De Zaanstreek dankt zijn naam aan de rivier de 'Zaan' die door de gehele streek stroomt. Als bewoond gebied komt zij het eerst voor op de landkaarten rond het jaar 800 na Christus. Nadat het in de prehistorie reeds een kleine tijd bewoond was geweest, maar door het wassende water weer verlaten. In die tijd vestigden de eerste mensen zich op veenheuveltjes in een gebied dat in directe verbinding stond met de zee en dus last had van de getijden. Het waren voornamelijk jagers die zich in dit waterrijke gebied ophielden.
Tijdens de middeleeuwen (rond 1000 na Chr.) werd dit gebied door dijkaanleg meer en meer bewoonbaar. In deze tijd zijn dan ook de eerste dorpen ontstaan die nu nog het karakter van de Zaanstreek vormen.
De oudste dorpen in de Zaanstreek zijn:
Zaanden, Oostzaandam, Westzaan, Assendelft, Krommenie, Wormer, Jisp en Oostzaan.
Waarbij Zaanden waarschijnlijk het oudste dorp is geweest dat lag tussen Oostzaandam en het latere Westzaandam. Rond 1100 is het dorp verwoest en nooit weer herbouwd als apart dorp. Waarschijnlijk om West- en Oostzaandam een betere bescherming te bieden tegen aggressors van buitenaf.
De eerste dorpen onstonden op de hoger gelegen gebieden die werden omsloten door een ring van lage en hogere dijken om het water van het IJ dat toendertijd nog in verbinding stond met open zee (het huidige IJsselmeer) tegen te houden. Deze dijken dienden niet alleen om het water buiten te houden maar waren tevens de verbinding tussen de dorpen. In de Zaanstreek van tegenwoordig zijn de dijken nog steeds prominent aanwezig. Niet alleen als verbindingsweg maar zeker nog om haar bewoners vrij te houden van water.
Door betere beheersing van het water ontstonden later de dorpen: Zaandijk, West-Zaandam, Koog aan de Zaan en Wormerveer
Het staat buiten kijf, dat in die tijd de mensen regelmatig natte voeten kregen door de invloed van de zeeverbinding en de beperkte kennis van dijken. Wel is duidelijk dat er toen reeds een bakermat werd geschapen voor wat in de 16e eeuw tot nu, de grootste industrieregio van Nederland zou zijn.
We schrijven de 16e eeuw, rond 1590. De 80-jarige oorlog tussen Spanje en de Nederlanden had diepe wonden achtergelaten in de Zaanstreek. Door de felle strijd die in de regio had plaatsgevonden waren vele dorpen gedeeltelijk of geheel verwoest. Het lijkt onmogelijk dat in een relatief korte tijd (ongeveer 50 jaar) de Zaanstreek zou zijn uitgegroeid tot de eerste industriestreek van Europa.
Het begon met de aanschaf van een
kleine houtzaag molen door een boer in Assendelft. Deze houtzaag molen zorgde
voor een geindustrieerde manier van houtzagen, iets wat tot dat moment geheel
met de hand ge
schiedde. De snellere manier van zagen en dus hogere produktie van
balken en planken die het grote Amsterdam zozeer nodig had voor de scheepvaart
zorgde ervoor dat veel kooplieden in de Zaanstreek hun orders plaatsten
voor hout, daar Amsterdam in eerste instantie niets van deze 'moderne' manier
van zagen moest hebben. Het duurde dan ook niet lang voordat overal in de
Zaanstreek de houtzaagmolens hun wieken op de wind lieten draaien.
In het kielzog van deze houtzaag
produktie ontstonden in de dorpen West- en Oostzaandam scheepswerven die weldra
zouden uitgroeien tot de grootste en belangrijkste in Europa. Zo
belangrijk dat Tjaar Peter de Grote, het vak als scheepsbouwer in Zaandam leerde.
Deze scheepswerven bouwden niet alleen voor de kooplieden in Amsterdam, zij
bedienden ook de schippers op de Oostzeevaart die vanuit de haven naar Portugal
en Spanje voeren om specerijen in te kopen (de VOC was nog niet opgericht en de
Portugezen en
Spanjaarden hadden nog het alleenrecht op specerijen en kruiden)
om die vervolgens in de Scandinavische landen te verhandelen en te ruilen voor
graan. Tevens was er de
jacht op walvissen in de Scandinavische wateren en de wateren van de Poolstreek.
En hier is de tweede grote
bron van welvaart voor de Zaanstreek. De walvisvaart bracht een hele hoop
nevenindustrieen met zich mee. Ten eerste moesten de gevangen walvissen worden
verwerkt, maar tevens moesten de schepen bevoorraad worden met voedsel dat lang
houdbaar bleef, scheepsbeschuiten. Wormer, Jisp, Assendelft, Oostzaan en Krommenie, waren
de dorpen die het meest profiteerden van de walvisvaart. Toen uiteindelijk de
walvisvaart eind 18e eeuw minder werd, ging het met deze dorpen economisch dan
ook slechter.
In de overige dorpen van de regio ging het economisch juist steeds beter. De grote industriebazen gingen met hun tijd mee en toen de stoommachine zijn intrede deed, verdwenen de molens langzaam uit het beeld om plaats te maken voor de grote fabrieken die er vandaag de dag nog staan.
Tegenwoordig is de Zaanstreek nog steeds toonaangevend in Nederland t.a.v. de voedings- en genotsmiddelen industrie. Namen als Verkade, Duyvis, Honig en Albert Heijn (Ahold) zijn niet alleen in Nederland een begrip maar ook internationaal nemen deze bedrijven (en dan met name Ahold) een belangrijke positie in.
Waarom nu juist de Zaanstreek?
De Zaanstreek had vier grote voordelen ten opzichte van andere regio's.
De Zaanstreek bestond voor een groot gedeelte uit polderland waar de wind vrijspel had, een gunstig gebied dus voor molens.
Door de Zaanstreek stroomt een rivier 'De Zaan' deze rivier was en is nog steeds de belangrijkste aan- en afvoerweg van produkten.
Het tegenwoordige 'Wormer- en Jisperveld' stond in open verbinding met de Zuiderzee, die weer in verbinding stond met de Oostzee bij Denemarken.
De Zaanstreek ligt onder de rook van Amsterdam, maar er toch ver genoeg vanaf om onafhankelijk te opereren.