Justus Carelhuis
Witte Rozenstraat 51a
Gebouwd in 1936
Bestuur: regenten van het Barend van
Namenshofje
Foto: Marinus Klein
In de 19e eeuw studeerden de
Haagse broers Carel en Justus Pape rechten in Leiden.
Na hun studententijd in Leiden lieten
zij hun waardering voor de stad vele malen blijken.
Als regent van het Barend van
Namenshofje liet Mr. Carel Pape in 1916 de vervallen huisjes van het hofje
afbreken om op eigen kosten een nieuw hofje te bouwen.
Tijdens de verbouwing kregen de bewoners
van het hofje elders onderdak onder meer in de huisjes van het Schachtenhofje
aan de Middelste Gracht. Na zijn overlijden liet hij een fraaie verzameling
schilderijen aan de stad na. Deze verzameling moest een plekje krijgen in het
stedelijk museum De Lakenhal. De directie van het museum liet echter weten dat
er in het museum voor de verzameling van de overleden regent geen plaats was.
De broer van de overledene, Justus Pape
schonk ter nagedachtenis aan zijn overleden broer, een bedrag van fl. 50.000,
== dat moest worden gebruikt om De Lakenhal uit te breiden. Dat bedrag ging
echter geheel op door de aankoop van enkele panden naast het museum. Om de
verbouwing van de panden te bekostigen schonk Mr. Justus Pape nogmaals fl.
400.000, ==. Voor die tijd een enorm bedrag. In 1921 opende de toenmalige
burgemeester van Leiden, jhr. de Gijselaar de “Pape-vleugel” van het museum. Na
afloop van de opening was er een diner in “In den Vergulden Turk” aan de
Breestraat. De bejaarde Justus Pape was echter te zwak om de opening en het diner
bij te wonen. Kort daarop overleed hij.
Bij zijn overlijden ontvingen de
regenten van het Barend van Namenshofje een vorstelijk legaat van fl. 70.000,
== waarvan een hofje moest worden
gebouwd voor gepensioneerde inwoners van Leiden.
In 1936 bouwde de architect Buurman een
modern rijtje huisjes langs de Leidse Trekvliet. Het wooncomplex kreeg de naam
Justus Carelhuis, naar de voornamen van de beide broers. In de jaren zeventig
verloren de huisjes aan de Witte Rozenstraat door het dempen van de Trekvliet
veel van hun aantrekkelijkheid. In latere jaren is de Trekvliet gelukkig weer
open gegraven.
Naast de vele hofjes kende de stad
Leiden nog andere instellingen van liefdadigheid en zorg voor de arme inwoners
van de stad onder andere de gasthuizen. Op de volgende pagina’s van mijn
prentenboek kunt u daarover het en ander lezen.