Vrije tijd in Leiden
Wat wij nu recreëren noemen
noemde men in de Leidse vijftiger jaren van de 20e eeuw verpozen.
Voor het merendeel van de Leienaars was dat in die dagen een middagje ‘Nieuwe Vaart,’
een bezoekje aan de Theetuin langs de Witte Singel nabij de Witte Rozenstraat
met uitzicht over de Rijn en Schiekade, aan het Plantsoen of van der Werfpark,
een middagje Leidse Hout, of een dagje Katwijk aan Zee.
Aan het laatste was
onverbrekelijk verbonden het eten van snoeiharde zeekaken, geweekt in warme
melk.
Oorspronkelijk was zeekaak,
ook wel scheepsbeschuit genoemd, een broodvervanger op vissersschepen. Gortdroge
keiharde schijven gebakken meel.
Voor kinderen hachelijk
voedsel! De toenmalige plaatselijke horeca prees het gerecht aan als een
Katwijkse delicatesse alleen … het smaakte nergens naar. Toch met suiker en een
klontje boter, indien voorhanden, was het was het nog enigszins dragelijk.
Eigen meegebrachte mondvoorraad schuurde door het vele zand aan het Katwijkse
strand ieders maag.
Voor de schoolgaande jeugd
was er ook jaarlijks het min of meer verplichte dagje naar Katwijk,
georganiseerd door de Unie van Leidse Vrouwelijke Studenten of het
schooluitstapje met de Blauwe Tram naar Artis in het verre Amsterdam.
Een bezoekje aan het
Plantsoen en Park had toen echter beperkingen. Daar telde: op de wandelpaden
blijven. Lage ijzeren hekjes omzoomden de gazonnetjes en niet voor niets. Het
gras van de gazonnetjes was geen openbaar groen. Er languit op liggen of zitten
was niet toegestaan. Op akelijk-narige bordjes stond dat nadrukkelijk vermeld
en de diender hield dat scherp in de gaten. Het gebruik van de openbare weg
kende ook beperkingen. Zo was voetballen op straat streng verboden. Ruiten
konden ervan breken!
Maar kinderspelletjes
waaraan een bal te pas kwam werden oogluikend toegestaan. Toch trok de jeugd
zich weinig aan van het straatvoetbalverbod. Met een paar jongens op de uitkijk
lukte het wonderwel…! Als er een diender werd waargenomen ging iedereen er als
hazen vandoor maar … als Oom Agent je een paar dagen later ergens tegenkwam,
was je alsnog de klos.
Zo maar ergens een
hengeltje uitwerpen mocht weer wel maar het strikken van snoeken was ten
strengste verboden.
Vanzelfsprekend gingen in
die dagen maar weinig mensen echt met vakantie. Er was geen geld voor want de
meeste inwoners moesten in het naoorlogse Leiden elke cent omdraaien alvorens
het ergens aan te besteden. Heel anders dan nu. Toch waren de meeste mensen
echt wel tevreden met hun bestaan. Ik heb hen zelden ergens over horen klagen.
Tenslotte is er elk jaar drie-oktober te vieren waarvoor menig dubbeltje werd
weggelegd! En dat is verpozen in het feestgedruis.