Leiden
– Hofjesstad
Galerij en pomp op de
binnenplaats van het hofje van Pieter Loridan
Foto: Marinus Klein
Naar verhouding heeft Leiden een groot
aantal hofjes en het merendeel dateert uit de 17e eeuw. Negen hofjes
zijn van veel oudere datum. Zo dateert het Sint Elisabethgasthuishofje zelfs
uit 1428. Dat hofje fungeerde als verpleeginrichting voor langdurig zieken,
vandaar de naam ‘gasthuishofje.’ Het Sint Elisabethsgasthuishofje was geen echt
hofje in de zin van de betekenis die er in Leiden aan wordt gehecht, maar nog
altijd worden er zieken verzorgd. Om die reden heb ik in mijn prentenbroek een
belangrijke plaats voor de hofjes van Leiden ingeruimd. Naar een aantal hofjes
gaat mijn bijzondere voorkeur uit zoals het Sint Anna of Aalmoeshuis, het hofje
van Samuel de Zee en om een heel bijzondere reden het Tevelingshofje. Op de
pagina’s van dit hofje ga ik u het vertellen.
In de 17e eeuw groeide Leiden
enorm tengevolge van de bloeiende textielindustrie. De stad telde veel
welgestelde kooplieden en fabrikanten. Zij beschikten over de middelen om
instellingen van weldadigheid te stichten, zoals een hofje. Een hofje is een
oorspronkelijke Hollandse instelling voor de huisvesting van bejaarden. Het is
niet te vergelijken met een begijnenhof, gasthuis, godshuis en een
proveniershuis. Dat zijn andersoortige instellingen van naastenliefde. Op de
gedenkstenen boven de toegangspoorten aan de voorzijde van de hofjes worden de
stichters beschreven als nobele en sociaal bewogen mensen. Toch werd doorgaans
een hofje niet gefundeerd uit louter edele motieven, uit zorg voor de naasten.
Geestelijke en zakelijke motieven speelden veel meer een rol voor een gang naar
de notaris. De stichters waren doorgaans kinderloze welgestelden.
Deed men na het verscheiden niets met
het moeizaam vergaarde kapitaal dan dreigde versnippering van het bezit. Naam
en bekendheid onder de Leidse burgers raakten in de vergetelheid. Om die reden
werd vaak besloten tot het stichten van een hofje. De stichter gaf zijn
kapitaal een bestemming en daarmee werd de naam in ere gehouden. Daarbij kwam
dat voor de Reformatie het stichten van een hofje tot de goede werken
behoorden. In de stichtingsakten werd vastgelegd dat de toekomstige bewoners
van het te stichten hofje dagelijks moesten bidden voor het zieleheil en de
zaligheid van de goede schenkers. In de parochiekerk, waartoe de stichter
behoorde, werd vaak een kapel ingericht. De rijkste inwoners van Leiden
besteedden een vermogen aan hun zielzorg door het stichten van een kapel. Zij
bestemden geld, huizen en landerijen voor de benoeming van een aparte priester,
die dagelijks voor hun zielsrust moest bidden. Soms bouwde men ook een kapel in
de binnentuin van het hofje, zoals het kapelletje in het Sint Annahofje. In de
middeleeuwen was er tijdens het leven de rust en de zekerheid van het geloof,
kerk en en samenleving waren nog innig met elkaar verweven.
Als na een kort of lang leven de dood
naderde, bood het geloof de zekerheid op de eeuwige rust voor de ziel, zowel
voor de armen als de rijken. Zij zouden de weg naar de hemel pas kunnen
betreden als Sint Pieter de hemelpoort had ontsloten. En daar was ook het gebed
van de levenden voor nodig.
De sleutels van Sint Pieter zijn ook de
sleutels van het wapen van Leiden. Want als beschermheilige van de eerste
Leidse parochiekerk was Sint Pieter ook de beschermheilige van de stad. Op het
wapen van Leiden troonde hij, zetelend op een troon met twee engelen ter
weerszijden met in zijn hand de sleutel van de stad Leiden. Onder hem knielden
de acht schepenen en de schout van de stad.
Na de hervorming verdween Sint Pieter
met schepenen en schout uit het Leidse wapen, de sleutels bleven. Eigenlijk wel
heel jammer! Nieuwe regels, nieuwe zeden, helaas niet altijd ten goede. Genoeg
daarover, wij keren weer terug naar het onderwerp
van deze de hofjespagina’s maar …,
voor het bezoek aan een hofje in Leiden
heb ik voor mijzelf een aantal bezoekspelregels
opgesteld, ten goede.