de geschiedenis van Leiden

 

“kunst in een nieuw jasje”

 

Op tekenaars en schilders van elders had Leiden een bijzondere aantrekkingskracht. Het dagelijks leven in de stad was een aantrekkelijk onderwerp voor prenten. Het dommelend stadje aan de oevers van Oude Rijn, Nieuwe Rijn en de Mare was voer voor kunstenaars. Onder hen de Hagenaar Paulus Constantijn La Farque. Hij vervaardigde een prachtige serie tekeningen van de Leidse stadspoorten en de afvaartplekken van de trekschuiten.

Een wat minder talentvolle tijdgenoot van de Haagse kunstenaar was de in Leiden in 1751 geboren steenhouwer Jacob Timmermans. Hij tekende heel charmant de Leidse bezienswaardigheden. De vele tientallen tekeningen die hij maakte zijn ondanks eenvoud nog altijd een lust voor het oog. Jacob Timmermans overleed in 1829 in Leiden.

Toch was het in de 18e eeuw met het Leidse kunstleven droevig gesteld. Het bleef steken in allerlei nietszeggende kunstbeschouwingen. Aan actieve kunstbeoefening kwam het merendeel van de Leidse kunstenaars niet toe en de Tekenacademie inspireerde hen ook niet meer.

In 1799 waaide er plotseling een vernieuwende wind door Leiden. De elitaire Academie werd omgevormd tot een nieuwe club, het genootschap Ars Aemula Naturae, kunst als navolger van de natuur, kortweg Ars. Bij het genootschap konden ook amateurs teken- en schilderlessen volgen.

Omstreeks 1813 deed de begaafde tekenaar Humbert de Superville als tekenleraar zijn intrede in Ars en hij kreeg heel veel leerlingen onder zijn hoede.

David Pierre Giottino Humbert de Superville was in 1770 in ’s-Gravenhage geboren. Na zijn opleiding woonde hij jarenlang in Rome. Als schilder was hij echter niet zo actief maar als kenner van kunst een autoriteit.

Zijn derde voornaam Giottino was eerder een bijnaam die hij in Rome in 1795 kreeg voor zijn bewondering voor de Italiaanse kunstenaar Giotto. De naam beviel hem zo goed  dat hij er sindsdien mee tekende  en het bij acte in 1816 als derde voornaam officieel heeft aangenomen.

Als kenner van kunst was hij de aangewezen man, naast zijn baan als tekenleraar, ook de functie van directeur van het Prentenkabinet van de Universiteit waar te nemen. De combinatie tekenleraar en directeur was helaas te hoog gegrepen. Al na 10 jaar moest hij Ars vaarwel zeggen. Zijn vertrek had vergaande invloed. Opnieuw was de kortstondige opleving van de Leidse kunst voorbij. Hij overleed in Leiden in 1849.

Hoe nu verder?

 

geschiedenis van Leiden - kunst als vrijetijdsbesteding

geschiedenis van Leiden