. Lezing, gehouden voor de Volkskunde-commissie der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen op 14 november 1959 ter gelegenheid van de herdenking van haar 25-jarig bestaan. Amsterdam 1960, p.2; Dekker 1998 (noot 6), p.214-215.
[38] T. Dekker: 'Heksen en tovenaars in twintigste-eeuwse sagen', in: Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw. Redactie M. Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff. Amsterdam 1987, p.242-255.
[39] Dekker 1998 (noot 6); zie ook E. Venbrux: Sprookjes in de maak. Uit de verzamelpraktijk van Dam Jaarsma, in: T. Dekker & T. Meder (red.): Van mondeling verhaal tot themapark: de waardering en receptie van sprookjes. Themanummer Volkskundig Bulletin 24 (1998) 2, p.255-273.