Jeruzalemshofje
Kaiserstraat 49
Gesticht in 1467
Kapel afgebroken in 1887
Verbouwd in 1892, 1901, 1930 en 1936
Bestuur: regenten namens de Diaconie van
de Hervormde Gemeente
Foto © Marinus Klein
In 1462 keerde de lakenkoopman Wouter
IJsbrantszoon Comans met een aantal vrienden terug in Leiden na een lange reis
door het Heilige Land. In die dagen was een pelgrimstocht niet helemaal zonder
gevaar.
Zij hadden Jeruzalem, de Heilig
Grafkerk en de berg Zion bezocht. Tijdens de reis had de Leidse koopman een
belangrijke beslissing genomen. Hij en zijn vrouw zijn beiden op gevorderde
leeftijd en hebben geen kinderen. Het vele geld dat hij als koopman had
vergaard moest een goede bestemming krijgen.
Wouter IJsbrantszoon Comans was
zelf jaren lang Heilige Geestmeester geweest en hij wist als geen ander waaraan
in Leiden gebrek was. Menige instelling in Leiden klopte bij hem niet
tevergeefs aan voor een bijdrage. Hij besloot bij zijn terugkeer een kapel en
dertien huisjes te bouwen voor dertien eerbare oude mannen. Een gehuwde man
mocht zijn vrouw meenemen. Voor de bouw van zijn hofje met kapel kocht de
koopman een stuk grond aan de Cellebroedersgracht (thans Kaiserstraat) en begon
met het bouwen van een rijtje dertien één-kamer-huisjes en de kapel.
Op 16 mei 1467 dicteert hij zijn
testament. In zijn testament had Coman een flink bedrag gereserveerd voor de
kapel. Het was de wens van de stichter dat de kapel fraai zou worden ingericht
met boeken, kelken en een afbeelding van het Heilig Graf. Die had hij uit
Heilige Land meegebracht. Over de eredienst in de kapel werd overeenstemming
bereikt met de commandeur van de Sint Pieterskerk. Er mocht uitsluitend op
vrijdag, mits dit geen kerkelijke feestdag was, een gesproken mis worden
gecelebreerd. Die mis was uitsluitend toegankelijk voor de bewoners van het
hofje en moest om acht uur afgelopen zijn. Ook mocht de luidklok van de kapel
in de omgeving niet de aandacht trekken. Er kwam trouwens een bescheiden
klokje, niet al te luid van toon. De Sint Pieterskerk mocht geen concurrentie
worden aangedaan. In de kapel mocht niet worden gepreekt en begraven was er
echt niet toegestaan.
In 1474 werd zelfs een gezongen
mis toegestaan. Weliswaar door één zanger die daarvoor een stoop (2,42 L.)
ontving.
En de kapel mocht rijker worden
versierd met beelden en schilderijen.