de geschiedenis van Leiden

 

“kunst als vrijetijdsbesteding”

 

Afb: Floris Verster, bloemen en blâren, 1888

 

In de verder voortgang van de 19e eeuw waren er in Leiden vrijwel geen gevestigde beroepskunstenaars. Schilderen en tekenen was een vrijetijdsbesteding en ruimte om te exposeren was er niet. Toch was het werk van een aantal Leidse kunstenaars bij het grote publiek best wel in trek, vooral de stadsgezichtjes. Weliswaar plat getreden paden.

Exposeren in een museum was nog lang niet mogelijk. Pas in 1872 opende het Stedelijk Museum De Lakenhal de deuren voor kunstenaars en publiek.

Ook de behuizing van Ars stelde niet veel voor. De leden van het genootschap mochten een ruimte in de Rijnsburgerpoort als tekenzaal gebruiken. Geen voorziening waarin bij het schaarse licht van walmende olielampen nieuw Leids talent zou opbloeien. Vooralsnog was er van nieuwe opbloei nog lang geen sprake. Het klimaat in de stad was er niet naar want het merendeel van de Leidse kunstenaars kon van hun werk niet leven. Voor het dagelijks brood beoefenden zij andere beroepen.

De in Amsterdam geboren Jan Elias Kikkert (1843-1925) voorzag in zijn onderhoud door tekenwerk te verrichten voor de zilverfabriek van de firma Van Kempen en Begeer in Voorschoten. Later werkte hij voor de bekende lithograaf G.J. Bos en vervolgens voor de firma Trap. In zijn vrije tijd trok hij door de stad en legde het Leiden in zijn tijd vast in honderden tekeningen en aquarellen. Vanwege zijn bijgevoegde aantekeningen bovendien interessant voor geschiedkundigen. Een aantal was eigenaar van een fabriekje. De in Leiden bekende kunstenaar C. H. van Ameron had als beroep rijtuigschilder. Toch bleven de Leidse kunstenaars in hun vrije tijd met hun kunst bezig. Penselen, verf en potloden werden niet opgeborgen.

In 1858 braken voor Ars betere tijden aan. In dat jaar kreeg het genootschap de beschikking over twee lokalen in het pand Pieterskerkgracht 9. Het pand was in eigendom verworven door Mr. Johannes Kneppelhout (1814-1885), ook bekent als de auteur Klikspaan. Een van de eerste leraren in de nieuwe lokalen was Jacobus Ludovicus Cornet. Als jongen was hij tot rijtuig- en huisschilder opgeleid. Ook hij had onderricht gekregen in de bedompte ruimten van de Rijnsburgerpoort. Al vanaf 1849 verzorgde hij de lessen bij het genootschap. Van 1851 tot 1882 was hij directeur van het Prentenkabinet maar als tekenleraar bleef hij bij Ars jarenlang actief en een steunpilaar voor het genootschap.

In de winter van 1878/1879 volgde de Rotterdammer Georg Hendrik Breitner hem op als tekenleraar voor de avondcursussen perspectief en pleistertekenen. Veel ging daar echter niet van uit. Aan de schilder Floris Verster (1861-1927) waren de lessen van Breitner in ieder geval goed besteed. Hij is de toonaangevende schilder van het eind van de 19e eeuw. Als gezeten burger woonde Verster jarenlang op zijn landgoed Groenoord aan de Haarlemmerweg. Floris Verster was buitengewoon begaafd in het weergeven van sfeer en het spel van het licht op zijn stillevens. Toch zijn er maar weinig Leienaars die van hem werk bezitten. Zijn schilderijen en waskrijttekeningen spraken hen weinig aan.

 

geschiedenis van Leiden - fotografie in de kunst

geschiedenis van Leiden