Zodra koning winter zich werkelijk aan de grenzen van ons land meldt slaat bij menigeen de schaatskoorts weer toe. Zal het deze keer weer eens tot schaatsijs komen of wordt het weer niets?
Het Nederlandse winterweer wordt voor een belangrijk deel bepaald door ons zeeklimaat. Dit hangt samen met de ligging van Nederland aan de Noordzee en overheersende westelijke tot zuidwestelijke winden. De warme golfstroom zorgt ervoor dat het Noordzeewater normaal gesproken niet veel kouder wordt dan ca. 5°C in maart. Doordat de wind in Nederland veelal over het relatief warme zeewater voert leidt dat er toe dat de winters in Nederland doorgaans zacht zijn. Schaatsperiodes ontstaan pas als we te maken hebben met een omkering van het stromingspatroon van de lucht, waarbij de wind uit de koude oostelijke tot noordoostelijke richtingen waait, meestal veroorzaakt door een zone van hogedruk ten noorden of noordoosten van Nederland (Scandinavië). Alleen wanneer de wind gedurende enkele dagen uit oostelijke richtingen komt kan er voldoende ijs worden gevormd om te kunnen schaatsen. Het KNMI houdt als maat voor schaatsijs op sloten ed. een minimale ijsdikte van 7 cm aan.
De vorming en aangroei van natuurijs is een uiterst ingewikkeld proces dat van verscheidene factoren afhangt. Allereerst moet natuurlijk het stromingspatroon in de atmosfeer gunstig zijn zodat koude vrieslucht Nederland kan bereiken. Niet alleen de temperatuur is van belang, ook zaken als, wind, bewolking en vochtigheid zijn van grote invloed. Ook de stroomsnelheid, diepte en ligging van het water spelen een belangrijke rol. Op stilstaand water vormt zich eerder ijs dan in een stromende rivier, maar naarmate de waterplas dieper is duurt het langer voordat ijsvorming optreedt. Als er zich eenmaal ijs heeft gevormd, dan kan dit uitsluitend aan de onderzijde aangroeien. De bij bevriezing vrijkomende warmte (stollingswarmte) moet door het ijsdek worden afgevoerd. Daarom groeit bij gelijkblijvende vorst een dikker wordend ijsdek steeds trager. Onder bruggen gaat de ijsvorming langzamer omdat de uitstraling daar minder sterk is net als onder een wolkendek, het koelt dan veel minder snel af omdat er warmte onder de brug blijft hangen.
Bewolking tempert 's nachts de afkoeling, maar beschermt het ijs overdag tegen de warme zon. Is de lucht echter droog dan is ook de verdamping groot, waardoor veel warmte aan het water wordt onttrokken. Onder die omstandigheden zal het ijs ook bij een luchttemperatuur van iets boven het vriespunt aangroeien. In vochtiger lucht is dat niet het geval en zal bij temperaturen boven nul water op het ijs komen te staan.
Wind versnelt het bevriezingsproces als er al een laagje ijs aanwezig is, omdat de warmte die vrijkomt bij bevriezing dan snel wordt afgevoerd. Waait het echter vooral aan het begin van een vorstperiode stevig, dan wordt de bevriezing juist vertraagd, omdat het water dan goed mengt en het warme bodemwater omhoog komt, bovendien gaat het water meer stromen. Zo blijven de voor schaatsers zo verraderlijke wakken bestaan, die tijdens een winderige vorstperiode dagenlang open kunnen blijven. Onder een laag sneeuw groeit het ijs in de regel minder snel aan. Een sneeuwlaag op het ijs werkt als een isolerende laag of deken, waardoor vrieskou boven de sneeuwlaag niet kan doordringen tot het ijs en de stollingswarmte niet kan worden afgevoerd. Het gevolg is dat het ijs nauwelijks aangroeit. Sneeuw kan wel afsmelten van het ijs tegenhouden door weerkaatsing van de zonnestraling.
In de meeste
Nederlandse winters wordt een ijsdikte van minimaal 7 cm toch wel gedurende
een aantal dagen waargenomen. Het aantal winters waarin er niet of nauwelijks
ijs lag is op één hand te tellen (bijvoorbeeld 1975 en 1989).
De hoeveelheid ijs verschilt natuurlijk sterk van provincie tot provincie. Grofweg
kan gesteld worden dat het aantal dagen met een minimale ijsdikte van 7 cm in
Zeeland het laagst is en toeneemt naarmate men verder naar het noordoosten komt.
Het KNMI heeft op grond van bovenstaande factoren computerberekeningen uitgevoerd
van de ijsdikte in Midden-Nederland over de afgelopen 30 jaar. Een ijslaag van
meer dan 10 cm komt in sommige winters gedurende tientallen dagen voor. In de
winter van 1991 (die gebaseerd op hellmannpunten aan de koude kant was, maar
minder koud dan de winter van 2002-2003!) was dat op 18 dagen het geval, in
de zeer strenge winter van 1963 zelfs op 80 dagen. Die winter moet het ijs een
dikte hebben gehad van ruim 40 cm. In de koude winter van 1996 bereikte het
ijs een dikte van 25 cm en dat was 3 tot 4 cm minder dan in de winter van 1979
en in de winters van 1985, 1986 en 1987. Op 11 januari 1997, aan het eind van
de, zeer felle, vorstperiode, was het ijs in De Bilt aangegroeid tot 32 cm en
daarmee hadden we in De Bilt de dikste ijslaag sinds de strenge winter van 1963.
Wanneer we bovenstaande figuren in ogenschouw nemen dan blijkt dat de winters van de laatste jaren niet eens zo slecht scoorden. De winter van 1996 telde (in Friesland weliswaar) net iets minder dagen met een minimale ijsdikte van 7 cm dan de ijskoude winter van 1947 en zelfs meer van deze dagen dan die van 1963 (de koudste van de eeuw). Nu was de winter van 1996 vooral in het noorden van het land opvallend lang en koud.
Op de site van het KNMI is een verwachting voor de ijsdikte van de komende tijd te vinden. Hieronder ziet u een voorbeeld van donderdag 5 december 2002, aan het begin van de eerste vorstperiode van de laatste winter die schaatsijs produceerde, de winter van 2002-2003. De rode lijn geeft de meest waarschijnlijke verwachting aan (omdat voor deze berekening de grootste hoeveelheid gegevens is gebruikt). De overige lijnen geven andere mogelijke oplossingen. Deze ijsverwachting van het KNMI is te vinden op de site van het KNMI. Ga naar www.knmi.nl, ga vervolgens naar ‘voorlichting’, daarna naar ‘achtergrond’ (aan de linkerzijde van de pagina) en zoek vervolgens in het menu op ‘ijsaangroei’. Klik het artikel met de titel ‘IJsaangroei’ aan en klik in het bericht linksboven op de link ‘verwachte ijsaangroei’.
Bronnen:
- KNMI, IJsaangroei en ijsdikte (www.knmi.nl)
- H.R.A. Wessels, IJsbedekking in Friesland gedurende de 20ste eeuw (www.knmi.nl)
- Meteoconsult, De winter komt! Wordt het schaatsen? (www.meteoconsult.nl, 5-12-2002)